= ijzel; The — set in = het begon te dooien; It —s.
The, dhə, dhi (vóór een klinker), dhî (met nadruk), de, het: — more —
merrier = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde; — sooner — better = hoe
eerder hoe beter; — more I see you — better I like you = hoe meer ik u
zie, hoe meer ik van u houd; — more so, as I do not know him = des te
meer omdat; — rather = temeer; So this — grand-daughter, is it? = je
kleindochter; — Lady Grace Eveleigh = Freule G. E. (meer officieel dan
zonder ’t lidwoord); — Douglasses’ house = der familie D.
Theatre, thîətə, theater, schouwburg, toeneel, medische gehoorzaal: —
of war = oorlogstooneel; —-goers = bezoekers; Theatrical, thiatrik’l,
theatraal: —s = tooneelvertooningen: Private —s = liefhebberijtooneel;
Theatricality, thîatrikaliti, theatrale manier van doen, vertoon.
Theban, thîb’n, subst. en adj. Thebaan(sch): — year = 365 d. en 6 u;
Thebes, thîbz, Thebe; Thecla, theklə.
Thee, dhî, u (object van Thou): They — and thou each other = spreken
elkaar aan met je en jou.
Theft, theft, diefstal.
Theina, thiainə, Theine, thî-in, theeïne.
Their, dhêə, hun, haar; —s = van hen, van haar: These books are —s =
zijn de hunne.
Theism, thîizm, theïsme; Theist; adj. Theistic(al).
Them, dhem, hen, haar (object van They); —selves, dh’mselvz, zich
zelven, zij zelven.
Thematic, thimatik, thematisch; Theme, thîm, onderwerp, thema, stam,
(gram.).
Themis, thîmis, Themis.
Then, dhen, adj. toenmalig; adv. en conj. toen, dan, later, alsdan,
daarom, diensvolgens, derhalve: The — measures were insufficient = toen
genomen; You might have had a bad fall — = daar had je leelijk kunnen
vallen; What did he say —? = wat zei hij daar toch; Did he laugh at
you? — he ought not = maar dat moest hij niet; I hear his footstep, —
he is back = dus is hij terug; I think, — I exist = ik denk, dus besta
ik; By — = tegen dien tijd; On —! = vooruit! If he sees us, what —? =
wat zou dat, wat hindert dat; Now and — = nu en dan; Every now and — =
telkens; Now —, what can you say to the contrary? = welnu; — and there
= onmiddellijk, op staanden voet; Till — = tot dien tijd, tot zoolang;
Not until — = eerst toen; Thence, vandaar, derhalve: From — = van uit
die plaats; —forth, dhensföth, —forward, dhensföwəd, van dien tijd af
aan.
Theobald, thîəbôld.
Theocracy, thiokrəsi, theocratie; Theocrat; Theocratic(al) =
theocratisch; Theodicy, thiodisi, theodicee.
Theodora, thîədôrə; Theodore, thîədö.
Theogony, thiogəni, theogonie; Theologian, thiəloudž’n, godgeleerde;
Theologic(al), thîəlodžik(’l), theologisch: The — virtues are: Faith,
Hope and Charity = de goddelijke deugden zijn: Geloof, Hoop en Liefde;
Theologize, thiolədžaiz, theologiseeren; Theology, thiolədži,
theologie: Natural — = de kennis Gods uit Zijne werken.
Theophilus. thiofilɐs.
Theorbo, thiöbou, theorbe, groote basluit.
Theorem, thîər’m, theorema; adj. —atic(al).
Theoretic(al), thîəretik(’l), theoretisch; Theoretics = het theoretisch
gedeelte eener wetenschap; Theorist, thîərist, theoreticus; Theorize =
theoretiseeren: —r; Theory, thîəri, theorie: His practice falls short
of his — = zijne praktijk haalt niet bij zijne theorie.
Theosophy, thiosəfi, theosophie.
Therapeutic(al), therəpjûtik(’l), therapeutisch; —s = therapie.
There, dhêa, daar, er: When did he leave — = wanneer is hij vandaar
vertrokken; You are right (wrong) — = daar hebt ge gelijk (ongelijk)
aan; Here and — = hier en daar; Then and — = op dat zelfde oogenblik (=
— and then); I am all — = ik weet drommels goed wat ik doe; — you are!
