vastkleven; lijmen, beetnemen (Amer.): — arabic = Arab. gom; —boil =
zweertje op het tandvleesch; — elastic = caoutchouc; —-rash =
hittepuistjes; —suck = bedriegen (Amer.); —sucker = jonge Australiër
van Europ. afkomst; —-trees = soorten v. Eucalyptus en Acacia; —miness,
subst. v. —my = gomachtig, kleverig, gom bevattend; —my! = jeminé! That
is —my = bijna ongeloofelijk, en toch waar.
Gump, gɐmp, sul, dwaze kerel.
Gumption, gɐmpš’n, gladheid, scherpzinnigheid; The boys had to write a
— paper = opstel, waaruit blijkt of zij goed hebben waargenomen; —less
= dom; Gumptious, gumpšəs, glad, vaardig, bij de hand.
Gun, gɐn, subst. geweer, kanon; — verb. schieten, jagen: He is a big —
= invloedrijk persoon, groote hans; Son of a — = pierewaaier (humor.),
lammeling; It is as sure as a — = zoo zeker als 2 × 2; The —s were
brought to bear on the enemy’s ships = werden gericht; To blow great —s
= stormen; We spiked their —s = vernagelden; They stood to their —s =
bleven standvastig (het geschut bedienen); —-barrel = loop van een
kanon of geweer; —-battery = batterij (van kanonnen); —boat =
kanonneerboot; —-carriage = affuit; —-cotton = schietkatoen; —-fire =
uur van het morgen- en avondschot; —-foundry = gieterij; —-metal =
geschutmetaal; —powder = buskruit; fijne groene thee: The —powder Plot
= samenzwering, om op 5 Nov. 1605 de Parlementshuizen in de lucht te
doen springen; —-rack = geweerrek(-rak); —-reach = kanon- of
geweerschotsafstand: He is within —-reach = op kanon- of
geweerschotsafstand (ook: —-shot) = hij is onder schot; —-rod =
laadstok; —-room = verblijf der cadetten aan boord van een oorlogschip;
—-shot = geweer- of kanonschot, de afstand van een kanon of geweer;
—smith = geweermaker; —smithery = geweermakerskunst, -vak; —-stock =
geweerlade; —-tackle = geschuttalie; —ned: Heavily —ned = met zwaar
geschut; —er = artillerist, kanonier; —er’s ladle = laadlepel; —nery =
artillerie wetenschap; —nery-lieutenant = luitenant die, na een
—nery-course op een —nery-ship te hebben bijgewoond, in het bezit is
van een warrant daarvan.
Gunnel, gɐn’l, dolboord; schansnet aan boord van een oorlogschip.
Gunn(e)y, gɐni, grof zaklinnen.
Gunter’s chain, gɐntəztšein, landmetersketen v. ± 20,11 M.
Gunwale, gɐn’l (Zie Gunnel).
Gurgle, gɐ̂g’l, subst. geklok, gorgeldrank, gemurmel; — verb. klokken,
gorgelen, murmelen: The delicious gurg-gurgling from our bronze
fountain = geklater; A —t of water = waterbron.
Gurgoyle; Zie Gargoyle.
Gurnard, gɐ̂nəd, kleine poon; spinvisch.
Gush, gɐš, subst. krachtige stroom, uitstrooming, uitbarsting,
overdreven taal of gevoel; — verb. krachtig (uit)stroomen, snel en mild
vloeien, overdreven en sentimenteel zijn: His conversation came in —es
= van tijd tot tijd barstte hij eens los; All this is not —, it is the
honest truth = dit is volstrekt niet overdreven of onwaar; She —ed
about Liszt = sprak (schreef) overdreven bewonderend over L.; I am not
a —er, but I must tell you how much I like you = ben geen overdreven
gevoelsmensch; She was conceited and —ing = en dwaas sentimenteel
(overdreven).
Gusset, gɐsət, geer, inzetsel, inlegsel.
Gust, gɐst, windruk, vlaag, uitbarsting; smaak, lust, neiging; —ation,
gəsteiš’n, het proeven of genieten; —ative, —atory, gɐstətori, smaak
..., proef ...: — nerve = smaakzenuw; —o, gɐstou, smaak, genot; —y =
stormachtig, winderig, woest.
Gustavus, gɐsteivəs.
