Fabric, fabrik, subst. bouw, structuur, weefsel, maaksel, gebouw, stof,

fabrikaat; —ate, fabrikeit, bouwen, maken, vervaardigen, samenstellen,

fabriceeren, bedenken, verzinnen, vervalschen; subst. —ation; —ator =

hij die vervaardigt, enz.

Fabulist, fabjulist, fabeldichter; verb. Fabulize; Fabulous, fabjulɐs,

verdicht, fabelachtig, ongeloofwaardig, rijk aan fabelen: — age =

vóórhistorische tijd; subst. —ness = Fabulosity = fabelachtigheid.

Facade, fəsâd, fəseid, vóórgevel, vóórzijde.

Face, feis, subst. gelaat, gezicht, uiterlijk, driestheid,

onbeschaamdheid, aangezicht (fig.), redactie, voorkant, wijzerplaat,

vlak, façade; — verb. het gezicht toekeeren, staan (zitten, gelegen

zijn, zich bevinden) tegenover, te gemoet treden, omkeeren met de

voorzijde naar boven, weerstand bieden, aanvaarden, bekleeden aan de

voorzijde, omzoomen, omboorden, zich wenden naar: — of a coin =

beeldzijde; In the — of day = op klaarlichten dag; The —s of a square =

de zijden van een carré; This is unpardonable in — of the facts = met

het oog op de feiten; He did it in — of all that is honourable and just

= in strijd met al wat eervol en rechtvaardig is; On the — of it = op

’t eerste gezicht; To be — to — = tegenover elkaar staan; To fly in the

— of danger = tegemoet snellen; I laughed in his — = in zijn gezicht; I

will say so before his —, in his — = waar hij bij is; She said it with

a little — = ietwat brutaal; I could not see my hand before my — = geen

hand voor oogen; He told it me to the — = vlak in ’t gezicht; The King

accepted the poor supplicant’s — = trok zich den armen smeekeling aan,

stond zijn verzoek toe; He cut a queer — = trok een raar gezicht; He

entreated (sought) the King’s — = ’s konings gunst; He has his — at his

command = hij heeft zijn gelaat in zijn macht; Everything has two —s =

men kan alles van twee kanten beschouwen; He made (pulled) a long — =

trok een lang gezicht (fig.); He made a wry — = trok een zuur gezicht;

She can make all kinds of —s = allerlei gezichten trekken; I’ll put a

good — on it = het van den besten kant beschouwen; He set his — against

his father’s will = hij weerstreefde zijn vader; Left —! Right —! =

links-, rechtsom; Right about —! = rechtsomkeert; He —d the card = hij

keerde om; He —d the consequences = aanvaardde; To — the enemy = het

hoofd bieden; The country-seat —s the high-road = staat met de

voorzijde naar; To — the music = de moeielijkheid moedig onder de oogen

zien; The room —s South-east = ligt op; It was more than my heart could

— = verdragen, weerstaan; To — about = zich omkeeren; He —d his men

down = overblufte; He wanted to — me down = hij wou mij door

onbeschaamdheid den blik doen neerslaan; He —d it out = hij hield het

brutaal vol; —-ache, feiseik, —-ague, feiseigju, aangezichtspijn; — and

hood = driekleurig viooltje; —-card = heer, vrouw of boer (in ’t

kaartspel); —-cloth = doek (ter bedekking van het gelaat) van een

doode; —-guard = masker; —r = slag in ’t gezicht, teleurstelling.

Facet, fasət, facet; — verb. met facetten slijpen.

Facetiae, fəsîši-î, fijne, geestige zetten, humorist. lectuur;

Facetious, fəsîšəs, grappig, boertig: subst. —ness.

Facial, feiš’l, tot het gelaat behoorend: — angle = gelaatshoek; —

contractions = gelaatsverwringingen.

Facile, fasil, gemakkelijk, gedwee, gewillig, vlug, lichtgeloovig,

licht over te halen, meegaande, vriendelijk, minzaam: He wields a — pen

= een vlugge pen; Facilitate, fəsiliteit, vergemakkelijken, verlichten;

subst. Facilitation; Facilities, fəsilitiz, gemakken, voordeelen;

Facility, fəsiliti, gemakkelijkheid, handigheid, meegaandheid,

genaakbaarheid, minzaamheid.