= klaar is ’t; alstublieft; — is a horse for you = dat is nog eens een
paard! I am no match for you — = in dat opzicht kan ik niet tegen u op;
You have got a tile off and are not all — = je bent niet recht bij het
hoofd, en weet niet wat je doet; That to me is everything! So —! = nu
weet je het; en daarmede basta! Stop, —’s a good fellow = dan ben je
een beste; —about(s) = daaromtrent: A guilder or —abouts = een gulden
of daaromtrent; —after = daarna, volgens dat, daarnaar; —anent = met
betrekking tot dat punt; —at = daar, om die reden, bovendien: He is
poor and a fool —at = en een dwaas op den koop toe; —by = daarnevens,
daardoor, diensvolgens, daaromtrent; —for = hiervoor; —fore = daarom,
daarvoor, met dat doel; —from = daarvan, daaruit; —in = daarin, hierin;
—into = daarin; —of, dhêrov, hier- of daarvan; —on = hier- of daarop,
er op; —out = daaruit; —to = daar- of hiertoe, buiten en behalve;
—under = daaronder; —unto = daartoe; —upon = hier- of daarop, ten
gevolge daarvan, dadelijk; —with = daarmede, onmiddellijk; —withal,
dhêəwidhôl, daarbij, terzelfdertijd, daarenboven.
Theresa, tərîsə, Therese.
Thermae, thɐ̂mî, heete bronnen of baden; adj. Thermal: — waters, —
springs; — unit = warmte-eenheid.
Thermit, thɐ̂mit, thermiet.
Thermometer, thɐ̂mometə, thermometer: A clinical —.
Thermopylae, thɐ̂mopilî, de Thermopylen.
Thermoscope, thɐ̂məskoup, thermoscoop; Thermostat, thɐ̂məstat,
thermostaat.
Thersites, thɐ̂saitîz.
Thesaurus, thisôrəs, woordenschat (boek).
These, dhîz (meerv. van This), deze.
Thesis, thîsis, thesis, stelling (Mv. Theses, thîsîz, thesîz): — for
the degree of M. D. = medische dissertatie.
Thespian, thespiən, Thespisch; subst. tooneelspeler.
Thessalian, thəseilj’n, Thessaalsch; Thessaliër; Thessaly, thesəli,
Thessalië.
Thetis, thîtis.
Thews, thjûz, spierkracht, spieren; Thewy = gespierd.
They, dhei, zij, degenen: — say = men zegt.
Thibet, tibət, tibet.
Thick, thik, subst. dikke gedeelte, heetst (van den strijd), dikte;
adj. dik, dicht, troebel, mistig, onduidelijk, opeengedrongen, snel,
overvloedig, intiem; — verb. verdikken: He is such a — = zoo’n domkop;
He was in the — of the fight; To back through — and thin = meegaan door
dik en dun (fig.); This is a bit too — = te kras; They are as — as peas
in a shell = zeer overvloedig; zijn vrienden als olifanten; They are as
— as thieves together = het zijn twee handen op één buik, zij spelen
onder één hoedje; His blows came down as — as hail = zoo snel en hard
als hagelsteenen; To be (To become, To get) — with = intiem zijn
(worden) met; To lay it on — = overdrijven, er dik op leggen; I am — of
hearing = hardhoorig; — of sight = met slecht gezicht; — of speech =
slecht bespraakt; A — one = goudstuk; A — pronunciation = onduidelijke;
A —-and-thin supporter of the government = iemand die door dik en dun
meegaat; —-grown = dicht; —head = dik- of domkop; —-headed = dom,
stomp; —-leaved; —-legged; —-lipped; —-nosed; —-planted; —-ribbed = met
krachtige ribben; —-set = dicht beplant, rijk aan; kort en sterk (dik);
subst. dichte heg, een gestreepte stof; —-side = dikhuid(ig): His
—-side patience = olifantachtig geduld; —-skin = ongelikte beer,
vlegel, domkop; —-skull = domkop; Thicken = verdikken, vermeerderen,
verduisteren: The crowd —s = het gedrang neemt toe; The plot —s = de
verwikkeling neemt toe.