Gut, gɐt, subst. darm, snaar, nauwte; — verb. ontweien, uithalen,
leegplunderen, uitbranden; —s = ingewanden, buik, maag: Greedy —s =
vreetzak; —-scraper = vedelaar; —-string = snaar.
Gutta, gɐtə, druppel (vooral in samenstellingen); —percha =
guttapercha.
Guttate(d), gɐtit (—eitid), gespikkeld.
Gutter, gɐtə, subst. goot, geul, riool; — verb. geulen maken, goten
vormen, afloopen (van eene kaars), in druppels neervallen; —-press = de
vuile, onzedelijke pers; —-snipe, —-snippet = verwaarloosd kind,
voddenraper; —-spawned = verachtelijk en onzedelijk.
Guttiferous, gɐtifərɐs, gom opleverend.
Guttiform, gɐtiföm, druppelvormig.
Guttle, gɐt’l, verzwelgen, inslokken (down).
Guttural, gɐtər’l, subst. keelletter, keelklank; adj. tot de keel
behoorende; —ize = met keelklank uitspreken; —ness = keelklankachtige
aard; Gutturize, gɐtəraiz, in de keel vormen.
Guy, gai, Guy; topreep (scheepst.), vogelverschrikker, leelijke
fantastische pop (ter herinnering aan Guy Fawkes en het Gunpowder
Plot); voorwendsel; — verb. met een touw (onder het ophijschen)
vasthouden; uitsnijden, belachelijk maken: He did a — and bolted = hij
wendde iets voor (b.v. dat hij noodzakelijk weg moest); He was —ed
unmercifully = hij werd ongenadig uitgelachen; —-rope = topreep,
tenttouw.
Guyon, gaiən.
Guzzle, gɐz’l, snel drinken, zuipen; subst. sterke drank; —r = zuiplap.
Gwynn, gwin.
Gymkhana, džimkânə, een soort wedrennen, waarbij aan de deelnemers
bovendien allerlei grappige verplichtingen worden opgelegd (een draad
door een naald steken, een meegebrachte som eerst uitrekenen, etc.);
ook adj.
Gymnasium, džimneiž’m, worstelplaats, gymnastiekschool, gymnasium: —
belts = gordels.
Gymnast, džimnast, gymnastiekonderwijzer, gymnast; —ics, džimnastiks,
athletische oefening, gymnastiek; —ic apparatus (costume, exercise,
hall, society).
Gymnotus, džimnoutəs, sidderaal = — electricus.
Gynaecological, džainikəlodžik’l (dži—), gynaecologisch; Gynaecologist
= gynaecoloog; Gynaecology = gynaecologie.
Gyp, džip, oppasser (bij studenten).
Gypseous, džipsiəs, gipsachtig; Gypsum, džips’m, gips.
Gyrate, džaireit, omwentelen, ronddraaien; adj. džairit, kringvormig;
subst. Gyration: Centre of — = draaipunt; Gyratory = draaiend; Gyre =
kring, omwenteling.
Gyrfalcon, džɐ̂fôk’n, giervalk.
Gyroscope, džairəskoup, gyroscoop.
Gyve, džaiv, ketenen, boeien; subst. —s = (voet)boeien.
H.
H, eitš; Hamps(hire) = Hants; H(is of Her) B(ritannic) M(ajesty);
Heb(rews); Hert(ford)s(hire); Hhd = Hogshead(s); Hist(ory); H(er)
M(ajesty’s) S(ervice); Hon(ourable); H. P. = halfpay, horse-power; H(is
of Her) R(oyal) H(ighness); Hung(ary); Hund(red); Hunt(ingdon)s(hire);
Hypoth(esis).
Ha, hâ, subst. ha! uitroep van verbazing of vreugde; — verb. verbazing
uitdrukken; blijven steken: He hummed and —’ed, before he replied =
stotterde, haperde; He was an enemy to beating about the bush, humming
and —’ing = hield niet van er om heen te praten en ‘—’ te zeggen; His
manner is very ‘—-—’ = hij doet altijd zeer verbaasd.
Habeas corpus, heibiəsköpəs: Writ of — = bevelschrift om een gevangene
ter onderzoeking voor te brengen, met opgave van dag en reden zijner
arrestatie en gevangenhouding.
Haberdasher, habədašə, winkelier in garen en band, passement en
nouveautés; —y = garen en band, enz.
Haberdine, habədin, habədîn, labberdaan.
Habergeon, həbɐ̂dž’n. Zie Hauberk.
