Onanism, ounənizm, zelfbevlekking; Onanist.

Once, wɐns, eenmaal, eens: When the war is — over = goed en wel over

is; Do it at — = dadelijk; He was at — my friend and colleague =

tegelijk; — again = nog eenmaal; — and again = nu en dan (zelden); —

for all = eens en voor al; — more = nog eens; — in a while = nu en dan,

zelden; — upon a time there was = er was er eens; For this — = voor

dezen enkelen keer; For — (in a way) = bij uitzondering, wel eens

enkel; Never — = niet eenmaal; That — = voor dien keer; (When) — =

zoodra, toen eenmaal; — a freemason, always a freemason = eens maçon

altijd maçon; — is no custom = eenmaal is geenmaal.

One, wɐn, subst. zeker iemand, éénheid; adj. een, enkel, ongedeeld,

men, zekere: — and none is all — = eenmaal is geenmaal; — day = op

zekeren dag; — Williams = een zekere W.; — more = nog een; He is the —

person who hates it = juist de man; — with another = door elkaar

genomen; — way and another = alles te zamen genomen, wel beschouwd; —

in a hundred = uit; I for — = ik voor mij; — and all = allen te zamen;

All in — = uit één stuk; It’s all — to me = ’t is mij hetzelfde; To be

at — = verzoend zijn; To be at — (with) = het eens zijn; I was within —

of missing the scene = het was er “an toe”, of ik had het tooneel

gemist, niet gezien; To be — and — = één zijn; We shall have to place

this on — side = ter zijde moeten zetten, links moeten laten liggen; My

little —(s) = kleintje (kindertjes); The great —s of this world = de

grooten; The duck and her young —s = de eend en hare jongen; —-armed =

éénarmig; —-eyed; That is a —-horse affair (show) = dat is een

onbeteekend zaakje, armoedig spulletje; —-legged; Your —-sided views =

eenzijdige, partijdige, bekrompen beschouwingen; —-sidedness =

eenzijdigheid; —-storied = van één verdieping; —r = een echte, je ware,

een kraan; shilling; —ness = éénheid, identiteit.

O’Neary, ənîri; Oneida, ənaidə.

Onerous, onərɐs, zwaar drukkend.

Onion, ɐnj’n, ui; kop; — verb. inwrijven met een ui: To weep with an —

= krokodillentranen schreien; —-peel, —-sauce; adj. —y.

Only, ounli, alleen, éénig, enkel, behalve: — bill = solawissel; — for

= zonder; — see = kijk eens; — think = denk eens aan; — yesterday =

gister nog, pas (eerst) gisteren.

Onomatopoeia, onomətəpîjə, onəmatəpîjə, klanknabootsend woord,

klanknabootsing door woorden; Onomatopoeic(al); Onomatopoetic(al) =

klanknabootsend.

Onrush, onrɐš, hevige aanval.

Onset, onset, aanval, storm: To give (make) the — = aangrijpen,

aanvallen.

Onslaught, onslôt, woedende aanval.

Onslow, onzlou; Ontario, ontêriou: Lake —.

Ontology, ontolədži, ontologie, leer van de algemeene eigenschappen der

dingen.

Onus, ounəs, bewijslast = — probandi, — prəbandai.

Onward, onwəd, vooruit, naar voren; voorwaartsch = —s.

Onyx, oniks, ouniks, onyx.

Oof, ûf, geld, “duiten” of centen = —tish.

Ooze, ûz, subst. zachte modder, slijk; — verb. (uit)sijpelen, zacht

vloeien, (uit)lekken (out); Oozy = modderig: To be — with = druipen

van.

Opacity, əpasiti, ondoorschijnendheid, onduidelijkheid, domheid;

ondoorschijnend iets.

Opal, oup’l opaal; —esce, oupəles, kleuren spelen of verspreiden (als

een opaal); —escence = schittering van kleuren; adj. —escent; —ine,

oupəl(a)in, opaalachtig.

Opaque, əpeik, ondoorzichtig, onduidelijk, dom.

