Picardy, pikədi, Picardië.
Picaroon, pikərûn, avonturier, (zee)roover, kaperschip; — verb. rooven.
Piccalilly, pikəlili, augurkjes, etc. in sterk gekruide saus.
Piccaninny, pikənini, hummeltje (van kinderen), negerkind.
Piccolo, pikəlou, kleine fluit.
Pick, pik, subst. soort houweel, keur, het beste; — verb. met iets
puntigs naar iets slaan, openen (met een puntig werktuig), schoonmaken,
plukken, afknagen, kiezen, uitkiezen, oprapen, prikken, stelen (To —
and steal), met de vingers spelen op een snaarinstrument: The — of the
basket = het neusje van den zalm; You can take your — = uitzoeken; To —
a person’s brains = iemand naschrijven of napraten; I have a bone to —
with you = een appeltje met je te schillen; I do not want to — holes in
your coat = geene aanmerkingen te maken; To — a lock = een slot
opensteken; To — pockets = zakkenrollen; To — a quarrel = ruzie maken;
To — a salad = schoonmaken; Here you cannot walk without —ing your
steps = zonder voorzichtig te zijn; I wish you would — your words =
voorzichtiger uitdrukken; She might — and choose between (had the —ing
and choosing from) two husbands; An army of —ed men = van uitgelezen
troepen; Our officers are —ed off by the Boers = er uitgepikt; I have
—ed you out of the gutter = uit de goot opgeraapt; I cannot — out the
meaning of this = de beteekenis hiervan niet snappen; The black velvet
was —ed out with bright blue = afgezet met; A mouth, —ed out with large
teeth = voorzien van; To — to pieces = scherp critiseeren; You are —ing
up straws = je bent aan het stroo dorschen (fig.); I must try to — up a
livelihood somewhere = ik moet zien dat ik ergens aan den kost kom; We
have —ed (up) acquaintance with each other = kennis gemaakt; He —ed up
with a pretty American = maakte kennis met; Where did you — up your
English? = waar heb je opgedaan; To — (oneself) up = To — up one’s
crumbs = To — up one’s strength = opknappen, weer op krachten komen;
—-a-back: To carry a person (a) —-a-back = op de schouders: —-axe =
houweel; —-axe team = één paard tusschen de boomen en twee daar vóór
(Austral.); —lock = looper; dief; —-me-up = versterkend middel,
hartsterking; —pocket = zakkenroller; —ings and stealings = oneerlijk
verkregen inkomsten, knoeierijen; Good —ings = vette bijverdiensten.
Pickaninny, Zie Piccaninny.
Pickeer, pikîə, schermutselen, verkennen, toelonken.
Pickerel, pikər’l, soort snoek; snoekbaars.
Pickersgill, pikəzgil.
Picket, pikət, subst. paal, staak, piket, posten (van stakers); — verb.
met palen omheinen of beschermen, aan een paal binden, stationneeren
(als een piket), posten: The horses broke their —s = braken los van de
piketpalen.
Pickle, pik’l, subst. pekel, zuur; lastig geval, lastpost (van een
kind); — verb. pekelen, inleggen: I have a rod in — for you = er staat
een potje te vuur voor je; To be in a fine (nice, sad) — = leelijk in
de klem zitten: They are great —s = hachjes; —(d) herring =
pekelharing.
Pickwick, pikwik, Pickwick; stinkstok (sigaar); adj. Pickwickian: —
sense = technische beteekenis van een woord.
Picnic, piknik, subst. buitenpartijtje, waarbij de deelnemers provisie
meenemen; — verb. een picnic houden; —ker.
Picotee, pikətî, soort van anjelier: The — differs from the carnation
in being fringed.
Picric. p(a)ikrik: — acid = pikrinezuur.
Pict, pikt, Pict; —ish.
Pictorial, piktôriəl, schilder - -, geïllustreerd: — art =
schilderkunst; — list = geïllustr. prijscourant; — postcards =
prentbriefkaarten; — Scotland = Schotland in beeld gebracht.