Facing, feisiŋ, subst. boordsel, opslag, tressen, bekleeding van talud,

wending, zwenking (Mil.): — of tea = thee kleuren ter vervalsching.

Facsimile, faksimili, subst. facsimile; — verb. eene juiste nabootsing

geven van.

Fact, fakt, daad, feit, werkelijkheid: In — = inderdaad, feitelijk.

Faction, fakš’n, (politieke) partij, oneenigheid, onrust, tumult,

opstand; —ist = raddraaier, oproermaker; Factious, fakšəs,

partijzuchtig, oproerig, muitend; subst. —ness.

Factitious, faktišəs, kunstmatig, nagebootst, onecht, conventioneel.

Factitive, faktitiv, causatief: — object, zooals b.v. het woord duke

in: The queen made him a duke.

Factor, faktə, agent, facteur, factor; —age, faktəridž, commissieloon;

—ship = beroep v. factor; Factory, faktəri, fabriek, faktorij:

Factories and Workshops Acts = arbeidswetten; Factory hand =

fabrieksarbeider.

Factotum, faktout’m, factotum, duivelstoejager.

Facultative, fakəltətiv, rechtgevend, naar believen, facultatief;

Faculty, fak’lti, bekwaamheid, vermogen, gave, talent, zin,

bevoegdheid, dispensatierecht, faculteit: The — = medische faculteit,

de medici.

Fad, fad, liefhebberij, stokpaardje, gril; —dish = grillig; —dist =

iemand, die er allerlei dwaze stokpaardjes en meeningen op nahoudt; —dy

= vol fads.

Faddle, fad’l, beuzelen.

Fade, feid, adj. zwak, mat, kleurloos; — verb. verwelken, verkleuren,

verschieten, verdwijnen; Fadingness = vergankelijkheid.

F(a)ecal, fîk’l, tot faeces behoorende of die bevattende; F(a)eces,

fîsîz, faecaliën, bezinksel.

Fag, fag, subst. werkezel; groen; een “pluk”, een “toer”; — verb. zich

afsloven, zich afmatten, groen loopen; afmatten, als werkezel

gebruiken: —ged out = doodop; —-end = zelfkant, rafeleind, uitgerafeld

stuk, eindje, slot.

Fa(g)got, fagət, subst. takkebos, bundel (of iron, steel), brandstapel;

oud gerimpeld vrouwspersoon, lummel; — verb. samenbinden; To smell of

the — = naar den mutsaard rieken; —-voting, bestond hierin, dat

grondbezitters nominaal stukken land aan pachters overdeden, die

dientengevolge als grondbezitters ook mochten stemmen.

Fagin, feigin.

Fagotto, fagotou, fagot.

Fail, feil, achteruitgaan, ontbreken, gebrek hebben aan, ophouden,

verloren gaan, uitblijven, uitdrogen, mislukken, niet opkomen, afnemen,

verzwakken, in den steek laten, zijn doel missen, misgaan, falen,

nalatig zijn, failleeren of bankroet gaan, verlaten, teleurstellen; ook

subst.: His heart —ed him = zijn moed begaf hem; He —ed to do it =

slaagde niet; They —ed to do him justice = bleven in gebreke; He —ed in

his usual alacrity (animation) = het ontbrak hem; He has —ed of his

ambitions = zijn illusies (wenschen) zijn niet verwezenlijkt; This work

cannot — of popularity = moet wel in den smaak vallen; Without — =

zonder mankeeren, zeker; —ing, subst. gebrek, zwak; adj. ontbrekend,

achteruitgaand, begevend, etc.; prep. bij gebrek van: A never — topic

of conversation = waarover men nooit raakt uitgepraat; Failure =

gebrek, slechte uitslag, gemis, mislukking, misgewas, verval,

achteruitgang, bankroet.

Fain, fein, gaarne, blij, geneigd, begeerig, genoodzaakt: He was — to

eat black bread = hij was blij met (hij moest wel eten) roggebrood; —

to gain it = verlangend; He would — = hij wou graag (liefst); — of =

blij met.

