Try, trai, subst. proef, poging; — verb. beproeven, onderzoeken, op de

proef stellen, verhooren (rechtbank), aanwenden, verleiden,

ondervinden, ijken, aangrijpen, veel vergen, uitbraden, raffineeren,

inschieten: To have a — at = eens probeeren; I have tried hard to do it

= ik heb terdeeg mijn best gedaan; I will — conclusions with him = het

tegen hem opnemen; That tries the eyes = vermoeit de oogen; Such work

tries a man = pakt je aan; We will — this quarrel hilt to hilt = dezen

strijd met de degens uitmaken; To — on = passen; probeeren: I tried on

my new coat = paste; To — it on = bedriegen, van bedrog leven;

probeeren hoeveel het (met iemand) lijden kan; To — out = doorzetten,

uitsmelten: We will — the matter out = wij zetten door tot de zaak

beslist is; He was tried and condemned = verhoord en veroordeeld;

—-sail = gaffelzeil, bezaan; —-your-weighter = automat. weegmachine.

Zie Trying.

Trygon, traigən, pijlstaartrog.

Trying, trai-iŋ, lastig, smartelijk, moeielijk: Such things are — to a

man = hard voor; A — climate = ongezond klimaat; He is very — = geeft

veel last.

Tryst, trist, (plaats van) afgesproken bijeenkomst; —ing-place = plaats

van bijeenkomst.

Tsar, tsâ, Czaar; Tsarevitch, tšârəvitš, tšâreivitš; Tsarina, tšârinə,

Tsaritsa, tšaritsə.

Tsetse, tsetsə, tsetsevlieg.

T-square, tîskwêə, teekenhaak = T.

Tub, tɐb, subst. tobbe, klein vat, badtobbe, lompe boot, kansel; —

verb. in een tobbe doen, baden, een kuipbad nemen: Tale of a — =

bakersprookje; —s = boterkooper; —-fish = knorhaan; —-frock = japon,

die gewasschen kan worden; —-man = een der twee bekwaamste advocaten

van het vroegere Court of Exchequer (de andere werd Postman genoemd);

—-pair = soort v. roeiboot; —-thumping = lawaaierige oratie; —ber =

soort v. houweel; —by = tobvormig, tonvormig; dof klinkend.

Tuba, tjûbə, tuba (muziekinstr.).

Tube, tjûb, subst. buis, pijp, tube, kanaal, lampeglas; — verb. van

pijpen of buizen voorzien: The — = de ondergrondsche spoorweg in

Londen; India-rubber — = gummislang; Test-— = reageerbuisje.

Tuber, tjûbə, vleezig gezwel, knol, aardappel; Tubercle, tjûbək’l,

knolletje, kleine tuberkel; Tubercular, tjubɐ̂kjulə, vol knobbels of

tuberkels: — consumption; Tuberculous, tjubɐ̂kjulɐs, lijdende aan

tuberculose, vol tuberkels; Tuberculosis = tuberculose; Tuberose,

tjûbərous, tjûbərous, subst. tuberoos (plant); adj. met knobbels of

uitwassen; subst. Tuberosity, tjûbərositi, knobbeligheid, gezwel,

zwelling; Tuberous = Tuberose.

Tubular, tjûbjulə, buis-, koker- of cylinder-vormig; — boiler =

stoomketel met vlampijpen; — bridge = kokerburg; — post =

luchtdrukpost; Tubule, tjûbjûl, pijpje, buisje; Tubuliform = in den

vorm van een buisje.

Tuck, tɐk, subst. opnaaisel, omslag, netje, lekkernijen, eetlust;

trommelslag, rapier; — verb. opschorten, omslaan, inslaan, optrekken,

vouwen, opstroopen, instoppen, zich zat eten (out), vollen (van laken),

tokken (van eene kip): — of drum = slag op trom; It was nip and — with

us = het kwam er op aan, was een strijd op leven en dood; —-shop =

suikerbakkerij; —-in (= —-out) = traktatie; I have —ed them in warmly =

heb ze ingestopt; The handkerchief about his neck was —ed in at the

bosom = was (nl. de punten er van) in zijn borst gestopt; He —ed up his

sleeves = stroopte op; They —ed him up as best they could = pakten hem

in; Tucker = kanten halskraag of chemisette; Tuck(ing)-mill = volmolen.

Tucum, tjûk’m, Z.-Amer. palmsoort.