Open, oupən, open, blootgesteld, openbaar, bekend, vrij, onbezet,

duidelijk, royaal, openhartig, edelmoedig, ontvankelijk; — subst. open

ruimte, vrije veld, open lucht, open zee; — verb. openen, openslaan,

uitspreiden, bekend maken, ontdekken, uitleggen, ontvankelijk maken,

bevrijden, opengaan, uitkomen op, open staan, beginnen, aanslaan (van

jachthonden) op het zien of ruiken van wild: It is — to criticism =

onderhevig; He is — to entreaties = toegankelijk voor; It is — to him =

staat hem vrij; An — carriage; — field = vrij; — place = niet

versterkte; — river = ijsvrije; — sea; To cut — = opensnijden; To lay —

= openleggen, blootleggen; To lie — = blootgesteld zijn; To set (throw)

—; To sleep in the — = onder den blooten hemel; To — the ball = het bal

openen, beginnen, voorop zijn, den strijd beginnen; To — a battle; To —

a business, a house = eene zaak oprichten; They —ed their fire upon the

town; To — one’s mind (oneself) to = zich uitstorten voor; To — a

railway = in exploitatie brengen; To — an umbrella over a person; The

door —s into a passage = komt uit op; The street —s out of Regent

Circus = gaat uit van R. C.; —-air meetings; —-eyed = waakzaam;

—-handed = royaal; subst. —-handedness; —-hearted; subst.

—-heartedness; —-mouthed = met open mond (ook fig.); vraatzuchtig,

schreeuwerig; —-work = opengewerkt iets; —er; —ing = opening, begin,

kans, gelegenheid; ook adj.: Men become Tories or Whigs, partly by

principle, partly as —ings come = afhankelijk van de voordeelen of

kansen, die zich aanbieden; Mr. M. has an —ing for an apprentice = kan

plaatsen; —ing ceremony = openingsplechtigheid; —ly = openlijk; —ness =

het open zijn, openhartigheid, mildheid.

Opera, opərə, opera: —-bouffe = opera comique; —-cloak = sortie;

—-dancer = balletdanser(es) = —-girl; —-glass = tooneelkijker; —-hat =

klak; —-house = opera(gebouw); —-singer; Operatic = tot eene opera

behoorende, opera...

Operate, opereit, bewerken, teweegbrengen, uitwerken, opereeren,

drijven, uitvoeren, exploiteeren: To — upon = bewerken, opereeren;

Operating: — expenses = bedrijfskosten; —-room = operatiezaal; —-table

= operatietafel; Operation, opəreiš’n, werking, uitwerking, handeling,

operatie (in de verschillende beteekenissen), reeks v. militaire

bewegingen (mv.): To perform an — = een operatie doen; Line of —s =

operatielinie; First year’s —s = resultaten; Operative, opərətiv,

subst. werkman, handwerker; adj. werkdadig, werkend, in exploitatie,

operatief; Operator, opəreitə, werker, operateur, tandarts,

telegrafist, beursspeculant.

Operculum, əpɐ̂kjəl’m, deksel.

Operetta, opəreta, operette.

Operose, opərous, bedrijvig, vermoeiend, zwaar: subst. —ness.

Ophelia, əfîljə.

Ophidian, əfidiən, slangachtig; subst. slang; Ophidium, əfidj’m,

slangevisch; Ophites, ofaits, slangendienaars, een godsd. secte.

Ophthalmia, of-thalmiə, oogontsteking; Ophthalmic, oog...; subst.

oogmiddel: — hospital, — infirmary; Ophthalmology = oogheelkunde;

Ophthalmoscope, of-thalməskoup, oogspiegel; Ophthalmoscopy,

of-thəlmoskəpi, of-thalməskoupi = onderzoek met den oogspiegel.

Opiate, oupiit, subst. en adj. slaapwekkend, pijnstillend, verdoovend

(middel); — verb. (oupieit) in slaap maken, met opium vermengen.

Opine, əpain, denken, onderstellen.

Opinion, əpinj’n, meening, oordeel, gevoelen: — of counsel =

rechtskundig advies; Public — = publieke meening; In my humble — = naar

mijne bescheiden meening; To be of — = van meening zijn; I have no — of

it = heb er geen hoogen dunk van; To injure a person in another

person’s — = een ander een slecht idee geven van; Opinionated,

əpinjəneitid, eigenzinnig, koppig = Opinionative, əpinjənətiv;

Opinionist = stijfkop.