Faint, feint, adj. zwak, verzwakt, uitgeput, flauw, bedwelmend, zwoel,

drukkend, terneergeslagen; subst. flauwte, onmacht; — verb. flauw

vallen (away), afnemen, zwakker worden: — heart never won fair lady =

die niet waagt, die niet wint; — at heart = bevreesd; I have not the

—est idea of it = er geen flauw begrip van; The book was killed with —

praise = werd totaal vermoord door zwakke aanprijzing (die met

veroordeeling gelijk stond); A — sound = zwak, dof; — with hunger,

thirst = flauw, uitgeput van; —hearted = moedeloos, flauwhartig; subst.

—-heartedness; —ing = flauwte, bezwijming: In a —ing fit = in een

aanval van flauwte; —ish = zwakkelijk; subst. —ishness; —ness = zwakte,

moedeloosheid, onduidelijkheid.

Fair, fêə, subst. jaarmarkt, kermis; Fancy — = liefdadigheidsbazaar;

—ing = kermisgeschenk.

Fair, fêə, schoon, fraai, rein, vlekkeloos, ongerept, helder,

duidelijk, blond, blank, ongehinderd, vrij, gunstig, behoorlijk,

billijk, rechtvaardig, eerlijk, oprecht, zacht, vriendelijk: The —

(sex) = het schoone geslacht; She has a — knowledge of English =

behoorlijke, flinke; — play is a jewel = eerlijk duurt het langst; That

is not — play = niet eerlijk en rond; To see — play = zorgen dat iets

eerlijk toegaat; — trade = beschermde handel; He is in a — way to

succeed = mooi op weg; — words butter no parsnips = praatjes vullen

geen gaatjes; — and square = eerlijk, rond, oprecht; — and softly =

zoetjes aan; He bids — to get the place = zijne kansen staan goed; He

carried it — towards them in public = deed zich mooi voor; —ly =

vrijwel; geheel en al, volstrekt, werkelijk: The book is going on —ly,

sells —ly well = gaat vrij goed van de hand; —-faced = met mooi gelaat;

mooie praatjes makend; —-minded = oprecht; —-spoken = innemend,

hoffelijk; His —-weather friends = vr. in voorspoed; —ish = lief,

tamelijk goed (mooi, etc.); vrij wel; —ness = schoonheid, ongereptheid,

blondheid, oprechtheid, billijkheid, duidelijkheid, etc.

Fairway, fêəwei, vaarwater.

Fairbairn, fêəbən; Fairfax, fêəfaks.

Fairy, fêri, subst. fee, toovenares; adj. feeachtig: — circle (— green,

— ring) = kring (groener dan de omgeving) in ’t grasveld, die naar ’t

volksgeloof door het dansen der feeën ontstaan is; — fingers, — glove =

vingerhoedskruid; —land = feeënland; —-like = als een fee; —-tale =

sprookje.

Faith, feith, geloof, vertrouwen, trouw, belofte, eerewoord: (In) —, he

did it = eerlijk (waarachtig), hij deed het; In good — = te goeder

trouw; The — = de Christel. godsdienst; A breach of — = trouwbreuk; To

keep — with = zijn woord houden jegens; To put — in = geloof hechten

aan; —ful = geloovig, trouw, eerlijk, geloofwaardig: The —ful = de

geloovigen; —fully: Yours —fully = uw dienstwillige; subst. —fulness;

—less = ongeloovig, trouweloos; subst. —lessness; —worthy = be- of

vertrouwbaar.

Faix, feiks, op mijn woord, waarachtig.

Fake, feik, oplappen, opknappen (met het oog op bedrog), stelen;

bedriegen; opschieten (zeeterm); subst. bocht, slag, bedrog: The old

horse was —d up for work again = werd weer opgelapt voor ’t werk; —ment

= zwendel, diefstal, knoeiwerk; —r = bedrieger, zwendelaar,

zakkenroller.

Fakir, fəkîə, feikîə, fakir, Brit. Ind. bedelmonnik.

Falcate(d), falkeit(id), sikkelvormig; subst. Falcation.

Falchion, fôlš’n, kort licht gekromd en breed zwaard.

Falciform, falsiföm, sikkelvormig.