Tudor, tjûdə, subst. en adj. (van) Tudor: — style = Gothisch-Engelsche

bouwstijl.

Tuesday, tjûzdi, Dinsdag.

Tufa, tjûfə, tufsteen; —ceous, tjufeišəs, gelijkend op, bestaande uit

—.

Tuff, tɐf, tuf(steen).

Tuft, tɐft, subst. bosje (haar), kuif, trosje, hoop, groep, kwast (aan

muts, etc.), spitse baard; — verb. in bosjes of hoopjes verdeelen

(groeien), met kwastjes of trosjes versieren: Ricquet-with-a-—;

—-hunter = klaplooper, flikflooier; —ed = met kwastje of trosjes

versierd, met spitsen kinbaard, in trosjes groeiend.

Tug, tɐg, subst. krachtige haal, ruk, sleepboot, rommelwagen of

rammelkast; — verb. krachtig trekken of halen, rukken, sleepen: — of

war = touwtrekken; The real — of war will come on the electoral

question = de ware strijd; I had a hard — of it = het heeft me veel

moeite gekost; He was —ged like a dog by fate = door het lot als een

hond heen en weer gesleept; We were —ging against wind and tide =

roeiden tegen; —boat = sleepboot.

Tuition, tjuiš’n, onderwijs, opzicht; adj. —al = —ary.

Tula, tûlə, stad in Rusland; kookplaats (Indië); —-metal = allooi van

zilver, koper, lood en zwavel.

Tulip, tjûlip, tulp; Tulipomania, tjûlipəmeinjə, tulpenmanie (17e

eeuw); adj. en subst. Tûlipomaniac.

Tulle, tûl, tule.

Tumble, tɐmb’l, subst. val, buiteling, verwikkeling; — verb. rollen,

vallen, buitelen, neervallen, neergooien, opgooien, onderstboven

gooien, tuimelen, bewegingen en verdraaiingen met het lichaam maken;

—-down = bouwvallig: It would be good to improve those —-down

fever-dens off the face of the earth = die bouwvallige koortsholen van

den aardbodem te doen verdwijnen; To — in = naar kooi gaan; To — to =

bemerken, begrijpen, vatten, snappen, op krijgen met, aanpakken; — up,

will you? = allo uit je bed; Tumbler = buitelaar, kunstenmaker,

tuimelaar (glas of duif), glas zonder voet; Tumbling tricks = kunsten

van acrobaten.

Tumbrel, tɐmbr’l, Tumbril, tɐmbril, mestkar, stortkar, ammunitiekar.

Tumefaction, tjûmifakš’n, zwelling, gezwel, puist;—verb. Tumefy; Tumid,

tjûmid, gezwollen, uitgezet, bombastisch; —ity, tjumiditi,

gezwollenheid, hoogdravendheid = —ness; Tumour, tjûmə, gezwel, zweer,

puist.

Tump, tɐmp, subst. heuveltje; — verb. aanaarden, eene hoogte vormen om

eene plant; een gedood dier naar huis sleepen (Amer.).

Tumtum, tɐmtɐm, een W.-Ind. pisangschotel; maag (scherts.); dog-cart

(Anglo-Ind.).

Tumult, tjûmɐlt, opschudding, beroering, opwinding, verwarring, oploop;

—uariness, tjumɐltjuərinəs, subst. v. —uary, tjumɐltjuəri, verward,

opgewonden, oproerig, ontstuimig = —uous, tjumɐltjuəs; subst.

—uousness.

Tumulus, tjûmjulɐs, grafheuvel.

Tun, tɐn, vat, ton (van seer verschillende afmetingen voor wijn, bier,

etc.); gistvat eener brouwerij, zuiplap; — verb. in ’t vat doen;

—-bellied = met ronden, dikken buik.

Tunbridge, tɐnbridž, stad in Kent; —-ware = kastenmakerswerk met

ingelegde stukken van verschillend gekleurd hout.

Tundra, tûndrə, tundrə, toendra.

Tune, tjûn, subst. klank, toon, wijsje, melodie, juiste toonhoogte,

stemming, harmonie; eendracht, gemoedsgesteldheid, stemming; — verb.

stemmen, aanheffen, zingen, doen aanpassen: The — the old cow died of =

een echte treurzang; I’ll make you sing another (change your) — = zal

je wel anders leeren; To be in — = gestemd, gemutst; My piano is out of

— = ontstemd: He was rather out of — to-day = niet erg gestemd; That

costs to the — of fifty pounds = dat zal zoowat vijftig p. kosten; —ful

= welluidend, zangerig; subst. —fulness; —less = klankloos, stil,

onwelluidend; —r = stemmer.