Habiliment, həbiliment, kleeding, kleed (gewoonlijk —s).
Habit, habit, subst. gewoonte, neiging, hebbelijkheid, persoonlijk
aanwensel; kleeding, kleedij, rijkleed; habitus, houding, uiterlijk; —
verb. kleeden: To be in (To get into) the — of swearing = gewoon zijn
(zich aanwennen); By — = uit gewoonte; —-shirt = chemisette (v.
amazones); —ed = gekleed.
Habitability, habitəbiliti, bewoonbaarheid; adj. Habitable; Habitant,
habit’nt, bewoner; Habitat, habitat, natuurlijke woonplaats (of
groeiplaats) voor dier (of plant); Habitation, habiteiš’n, bewoning,
woning; loge van de Primrose League (eene staatkundige, conservatieve
partij in Engeland).
Habitual, həbitjuəl, gewoonlijk, voortdurend, gewoonte: — drunkard =
dronkaard; Habituate, həbitjueit, gewennen; Habitude, habitjûd,
gewoonte, hebbelijkheid.
Hacienda, asiendə, hacienda, fabriek, mijn, landgoed.
Hack, hak, subst. houw, snede, kerf; huurpaard, jacht(rij)paard;
broodschrijver, rek (om visch te drogen), stapel steenen (om te
drogen), mestvork, ruif; — verb. hakken, houwen, radbraken, kuchen, als
hack gebruiken, zich weggooien; adj. huur - -, versleten; —-in-chief =
hoofdredacteur (spottend); A —ing cough = droge kuchhoest.
Hackee, hakî, gestreept Amerikaansch eekhorentje.
Hackery, hakəri, tweewielige ossenwagen in Brit. Indië.
Hackle, hak’l, subst. hekel, ruwe zijde, nek- of rugveer van een haan,
kunstvlieg (als aas); — verb. hekelen, een candidaat aan den tand
voelen; vaneenscheuren; —r = hekel.
Hackney, hakni, subst. rijpaard, huurpaard, werkpaard, huurrijtuig,
duivelstoejager, huurling; adj. verhuurd, alledaagsch, afgezaagd: To
make a — of = verslijten, bederven; —-carriage, —-coach = huurrijtuig,
huurkoets; —-coachman = koetsier van een huurrijtuig.
Haddock, hadək, schelvisch.
Hade, heid, subst. steile ingang van eene mijn; — verb. hellen (van
mijnaderen).
Hades, heidîz, schimmenrijk.
Hadji, hadžî, hadji.
Haematin, he(hî)mətin, haematine; Haemorrhage, heməridž, bloeding,
bloed(uit)storting; Haemorrhoids, hemərôidz, aambeien.
Haffle, haf’l, stamelen, hakkelend en onduidelijk spreken, uitvluchten
maken.
Hafiz, hâfiz.
Haft, haft, subst. handvat, hecht, heft, woning (Schotl.); — verb. in
een heft zetten, van een heft voorzien; zich vestigen.
Hag, hag, subst. heks, tooverkol, furie; — verb. schrik aanjagen;
—-ridden = aan nachtmerrie lijdende; —-seed = heksengebroed; —gish =
afschuwelijk, heksen...
Hagar, heigâ.
Haggard, hagəd, wild, ongetemd, verwilderd, bleek en vervallen.
Haggis, hagis, fijn gehakte schapekop met hart, lever en longen; een
Schotsche schotel van schapenlongen, hart en lever met uien, en gekookt
in eene schapenmaag.
Haggle, hag’l, knibbelen, afdingen; —r.
Hagiographa, hagiogrəfə, heidžiogrəfə, de boeken van het O. Testament
met uitzondering van de Mozaische en de Profeten; levensgeschiedenissen
der Heiligen; Hagiology, hagiolədži, heidžiolədži, geschiedenis der
Hagiographa; werk over de levens van (R.-K.) heiligen.
Hague (The), dhəheig, ’s-Gravenhage.
Hah, hâ, ha!
Ha-ha, hâhâ, hâhâ, opening in een tuinomheining met een droge sloot er
voor; ook die sloot zelf.
Haidarabad, haidərəbad; Haidee, haidî; Haigh, hei.