Opium, oupj’m, opium: —-eater = ‘pen-name’ van Thomas De Quincey;

—-smoker = opiumschuiver; —-smoking den = opiumkit.

Opossum, əposəm, opossum.

Oppidan, opidən, uitwonend leerling (van Eton College).

Opponent, əpoun’nt, subst. tegenstander, tegenstrever; adj.

tegenstrijdend, tegenwerkend, opponeerend.

Opportune, opətjûn, gelegen, geschikt, juist van pas, tijdig: He has

proved it —ly = te juister tijd; subst. —ness; Opportunism, opətjûnizm,

opətjunizm, opportunisme; Opportunist.

Opportunity, opətjûniti, gelegenheid, geschiktheid van tijd en

omstandigheden: — makes the thief; To embrace (improve, seize, take)

the — = aangrijpen; The book is a monument of exceptional opportunities

= buitengewoon gunstige omstandigheden; He did not rise to the height

of his opportunities = heeft er niet alles van gemaakt wat hij kon, is

beneden zijn onderwerp gebleven; I will take an early — = de eerste

gelegenheid aangrijpen.

Opposable, əpouzəb’l, weerlegbaar, bestrijdbaar; Oppose, əpouz,

tegenstellen, weerstaan, opponeeren, bestrijden, dwarsboomen: They —d a

stubborn resistance = boden hardnekkig weerstand; As —d to = tegenover;

—r = mededinger, opponent; Opposite, opəzit, tegenover, tegengesteld,

omgekeerd, vijandig, tegenstandig; subst. het tegenovergestelde,

tegendeel: — the post-office, on the — side = tegenover het

postkantoor, aan de overzijde; soms verb.: He declined either to

support or to — the measure; subst. —ness; Opposition, opəziš’n,

tegenstand, hindernis, oppositie: To act in — to = handelen in strijd

met, weerstreven; To make — to = protesteeren; In spite of — = trots

tegenstand; —ist = lid van de oppositie.

Oppress, əpres, (onder)drukken, zwaar liggen op; —ion, əpreš’n,

onderdrukking, ellende, (afge)matheid, gevoel v. beklemming; —ive =

onderdrukkend, zwaar drukkend; subst. —iveness; —or = tyran.

Opprobrious, əproubriəs, verachtelijk, schandelijk; subst. —ness;

Opprobrium, əproubriəm, schande, smaad, eerloosheid.

Oppugn, əpjûn, bestrijden, weerstaan; —ancy, əpɐgn’nsi, tegenstand,

strijd.

Optative, optətiv, opteitiv, wenschend; subst. optatief; — mood = de

wijze (v. een werkw.), die een wensch uitdrukt.

Optic, optik, gezichts...: — nerves = gezichtszenuwen; Optical delusion

= gezichtsbedrog; Optician, optiš’n, gezichtkundige, optisch

instrumentmaker; Optics = optica, oogen.

Optimates, optimeitîz, de aanzienlijken; Optime, optimî, een kandidaat,

die bij de Triposes of Honours Examinations voor den B.A. graad te

Cambridge, onmiddellijk volgt op den Wrangler.

Optimism, optimizm, optimisme; Optimist, subst. optimist; adj.

optimistisch = Optimistic.

Option, opš’n, recht of vrijheid van kiezen, keus, voorkeur: At — =

naar verkiezing; To leave a thing to (in) a person’s — = aan iemands

keus laten; —al = van de keus afhangend, vrij in de keuze, facultatief:

It is —al with you = het staat u vrij.

Opulence, opjulens, rijkdom, weelde, overvloed; adj. Opulent.

Opus, o(u)pəs (Mv. Opera, opərə), werk (muziek); Opuscule, əpɐskjul,

klein werk of geschrift.

Or, ö, eer, of: Either this — the other.

Orach(e), oratš, melde (plant).

Oracle, orək’l, subst. orakel, godsspraak: He has worked the — = hij

heeft door list en bedrog zijne zaak gewonnen, het zaakje listig

overlegd; Oracular, ərakjulə, orakeltaal sprekend, duister,

dubbelzinnig, gewichtig; subst. Oracularity = —ness.

Oral, ôr’l, mondeling, mond...: — examination; —ly.

Orale, əreilî, pauselijke hoofdsluier.

Oran, ərân.