Thicket, thikət, boschje.
Thickish, thikiš, ietwat dik.
Thief, thîf, dief: A — was in the candle = er was een dief aan de
kaars; Stop —! = houdt den dief; Set a — to catch a —; —-catcher =
dievenvanger; Thieves’ Latin = dieventaal.
Thieve, thîv, stelen; —ry = het stelen, dieverij; Thievish =
diefachtig, steelswijze, sluiksch; subst. —ness.
Thigh, thai, dij; —-bone = dijbeen.
Thill, thil, lamoen; —-horse = lamoenpaard = —er.
Thimble, thimb’l, vingerhoed, kous (ring); —-berry = soort braambes;
—-case = foudraal; —-rig, —-rigger = bedrieger, die laat wedden onder
welk van drie bekertjes een balletje door hem is gestopt; ook verb.;
—ful = vingerhoedvol.
Thin, thin, dun, licht, slap, zwak, mager, dunnetjes, flauw, gering;
ledig, doorzichtig; — verb. verdunnen, ijler maken, dunnen, afnemen,
uitverkoopen: His disguise was very — = erg doorzichtig; This month’s
number is a little — = is vrij dunnetjes; To get (grow) — = mager
worden; — diet = magere kost; — streets = ledige straten; The strata
were —ning out and away = werden langzamerhand dunner en verdwenen
eindelijk geheel; —-faced = met een smal en schraal gezicht; —-leaved;
—-lipped; —-skinned = met fijne huid; overgevoelig, prikkelbaar;
—-sown; —-spun; subst. —ness.
Thine, dhain, van u, het of de uwe.
Thing, thiŋ, ding, zaak, iets, persoontje, verhaal, lied (—s = dingen,
zaken, goed, spullen): He is a — of nothing = een kerel van niets;
That’s a — of naught (nothing) = niets waard; She isn’t quite the — =
niet recht wel; That’s the (very) — = moet ik net hebben, zoo is het
precies; Neither one — nor another = geen visch en geen vleesch; When
—s are the worst they will sometimes mend = als de nood op het hoogst
is, is de hulp nabij; —s past may be repented but not recalled = gedane
zaken nemen geen keer; As —s stand = zooals de zaken staan; It comes
all to the same — = komt alles op hetzelfde neer; You have got the
wrong — = het verkeerde; He knows (is up to) a — or two = hij is slim,
goed op de hoogte; He made a tidy (good) — of it = hij sloeg er een
slaatje uit; I like him above all —s = bovenal; It was quite in the
nature of —s = het sprak (volgde) vanzelf, lag in den aard der zaak, in
de rede.
Thingummy, thingəmi, Dinges, dingsigheidje, goedje: His name was held
up to — = aan de verachting prijs gegeven; Their pink silk thingummies
= hunne rose zijden japonnetjes.
Think, thiŋk, denken, vinden, meenen, oordeelen, bedoelen,
onderstellen, achten: Only — = denk eens aan; To — = als men bedenkt; I
should — not indeed = dat moest er nog bijkomen; I should — so = dat
zou ik denken; To — about a thing = ergens over denken; More than you —
for = dan ge verwacht; What do you — of him? = wat denkt ge van hem;
Now that I come to — of it = nu ik mij eens goed bezin; I have thought
better of it = mij bedacht; He —s much of you = schat u hoog, heeft een
hoog idee van u; To — on (over) = nadenken over; No, thought I to
myself = dacht ik bij mezelf; I — with you there = dat ben ik met u
eens; Me—s = mij dunkt (verouderend); —able = denkbaar; —er = denker;
Thinking: To my — you might have profited more by it = mijns inziens;
He is of my way of — = ’t met mij eens.
Thionville, tîənvil, Diedenhoven.
Third, thɐ̂d, subst. en adj. derde (deel), terts, tertia wissel; (—s =
het derde van de bezittingen van den overleden man, waarvan de weduwe
het vruchtgebruik heeft): The — Estate = de burgerij; —-class; —-rate =
3de rangs; —ly = ten derde; —sman = scheidsman.