Tungsten, tɐŋst’n, wolfram; Tungstic acid.

Tunic, tjûnik, tunica, militaire rok, vlies; —le = kleine tunica,

vliesje.

Tuning, tjûniŋ: —-fork = stemvork; —-hammer, —-key = stemhamer,

stemsleutel.

Tunis, tjûnis; Tunisian = (bewoner) v. T.

Tunkers, tɐŋkəz, sekte van Duitsch-Amerikaansche wederdoopers =

Dunkers.

Tunnage, tɐnidž, tonnemaat. Zie Tonnage.

Tunnel, tɐn’l, subst. pijp, schoorsteenpijp, tunnel, fuik (= —-net); —

verb. (als) een tunnel maken door (onder), doorboren, in een fuik

vangen: —s of light = lichtbundels; —-pit, —-shaft = toegang tot het

midden van een tunnel van uit den bovengrond.

Tunny, tɐni, tonijn.

Tup, tɐp, subst. ram; — verb. dekken, bokken.

Turan, tjûrân; Turanian, tjûreinj’n.

Turban, tɐ̂b’n, tulband, tulbandvormige hoofdtooi.

Turbid, tɐ̂bid, troebel, modderig, drabbig; verward, onrustig,

stormachtig; subst. Turbidity = —ness.

Turbinate, tɐ̂binit, ronddraaiend, spiraalkegelvormig.

Turbine, tɐ̂bin, turbine; —-steamer.

Turbit, tɐ̂bit, meeuwtje (soort duif).

Turbot, tɐ̂bət, tarbot.

Turbulence, Turbulency, tɐ̂bjulens(i), onstuimigheid, beroering,

oproerigheid, rumoerigheid; adj. Turbulent.

Turco, tûəkou, tɐ̂kou, Fransch soldaat in ’t Algerijnsche kol. leger.

Turd, tɐ̂d, drek.

Tureen, tjurîn, soepterrine; —-ladle = soeplepel.

Turf, tɐ̂f, subst. zode, grasveld, plag, turf; renbaan; — verb. met

zoden of plaggen beleggen: Black heaps of — = stapels turf; A sod of —

= zode; He is on the — = leeft van (doet aan) wedrennen en wedden op

renpaarden; I have broken with the — and sold my stud off = doe niet

meer aan de rensport; —-clad = met zoden bedekt; —-cutter; —-fire;

—-hedge = scheiding door eene bank van zoden; —-house = stulp van

plaggen; —-moss = veenland; —man = liefhebber van rensport; —-seat =

zodenbank; —-spade = spade om zoden te steken; —ing: —ing-iron,

—ing-spade = spade voor het steken van zoden; —less = zonder zoden;

Turfite, tɐ̂fait = —man; Turfy = vol zoden; tot wedrennen of de renbaan

behoorende.

Turgent, tɐ̂dž’nt, gezwollen, opgeblazen: Turgescence, Turgescency,

tɐ̂džes’ns(i), opgezwollenheid, opgeblazenheid; Turgescent = zwellend;

Turgid, tɐ̂džid, gezwollen, opgeblazen, hoogdravend; subst. —ity,

tɐ̂džiditi = —ness.

Turin, tjûrin, Turijn; Turinese, tjûrinîz, tjûrinîs, (bewoner) van T.

Turk, tɐ̂k, Turk: Turk’s head = “kop van Jut” op kermissen; ragebol;

—ish, subst. en adj. Turksch(e taal): —ish bath = bad (van 116° tot

165°); —ish delight = soort v. lekkers; —ophile, tɐ̂kəfail,

Turkenvriend.

Turkey, tɐ̂ki, Turkije, kalkoen: To talk —; Zie Talk; —-bird (Zie

Wry-neck); — carpet = Turksch vloerkleed, Smyrnasch tapijt; —-cock =

kalkoensche haan: She turned as red as a —-cock; —-hen = kalkoensche

hen.

Turmoil, tɐ̂môil, verwarring, ontsteltenis, herrie, sloven; — verb. in

onrust zijn, zich afsloven.