Picture, piktšə, subst. schilderij, beeltenis, levendige beschrijving;
— verb. afbeelden, schilderen, levendig beschrijven: A — of health; I
will have my — drawn, taken = ik wil mijn portret laten maken; I got
him to sit for his — = ik heb hem overgehaald om voor mij te zitten; He
is handsome, quite a — = net een beeld; He was altogether out of the —
= paste heelemaal niet bij de omgeving; —-book = prentenboek; —-card =
pop (kaartspel); —-gallery = museum van schilderijen; —-postcard =
prentbriefkaart; Picturesque, piktjəresk, schilderachtig; subst. —ness.
Piddle, pid’l, beuzelen, peuteren; piemelen, regenen; —r = peuteraar.
Pidgin, pidžin, Chineesche verbastering van Business; —-English = het
jargon in Chineesche havenplaatsen.
Pie, pai, pastei (ook in de beteek. v. door elkander gevallen zetsel);
ekster, babbelaar; gebedenboek: To eat humble — = zoete broodjes
bakken; To fall into — = in pastei vallen (ook fig.); You made — of the
learned man’s valuable notes = hebt totaal verknoeid, overhoop
geworpen; He has a finger in every man’s — = heeft overal de hand in;
By cock and — = bij kris en kras; To be in for a —-jaw = een standje
krijgen; —d = gevlekt, bont; subst. —dness.
Piebald, paibôld, bont, gevlekt.
Piece, pîs, stuk, comediestuk, deel, munt, kanon, geweer, rol; — verb.
lappen, verstellen, samenvoegen: Five guilders a — = per stuk, elk;
This paper costs seven and six the — = de rol; A — of advice = raad; A
— of bread and butter = boterham; A — of cheek = brutaliteit; A — of
etiquette = beleefdheidsgebruik; To give a person a — of one’s mind =
hem zeggen waar ’t op staat; A — of news = nieuwtje; A — of nonsense,
wit = een onzinnige, geestige zet; In a — = uit een stuk; Of a — = van
hetzelfde soort, aan elkaar gewaagd; All to —s = bankroet, in slechte
conditie; It was broken (fell, tumbled, went) to —s = het brak (viel)
stuk; To take to —s = uit elkaar nemen; To tear to —s; You will have to
— it out = vergrooten (door er stukken bij te voegen); Thus must I — it
out = zóó moet ik dat begrijpen, lezen, aanvullen; —-goods = goederen
die bij het stuk verkocht worden; —-work = stukwerk; —less = uit één
stuk bestaand; —meal = bij stukken en brokken; —r = lapper, versteller.
Piedmont, pîdmont, Piedmont; —ese, pîdmontîz, pîdmontîs,
Piedmontees(ch).
Pier, pîə, havenhoofd, havendam, landingsplaats, pijler; —-glass = dam-
of penantspiegel; —-guard = beambte op een pier; —-table =
penanttafeltje; —age, pîridž, liggeld.
Pierce, pîəs, doordringen, doorsteken, doorboren, onderzoeken; —able =
doorboorbaar, etc.; —r = priem, angel, legboor; Piercing, scherp,
snijdend: — cries = doordringende kreten; — words; subst. —ness.
Pierian, paiîriən, paieriən, Muzen - -.
Pierpont, pîəpont; Piers, pîəs; Pierson, pîəs’n.
Pietism, paiitizm, Pietisme; kwezelarij; Pietist = Duitsche Pietist;
vrome kwezelaar; —ic(al), paiətistik(’l), pietistisch; Piety, paiiti,
vroomheid: Filial — = kinderliefde.
Piffle, pif’l, leuteren; subst. leuterpraat.