Thirl, thɐ̂l, doorboren, perforeeren.
Thirst, thɐ̂st, subst. dorst (ook fig.); — verb. dorsten, vurig
verlangen: His (the) — after wealth and honour = zijn dorst naar; A
—(ing) for power = een haken naar; My throat is parched with — = is
droog, ik versmacht van dorst; Thirstiness, subst. v. Thirsty =
dorstig, droog, versmachtend: I am — = ik heb dorst.
Thirteen, thɐ̂tîn, subst. en adj. dertien(tal); —th, subst. en adj.
dertiende (deel); Thirtieth, thɐ̂tiəth, subst. en adj. dertigste (deel);
Thirty, thɐ̂ti, subst. en adj. dertig(tal): The — Years’ War =
Dertigjarige Oorlog.
This, dhis, deze, dit: — day week = vandaag vóór een week; — is
Thursday = ’t Is vandaag; — one and the other = deze en gene; It was
Miss Mary — and Miss M. that = vóór en na; Generals — and that = die en
die; Just allow it for — once = dezen éénen keer; You must be ready by
— (time) = thans; From — to X. = van hier naar X.; — much he told me =
zooveel heeft hij mij verteld; Come — way = hiernaartoe; I have not
seen him these three months = in geene drie maanden.
Thistle, this’l, distel: Order of the — = Distel- of Andreasorde; —down
= distelpluisjes: As light as —down = als een veertje; Thistly = vol
distels.
Thither, dhidhə, daarheen; —to = tot daartoe; —ward(s) = derwaarts.
Tho’, dhou = Though.
Thole, thoul, subst. dol = —-pin.
Thomas, toməs: A very — in disbelief = een ongeloovige Thomas; Thomism,
tomizm, wijsgeerig-godsdienstig stelsel van Th. Aquinas; Thomist =
Thomist; Thompson, tom(p)s’n; Thomson, toms’n.
Thong, thoŋ, riem, snoer.
Thor, thö, Thor: —’s hammers = steenen werktuigen en gereedschap.
Thoracic, thərasik, borst...: — fins = buikvinnen; Thorax, thôrəks,
borst(kas), borststuk.
Thorn, thön, doorn(struik), stekel, prikkel: To be a — in a person’s
side (flesh) = een doorn in ’t oog zijn; To be (sit) upon —s = op heete
kolen zitten; He that handles —s shall prick his fingers = wie met pek
omgaat wordt er mede besmet; —-apple = doornappel; —-back = stekelrog;
—-bush = doornstruik; —-but = tarbot; —-hedge = doornhaag; —-letter =
de oudste A.S. lettervorm voor de tegenwoordige th; —-set = met doornen
bezet of beplant; Thorny = doornachtig, scherp, lastig, kwellend,
netelig.
Thorough, thɐrə, volkomen, volmaakt, grondig, volledig, doortastend,
doordringend: He is a man of — = hij tast door; —-bred = volbloed (—
horse), beschaafd, ontwikkeld, grondig, doortastend; —fare = doorgang,
(hoofd)straat: No —fare = voor het verkeer gesloten; —going =
doortastend, afdoend, radicaal: A military reconstruction of the most
—going kind = zoo radicaal mogelijk; The —goingness of a newspaper = de
durf van eene courant; —-lighted = met ramen aan tegenovergestelde
zijden; —-paced = afgericht, voltooid, volmaakt, aarts...: A —-paced
villain = een volleerde schurk; Thoroughness = volkomenheid,
grondigheid.
Thorp(e), thöp, dorp, gehucht.
Those, dhouz, (mv. v. That), die: There are — who pretend = er zijn er.
Thou, dhau, gij; verkorting voor thousand; — verb. met thou aanspreken.
Though, dhou, ofschoon, indien al, niettegenstaande: — I say it = al
zeg ik het zelf; — it were true = al was het ook waar; He is a good
fellow — = hij is tòch een goede kerel; What — the body dies = wat
hindert het of het lichaam sterft; You would —, if you had been present
= en toch zou je dat wel, als, etc.; He should play more — = overigens
moest hij meer spelen.