Turn, tɐ̂n, subst. draai, omwenteling, bocht, kromte, hoek,

wandelingetje, verandering, wisselvalligheid, gelegenheid, aanleiding,

doel, daad, voorval, dienst, mode, strekking, gedaante, aard, neiging,

luim, stemming, poets, grap, beurt, karweitje, zenuwschok,

woordstelling (in een zin), ophanging, etc.; — verb. wenden, keeren,

draaien, vormen, omkeeren, aanwenden, richten, strekken, overhalen,

bekeeren, verdraaien, veranderen, vertalen, overbrengen, overpeinzen,

doen gisten, schiften, verzuren, walgen, terugkeeren, weerstaan (een

vijand), weifelen, etc.: A — of fate = lotswisseling; In the — of a

hand = in een oogenblik; At the — of the river, road = bij de bocht;

The — of a wager = de kans; His answers are mere —s of wit = geestige

zetten, wendingen; A — of work = klein karwei; One good — deserves

another = de eene dienst is den anderen waard; I am good for a — at any

game = doe gaarne mee aan een spelletje; There is a quaintness of — in

his style = zijn stijl heeft een zonderling cachet; The news gave me

such a — = deed me erg schrikken; That soldier seems to have a — for

desertion = neiging tot desertie te hebben; That will hardly serve your

— = dat zal je wel niet kunnen dienen; We must take —s = elkaar

afwisselen; Things have taken a favourable — = een gunstigen keer

genomen; He does so at every — = bij elke gelegenheid; We must go there

by —s, in —(s) = om beurten; You must do it in — = op uwe beurt; Each

in his — = ieder op zijne beurt; The tide was on the — = het getij

begon te kenteren; Done to a — = goed gaar; — for — = leer om leer;

These advantages —ed to real account = leverden inderdaad wat op; My

brain (head) —s = ik word duizelig; The leaves — in autumn = worden

geel; The mutton has —ed with the hot weather = is bedorven; We were

—ed adrift = wij werden aan wind en golven ten prooi gegeven; He —ed

aside = keerde zich om; To — loose = loslaten (van honden bijv.); To —

pale = bleek worden; To — sour = zuur worden; He —ed his back = hij

draaide zich om, hij vluchtte; He —ed his back (up)on us = wendde ons

den rug toe (ook fig.); It —ed the balance (scale) = deed de schaal

omslaan; He has —ed his coat = is afvallig geworden; She —ed colour =

verschoot van kleur; To — the corner = het hoekje (crisis van een

ziekte) te boven zijn, beter worden; The railway-shares have —ed the

corner and are increasing = hebben zich hersteld en gaan omhoog; To — a

couplet = een versje maken; She can — an epigram and point a satire =

iets geestig zeggen en satiriek zijn; He shaved twenty men and never

—ed a hair = en sneed hen geen enkele maal; To — one’s hand to = zich

toeleggen op; He could — his hand to many things = kon van alles maken;

The news has —ed his head (brain) completely = heeft zijn hoofd op hol

gebracht; He —ed informer on me = hij verklikte mij; Will you — the

key? = omdraaien; A merchant must — his money = steeds omzetten; I will

try to — a penny = een duit te verdienen; — the points = verzet den

wissel; To — the enemy’s position = omtrekken; To — soldier = soldaat

worden; The medicine —s my stomach = ik walg van; The tables were —ed =

de bordjes werden verhangen; I —ed the tables upon him = sloeg hem met

zijn eigen wapens; deed de kans keeren; To — tail = op de vlucht gaan;

To — turtle = omslaan: Everything has —ed turtle = alles ligt overhoop;

To — about = zich omkeeren; — again = keer terug, om; To — away = zich

afwenden: He —ed away from the path of duty = verliet; I have —ed him

away = weggezonden, ontslagen; To — money away = opsparen, wegleggen;

To — back = omkeeren, terugkeeren; The leaf was —ed down (back) at the

top = het blad was bovenaan omgeslagen; Everything was —ed upside down

= onderstboven gekeerd; —-down = omgeslagen, dubbelgevouwen; ook subst.