Falcon, fô(l)k’n, falk’n, valk; falkonet (kanonnetje); —er = valkenier;

—et = falkonet, smelleken; —ry = valkendressuur, valkenjacht.

Falderals, faldəralz, snuisterijen, snorrepijperijen.

Faldstool, fôldstûl, vouwstoel; bisschopsstoel (bij het altaar), stoel

(aan de zuidzijde van het altaar) waarbij de Engelsche vorsten bij de

kroning knielen; lezenaar (in de kerk).

Falernian, fəlɐ̂nj’n, subst. en adj. (wijn) van Falernus.

Falkirk, falkɐ̂k, fôlkɐ̂k, fôkɐ̂k; Falkland, fôklənd.

Fall, fôl, subst. val, het vallen, daling, neerdaling, ineenstorting,

dood, ondergang, helling, waterval, uitwatering, herfst (Amer.),

cadans, val (zeeterm); — verb. vallen, zich uitstorten, instorten,

afvallen, sneuvelen, betrekken, zondigen, dalen, verminderen,

vervallen, neerkomen, aanvallen, te beurt vallen, gebeuren, geworpen

worden, enz.: The — = zondenval; They tried a — (with each other) =

worstelden samen; There was a general — of jaws = zij trokken allen

lange gezichten; He came here in the — = in den herfst; A — overcoat =

demisaison; — aboard = aanvaren, aanklampen, aanpakken; To — astern =

achterblijven, zakken (van schepen); To — dead from the press =

doodgezwegen worden; The wind fell a dead calm = het werd bladstil; To

— flat = mislukken; de uitwerking missen; To — foul of = aanzeilen;

aangrijpen, slaags raken met; stooten op; He fell from grace = verviel

tot zonde; He fell in love = werd verliefd; To — ill = ziek worden; To

— short = te kort schieten, niet voldoende zijn, niet beantwoorden aan

(of); To — together = elkaar ontmoeten; To — to pieces = in stukken

vallen; To — to the rear = wijken; To — among friends = toevallig raken

onder, ontmoeten; To — away = mager worden, tot slechtheid vervallen;

To — away from = afvallig worden; He fell along = viel neer zoo lang

als hij was; To — back = wijken, terug krabbelen; To — back upon =

terugkomen op (eene bewering of argument), steun vinden of zoeken bij,

in geval van nood; To — behind = achterblijven, zakken; His face had

—en in = ingevallen, mager geworden; To — in = invallen, vervallen,

aantreden, aansluiten; The lease will — in on the first = het

huurcontract vervalt; To — headlong into the water = voorover, hals

over kop; I fell in with his plans = keurde.. goed en deed

overeenkomstig; That fell in with my temper = kwam overeen met; We fell

in with each other = troffen elkander; To — off = afvallen;

verminderen, afnemen; He fell on (to) his knees; To — out = uitvallen,

oneenigheid, ruzie krijgen, de gelederen verlaten; It fell out that ...

= het gebeurde, dat; To — through = in duigen vallen; I advise you to —

to = ik raad u, om toe te tasten, aan te vallen; It fell to me, my lot,

my share = viel mij te beurt; The dogs fell to biting = begonnen; The

legacy fell to us = viel ons ten deel; To — upon (on) the ear =

treffen; To — upon = aanvallen; The war fell within this year = had

plaats; —ing-away = wegvallen, uitvallen, vermagering, afvalligheid,

ontrouw; —ing-off = vermindering, achteruitgang; —ing-sickness =

vallende ziekte; —ing-star = vallende ster; —ing-stone = meteoorsteen;

—-trap = valdeur, valluik.

Fallacious, fəleišəs, bedriegelijk, sophistisch; subst. —ness; Fallacy,

faləsi, bedrog, vergissing, dwaalbegrip, drogrede.

Fallals, falalz, falalz, prullen, nietigheden.

Fallibility, falibiliti, feilbaarheid; adj. Fallible.

Fallow, falou, vaalrood, vaalgeel, onbebouwd, braak, verwaarloosd;

subst. braakland, braak; — verb. braak laten liggen: He had to rest and

lie — = en mocht geen werk doen; —-crop = oogst van braakland; —-deer =

damhert; —-finch = tapuit.