Pig, pig, big, varken(svleesch), zwijn, klomp ruw metaal; — verb.
biggen werpen, als biggen samengepakt zijn of samenhokken: You have
bought a — in a poke = ge hebt eene kat in den zak gekocht; She meant
to be a — = wou onaangenaam zijn; —’s wash = draf; —’s whisper = zacht
gefluister: In a —’s whisper = in een vloek en een zucht; Guinea — =
iemand die gepoederd haar bleef dragen niettegenstaande Pitt’s
belasting daarop van een guinea (1795); Zie Guinea; — and whistle =
engeltje met trompet (naam v. herberg); (To go to —s and whistles =
verkwist worden); — and tinderbox = elephant and castle (naam v.
herberg); —-eyed = met kleine oogen; —-headed = met groot hoofd;
koppig, eigenwijs; —-iron = ruw ijzer; —-nut = aardkastanje; —skin =
varkenshuid; zadel; —-sticking = wilde zwijnenjacht met lansen; —sty =
varkenshok (ook fig.); —tail = varkensstaart, korte losse vlecht haar,
Chinees, tabak in lange rollen; —gery = zwijnestal (ook fig.),
zwijnerij; —gish = vuil; subst. —gishness = zwijnerij.
Pigeon, pidž’n, subst. duif; domoor, sul, stakkerd; lood; — verb.
bedriegen, villen, alles afhalen: To milk (pluck) the — = afzetten; Zie
Milk; —-breast(ed) = (met een) kippeborst; —-English = Pidgin English;
—-fancier = duivenhouder(-koopman); —-hole, subst. poortje (van een
duivenslag), loket; — verb. in een vakje of eene afdeeling leggen,
opbergen; opzettelijk verwaarloozen (fig.): They were very kind to me,
but I was —-holed = ik werd met een kluitje in het riet gestuurd;
—-livered = beschroomd, zachtaardig; —-pair = tweelingen van tweeërlei
geslacht; —-shooting (sport); —-toed, met naar binnen gekeerde teenen;
—-wing = soort pruik; kruissprong: To cut a —-wing; —ry = duivenhok.
Piggin, pigin, half vaatje met één langere duig als handvat.
Pigment, pigm’nt, pigment, kleur, verf (stof); adj. Pigmental.
Pigmy, pigmi = Pygmy.
Pigot(t), pigət.
Pigwidgeon, pigwidž’n, subst. dwerg, fee, sul; iets zeer kleins;
dwergachtig.
Pike, paik, piek, spies, tolboom; snoek; (Zie ook Turnpike); —man =
piekenier; —staff = schacht van eene piek: As plain as a —staff = zoo
klaar als een klontje; I call a —staff a —staff = het kind bij z’n
naam; —d = gepunt, puntig.
Pikelet, paiklət, Pikelin, paiklin, gebakje.
Pilaster, pilastə, pilaster.
Pilate, pailit, Pilatus.
Pilau, pilau, pilô, rijst met gehakt schapenvleesch.
Pilchard, piltšəd, een soort sardijn.
Pile, pail, subst. hoop, massa, brandstapel, heipaal, beharing, nop
(van laken), groot gebouw, opeenhooping, fortuin; — verb. opeenhoopen,
stapelen, heien, noppen: He goes the whole — = zet alles op één worp;
He went to America and made his (a) — = en maakte fortuin (Amer.); —s =
aambeien; Galvanic — = zuil van Volta; To — arms = de geweren aan
rotten zetten; To — up (on) the agony = zoo sensationeel mogelijk
voorstellen; —-driver = heiblok; —-engine = heimachine; —-worm =
paalworm; —-wort = speenkruid.
Pileate, p(a)ili-it, hoedvormig.
Pilfer, pilfə, ontfutselen, ontstelen (bij kleine hoeveelheden); —er.
Pilgarlick, pilgâlik, arme drommel.
Pilgrim, pilgrim, pelgrim; nieuweling; Pilgrimage = bedevaart;
levensreis: — of woe = vervelende tijd.
Piliferous, pailifərɐs, behaard; Piliform, p(a)iliföm = haarvormig.
Pill, pil, subst. pil, mil. dokter, bittere pil; vlegel; — verb. pillen
voorschrijven; deballoteeren: To be a bitter — for = een bittere pil
zijn; Blue — = kwikpil; blauwe boon (fig.); A long-haired — was making
a speech to a crowd of ruffians = een vlegel met lang haar; We shall
have to gild the — = de pil moeten vergulden; I know what it is to be
—ed = te worden gedéballoteerd; —-monger = pillendraaier.
