Differ, difə, verschillen, zich onderscheiden van; niet eens zijn,

twisten: He —s from you = verschilt van (is anders dan) u; He —ed with

me in opinion = was ’t niet met me eens; Difference, subst. verschil,

onderscheid; strijd, geschilpunt; — verb. onderscheiden; To arrange a —

= een geschil uitmaken; It makes no — = het maakt niet uit; To pay the

— = het ontbrekende bijbetalen; With a — = met eenig verschil; Reason

—s man from the brutes; Different = verschillend; Differential,

difərenš’l, verschil of onderscheid makende; subst. differentiaal: —

calculus = differentiaalrekening; — duties = differentiaalrechten;

Differentiate, difərenšieit, (zich) onderscheiden, differentieeren;

subst. Differentiation.

Difficult, difikɐlt, moeilijk, lastig; —y = moeilijkheid: He is in —ies

= in geldelijke verlegenheid.

Diffidence, difidens, gebrek aan zelfvertrouwen, schroom, bedeesdheid;

Diffident = beschroomd, bescheiden.

Diffract, difrakt, breken; —ion, breking (van stralen).

Diffranchise, difranšaiz = Disfranchise.

Diffuse, difjûs, adj. verspreid, verstrooid; wijdloopig; subst. —ness.

Diffuse, difjûz, (zich) verspreiden, uitspreiden, uitgieten; —d =

verspreid; subst. —dness = wijdloopigheid = —ness; Diffusibility =

diffusievermogen; Diffusible = verspreidbaar; Diffusion = verspreiding,

verstrooiing, uitstorting, overvloed; Diffusive, difjûsiv,

verspreidend, uitstortend, wijdloopig; subst. —ness.

Dig, dig, subst. stomp, duw, blokker, steek (fig.); — verb. graven,

spitten, uitgraven, indrukken; blokken: To have a sly — at; To give a —

= (stiekum) een steek onder water geven; To — away at = blokken op,

aanhoudend werken aan; The wall was dug down = werd ondermijnd; The

ground was dug up = uitgehold; —ger = graver, schop; —gings =

goudvelden, goudmijnen (in Californië, etc.); woonplaats, district,

woning, kast.

Digest, daidžəst, digesten, pandecten, verzameling van Romeinsche

wetten.

Digest, didžest, daižest, rangschikken, verteren, slikken (fig.),

dulden, rijpelijk overdenken; zacht laten worden (door hitte), tot mest

prepareeren; —er = verteringbevorderend middel: Papin’s — =

Papiniaansche pot; Digestibility = verteerbaarheid; —ible =

verteerbaar; —ion = vertering, het prepareeren van mest; —ive =

verteringbevorderend: —ive organs = verteringsorganen.

Dight, dait, tooien, sieren.

Digit, didžit, subst. vinger, vingerbreedte, 1⁄12 van de middellijn van

zon of maan; cijfer: Number of three —s = getal van drie cijfers; —al =

vinger..., vingervormig; —alis, didžiteilis, vingerhoedskruid; —at(ed)

= gevingerd; —igrade = op de teenen gaande; subst. teenganger.

Dignified, dignifaid, waardig, deftig; Dignify, dignifai, met eer

bekleeden, onderscheiden, eerbied wekken; Dignitary, dignitəri,

waardigheidsbekleeder; kerkvoogd; Dignity, digniti, waardigheid,

deftigheid, rang: To stand on one’s — = op zijn point d’honneur staan.

Digraph, daigraf, twee letters met één klank (de ea in head).

Digress, d(a)igres, afdwalen, afwijken; subst. —ion = afwijking,

uitweiding, afdwaling; adj. —ive.

Dike, daik, subst. sloot; dijk, grensmuur; ader: — verb. indijken;

draineeren; —-grave(-reeve) = dijkgraaf.

Dilapidate, d(a)ilapideit, laten vervallen, neerhalen, afbreken; subst.

Dilapidation.

Dilatability, d(a)ileitəbiliti, rekbaarheid; uitzetbaarheid; adj.

Dilatable, d(a)ileitib’l; Dilatation, d(a)iləteiš’n, uitzetting;

Dilate, d(a)ileit, — verb. uitzetten, verwijden, uitwijden: —d eyes =

opengesperde.

Dilatoriness, dilətərinəs, traagheid, nalatigheid, uitstellen; adj.