Falmouth, falməth.

False, fôls, adj. valsch, onwaar, ongegrond, bedriegelijk, onjuist,

onecht, vervalscht, blind, ondergeschoven: To play — = valsch spelen,

bedriegen; If my memory does not play me — = mij niet bedriegt; He

sails under — colours = hij zeilt onder valsche vlag; —-face = masker;

—-faced = huichelachtig; — fire = valsch signaalvuur (om den vijand te

misleiden); —-hearted = trouweloos; subst. —-heartedness; —hood =

valschheid, leugen, bedrog; —ness = valschheid; Falsification =

vervalsching, weerlegging; Falsifier = vervalscher, valsche munter;

Falsify, fôlsifai, vervalschen, schenden, weerleggen, de onjuistheid

bewijzen; Falsity, fôlsiti, valschheid, onjuistheid.

Falsette, fôlset; falsetto, fôlsetou, faucet-stem.

Falstaff, fôlstâf.

Falter, fôltə, stamelen, stotteren, weifelen, wankelen: — out =

uitstamelen; I —ed from my vow = werd ontrouw aan.

Fame, feim, gerucht, faam, roem, vermaardheid: Houses of ill-— =

bordeelen; —d = beroemd.

Familiar, fəmiljə, gemeenzaam, huiselijk, intiem, minzaam, ongedwongen;

subst. vertrouwde vriend, goede kennis, huisgeest: “But” is the

sceptic’s — = het woordje “But” heeft de twijfelaar steeds in den mond;

—ity, familjariti, gemeenzaamheid, nauwkeurige bekendheid, minzaamheid:

(Too great) —ity breeds contempt = van (al te groote) gemeenzaamheid

komt verachting; —ities = vrijheden; Familiarize = gemeenzaam maken,

gewennen; Family, famili, huisgezin, (vrouw en) kinderen, familie,

geslacht, groep: Mr. W’s — = de fam. W.; —-man = huisvader; —-medicine

= huismiddeltje; —-tree = stamboom; —-way: His wife is in the —-way =

in gezegende omstandigheden.

Famine, famin, hongersnood, schaarschte, gebrek; Famish, famiš,

uithongeren, verhongeren, versmachten.

Famous, feiməs, beroemd, vermaard, berucht; subst. —ness.

Famulist, famjulist, student van ondergeschikten rang aan de

universiteit te Oxford.

Fan, fan, subst. waaier, wan, blaasbalg, prikkel; — verb. koelte

toewaaien, wannen, aanzetten, aanwakkeren: He —ned the racial hatred =

wakkerde aan; —-light = halfronde lichtschepping boven eene huisdeur;

—-tail = duif, met waaiervormigen staart, vleermuis (gasbrander); kap

met verlengstuk van kolendragers; —ning-machine, faniŋməšîn, —ning-mill

= builmolen, wanmachine.

Fanal, fənal, fənâl, fein’l, lichttoren, lichttoestel.

Fanatic, fənatik, adj. dweepziek; subst. dweper; —al = fanatiek; —ism =

fanatisme.

Fancier, fansiə, kweeker, liefhebber (van vogels, enz.). Fanciful,

fansiful, hersenschimmig, ingebeeld, grillig, phantastisch; subst.

—ness; Fancy, fansi, subst. verbeelding, fantasie, verbeeldingskracht,

gril, lust, smaak, voorliefde, liefhebberij; adj. ingebeeld,

overdreven, elegant, mode - -, phantasie..; — verb. zich verbeelden,

zich voorstellen, eene voorliefde opvatten voor, aangenaam vinden;

lusten: The — = in ’t algemeen sportmenschen, vooral worstelaars,

hondenliefhebbers, etc.; He took a — to it = hij kreeg er zin in; Only

— = stel je voor; If you — the idea, I will act accordingly = als het

denkbeeld bijval bij u vindt; Is there nothing, that you can —? = is er

niets, dat u bevalt, dat ge lust? —-articles, —-goods =

weelde-artikelen; —-ball = gecostumeerd bal = —-dress ball; —-fair =

liefdadigheidsbazaar; —-goods = galanterieën; —-man = souteneur; —

price = bespottelijk hooge prijs; —-shop = galanteriewinkel; —-sick =

eenigszins getroubleerd van geest; —-skater = kunstschaatsenrijder;

—-stationer = verkooper van luxepostp., galanterieën, enz.; —-work =

handwerkje.