Pillage, pilidž, subst. roof, plundering, buit; — verb. rooven,
plunderen, vernielen; —r.
Pillar, pilə, pilaar, zuil: I was sent from — to post, and back again
from post to — = ze zonden me van Pontius naar Pilatus; The —s of
society = de steunpilaren der maatschappij; —-box = (straat)brievenbus;
—-saint = —ist = zuilheilige.
Pil(l)au, Pillaw. Zie Pilau.
Pillion, pilj’n, zacht laag zadel, kussen voor eene vrouw om achter
iemand op het paard te zitten.
Pillory, piləri, subst. kaak; — verb. op de kaak stellen, te pronk
staan, aan de algemeene verachting prijsgeven: He was put into the — =
op de kaak gesteld.
Pillow, pilou, subst. peluw, kussen; — verb. op een peluw of kussen ter
ruste leggen; met een kussen steunen: To advise (take counsel, consult)
with one’s — = zich erop beslapen; —-case = kussensloop = —-sham =
—-slip.
Pilose, pailous, pailouz, behaard, harig.
Pilot, pailət, subst. loods, gids; — verb. loodsen (in, out): He —ed
the ship into port = loodste binnen; —-boat = loodsboot; —-bread =
scheepsbeschuit; —-cloth = donkere blauwe stof voor zeelui; —-engine =
voorspan-, of hulplocomotief; —-fish = loodsmannetje; —-jack =
loodsvlag; —-jacket = pijjekker; —age, pailətidž, loodsgeld (inwards,
outwards), leiding of bekwaamheid van een loods.
Pilule, piljul, kleine pil; Pilulous, piljulɐs, pilvormig, nietig.
Pilularia, piljulêriə, pilvaren.
Piment, paimənt, wijn met honig en nagels.
Pimento, pimentou, piment, nagelbollen.
Piminy, pimini, gemaakt, gekunsteld.
Pimp, pimp, subst. koppelaar; — verb. koppelen.
Pimpernel, pimpənel: Field (Male, Red, Scarlet) — = guichelheil; Water
— = beekpunge, watereereprijs, waterpunge; Wood (Yellow) — =
boschwederik.
Pimple, pimp’l, puist(je).
Pin, pin, subst. speld, pin, kegel, bout, kleinigheid, stemming; —
verb. met eene speld, pin of een bout vastmaken, vasthouden, spelden,
insluiten: There is not a — to choose between them = er is geen zier
verschil tusschen beiden, ze zijn aan elkaar gewaagd; I have —s and
needles in my leg = mijn been slaapt; To be on —s and needles = op
heete kolen zitten; To be in (on, upon) a merry — = vroolijk gestemd;
You might have heard a — drop; I don’t care a — = het kan mij geen lor
schelen; A company playing at nine—s = dat aan het kegelen was; To be
put to the — of one’s collar = bijna den laatsten cent uitgegeven
hebben; To stick —s into = speldeprikken geven (ook fig.); The web and
the — = een vlek op het hoornvlies van het oog (verouderd); I — my
faith on him (on his sleeve) = ik vertrouw hem volkomen; I am —ned to
it = eraan gebonden, zit eraan vast; He —ned the government to that
declaration = bond; —afore = voorspelder, kinderboezelaar; —-case =
speldenkokertje; —cushion = speldenkussen; —cushiony = mollig, dik
(Amer.); —-feather = uitkomende veer; —-fire cartridge = patroon met
randontsteking (tegenover Central-fire cartridge); —fold = schutstal;
—-head = knop; —-hole = speldeprik (= —prick ook fig.); —-money =
speldengeld; —-tail = pijlstaart; —ner = boezelaar met voorspelder; de
houder van een schutstal.
Pinaster, p(a)inastə, zeepijn.
Pincers, pinsəz, groote knijptang, schaar.