Thought, thôt, imperf. en p.p. van to think.
Thought, thôt, gedachte, overweging, bepeinzing, oordeel, meening,
voornemen, voorstelling, schijntje: He was a — taller than the ordinary
run of people = een ietsje langer; I will be back upon a — = in een
wip; That — occurred to (struck) me = die gedachte kwam bij mij op; I
didn’t give it — = heb er geen oogenblik aan gedacht; I had some —s of
going = liep rond met ’t idee; I cannot read your —s = uwe gedachten
niet lezen of raden; You had better take — and not be rash = u goed te
bedenken; He took no — for to-morrow = bekommerde zich niet om;
—-reader = gedachtenlezer; —-reading = het gedachtenlezen; Thoughtful =
bepeinzend, vol gedachten, attent, bedachtzaam, bedacht: He is — of his
interests = bedacht op; A — book = een boek dat tot nadenken stemt;
Very — of you not to forget my birthday = erg attent van u; She talked
—ly and sensibly = bedachtzaam; subst. Thoughtfulness; Thoughtless =
gedachteloos, zorgeloos; subst. —ness.
Thousand, thauz’nd, subst. en adj. duizend(tal): It is a — pities = het
is doodjammer; It is a — nuts to an orange pip = tien tegen één; He is
one in a — = één uit de duizend; I have a — things to do = allerlei
dingen; They appeared in their —s = in grooten getale; —-legs =
duizendpoot; —fold = duizendvoudig; —th, subst. en adj. duizendste
(deel).
Thrace, threis, Thracië; Thracian = Thrasisch; Thraciër.
Thraldom, thrôld’m, slavernij, lijfeigenschap; Thrall, thrôl, slaaf,
slavernij.
Thrash, thraš, dorschen, afranselen, van alle kanten bekijken of
bespreken: To — over old straw = stroo dorschen (fig.), zich afsloven;
—el = dorschvlegel; —er = dorscher; zeevos (soort haai); Thrashing: He
got a sound — = een duchtig pak slaag; —-floor = dorschvloer;
—-machine, —-mill = dorschmachine.
Thread, thred, subst. draad, garen, meeldraad, vezel, ader; — verb. een
draad in eene naald steken, zich een doorgang banen, doorheen dringen
(= To — one’s way through): The — of a screw = draad van een schroef;
To lose the — of one’s discourse; To pick up —s = het gesprek aan den
gang krijgen; To take up the — of a tale; Its existence was hanging on
(by) a (slender) thin — = hing aan een zijden draadje; I hadn’t a dry —
on me = geen drogen draad aan mijn lijf; Air —s = herfstdraden; To —
the needle = figuur in een dans, waarbij de paren onder opgeheven en
verbonden handen doorgaan; —bare = kaal, versleten, afgezaagd; subst.
—bareness; —-bobbin = garenklos; —-paper(s) = dunne reepjes papier,
papillotten: I am not going to fret myself into —-paper for her = denk
me niet dood te kniezen; —-worm = draadworm; —iness, subst. v. —y =
draderig, dun.
Threat, thret, subst. bedreiging: Empty — = ijdele; Threaten = dreigen,
bedriegen, schrik aanjagen (door bedreigingen), een dreigend aanzien
hebben; —er; —ing: —ing-letter = dreigbrief.
Three, thrî, subst. en adj. drie(tal): In — copies = in triplo; To fold
in —s = in drieën; I had round number — with him = ik heb duchtig met
hem afgerekend; The rule of — = regel v. drieën; The — F’s = eischen
der Iersche Landliga: Free Sale, Fixity of Tenure, Fair rent; I won’t
sell it under — figures = onder £ 100; —-figure accidents are almost
unknown now = ongelukken, waarbij 100 of meer menschen hun leven
verliezen; —-act(ed) = in 3 bedrijven; —-cornered = met 3 hoeken of
punten: —-cornered constituency = kiesdistrict dat drie leden
afvaardigt, terwijl ieder kiezer slechts op twee van deze mag stemmen;
—-decker = driedekker; ouderwetsche kansel met drie verdiepingen of
lezenaars; —fold = drievoudig; —-foot stool = driepoot; —-headed = met
drie koppen of hoofden; The — Hours’ Agony (Service) = dienst op Goeden
Vrijdag van 12–3; —-pence, thrip’ns, driestuiverstukje; —penny,
thrip’ni, van drie stuivers; gering, gewoon; —penny bit = — penny
piece; It’s a —penny concern = sjofel boeltje; —penny piece =
driestuiverstuk; A —-piled Persian carpet = rijk, zwaar Perzisch kleed;
—score = zestig; —-square = driehoekig, met drie punten; A bottle of
—-star brandy = fijne cognac (etiket met drie sterren erop); —-tailed
pasha = met 3 paardestaarten.