Dilatory = tot uitstellen geneigd.

Dilemma, d(a)ilemə, dilemma: To find oneself on (To place between) the

horns of a — = zich bevinden in (iem. plaatsen voor) een dilemma.

Dilettant(e), dilətant, dilettant; Dilettant(e)ism = dilettantisme.

Diligence, dilidž’ns, ijver, naarstigheid; adj. Diligent.

Dilly, dili, diligence (verkorting van Diligence, Fr. uitspr.).

Dilly-Dally, dilidali, (ver)treuzelen.

Diluent, diljûent, met water verdunnend; subst. bloedverdunnend middel.

Dilute, d(a)il(j)ût, adj. verdund, zwak; — verb. verzwakken,

verslappen, verdunnen; Dilution = verdunde oplossing (van

vloeistoffen).

Diluvial, d(a)il(j)ûv’l; Diluvian, diluviaal; tot den zondvloed

behoorend; Diluvium, d(a)il(j)ûvj’m, diluvium.

Dim, dim, adj. donker, dof, onduidelijk, schemerig, suf, mat; — verb.

verduisteren, dof maken, dof worden; —-eyed = met zwakke oogen;

—-sighted = bijziend; —-twinkling = zwak schijnend.

Dime, daim, zilveren muntstukje, 1⁄10 van een dollar, kwartje: —-novels

= goedkoope prulromans; —s = geld.

Dimension, dimenš’n, afmeting, graad, grootte; adj. —al.

Dimeter, dimətə, (versregel) van twee of vier voeten.

Dimidiate, dimidjit, gehalveerd.

Diminish, diminiš, verminderen, verkleinen, verlagen, afvallen,

afnemen: Our opponents may well hide their —ed heads = beschaamd

afdruipen; Diminution, diminjûš’n, vermindering, verkleining,

verlaging; Diminutive, diminjutiv, subst. verkleinwoord; adj. klein,

gering; subst. —ness; Diminuendo, diminjuendou, verminderingsteeken: >.

Dimissory, dimisəri, wegzendend, ontslag...

Dimity, dimiti, diemet.

Dimness, dimnəs, duisterheid, dofheid.

Dimple, dimp’l, subst. kuiltje; — verb. (zich) rimpelen, kuiltjes

vormen: A pretty, —d face = gezichtje met kuiltjes erin; Dimply = vol

kuiltjes, gerimpeld.

Din, din, subst. geraas, gerammel, gekletter, lawaai; — verb. verdooven

(door geraas), rammelen, kletteren, aan de ooren schreeuwen of zeuren

(into a person’s ears).

Dinah, dainə, Dina.

Dine, dain, middagmalen, middagmaal verschaffen: I have —d with Duke

Humphrey = heb geen (warm) eten gehad; You can — a boat’s crew on this

piece of meat = aan dit stuk vleesch heeft de bemanning van eene boot

genoeg; —r = eter; restauratiewagen (Amer.): He is a —r-out = hij is

bijna altijd op diner, eet buitenshuis; Dining: —-car =

restauratiewagen; —-rooms = eetzalen, restaurant; —-table.

Ding, diŋ, met kracht stooten, neerslaan, wegwerpen, inscherpen (into),

pochen, klinken, luiden; —-dong, diŋdoŋ, bom-bam, gebeier, verdoovend,

nadrukkelijk.

Ding(e)y (Dinghy), diŋgi, Indisch bootje; kleinste boot (van een

schip).

Dinginess, dinžinəs, donkerbruin, vuil.

Dingle, diŋg’l, klein dal, vallei.

Dingle-dangle, ding’ldang’l, slofslof.

Dingy, dinži, vuil, donker of vuil-zwart.

Dink, diŋk, keurig: — and dainty; — verb. optooien.

Dinner, dinə, middagmaal, feestmaal: Public — = officieel diner,

banket; I have made a good (poor) — = heb goed (weinig) gegeten;

—-jacket = ‘smoking’; —-party = gezelschap, dischgenooten; —-service =

servies; —-time = etenstijd; —-waggon = dienbak op rolletjes; —less =

zonder eten.

Dint, dint, subst. slag, stoot, deuk, indruk, striem, kracht; — verb.

groeven, indrukken: By (through) — of hard work he succeeded = door

hard werken; These are the —s of his fingers = indrukken.