liggende boord; — of a letter = omgevouwen rand; I have —ed it in =

naar binnen gevouwen; He —ed it in his mind = overlegde het bij

zichzelf; To — in = naar kooi gaan; He —ed in with me = ging met mij

naar bed; The road —s in and out = kronkelt gedurig; To — into =

veranderen in; — this into Dutch = vertaal dat in ’t N.; He —ed German

ballads into English verse = bracht ... over; He —ed of a deadly colour

= werd doodsbleek; He is —ed (of) fifty = boven de vijftig; The hour

was —ed of six = het was over zes; To — off the gas, the steam =

uitdraaien, afsluiten; To — off an article = op ’t papier gooien; To —

on the gas = de gaskraan open zetten; She —ed on her tears = begon te

schreien; Everything —s on your answer = hangt af van; The fate of the

country —s on the king’s decision = hangt af; — him out = zet hem de

deur uit; We have —ed out the cows = de koeien in de weide gedaan; It

—ed out wrong, right = kwam verkeerd, goed uit, liep verkeerd, goed af;

He did not — out much = het resultaat van zijn arbeid was gering; I

have —ed it inside out = heb het binnenste buiten gekeerd; He will —

out trumps after all = toch nog een flinke vent worden; It —ed out to

be = bleek te zijn; The book is well —ed out = ziet er keurig uit; A

well —ed-out stranger = net gekleed; His clothes had been —ed out by

the best tailor = waren geleverd; —-out = pronk, pak, vertooning, mooie

equipage, groote menigte, ontvangst, afmarsch, werkstaking,

uitsluiting, wisselspoor, opbrengst; He —ed over more than fifty

thousand pounds a year = zette om; We have —ed over a new leaf = zijn

met een nieuw blad, een heel ander leven begonnen; He —ed over and

continued reading = sloeg het blad om; I have —ed it over and over =

van alle kanten bekeken; The money was —ed over to the owner = werd

overgemaakt aan den eigenaar; The boat was —ed over = werd omgeworpen,

sloeg om; I —ed it over in my mind = ik overlegde het bij mijzelf; Let

us — over = van plaats veranderen; —over = onderstboven werping, soort

gebak, omzet; adj. omgeslagen, ingericht om om te slaan: —over table =

klap(speel)tafeltje; He —ed round = veranderde van houding, keerde zich

om; She loved him for some time, and then —ed round (to another) =

zette toen haar zinnen op een ander; I must have time to — round = tijd

om te overleggen of overwegen; His eyes were —ed to the stage = op het

tooneel gericht; What shall I — to? = wat zal ik nu doen, nu aanpakken;

You must try to — this to profit, advantage, account = trachten te

profiteeren van; To — up = omhoogslaan, omslaan, opduiken, te

voorschijn komen, gebeuren etc.: I hope something will — up in time =

dat er zich nog wat zal voordoen (opdoen); — up page the seventh = sla

op; — it up = schei uit daarmee! To — up one’s nose at = den neus

optrekken voor; I —ed his arguments upon himself = sloeg hem met zijn

eigen woorden; I —ed upon him suddenly = draaide me plotseling naar hem

om, viel hem aan; The conversation —ed upon all kinds of topics = liep

over allerlei onderwerpen; She will be married —ed Michaelmas = na;

—-bench = kleine draaibank; —-cap = schoorsteengek; —-coat = afvallige;

—-cock = opzichter v. de waterleiding; —-down collar; —dun = snorder

(jongensspeelgoed); —key = cipier; —pike = tolhek, slagboom,

wenteltrap; —pike-man = tolgaarder; —pike-road = straatweg met tollen;

—-screw = schroevendraaier; —-sick = draaiziek; —sole = kroontjeskruid;

heliotroop; —spit = spitomdraaier; —stile = molentje, haspel op

voetpaden; —-stone = soort steenlooper; —-table = draaischijf (op

spoorwegen); —er = kunstdraaier, varieteit van duif; —ery =

kunstdraaierij, draaiwerk; Turning, subst. draai, bocht, afwijking,

kronkeling: —-lathe = draaibank; —-platform = draaischijf (voor

spoorwagens); —-point = keerpunt.

Turnip, tɐ̂nip, raap, knol, dik horloge; —-radish = knolradijs.

Turpentine, tɐ̂p’ntain, terpentijn; Terpentiny = met terpentijn bedekt,

vol terpentijn.

Turpitude, tɐ̂pitjûd, laagheid, verdorvenheid.

Turquoise, tɐ̂kôiz, tɐ̂kîz, tɐ̂koiz, turkoos (edelsteen).

Turret, tɐrət, torentje, draaibare toren op een oorlogschip; —-ship =

torenschip; —ed = met torentjes; Turriculate(d), tərikjulit(-eitid),

gelijk een torentje, voorzien van torentjes.