Orange, orinž, subst. en adj. sinaasappel, oranje(kleurig); —-blossom =

oranjebloesem; —-man = koopman in sinaasappelen; —man = spotnaam voor

Iersche protestanten (17de eeuw); Orangist, d.i. lid van eene geheime

polit. protest, vereeniging in Ierland (1795); —-musk = muskaatpeer;

—-peel = oranjeschil: Candied —-peel = snippers; —-woman; The — Free

State = The — River Sovereignty; —ade, orəndžeid, orangeade; —ry,

orənž’ri, oranjerie.

Orang-outang, əraŋûtaŋ, orang-oetang.

Oration, əreišn, redevoering; Orator, orətə, redenaar; Oratoric(al) =

welsprekend, rhetorisch; Oratorio, orətôriou, oratorium (muz.);

huiskapel; Oratorize, orətəraiz, eene redevoering houden; Oratory,

orətəri, welsprekendheid; huiskapel: Priests of the — = leden van het

Oratorium, een geestel. congregatie.

Orb, öb, bol, oog(appel), omloop, kringloop, rad, bol; — verb.

omringen, een kring vormen, zich in een kring bewegen; —ed = rond,

cirkelvormig, volkomen = —icular, öbikjulə = —iculate, öbikjulit;

Orbit, öbit, oogkas; baan (van een hemellichaam); —al = tot een baan of

oogkas behoorende.

Orcades, ökədîz, Orcaden = Orkney Islands; adj. Orcadian, ökeidj’n.

Orchanet, ökənet, ossetong (plant).

Orchard, ötšəd, boomgaard; —ing = ooftbouw; —ist.

Orchestra, ökəstrə, orkest: String — = strijkorkest; Orchestral,

əkestr’l, ökəstrəl: The — score = orkestpartituur; Orchestrate,

ökəstreit, arrangeeren voor orkest; Orchestration, ökəstreiš’n, het

arrangeeren v. muziek voor orkest.

Orchid, ökid, orchidee; —aceous, ökideišəs, tot de orde der orchideeën

behoorende; Orchis, ökis, orchis.

Ordain, ödein, instellen, voorschrijven, beschikken, ordineeren,

bevestigen of wijden (in kerkelijke ambten); —er; —ment.

Ordeal, ödiəl, ödîl, ödîəl, godsgericht, vuurproef (fig.): — by fire,

by water = vuur-, waterproef.

Order, ödə, subst. orde, schikking, methode, toegangsbewijs, reglement,

rang, bouworde; — verb. ordenen, regelen, inrichten, leiden,

verordenen, voorschrijven, bestellen, bevelen: Standing —s = reglement

van orde; By — = volgens verordening, op bevel; By — of = op bevel van;

In — = volgens ’t reglement van orde; In — that = opdat; In — to = om,

ten einde; Not in — = buiten de orde = Out of — = in wanorde; Per — =

volgens bestelling; To — = op bevel, op bestelling, naar maat; — of

battle = slagorde; — of the day = agenda, dagorder, orde van den dag; I

move to proceed with the — of the day = stel voor tot de orde van den

dag over te gaan; Drunkenness was the — of the day = aan de orde van

den dag; — in Council = Kon. Besl. na advies van de Privy Council; To

be in good —; In holy —s, Zie Holy; The men were in full marching — =

marschtenu; Everything was in working — = alles was klaar (zoodat men

beginnen kon); The children were kept in — = stil gehouden; He cannot

keep the boys in — = geen orde houden (Vergelijk: To impose good — on a

class); To give an — = bevel geven; To give —s for = bestellingen; To

be mentioned in general —s = eervol vermeld; He has taken —s with a

view to restore — = hij heeft maatregelen genomen om de orde te

herstellen; He took priest’s —s = hij werd gewijd als geestelijke; Take

Mr. A’s — = vraag wat mijnheer A. zal gebruiken; I won’t be —ed about

like that = laat me zoo niet commandeeren; The quack was —ed off by the

police = werd gelast heen te gaan; To — out = wegsturen; To — up =

boven laten komen; —-book = boek voor de bestellingen, orderboek

(milit.); —-form = bestelbriefje; —-word = parool; —er; —ing =

regeling, schikking; —ly, subst. ordonnans (Mounted —),

hospitaalsoldaat, opzichter in eene ziekenafdeeling; straatveger (=

Street—ly); adj. ordelijk, rustig, geregeld, kalm, in dienst; —ly-book

= orderboek (mil.); —ly-man = ordonnans; —ly-officer =

ordonnansofficier; —ly-room = bureau; —ly-sergeant = oudste

onderofficier van eene compagnie.