Diocesan, daiosîs’n, daiəsîs’n, subst. bisschop of inwoner van een

diocese; adj. diocesaan; Diocese, daiəsîs, diocese.

Diocletian, daiəklîš’n, Diocletianus.

Diogenes, daiodžənîz; Diomedes, daiəmîdîz; Dionysus, daienisəs: Fruit

of — = wijn.

Dioptric(al), daioptrik(’l), dioptrisch: —s = dioptrica.

Diorama, daiərâmə, daiəreimə, diorama; adj. Dioramic.

Dip, dip, subst. indooping, bad, helling, glooiing, vetkaars (=

—-candle), vette saus, inclinatie (van de kompasnaald); — verb.

indoopen, bevochtigen, indompelen, inclineeren, strijken en weer

opzetten, op en neer halen, doorslaan (v. balans); uitscheppen,

glooien, vluchtig doorlezen, even aanraken, zich inlaten met, op goed

geluk kiezen, verpanden: The scale —ped on that side, in favour of him

= de schaal sloeg door; He had deeply —ped his estates = had eene zware

hypotheek genomen op.

Dipchick, diptšik; Zie Dabchick.

Diphtherea, dif-thîriə, dipthîriə, Diphtheritis, diphtheritis; adj.

Diphther(it)ic, diftherik, diptherik, —thəritik.

Diphthong, difthoŋ, dipthoŋ, tweeklank; adj. Dipthongal; —ize = tot een

tweeklank maken of worden.

Diphyllous, difəlɐs, daifiləs, tweeblad(er)ig.

Diploma, diploumə, diploma; Diplomacy = diplomatie; —t(e) dipləmat =

—tist, diploumətist; —tic, dipləmatik, subst. gezant, diplomaat; adj.

diplomatisch; handschrift...; —tics, dipləmatiks, diplomatie;

paleografie.

Dipper, dipə, duiker, badknecht; nap; kaarsenmaker; Groote Beer;

dompelaar (Amer.), waterspreeuw.

Dipsomania, dipsəmeinjə, periodieke drankzucht; Dipsomaniac =

drankzuchtige; adj. Dipsomaniacal.

Diptera, diptərə, tweevleugelige insecten; adj. Dipteral =

tweevleugelig = Dipterous.

Dire, daiə, ijselijk, verschrikkelijk, treurig, naar; adj. —ful; subst.

—fulness.

Direct, direkt, direct, rechtstreeksch, open, klaar, eenvoudig,

oprecht, uitdrukkelijk; — verb. richten, sturen, den weg wijzen,

toonen, geleiden, besturen, voorschrijven, adresseeren; —-fire = direct

vuur (tegen vrijstaand doel); —-tax = directe belasting; —ion =

richting, bestuur, voorschrift, opdracht, aanwijzing, recept,

opschrift, adres; —ion-post = wegwijzer; —ly, direct, duidelijk,

oogenblikkelijk; —ness = oprechtheid; —or = directeur; —orate =

directoraat (= —orship); —ory, direktəri, subst. adresboek; bestuur,

directoire (1795); adj. aanwijzend, aanwijzingen bevattend; —ress =

directrice = —rix.

Dirge, dɐ̂dž, (verbastering van Dirige), lijkzang (R.K. kerk).

Dirigible, diridžib’l, bestuurbaar; ook subst.

Diriment impediment, dirimentimpediment, storend iets; omstandigheid,

die een huwelijk onwettig maakt (R.K. kerk).

Dirk, dɐ̂k, subst. dolk, ponjaard; — verb. doorsteken met een dolk.

Dirt, dɐ̂t, subst. vuil, drek, slijk, vuiligheid, vuil weer; (goud

houdende) grond (Amer.); — verb. bevuilen, besmetten: It is as common

as — = komt in groote hoeveelheden voor; To eat — = zich vernederen, in

zijn schulp kruipen; If you throw enough —, some of it will stick = er

blijft van den laster altijd wel wat hangen; —-cheap = spotgoedkoop; To

make —-pies = zandtaartjes maken (kinderspel); —iness = vuilheid (ook

fig.); —y, adj. bevuild, vuil, laag, gemeen; — verb. bevuilen,

bezoedelen.

Disability, disəbiliti, onbekwaamheid, onvermogen, onbevoegdheid;

Disable, diseib’l, onbekwaam (onbevoegd, onbruikbaar) maken, buiten

gevecht stellen, tot zwijgen brengen: A —d soldier = invalide; A —d

state = ontredderde toestand; subst. —ment.