Turtle, tɐ̂t’l, subst. tortelduif; zeeschildpad(soep); — verb.

schildpadden vangen; —-back = helmslak; —-dove = tortelduif; —-shell =

schildpad; —-soup = schildpadsoep.

Tuscan, tɐsk’n, subst. Toskaner; adj. van Toskane: — order =

Toskaansche bouwstijl; Tuscany = Toskane.

Tush, tɐ̂š, pst! stil! poe! hoektand.

Tusk, tɐsk, slagtand (v. olifant of wild zwijn): —ed = met slagtanden;

—er = olifant of wild zwijn met goed ontwikkelde slagtanden; —y = —ed.

Tussaud, tusou.

Tussle, tɐs’l, subst. worsteling, kloppartij; — verb. worstelen,

vechten: We had a sharp — with the enemy = een vinnigen strijd.

Tussock, tɐsək, bosje, lok, bosje gras, heuveltje; adj. —y.

Tut, tɐt, st! pst! stil! poeh! och kom!

Tutelage, tjûtəlidž, voogdij(schap), onmondigheid; Tutelar(y),

tjûtələ(ri), beschermend: — angel; — spirits = beschermgeesten; Tutor,

tjûtə, subst. voogd, (privaat)onderwijzer, een der professoren aan een

college belast met het algemeen toezicht (= College —), of die de

studie leidt (Private —); — verb. onderwijzen, berispen; —ial,

tjutôriəl, behoorende tot, uitgeoefend door een Tutor; —ship =

voogdijschap; onderwijzersbetrekking, tutorschap.

Tutta, tutâ, geheel; Tutti, tuti, allen (muz.).

Twaddle, twod’l subst. beuzelpraat, gewauwel; — verb. wauwelen,

kletsen; —r = leuteraar.

Twain, twein: In — = in tweeën.

Twaite, tweit, elft. Z. Thwaite.

Twang, twaŋ, subst. scherp geluid, neusgeluid, neusklank, smaakje,

onaangename smaak; — verb. gonzen, klinken, aanslaan, doen klinken,

eruit gooien (out): There is a — about it = er is een leelijk smaakje

aan; To speak with a — = door den neus spreken; The —ing of a

full-toned guitar = het scherpe geluid van eene krachtige guitaar; A

—ing sound = scherp, doordringend geluid.

Twankay, twaŋkei, ordinaire groene thee.

’Twas, twoz, samentr. van It was.

Tweak, twîk, subst. kneep, klem (fig.); — verb. knijpen: To — a person

by the nose, To — a person’s nose = iemand bij zijn neus trekken.

Tweed, twîd, stof voor manskleeren; adj. van tweed: Heather — = bruine

—.

Tweedle, twîd’l, zacht strijken over, vedelen, doedelen, vleien,

bepraten: He insisted upon the difference between —dum and —dee = het

verschil tusschen een half dozijn en zes.

Tweel, twîl; Zie Twill.

’Tween, twîn, samentr. van Between.

Tweeze, twîz, étui met instrumenten = —r-case; A pair of —rs =

haartangetje.

Twelfth, twelfth, subst. en adj. (het) twaalfde; —-cake =

driekoningengebak; —-day (—-tide) = Driekoningen; —-night = de avond

van (vóór) Driekoningen; Twelve, twelv, twaalf: The — = de twaalf

apostelen, de twaalve; Some writers strike — all at once = verschieten

hun kruid al dadelijk; —month = een jaar: In a —month, A —month hence,

By this time —month, This day —month = over een jaar, in een jaar;

—pence = een shilling; —penny = van twaalf stuiver waarde; —score =

240, afstand van 240 yards, boogschotsafstand.

Twentieth, twentiəth, subst. en adj. (het) twintigste; Twenty, twenti,

twintig.

Twibill, twaibil, tweesnijdende bijl, hellebaard.

Twice, twais, tweemaal; —-told = tweemaal verteld, welbekend.

Twiddle, twid’l, langzaam ronddraaien; zich snel omdraaien, glinsteren,

spelen met: To — one’s thumbs = duimpje draaien, de handen in den

schoot leggen.

Twig, twig, subst. takje, wichelroede; — verb. opletten, gadeslaan,

“snappen”: Just as the — is bent, the tree is inclined = jong gewend,

oud gedaan; In prime — = naar de nieuwste mode; I —ged you there = daar

had ik je, snapte ik je; Twiggy = vol takjes.

Twilight, twailait, subst. schemering, flauw idee; adj. schemerend,

onduidelijk.