Pinch, pinš, subst. kneep, steek, prise, nood, verlegenheid, angst; —
verb. knijpen, knellen, in verlegenheid brengen, gappen, toehappen,
beperken, knijperig of gierig zijn, zich bekrimpen: At a — = als het
knijpt (desnoods); If ever it comes to a — = in geval van nood; als het
tot het uiterste komt; He —ed me black and blue = kneep; That’s where
the shoe —es = daar wringt de schoen; He —ed himself (of everything) =
hij ontzeide zich alle genoegens; She —ed her waist in = reeg zich
sterk; To be —ed with cold = erg van de koude lijden; —-belly =
gierigaard; —-spotted = met blauwe plekken van het knijpen; —er =
knijper, gierigaard; —ers (Zie Pincers).
Pinchbeck, pinšbek, subst. pinsbek, een koperlegeering; adj. onecht,
valsch.
Pindar, pində, Pindarus; —ic, pindarik, subst. Pindarische ode; adj.
Pindarisch. Pindarus.
Pinder, pində, houder van een schutstal.
Pine, pain, subst. (grove) den; pijnappel; —-apple = ananas; —-barren =
dennenaanplanting (Amer.); —-clad = met pijnboomen bezet; —-cone =
dennenappel; —-needle = dennennaald; —ry = broeikas voor het kweeken
van ananassen; dennenaanplanting = —tum, painît’m; het laatste ook =
verhandeling over naaldhout.
Pine, pain, van kommer, honger omkomen, wegkwijnen (away), smachten
naar (after, for).
Ping-pong, piŋpoŋ, subst. tafeltennis; — verb. — spelen.
Pinic, painik: —-acid = dennenzuur.
Pinion, pinj’n, subst. vleugel, wiek, vleugelpunt; handboei; — verb.
kortwieken, omklemmen, vastklemmen, boeien: He was seized and —ed =
gegrepen en weerloos gemaakt.
Pink, piŋk, subst. rose anjelier, lichtroode kleurstof; uitstekendheid,
hoogte, puikje; pink (schip); — adj. rosekleurig, lichtrood; uitstekend
(Am.): The champion-rider was in the — of condition = was in
uitstekende “conditie”; He is the — of fashion = hij is de spiegel (het
toonbeeld) der mode; Napoleon dreaded the — of that society more than
Russia itself = die allerhoogste kringen; The Pink’un = een sportblad
(Vergel. De “Groene”); To change to — = een rooden jagersrok
aantrekken; —-eyed = met kleine glinsterende oogen; —-sterned = met
smallen achtersteven; —y = rose, vleeschkleurig; subst. pink (Amer.).
Pink, piŋk, doorboren, doorsteken; verfraaien, verbloemen (Amer.).
Pinkster, piŋkstə, Pinksteren (Amer.).
Pinnace, pinis, pinas, 6 of 8 riemssloep van een oorlogsschip.
Pinnacle, pinək’l, subst. tinne, toppunt; — verb. van eene tinne of een
top voorzien, kronen: The — of fame = toppunt van beroemdheid.
Pinnate, pinit, gevederd.
Pinniped, piniped, vinpootig (dier).
Pinnock, pinək, meesje.
Pint, paint, subst. pint (⅛ gallon = ± 0,568 L.); —-pot = klein huisje
(Am.); kan die een pint inhoudt.
Pintle, pint’l, pen, bout, roerhaak.
Piny, paini, vol pijnboomen, pijnboomachtig.
Pioneer, paiənîə, subst. pionier, baanbreker, wegbereider; — verb. den
weg bereiden.
Piony, paiəni, pioen.
Pious, paiəs, vroom, godvruchtig, teeder; —-minded = met vroom gemoed.
Pip, pip, subst. pip (vogelziekte), pit (v. eene vrucht), oog (op eene
kaart); verk. v. Philip: — verb. piepen, sjilpen: Count your —s = tel,
hoeveel oogen gij hebt.