Threnody, threnədi, klaagzang.
Thresh, threš; —er. Zie Thrash.
Threshold, threšould, drempel, ingang, begin.
Threw, thrû, imperf. van to throw.
Thrice, thrais, driemaal; —-blest = overgelukkig; —-favoured =
buitengewoon begunstigd.
Thrid, thrid, doorsteken. Zie Thread.
Thrift, thrift, zuinigheid, spaarzaamheid, voorspoed; anjelier; —iness
= spaarzaamheid, voorspoed; —less = verkwistend; subst. —lessness; —y =
spaarzaam, voorspoedig.
Thrill, thril, subst. siddering; drilboor; — verb. doordringen,
doorboren, trillen, rillen; kweelen: This sent a — of horror through
the world = deed van afgrijzen rillen; It —ed him with a vague dread =
eene onbepaalde vrees doortrilde hem; He —ed at hearing this =
sidderde; —ers and curdlers = sensatie-romans.
Thrive, thraiv, bloeien, vooruitkomen, gelukkig zijn, gedijen,
toenemen: He that will — Must rise at five, He that has —n May lie till
seven = Zal het u goedgaan, Wil dan vroeg opstaan, Hebt ge ’t geld
verdiend, Lig dan langer, vriend; Ill weeds are sure to — = onkruid
vergaat niet; Thriven, thriv’n, p.p. van —; Thriver = voorspoedig man;
Thriving = voorspoedig, bloeiend; subst. —ness.
Thro’, thrû = Through.
Throat, throut, keel, strot, stem, ingang, nauwe doorgang: To clear
one’s — = schrapen; These two merchants are cutting each other’s —s =
werken elkaar er onder; You cut your own — by doing this = benadeelt
uzelf; I was down her — in a moment = hield haar onmiddellijk aan haar
woord; Don’t jump down my — = stuif niet zoo op tegen me; I felt a ball
rising in my — = ik kreeg een prop in de keel; He lied in his — = loog
schandalig; It still sticks in my — = zit me nog hoog (fig.); He held a
knife to my — = hij zette mij het mes op de keel; I have the exhibition
up to my — = de tentoonstelling hangt me de keel uit; —-band = —-latch
= keelriem (v. een paard); —-wort = halskruid (soort v. klokje); A
full-—ed song = lied uit volle borst; —y = gutturaal, uit de keel;
vraatzuchtig.
Throb, throb, subst. klopping; — verb. kloppen: My heart —s.
Throe, throu, subst. hevige pijn; — verb. in barensnood verkeeren,
groote pijn lijden; —s = barensweeën: Last —s = doodstrijd.
Throne, throun, subst. troon; — verb. zie Enthrone; Speech from the — =
troonrede; To ascend (mount) the — = bestijgen; To come to the —;
—-room = troonzaal.
Throng, throŋ, subst. gedrang, groote menigte; — verb. verdringen,
opdringen, toestroomen: The people came —ing in = stroomden naar
binnen; —ed-out streets = schoongeveegde straten; —ed with = vol.
Throstle, thros’l, zanglijster.
Throttle, throt’l, subst. luchtpijp, keel; — verb. smoren,
(ver)stikken: —d to death; —r.