Fandango, f’ndaŋgou, Spaansche dans.

Fane, fein, tempel, heilige plaats; weêrhaan.

Fanfare, fanfêə, fanfêə, fanfare, pocherij.

Fanfaron, fanfəron, snoever; —ade, fanfərəneid, snorkerij, gebluf.

Fang, faŋ, slagtand, gifttand, klauw; —less = zonder klauwen, etc.

Fanion, fanj’n, klein vlaggetje.

Fannel, fan’l. Zie Fanon.

Fanny, fani.

Fanon, fanən, zijden vierkleurige schouderdoek, welke na het cingulum

(sjerp) over de alb wordt gelegd, een speciaal pauselijk gewaad bij

kerkdiensten; manipel; witgedekte tafel waarop de offeranden voor de

mis worden geplaatst.

Fantasia, fəntâzia, fantəzîa; muzikale fantasie; Fantastic (= —al),

fəntastik(’l), fantastisch, grillig; subst. phantast; —ness; Fantasy,

fantəsi. Z. Fancy.

Fan-tods, fantodz, landerigheid: I got the — = het begon me te

vervelen, ik kreeg het land.

Fantoccini, fantoutšîni, marionetten-theater.

Far, fâ, ver, afgelegen, zeer, groot: That does not go very — = daar

komen we niet ver mee; This cocoa is best and goes —thest = en is het

voordeeligst in het gebruik; We had to go —-about = een heelen omweg

maken; —-away = ver weg, verstrooid; To reach — back into antiquity =

ver teruggaan; — and away = verreweg; — and near, — and wide = heinde

en ver, overal; Few and — between = zelden voorkomend; —-fetched =

vergehaald, vergezocht; — forth = heel ver; In the —-gone = in ouden

tijd; He is —-gone in that science = heeft het een heel eind gebracht

in; — gone in love = tot over de ooren verliefd; — gone in drink,

consumption = erg dronken, in een ver stadium van tering; — in with =

zeer intiem met; —most = verst; —-off = op een grooten afstand;

wezenloos, starend; — other = heel anders; You are — out = hebt het

heelemaal mis; —-reaching = ver-reikend; —-sighted = verziende,

omzichtig; subst. —-sightedness; — West = het gedeelte der Unie ten W.

van den Mississippi; By — = verreweg; So — as I am concerned = wat mij

aangaat; So — so good = tot hiertoe is het in orde.

Faradization, farəd(a)izeiš’n, behandeling van ziekten door electrische

stroomingen, ook: Faradism, naar Faraday genoemd; Faradize =

electriseeren.

Farce, fâs, klucht, kort blijspel; Farcical, fâsik’l, kluchtig,

grappig; subst. —ness.

Farcin, fâsin, Farcy, fâsi, ziekel. aandoening der lymphklieren bij

paarden.

Fare, fêə, subst. voedsel, kost, gerecht, vracht, passagier; — verb.

zich bevinden, varen, gaan, zich voeden: Half —s = halve of

kinderkaarten; Regulation — = tarief; Bill of —s = tarief (in omnibus

of huurrijtuig); Bill of — = menu, spijskaart; — you well = vaarwel;

—-meter (for cabs) = taxometer; Farewell, fêəwel, subst. afscheid,

vaarwel: He bade — to his country = zeide vaarwel; adj. afscheids...

(fêəwel): A — address = afscheidsrede; interj. (fêəwel) vaarwel! adieu!

Farina, fərainə, fərînə, bloem van meel; zetmeel; Farinaceous,

farineišəs, melig, meel bevattend: — food = meelkost; Farinose,

farinous, meelhoudend, met meelachtig stof bedekt.