Pipe, paip, pijp, buis, fluit(je), luchtpijp, stem; maat v. twee
okshoofden of 126 gallons; — verb. op de fluit spelen, een fluitsignaal
geven, van pijpen voorzien, huilen, zingen: In a feeble — = met zwakke
stem; All the children were on full —, on the full howl = waren om het
hardst aan het janken en gillen; To charge (fill) a — = stoppen; I’ll
clear my — first = mijne keel schrapen; To hit the — = opium schuiven;
I’ll put your — out = ik zàl je wel; Put that in your — and smoke it =
steek dat in je zak; His — was stopped, went out = was verstopt, ging
uit; He began to — down = een toontje lager te zingen; He dances as she
—s = hij danst naar haar pijpen; —-bowl = kop; —-clay = pijpaarde; —
verb. pijpaarden; —-cleaner (—-cleanser); —-laying = het leggen van
pijpen; politieke intrigues (Amer.); —-light = fidibus; —-picker =
pijpuitpluizer; —-rack = pijpenstander; —-stem = steel; —-tree =
sering; —r: Who is to pay the —r? = “Wie zal dat betalen, zoete, lieve
Gerritje”? Piping = schril, schel, zwak, kokend heet (= — hot): The —
days of yore = de goede oude tijd.
Piperic, paiperik: — acid = piperinezuur.
Pipkin, pipkin, aarden pot, tobbetje.
Pippin, pipin, kleine zure appel, pippeling.
Pipul, pipul, de heilige vijgenboom (Brit. Ind.).
Piquancy, pîk’nsi, pik’nsi, scherpheid, stekeligheid; Piquant = pikant,
scherp, doordringend; Pique, pîk, subst. pik of piek, wrok,
spijtigheid, gevoeligheid; — verb. boos maken, beleedigen, prikkelen:
In a moment of — she accepted him = in een spijtig oogenblik schonk ze
hem hare hand; She —d herself on her ladylike tastes = liet zich heel
wat voorstaan op.
Piquet, piket, pikət, piket, piketspel.
Piracy, pairisi, zeerooverij, nadruk = Book —; Pirate, pairit, subst.
zeeroover(sschip), letterdief; — verb. zeeroof plegen, onbevoegd
nadrukken; Piratical, pairatik’l, zeerooverij of letterkundigen
diefstal plegend: — printer.
Piraeus, pairîəs; Pirie, piri.
Pirn, pɐ̂n, (garen)klos, spoel.
Pirogue, piroug, uitgeholde boomstam (als kano); smalle boot.
Pirouette, piruet, subst. pirouette: To turn a — = To pirouette.
Pisa, pîzə; Pisanio, piseiniou.
Piscary, piskəri, vischrecht, ook: Common of —; Piscatorial,
piskətôriəl, Piscatory, piskətəri, visschers..., tot het visschen
behoorende; Pisces, pisîz, de Visschen (dierenriem); Pisciculture,
pisikɐltjə, vischteelt; Piscine, pis(a)in, tot de visschen behoorende;
Piscivorous, pisivərɐs, vischetend.
Pisé, pîzei, ineengestampte aarde.
Pish, piš, interj. foei! bah! — verb. verachting uitdrukken: To cry —
at = To — at.
Piss, pis, subst. urine; — verb. urineeren.
Pistachio, pisteišiou, pistatšou: — nut = groene amandel.
Pistareen, pistərîn, peseta (munt); adj. gering.
Pistil, pistil, stamper (v. bloemen); —laceous pistileišəs, tot den
stamper behoorend, stamper...; —late = met een stamper.
Pistol, pist’l, subst. pistool; — verb. doodschieten (met een pistool):
—-bag = holster; —-case = pistoolkistje.
Pistole, pistoul, pistoul, gouden munt (ƒ 9 à ƒ 12).
Piston, pist’n, klep, zuiger; zuignapje: —-rod = zuigerstang; —-stroke
= zuigerslag; —-valve = zuigerklep.
Pit, pit, subst. put, kuil, afgrond, diepte, parterre (schouwburg),
plaats voor hanengevechten; een kaartspel; — verb. uithollen, in eene
put plaatsen, aanzetten, ophitsen, met kuiltjes of pokken merken: The —
= het graf; He flew the — = hij gaf den strijd op; He hit the — of my
stomach = raakte me in de maagholte; He has the power of — and gallows
= kerker en dood; To — against = stellen tegenover; He —ted his brains
against that difficult language = hij studeerde hard op die taal; —ted
with the smallpox = van de pokken geschonden (ook: Pock-—ted); —fall =
val, strik, valluik; —man = putwerker; —-pat = tik.... tak; —-saw =
kraanzaag (voor twee man: de onderste heet —man of —-sawyer, de
bovenste top-sawyer); —tite = volgeling van Pitt, parterre-bezoeker =
—ster.