Twill, twil, subst. keper; — verb. keperen.

Twin, twin, subst. tweeling: adj. tweeling—, dubbel, gepaard; — verb.

paren, gepaard zijn, tweelingen werpen: The —s = Tweelingen

(sterrenbeeld); —-born = tegelijk geboren; —-brother = tweelingbroeder;

—-sister = tweelingzuster.

Twine, twain, subst. draai, kronkeling, omarming, twijn, getwijnd

garen, touw; — verb. draaien, twijnen, omarmen, samenweven, kronkelen,

zich slingeren: The ivy —d about the old tree = slingerde zich.

Twinge, twinž, subst. plotselinge pijn, steek, kneep, wroeging; — verb.

knijpen, nijpen, steken, pijn doen: She felt —s of conscience for

treachery = had gewetensknaging over haar verraad; A — of the gout,

jealousy = aanval; My side —s = ik heb steken in de zijde.

Twinkle, twiŋk’l, subst. schittering, flikkering, fonkeling,

oogenblikje; — verb. fonkelen, schitteren, flikkeren: In a — = the

twinkling of an eye = in een oogwenk.

Twinter, twintə, koe of schaap van 2 jaar, twenter.

Twirl, twɐ̂l, subst. snelle draai, pirouette; — verb. snel (doen)

ronddraaien: To give a thing a — = laten draaien; I —ed the teetotum =

zette het A-al-tolletje; To — one’s thumbs = duimpje draaien; She —ed

in a polka = danste de polka.

Twist, twist, subst. draai, bocht, kronkel(ing), vlecht, spuuglok,

koord, tabak in rollen gedraaid, verrekking, verwikkeling; mengsel van

brandewijn en jenever; — verb. draaien, vlechten, twijnen, (zich)

wringen, strengelen, kronkelen, winden, verdraaien: I can — him round

my (little) finger = hem om mijn vinger winden; To — up one’s

mustachios = opdraaien; A —ed note = knijpbriefje; Twister =

verdraaiing, moeielijk vraagstuk, leugen; wervelwind (Amer.), met een

draai weggeslingerde bal (cricket): He can spin a — = liegen of het

gedrukt staat; Twisty = vol kronkels en bochten; A —-twirly imp = een

verdraaide, in allerlei bochten verwrongen kabouter.

Twit, twit, plagen, verwijten, honen: I —ted him with his superhuman

patience = ik verweet hem.

Twitch, twitš, subst. plotselinge ruk, zenuwtrekking (= Convulsive —);

— verb. rukken, grijpen, eene zenuwtrekking hebben.

Twite, twait, ringmusch, boommusch.

Twitter, twitə, subst. gekweel, gesjilp, gepiep, trilling,

zenuwachtigheid, schrik; — verb. kweelen, sjilpen, trillen van

begeerte: To be (all) in (of) a — = beven van angst.

Twittle-twattle, twit’ltwot’l, gewauwel.

’Twixt, twikst, samentr. van Betwixt: A mere — and between =

tusschending.

Two, tû, twee(tal): I will make him do so in — —s = “één, twee, drie”;

I could smash him like — —s = kon hem te pletter slaan; To bite, cut,

tear in — = in tweeën; He will always put — and — together = zijne

gewoonte is te vergelijken, alles in aanmerking te nemen; A —-edged

sword = tweesnijdend; —-faced = met twee gezichten, bedriegelijk,

onoprecht; —fold = tweevoudig, dubbel; A —-foot ruler = liniaal van

twee voet; —-handed = met twee handen (te hanteeren); We made a —-hour

stop at the hotel = rustten twee uur; —-masted; —-pair = twee trappen

hoog: A —-pair front (back) = voorkamer (achterkamer) twee hoog;

—pence, tɐp’ns, dubbeltje: He is not good for —pence = geen lor waard;

Not to care —pence for = geen lor geven om; —penny, tɐpəni, van twee

stuiver waarde, gering: —penny tube = electr. ondergrond. Londensche

spoorweg; —penny-half penny, tɐp’ni-heip’ni, van geringe waarde,

onbeteekenend; —tails = olifant.

Tybalt, tibəlt; Tyburn, taibən, vroegere gerechtsplaats (Londen);

—-tree = galg.

Tyke, taik, hond; bewoner van Yorkshire.

Tyler, tailə, Zie Tiler.

Tymbal, timb’l, bekken, keteltrom.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 128 / 141 段