Disabuse, disəbjûz, uit de dwaling of den droom helpen: You must —

yourself of such an idea = u losmaken van.

Disaccustom, disəkɐst’m, ontwennen.

Disadvantage, disədvântidž, subst. nadeel, verlies; — verb. benadeelen:

To be at a — = achterstaan bij; To place at a — = achterstellen bij;

—ous, disadv’nteidžəs = nadeelig; subst. —ousness.

Disaffect, disəfekt, vervreemden, afkeerig of ontrouw maken; —ed =

ontevreden, misnoegd; subst. —edness; —ion = afkeer, misnoegdheid.

Disaffirm, disəfɐ̂m, ontkennen, tegenspreken, loochenen, vernietigen;

subst. —ance.

Disagree, disəgrî, verschillen, oneens zijn, niet passen bij, slecht

bekomen; —able = onaangenaam; subst. —ableness; —ment =

meeningsverschil, oneenigheid.

Disallow, disəlau, niet toestaan, weigeren, afkeuren; —able =

verwerpelijk; —ance = afkeuring, verbod.

Disannul, disənɐl, vernietigen; subst. —ment.

Disappear, disəpîə, verdwijnen; subst. —ance: He was a nameless —ance =

zijn naam stierf geheel uit.

Disappoint, disəpôint, teleurstellen, verijdelen: I am —ed in you = gij

valt mij tegen; subst. —ment: — in love = ongelukkige liefde.

Disappreciate, disəprîšieit, onderschatten.

Disapprobation, disaprəbeiš’n, afkeuring, veroordeeling; Disapprobatory

= afkeurend.

Disappropriate, disəproupriit, adj. onteigend; — verb. disəprouprieit,

ontnemen, onteigenen.

Disapproval, disəprûv’l, afkeuring; Disapprove, disəprûv, afkeuren,

verwerpen.

Disarm, disâm, ontwapenen, onschadelijk maken; de wapens neerleggen,

subst. —ament.

Disarrange, disəreinž, in de war brengen; subst. —ment = verwarring.

Disarray, disərei, subst. verwarring, wanorde; verwarde kleeding; —

verb. in wanorde brengen; de kleeding uittrekken.

Disarticulate, disâtîkjuleit, ontleden; Disarticulator = prosector.

Disassociate, disəsoušieit, ontbinden.

Disaster, dizastə, subst. ramp, tegenspoed, onheil, ongeluk;

Disastrous, dizastrəs, rampspoedig, ongelukkig, verwoestend.

Disavow, disəvau, ontkennen, loochenen, verwerpen; subst. —al.

Disband, disband, afdanken (v. troepen), (zich) verspreiden; subst.

—ment.

Disbar, disbâ, een Barrister het recht van pleiten ontnemen.

Disbelief, disbəlîf, ongeloof, twijfel; Disbelieve, disbəlîv, niet

gelooven; betwijfelen; Disbeliever = ongeloovige.

Disbud, disbɐd, knoppen afbreken.

Disburden, disbɐ̂d’n, ontlasten, zich bevrijden, zijn hart uitstorten.

Disburse, disbɐ̂s, uitbetalen, uitgeven, voorschieten; subst. —ment.

Disc, disk. Zie Disk.

Discard, diskâd, subst. het écarteeren, de weggegooide kaarten; — verb.

afdanken, heenzenden, afleggen, verwerpen, verwijderen, laten loopen,

écarteeren.

Discern, dizɐ̂n, onderscheiden, bespeuren, beoordeelen, waarnemen; —er =

kenner, etc.; —ible = te onderscheiden, duidelijk; subst. —ibleness;

—ing = scherpzinnigheid; adj. scherpzinnig, oordeelkundig; —ment =

inzicht.

Discharge, distšâdž, subst. ontslag, kwijtschelding, ontlasting,

ontheffing; losbranding, salvo, ontlading, lossing, afdoen, vervulling,

verrichting; — verb. lossen, uitwerpen, ontladen, afschieten,

kwijtschelden, ontslaan, ontheffen, betalen, réhabiliteeren,

vrijspreken, uitstroomen, uitstorten, uitstooten, vervullen, dragen

(van wonden): Men with satisfactory —s = eervol ontslagen personen; To

— one’s duty, from duty = zijn plicht vervullen, van den plicht

ontheffen; —-cock = afvoerkraan; —-pipe = afvoerpijp; —r = ontlader,

etc.