Ordinal, ödin’l, rangschikkend; subst. rangsch. telwoord (= — number);

missaal = Ordinale, ödineili.

Ordinance, ödin’ns, verordening, ritus.

Ordinary, ödinəri, gewoon, gevestigd, geijkt, middelmatig, alledaagsch,

actief dienend, hof...; lijf...; buiten dienst gesteld; subst.

gaarkeuken, table d’hôte in eene ouderwetsche herberg, maaltijd;

rechter (vooral in geestelijke zaken): — debts = boekschulden; — seaman

= licht matroos; In — = actief dienend, lijf..., hof...; buiten dienst

gesteld (van schepen): Ambassador, professor in — = gewoon gezant,

hoogleeraar; Chaplain in — to the Queen = hofkapelaan; Physician in —

to the Queen = hofarts.

Ordinate, ödinit, geregeld, regelmatig; subst. ordinaat; — verb.

ödineit, wijden (door den Bisschop); Ordination, ödineiš’n, wijding,

bevestiging; verordening, raadsbesluit (fig.).

Ordnance, ödnəns, (groot) geschut: Piece of — = stuk geschut; (Army) —

Department (tot 1855 Board of —) = departement voor artillerie en

intendance; Director-General of (the) — = generaal-intendant; —-factory

= geschutgieterij; —-map = stafkaart; — Survey = officieele

triangulatie van Groot-Brit. en Ierland.

Ordure, ödjə, drek, vuil (ook fig.).

Ore, ö, erts; goud.

Oread, ôriəd, bergnimf.

Oregon, orəg’n; O’Reilly, əraili; O’Rell, ərel.

Organ, ög’n, orgaan, werktuig, orgel; — verb. op het orgel spelen: He

thinks his owls are —s = hij denkt, dat zijne uilen valken zijn; To

blow the —-bellows = orgeltrappen; To play the —; To preside at the — =

het kerkorgel bespelen; —-blower = orgeltrapper; —-builder =

orgelmaker; —-grinder = orgeldraaier; —-loft = orgelkoor; —-pipe;

—-point; —-treader.

Organic, öganik, organisch, organiek, bewerktuigd: — bodies = dieren en

planten; — chemistry; — disease = organisch gebrek of ziekte; — remains

= organische overblijfselen; Organism, ögənizm, organisme;

Organization, ögənizeiš’n, organisatie, bewerktuiging; Organize,

ögənaiz, organiseeren, van organen voorzien.

Organzine, ög’nzîn, ketting(organsijn)-zijde.

Orgasm, ögəzm, geprikkelde toestand.

Orgiastic, ödziastik, als een orgie = Orgie, ödži, Bacchusfeest,

drinkgelag, braspartij.

Orgy, ödži. Zie Orgie.

Oriana, örianə.

Oriel, ôriəl, erker, arkel (= — window); oudtijds een soort gallerij.

Orient, ôriənt, subst. Oosten; adj. opgaande, Oostersch, oostelijk,

schitterend; — verb. ook ôrient, de ligging bepalen, zich orienteeren

(= To — oneself): Pearl of — = van het schoonste water = — pearl; —al,

örient’l, subst. Oosterling; adj. oostelijk, weelderig, kostbaar;

—alism = Oostersche gewoonte of taal, kennis daarvan; —alist =

Oosterling; kenner v. Oostersche talen, gewoonten, enz.; Orientalize =

Oostersch maken (worden); Orientate = (zich) naar het Oosten wenden;

Orientation = bepaling van het Oosten, oostelijke ligging,

orienteering.

Orifice, orifis, opening, mond, gaatje: — of the stomach.

Origan, origən, marjolein.

Oriflamme, oriflam, oriflamme.

Origen, oridžen, Origenes, oridžinîz.