Farm, fâm, subst. boerderij, pachthoeve; — verb. pachten, verpachten,

bebouwen, den landbouw uitoefenen, kinderen uitbesteden: This house was

let to — = verhuurd; —-bailiff = rentmeester; —-crossing =

(spoor)overweg bij een boerderij; —-dog = waakhond; —-hand = arbeider,

knecht; —-house = boerenwoning; —-labourer = boerenarbeider; —-produce

= landbouwproducten; —-stead(ing) = boerenplaats; —-yard = erf; —er =

pachter, landman; —ery = boerenerf met huizen, schuren enz.; —ing,

subst. landbouw; adj. landbouw...

Farnborough, fânbərou; Farne Islands, fân ailəndz; Farnham, fânəm.

Faro, fêrou, een hazardspel.

Faroe, fêrou: — Isles; Farquhar, fâkwâ, fâk(w)ə.

Farrago, fəreigou, mengelmoes.

Farrier, fariə, subst. hoefsmid, paardendokter; —y = hoefsmidsbedrijf,

smederij.

Farrow, farou, subst. big, worp biggen; adj. gust (niet drachtig) van

eene koe (Dial. en Amer.); — verb. biggen werpen.

Farther, fâdhə, Farthest, fâdhist, comp. en superl. van far; —-more =

bovendien.

Farthing, fâdhiŋ, ¼ penny; —’s-worth = waarde van een farthing.

Farthingale, fâdhiŋgeil, soort hoepelrok (16de en 17de eeuw).

Fasces, fasîz, bundel, fasces (Oud-Rome): — of flowers.

Fascia, fašiə, band, gordel, vooruitstekende lijst, zwachtel;

Fasciation, fašieiš’n, zwachtelen, verband; Fascicle, fasik’l,

bundeltje, aflevering; Fascicular, fəsikjulə, Fasciculate(d) = tot een

bundeltje vereenigd.

Fascinate, fasineit, betooveren, verrukken, bekoren, boeien; subst.

Fascination.

Fascine, fəsîn, fascine, bundel rijshout voor milit. doeleinden.

Fash, faš, hinderen, plagen, lastig zijn (Dial.).

Fashion, faš’n, subst. fatsoen, aard, wijze, vorm, patroon, mode,

trant, kleederdracht, chic, voornaamheid; — verb. vormen, fatsoeneeren,

gepast maken voor: The — = de groote wereld; —s = de heerschende

modedracht; After a —, In a — = tot op zekere hoogte; In the — = in de

mode; —able = naar de mode, chic, beschaafd, welopgevoed; subst.

—ableness; —ist = modegek; iemand, die aan den vorm hangt; —-monger =

fat, modepop; —-sheet = modeplaat.

Fast, fâst, vast, onbewegelijk, bevestigd, gehecht, getrouw; snel,

vóórloopend, vlug, los, geëmancipeerd; losbandig: My watch is — = vóór;

You are a little — = je horloge gaat wat voor; You go too — = je

oordeelt wat haastig; He plays — and loose with his principles = hij is

niet beginselvast; He is as — asleep as a church = hij slaapt als een

otter; — beside = vlak naast; — by = dichtbij; — colours = “waschecht”;

— freight = ijlgoed; — friends = dikke vrienden; — man, woman = roué,

wufte, geëmancipeerde vrouw; —-sailing = snelzeilend; — train =

sneltrein; Fasten, fâs’n, vastmaken, bevestigen, sluiten, vestigen,

opleggen, zich hechten of vastklemmen: He can — an article on any

journal = kan ... in ieder tijdschrift geplaatst krijgen; I have —ed a

fib on him = ik heb hem wat wijs gemaakt; He —ed a quarrel on his

opponent = zocht ruzie met; —er = knijpertje; —ing = slot, grendel,

sluiting; Fastness = snelheid; losbandigheid, versterking, fort.

Fast, fâst, vasten; subst. vasten, vastentijd: I hope I shall — my

illness off = ik hoop, dat ik door onthouding (vasten) er weer bovenop

kom; I am obliged to — from reading = mij van lezen te onthouden,

spenen; —-day = vastendag; —er = vaster.

Fasti, fastai, Romeinsche kalender of registers.

Fastidious, fəstidjəs, kieskeurig, moeilijk te voldoen; subst. —ness.

Fastigiate(d), fəstidžit(-eitid), naar boven spits toeloopend.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 40 / 141 段