Dischurch, distšɐ̂tš, doorhalen als lidmaat, berooven van den rang van

kerkelijke gemeente (dus: als sekte behandelen).

Disciform, disiföm, schijfvormig.

Disciple, disaip’l, subst. leerling, volgeling; —ship = de jongeren;

Disciplinable, disiplinəb’l, voor leering vatbaar; strafbaar;

Disciplinarian, disiplinêri’n, subst. tuchtmeester, ordehouder; adj. =

Disciplinary, disiplinəri, disciplinair; Discipline, disiplin, subst.

tucht, tuchtmiddel, tuchtiging, bestraffing; — verb. onderwijzen,

drillen, tuchtigen, bestraffen: To take the — = zichzelf tuchtigen.

Disclaim, diskleim, ontkennen, verwerpen, afstand doen van: He —ed any

intention to offend; —er = ontkenning, verwerping, afstand, démenti.

Disclose, disklouz, openbaren, onthullen, blootleggen; Disclosure,

diskloužə, openbaring, onthulling.

Discoid, diskôid, schijfvormig; ook subst.

Discoloration, diskɐləreiš’n, verkleuring, verkleurde plek, vlek, smet;

Discolour, diskɐlə, ontkleuren, verkleuren, verbleeken.

Discomfit, diskɐmfit, verslaan, verstrooien, ontmoedigen, uit het veld

slaan, verijdelen; —ure = nederlaag, verijdeling, teleurstelling.

Discomfort, diskɐmfət, subst. smart, pijn, onrust, droefheid,

onbehaaglijkheid; — verb. bedroeven, verontrusten.

Discommend, diskəmend, berispen, misprijzen, kleineeren; Discommendable

= berispelijk.

Discommon, diskomən, een meente aan algemeen gebruik onttrekken, van

privileges berooven.

Discompose, disk’mpouz, in wanorde of verlegenheid brengen, plagen: He

was —d at it = was er geheel van ontdaan; Discomposure, disk’mpoužə,

wanorde, verwarring, ontvoering.

Disconcert, disk’nsɐ̂t, in wanorde brengen, in verwarring brengen,

verijdelen; subst. —ion.

Disconformity, disk’nfömiti, gebrek aan overeenkomst, ongelijkheid.

Disconnect, diskənekt, afkoppelen, uitschakelen; subst. —ion.

Disconsolate, diskonsəlit, troosteloos, bedroevend; subst. —ness.

Discontent, disk’ntent, subst. ontevredenheid, misnoegen; adj.

ontevreden, misnoegd; — verb. ontevreden, misnoegd maken; —ed =

ontevreden; subst. —edness = —ment.

Discontinuance, disk’ntinjuəns, staking, onderbreking, afbreking,

storing = Discontinuation; Discontinue, disk’ntinjû, onderbreken,

afbreken, ophouden, staken, onderbroken zijn of worden: To — (a)

business = eene zaak opheffen, likwideeren; Discontinuity = gebrek aan

samenhang; Discontinuous = onsamenhangend.

Discord, disköd, tweedracht, strijd, disharmonie, verschil; —ance,

disköd’ns, gebrek aan overeenstemming, tegenspraak; Discordant = niet

overeenstemmend, wanklinkend, valsch.

Discount, diskaunt, korting, disconto: At a — = beneden pari; niet in

trek (aanzien); Reverence (knowledge) is at a — nowadays = staat thans

in een slechten reuk; I bought it at a — bookseller’s = bij een

boekhandelaar, die netto en à contant verkoopt; —-bank = disconto-bank;

—-broker (= —er) = wisselmakelaar; —-day = de vaste dag, waarop de E.

bank wissels, enz. disconteert.

Discount, diskaunt, aftrekken, disconteeren, van weinig waarde

beschouwen: We do not wish to — the report of the committee = te kort

doen aan; Our objections are partly —ed in the preface = onze bezwaren

.... ondervangen; The beauty of the book is somewhat —ed by that

circumstance = aan de schoonheid wordt afbreuk gedaan; Iron looked up

through causes, that everybody had often —ed = de prijs van ’t ijzer

ging omhoog door oorzaken, die iedereen dikwijls als van geen invloed

had beschouwd; This grand building —s all other structures out of sight

= steekt uit boven alle andere gebouwen (fig.); —able = te

disconteeren.