Origin, oridžin, begin, oorsprong, oorzaak; —al, əridžin’l,

oorspronkelijk, eerst, nieuw, erf...; subst. oer-type, eerste

exemplaar, oorspronkelijk stuk, excentriek persoon; —al sin (= eerste

of) erfzonde; —ality = oorspronkelijkheid, etc.; —ate, əridžineit,

voortbrengen, voortspruiten, voortkomen; —ation = oorsprong, begin,

wijze van voortbrenging; —ator, oridžineitə, oorzaak, bewerker.

Orinoco, ourinoukou.

Oriole, ourioul, wielewaal.

Orion, əraiən, Orion.

Orison, oriz’n, oris’n, gebed.

Orizaba, ourithâbə.

Orkneys (The), dhiökniz, Orkadische eilanden; Orleans, öliənz, Orleans;

soort van katoen, ook ölînz.

Orlop, ölop, overloop, verdek.

Ormolu, öməlu, öməlû, goudbrons.

Ornament, önəment, subst. sieraad, versiersel; — verb. önəment, tooien,

versieren; —al, önəment’l, tot versiering dienend: —al art =

ornementiek; —al painter = decoratieschilder; —ation = versiering;

Ornate, önit, öneit, versierd, sierlijk; subst. —ness.

Ornithologist, önitholədžist vogelkenner; Ornithology, önitholədži,

leer der vogels; Ornithomancy, ön(a)ithəmansi, önithəmɐnsi,

vogelwichelarij.

Orographic(al), orəgrafik(’l), orographisch; Orography, ərogrəfi,

orographie.

Orphan, öf’n, wees; adj. verweesd, ouderloos: —-boy; —-girl; Infant

—-Asylum = —-hospital; —age, öfənidž, de staat van wees; weeshuis; —ed

= ouderloos.

Orphean, öfîən, öfiən, v. Orpheus = Orpheus, öfjûs, öfiəs; Orphic,

öfik, verweesd, mystiek, v. Orpheus; mysticus.

Orphrey, öfri, een rand v. goudborduursel, ook een rijk vergulde rand

in metselwerk.

Orpiment, öpiment, operment, koningsgeel.

Orpin(e), öpin, smeerwortel, gele verfstof.

Orris, oris, Florentijnsche lisch; goud- of zilvergalon.

Ort, öt, brokje, afval; meest m.v.

Orthodox, öthədoks, rechtzinnig, Grieksch Katholiek, rechtgeaard, echt,

ouderwetsch, soliede: — arm-chairs = soliede (ouderwetsche)

leuningstoelen; An — pair of lovers = geliefden van den ouden stempel;

— three-volume novels = ouderwetsche romans in 3 deelen; —y =

rechtzinnigheid, rechtgeaardheid, echtheid.

Orthoepic(al), öthəepik(’l) tot de Orthoepy, (öthouəpi of öthə-ipi) of

(de leer der) juiste uitspraak behoorende; Orthoepist, öthouəpist of

öthə-ipist, uitspraakkundige.

Orthogon, öthəgon, rechthoek; adj. Orthogonal.

Orthographic(al), öthəgrafik(’l), orthographisch; Orthography,

öthogrəfi, spellingsleer, juiste spelling.

Orthopaedic(al), öthəpîdik(’l), öthəpedik(’l), orthopaedisch;

Orthopaedist, öthəpîdist, öthopidist, orthopaedisch dokter; Orthopaedy,

öthəpidi, öthopədi, orthopaedie.

Ortolan, ötələn, ortolaan, tuinmeerle.

Osage, ousidž, əseidž; Osborne, ozbən.

Oscan, osk’n, Osker (oude Ital. volksstam).

Oscillate, osileit, slingeren, weifelen; subst. Oscillation; adj.

Oscillatory.

Osculate, oskjuleit, osculeeren (mathem.); kussen; Osculation,

osculatie; kus; Osculatory, oskjulətəri, subst. Christus of

heiligenbeeltenis, die vroeger met de woorden “Vrede zij met u” te

kussen werd gegeven; adj. kussend, aanrakend: — ceremony = ceremonie v.

voet- of handkus; Oscule = kleine opening, zuigspriet.

O’Shaughnessy, əšônəsi; O’Shea, əšei.

Osier, oužə, kat-(bind)wilg; rijsje; witte kornoelje (Amer.): —-ait =

klein eilandje; —-bed (—-holt) = wilgenboschje; —-bottle = mandflesch;

—-twig; —-work = mandewerk.