Through, thrû, door, doorheen, geheel, wegens: To be wet — = doornat
zijn; — and — = door en door; It’s all — you = ’t komt al door u; — the
year = het geheele jaar door; To be — = klaar zijn; My intention will
be carried — = doorgezet worden; The plan has fallen — = viel in
duigen; To get (go) — = te boven komen, ten einde brengen, komen door
(een examen); I read it — from cover to cover = las het heelemaal door;
He saw — my intentions = doorzag; —-carriage = doorgaand rijtuig;
—-line = doorloopend spoor; —-passenger = doorgaand passagier;
—-ticket; —-traffic = transitohandel; —-train = doorgaande; —-waybill =
dóorbevrachting v. het continent naar eenig deel van Engeland;
Throughout: — the day = den geheelen dag lang; All of a — piece =
geheel uit één stuk.
Throve, throuv, imperf. van to thrive.
Throw, throu, subst. gooi, worp; — verb. werpen, smijten, slingeren, in
haast aan- of omdoen, afwerpen, slaan, opwerpen, dobbelen, verliezen,
etc.: To — light on = licht werpen op; I wrestled with my pride and
threw it = en overwon hem; They have —n stones at us = ons met steenen
gegooid; She threw herself away on a drunken baronet = verslingerde
zich aan; That’s —ing money away = geld in ’t water gooien; Good advice
is —n away upon him = is niet aan hem besteed; The reflectors threw
back the light = kaatsten terug; To — by = ter zijde werpen, verwerpen;
To — down = neergooien, omgooien, tegen den grond gooien; He threw
himself down = ging liggen; Allow me to — in a word = mag ik ook een
woordje meespreken? I was —n into enthusiasm = gebracht tot; I have —n
him off = wil niets meer met hem te maken hebben; I threw on my
trousers = schoot mijne broek aan; I — myself on your mercy = geef me
over; He threw it out quite suddenly = kwam er in eens mee voor den
dag; The bill was —n out = werd verworpen; We find ourselves —n out =
teleurgesteld; She has thrown him over = de bons gegeven; To — to the
winds = de brui geven van; Her jet ornaments threw up the whiteness of
her skin = deden uitkomen; He has —n up the sponge = heeft zich
gewonnen gegeven; He was —n with that girl = verkikkerd op; I had never
thought I should be —n much with such people = aangehaald worden, veel
omgang hebben met; A —-down cracker = voetzoeker; —er = werper, gooier,
draaier, twijnder; —ing back = atavisme; —n = getwijnd, gedraaid; —ster
= twijnster (v. zijde).
Thrum, thrɐm, subst. zelfkant, kwast, meeldraad (—s = grof garen,
garenafval); — verb. (eene mat) spekken; krassen, tjingelen, trommelen
(op piano): The —ming of an old guitar = het tjingelen op.
Thrush, thrɐš, zanglijster; spruw.
Thrust, thrɐst, subst. stoot, steek, aanval, horizontale drukking; —
verb. stooten, drijven, duwen, steken, indringen: He — (made a —) at me
= stiet naar mij; He — himself in(to) our society = drong zich; —er =
doorsteker.
Thud, thɐd, slag, plof, bons; — verb. dreunen, kloppen: He fell with a
dull — on the path = met een doffen slag; A dull, —ding pain =
drukkende, zware pijn.
Thug, thɐg, sluipmoordenaar, lid v. een vroegere moordenaarsbende
(Brit. Indië); —gee = mysteriën of bedrijf der thugs = —gery = —gism.
Thule, thjûli: Ultima — = het einde der wereld.
Thumb, thɐm, subst. duim; — verb. beduimelen, betasten, met de vingers
trommelen, onhandig doen: Tom — = Klein Duimpje; His fingers are all —s
= zijne handen staan hem verkeerd; To have (hold) under one’s — = onder
den duim houden; I was left to twirl my —s = ik kon op mijn duim
zuigen; —-lock = drukslot; —-mark; —-nail, subst. nagel van den duim,
penkras; adj. klein: I dashed off a —-nail on the envelope = gooide een
schetsje op de enveloppe; —-nail sketches = penkrassen; —-screw =
duimschroef; —-stall = duimeling; —kins = duimschroeven.
Thump, thɐmp, subst. zware slag, bons, plof; — verb. stompen, ploffen,
zwaar neerkomen: It is a downright —ing lie = een groote leugen; That
—ing rascal = die vervloekte schurk; —er = iets kolossaals, een groote
leugen.