Discountenance, diskauntən’ns, subst. koele behandeling, afkeuring; —

verb. den moed benemen, afschrikken van, afkeuren, verlegen maken.

Discourage, diskɐridž, ontmoedigen, afschrikken; —ment = ontmoediging,

beletsel.

Discourse, diskös, subst. voordracht, redevoering, gesprek,

verhandeling, preek; — verb. spreken over, eene redevoering houden,

handelen over; onderhouden over: To — music = ten gehoore brengen; He

—d the women about their duties = onderhield.

Discourteous, diskɐ̂tšəs, diskötšəs, onbeleefd, lomp: Discourtesy,

diskɐ̂təsi, onbeleefdheid, lompheid.

Discover, diskɐvə, ontdekken, openbaren, onderscheiden, toonen: She

cannot — hearts from diamonds = zij kent geen harten voor ruiten; He

—ed himself as = ontpopte zich als, bleek te zijn; —able = te

ontdekken, zichtbaar; —er = ontdekker; —y = ontdekking.

Discoverture, diskɐvətšə, ongehuwde staat (v. vrouwen).

Discredit, diskredit, subst. oneer, schande, discrediet, slechte naam;

twijfel, ongeloof; — verb. niet gelooven; in minachting brengen; —able

= verkeerd, schandelijk.

Discreet, diskrît, verstandig, oordeelkundig, beleidvol; discreet: He

is — = kan een geheim bewaren; subst. —ness.

Discrepance, —cy, diskrep’ns(i), verschil, tegenspraak, inconsequentie;

adj. Discrepant.

Discrete, diskrît, afgescheiden, apart; Discretive, diskrîtiv,

disjunctief, scheidend.

Discretion, diskreš’n, bezonnenheid, verstand, takt, discretie: Years

of — = jaren des onderscheids; The enemies surrendered at — = op genade

of ongenade; That is at your — = tot uw dienst, zooals u verkiest; That

is in your — = dat moet ge zelf weten; — is the better part of valour =

beter een levende hond dan een doode leeuw; Use your own — = handel

naar believen; Discretional = Discretionary = naar believen.

Discriminate, diskriminit, adj. onderscheidend; — verb. (diskrimineit)

onderscheiden, uitkiezen, kenmerken; Discriminating = karakteristiek;

scherpzinnig: — duties = differentiëele rechten; Discrimination,

diskrimineiš’n, onderscheiding, onderscheid, onderscheidingsteeken;

inzicht; Discriminative = kenmerkend, onderscheidend; oordeelkundig.

Discursive, diskɐ̂siv, logisch; afdwalend; subst. —ness.

Discus, diskəs, schijf.

Discuss, diskɐs, bespreken; (rechterl.) vervolgen; verorberen,

opdrinken: To — a bottle of wine; —ion = discussie, debat; vervolging.

Disdain, disdein, subst. versmading, verachting; — verb. versmaden,

verachten; adj. —ful = verachtelijk; subst. —fulness.

Disease, dizîz, ziekte, lijden, ziekelijke toestand: —s Prevention Act

= Wet op Besmettelijke Ziekten; To die of — of the heart = aan eene

hartkwaal sterven; —-bearer = ziektekiem; —d meat = bedorven; —d in

mind = zielsziek.

Disembark, disəmbâk, ontschepen, landen; subst. Disembarkation.

Disembarrass, disəmbarəs, bevrijden, uit de verlegenheid helpen; —ment

= bevrijding.

Disembellish, disəmbeliš, van versierselen ontdoen.

Disembodiment, disəmbodiment, subst. v. Disembody, disəmbodi, van ’t

lichaam bevrijden; afdanken (van soldaten), ontbinden.

Disembogue, disəmboug, uitstorten, uitstroomen; uitvaren.

Disembowel, disəmbau’l, van de ingewanden ontdoen; den buik

opensnijden.

Disenchant, disəntšânt, ontgoochelen; subst. —ment.

Disencumber, disənkɐmbə, bevrijden, ontlasten (of, from).

Disenfranchise, disənfrantšaiz, van kiesrecht berooven; subst. —ment.