Osiris, əsairis.

Osmium, ozmiəm; osmiəm, osmium.

Osmose, osmous, ozmous, osmose; adj. Osmotic.

Osmund, ozmənd, osmunda: — royal = koningsvaren.

Osnaburg, oznəbɐ̂g, osnəbɐ̂g, Osnabr¸ck; grof linnen.

Osprey, ospri, vischarend; aigrette.

Ossein, osi-in, beenderenweefsel.

Osselet, osəlet, beentje, sepia; Osseous = beenachtig, been..; Ossicle

= beentje; Ossiferous, osifərɐs, beenderen bevattend; Ossification =

beenvorming; Ossify = tot been worden, versteenen: Ossified system =

verouderd, zéér oud; Ossuary = knekelhuis; urn.

Ostend, ostend.

Ostensibility, ostensibiliti, subst. v. Ostensible, ostensib’l,

schijnbaar, oogenschijnlijk, duidelijk; Ostension = uitstelling van het

allerheiligste; Ostensive = (duidelijk aantoonend; aanstellerig.

Ostent, ostent, aanblik, teeken, voorteeken; bluf; —ation =

(praal)vertooning, vertoon, pracht; —atious, ost’nteišəs, praalziek,

ijdel, opzichtig: subst. —ness.

Osteogenesy, ostiədženəsi, beenvorming; Osteography = beschrijving der

beenderen; Osteology = leer der beenderen.

Ostler, oslə, stalknecht.

Ostracean, ostreiš’n, oesterachtig; subst. tweeschelpig weekdier,

oester; Ostreaculture, ostriəkɐltjə, kunstmatige oesterteelt.

Ostracism, ostrəsizm, schervengerecht; verbanning, doodverklaring;

Ostracize, ostrəsaiz, verbannen, doodverklaren.

Ostrich, ostritš, struisvogel: —-feather.

Ostrogoth, ostrəgoth, Oostgoot; Oswald, ozwəld; Oswego, oswîgou;

Otaheite, outəhîti, Tahiti.

Otalgia, ətaldžiə, Otalgy, ətaldži, out’ldži, oorpijn.

Other, ɐdhə, ander(s), nog een: Each —, One an— = elkander; Have an—

cigar = neem nog eene sigaar; The — day = onlangs; Every — day = om den

anderen dag; The — morning = onlangs op een morgen; The — side = de

linkerkant; —where = ergens anders; —wise = anders, op andere wijze:

Much was said, both wise and —wise = zoowel verstandige als domme

dingen; I am not —wise engaged = ik heb geene andere plannen, ben niet

bezet; Not —wise than most welcome; It is —(wise) with him = met hem is

’t een ander geval: Rather than —wise = ’t liefst: I can do no — = niet

anders; On that afternoon of all —s = nog wel op dien namiddag; Some

person or — = de een of andere; —ness = verschil, het anders zijn.

Othman, othm’n; Otho, othou.

Otic, outik, oor...; subst. middel tegen oorpijn; Otitis, ətaitis,

oorontsteking; Otology = leer van het oor; Otoscope, outəskoup,

oorspiegel.

Ottar, otə. Zie Otto.

Ottava rima, otâvarîmə, couplet van acht regels, waarvan de zes eerste

beurtelings en de twee laatste met elkander rijmen.

Otter, otə, otter; zeeotter; gele verfstof; —-dog.

Ottewa, otəwə.

Otto, otou, aromatische olie uit bloemen = Attar (of roses).

Ottoman, otəm’n, subst. Turk, ottomane (lage sofa); adj. Turksch: The —

empire.

Otway, otwei.

Oubliette, ûbliet, subst. kerkerhol, valdeur.

Ouch, autš, in goud gevatte edelsteen.

Oudh, aud.

Ought, ôt, subst. iets: For — I know = voor zoover ik weet.

Ought, ôt, behooren: You — to know that = dat moest ge weten; You

laughed at him? Then you — not = maar dat mocht je niet.

Ounce, auns, ons (12e van een pound Troy, en 16e van een pound

avoirdupois): An — of help is better than a pound of preaching = de

kleinste daad is beter dan veel gemoraliseer.

Ounce, auns, Amer. jaguar.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 80 / 141 段