Pit-a-pat, pitəpat, subst. klopping, tiktak, getrippel; adv. tikketak;
— verb. trippelen: And my heart went — = ging rikketik.
Pitch, pitš, subst. pik of pek; hoogte, toppunt, graad of trap; diepte,
helling; toestand; toonhoogte; worp, stalletje; — verb. teeren, pikken;
bevestigen, zetten, opstellen, steken, regelen, werpen, slingeren, met
een hooivork gooien of aanreiken, ruw plaveien, stemmen, den
(grond)toon bepalen, kampeeren, (voorover) vallen, zich storten op,
neerkomen, stampen (v. een schip): One cannot touch — without being
defiled; As dark (black) as — = zoo donker als de nacht; —-and-toss =
kop of leeuw; It rose to the highest — = het bereikte het toppunt; — of
a roof = helling v. een dak; — of a room = de hoogte van vloer tot
zolder; — of a saw = helling van de tanden van eene zaag; (All our
rooms are well —ed = van behoorlijke hoogte); A —ed battle = geregelde
slag; A —ed street = eene met granietblokken geplaveide straat; They
—ed a camp near the town = sloegen op; — into him = sla er op; I could
not — upon the right word = kon niet vinden; The 17th was —ed upon =
het werd op den 17en vastgesteld; Mind the —ing = denk om de helling;
The —ing of the ship was something terrible = het schip stampte
verschrikkelijk; —-farthing = het spelen met centen in een kuil; —fork
= hooivork; — verb. met een hooivork opgooien of aanreiken: He was
—forked into that office = kreeg dat ambt door zijne vele kruiwagens;
—-pipe = stemfluitje; —iness, subst. v. —y = pikachtig, pikzwart,
duister, akelig.
Pitcher, pitšə, soort v. houweel; kruik of kan; iemand, die van een
stalletje verkoopt; straatkunstenaar: —s have ears = kleine potjes
hebben ook ooren; So often goes the — to the well, that it comes home
broken at last = de kruik gaat zoolang te water tot ze breekt.
Piteous, pitjəs, ellendig, jammerlijk, treurig; medelijden hebbend met
(of); subst. —ness.
Pith, pith, pit, kern, merg, kracht, nadruk, het essentiëele; —iness =
pittigheid, kracht; —less = zonder pit (ook fig.), slap, zwak; subst.
—lessness; —y = pittig, krachtig.
Pitiable, pitiəb’l, jammerlijk; subst. —ness.
Pitiful, pitiful, medelijdend; erbarmelijk, onbeduidend; subst. —ness;
Pitiless = onbarmhartig; subst. —ness.
Pittance, pit’ns, gave, kleine portie, schrale kost, beetje.
Pity, piti, subst. medelijden, jammer, ellende; — verb. medelijden
hebben; beklagen: It’s a great — = het is (erg) jammer; Do it, for —’s
sake = doe het om Gods wil; More is the — = jammer genoeg, wat nog
erger is; Have (take) — on him = wees hem genadig, heb deernis met; I —
you, though you never complain of him = ik beklaag u, ofschoon gij
nooit over hem klaagt; He is to be pitied = is te beklagen.
Pius, paiəs.
Pivot, pivət, spil, guide (= —-man); — verb. draaien; —al question =
hoofdzaak.
Pix, piks = Pyx.
Pixy, piksi, fee, toovergodin.
Pizzle, piz’l, roede: Bull’s — = bullepees.
Placability, plakəbiliti, pleikəbiliti, verzoenbaarheid,
vergevensgezindheid, toegevendheid; adj. Placable, plakəb’l, pleikəb’l.
Placard, pləkâd, plakəd, subst. plakkaat, aanplakbiljet; — verb.
biljetten aanplakken, bekend maken door plakkaten.