Disengage, disəngeidž, vrijmaken, zich losmaken, zich lostrekken,

ontbinden, ontheffen, ontwarren: I shall be —d to-morrow = vrij zijn;

—dness = vrijheid, gebrek aan oplettendheid; —ment = bevrijding,

ontslaan.

Disennoble, disənoub’l, van adeldom berooven.

Disentangle, disəntaŋg’l, ontwarren, bevrijden, losmaken; subst. —ment.

Disestablish, disəstabliš, scheiden (v. Kerk en Staat); —ment =

scheiding (v. Kerk en Staat).

Disesteem, disəstîm, subst. minachting; geringschatting; — verb.

minachten, geringschatten.

Disfavo(u)r, disfeivə, subst. ongenade, minachting; — verb. gunst

onttrekken, afkeuren.

Disfiguration, disfigjureiš’n, misvorming, wanstaltigheid; Disfigure,

disfigjə, misvormen, bederven.

Disfranchise, disfrantš(a)iz, van privileges of burgerrechten (vooral

van het kiesrecht) berooven; subst. —ment.

Disgorge, disgödž, uitbraken, opgeven, teruggeven; subst. —ment.

Disgrace, disgreis, subst. ongenade, schande, schandvlek; — verb.

genade of gunst onttrekken, in ongenade brengen, tot schande strekken:

That boy is in — = heeft straf; You are —d = in ongenade gevallen,

onteerd; —ful, schandelijk; subst. —fulness.

Disguise, disgaiz, subst. vermomming, dekmantel, voorwendsel,

veinzerij; roes; — verb. vermommen, verbergen: He did not make the

least — of his faults = verbloemde ze niet in ’t minst; He was slightly

—d = lichtelijk aangeschoten; —ment = vermomming; —r = schijnheilige.

Disgust, disgɐst, subst. walging, ergernis; — verb. walgen: I am —ed at

that = walg ervan; —ful = walgelijk; subst. —fulness; —ing = walgelijk.

Dish, diš, subst. schotel, schaal, gerecht, schoteltje, kop, holte,

meetrog; — verb. opdisschen (up), uithollen, verijdelen, uit het zadel

lichten, “verlakken”: Meat —; Made —es = fijne schoteltjes; Soap — =

zeepbakje; Vegetable —; —-butter = tafelboter; —-cover = deksel;

—-cloth = vaatdoek, —-mat = tafelmatje; —-warmer = heetwaterkomfoor;

—-washer = bordenwasscher; —-water = schotelwater; —ing = hol.

Dishabille, disəbîl, disəbil, négligé.

Disharmonious, dishâmounjəs; Disharmony, dishâməni, tweedracht.

Dishearten, dishât’n, ontmoedigen.

Dishevel, dišev’l, in wanorde brengen (van haar vooral); —ment =

wanorde.

Dishonest, disonəst, oneerlijk, onoprecht, bedriegelijk, schandelijk;

subst. —y.

Dishono(u)r, disonə, subst. oneer, schande; — verb. onteeren, te

schande maken, niet honoreeren (wissel); —able = onteerend, eerloos.

Dishorse, dishös, van het paard werpen.

Disillusion, disil(j)ûž’n, ontgoocheling; — verb. ontnuchteren, de

illusie benemen = —ize.

Disinclination, disinklineiš’n, afkeer, ongenegenheid; Disincline,

disinklain, (iemand iets) tegen maken: To be —d = ongenegen zijn.

Disincorporate, disinköpəreit, eene corporatie of vereeniging

ontbinden; subst. Disincorporation.

Disinfect, disinfekt, ontsmetten; —ant = ontsmettingsmiddel = —ing

agent; —ion = ontsmetting; —or = ontsmetter.

Disingenuity, disinžənjûiti, onoprechtheid; Disingenuous,

disindženjuəs, onoprecht, sluw; subst. —ness.

Disinherit, disinherit, onterven; —ance = onterving.

Disintegrable, disintəgrəb’l, scheidbaar, verweerbaar; Disintegrate,

disintəgreit, de samenstellende deelen scheiden, (doen) verweeren,

(zich) ontbinden; subst. Disintegration.

Disinter, disintɐ̂, opgraven, aan het licht brengen; subst. —ment.

Disinterested, disintərestid, belangeloos, onpartijdig; subst. —ness.

Disinthral(l), disinthrôl, van slavernij bevrijden.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 31 / 141 段