Hail, heil, subst. aanroep, welkomstgroet, bezoek; interj. heil! —
verb. begroeten, aanroepen, praaien, geboortig zijn van: He is within
(out of) — = hij kan (niet) beroepen worden, is (niet) vlak bij de
hand, is binnen (buiten) het bereik van de stem; That man is
—-fellow-well-met with all people = hij is een allemansvriend; The ship
was —ed by us = gepraaid; Where do you — from = komt gij vandaan
(waaien)? This dictionary —s from America = is een Amerikaansch
voortbrengsel; They sang a — Mary! = een Ave Maria.
Hail, heil, hagel; — verb. (doen) hagelen; —shot = kartetsvuur; —stone
= hagelsteen; —storm.
Hair, hêə, haar; ook adj.: It is my friend to a — = op-en-top, tot op
een haar; Within a — of = op een haar na; Let us not split —s = laten
wij niet haarkloven, vitten, etc.; Not to turn a — = onbewogen blijven;
—breadth = haarbreedte, zéér kleine afstand: It was a —breadth escape =
wij brachten er nog net het leven af; —brush = haarborstel; —cloth =
(paarde)haren stof; —dresser = kapper; —-dye; —-lace = haarlint; —-line
= snoer van paardenhaar, ophaallijn (in ’t schrijven); —-net =
haarnetje; —-oil = haarolie; —-pencil = fijn penseel; —-pin =
haarspeld; —-pointed = met fijne, teere punt; —-powder = haarpoeder
(wit); —-restorer = haargroeimiddel; —-shirt = haren kleed; —-splitting
subst. = haarklooverij; ook adj.; —-stroke = ophaallijn (bij ’t
schrijven); —-trigger = sneller (aan een pistool); pistool daarvan
voorzien; —-wash = haarwaschmiddel; —iness = harigheid, behaardheid;
—less; —y = behaard.
Haiti, heiti.
Hake, heik, dorsch (visch); vagebond, babbelkous.
Hakluyt, haklût; Hal, hal.
Halberd, halbəd, hôlbəd, holbəd, hellebaard; —ier, hal(hôl-,
hol-)bədîə, hellebaardier.
Halcyon, halsiən, subst. koningsvisscher, ijsvogel; kalmte, rust; adj.
kalm, rustig: That was in my —-days = dat was in mijn kalmen,
gelukkigen tijd.
Haldane, haldein.
Hale, heil, adj. gezond, flink, kloek: I am — and hearty = frisch en
gezond; subst. —ness.
Half, hâf, half; subst. helft: That’s not — bad = dat is lang niet
kwaad; He tore the letter in — = in tweeën; —-and-— = subst. mengsel
van twee bieren (vooral porter en ale), onoprecht mensch; adj. zonder
pit, kwijnend; Halves: I will go you halves in a supper = ik sta je de
helft van; He cried halves, when I found the guilder = hij riep “buit
half”; Do nothing by halves = ten halve; —-baked = halfgaar, sullig;
—-baptism = nooddoop (bij Katholieken): The child was —-baptized =
ontving den nooddoop; —-binding = half leeren band; —-blood =
verwantschap van personen, die alleen een zelfden vader of eene zelfde
moeder hebben (halfbroeder, halfzuster); —-blown = half geopend;
—-bound = in halfleder gebonden; —-bred = van gemengd ras, onbeschaafd;
—-breed, subst. halfbloed; adj. van gekruist ras; —-brother =
halfbroeder; —-caste = halfbloed; —-cock = de stand van den haan, als
hij half overgehaald is: To go off at —-cock = iets overijld doen, iets
uitflappen; —-crown = Eng. zilveren munt van ƒ 1,50; —-dead = half
dood; —-faced = “en profil”; —-hearted = lauw, onverschillig,
weifelend; —-holiday = vrije middag; —-length = kniestuk (portret); The
ensign floated —-mast high = woei halfstok; —-part = half deel; —-pay,
subst. nonactiviteitstractement; adj. op nonactiviteit; —penny,
heip’ni, halve stuiver; —pennyworth = waarde van 2½ c.; —-price = halve
prijs of verminderde prijs; —-seas-over = half dronken, aangeschoten;
—-sister = halfzuster; —-starved = slecht gevoed, half verhongerd;
—-sword = op de halve lengte van een zwaard: At —-sword = handgemeen:
—-timer = een kind, dat de lagere school slechts de verplichte vijf
schooltijden per week bezoekt; fabrieksarbeider, die slechts de helft
van de uren werkt; —-way = halverwege: —-way house = herberg; —-witted
= zwak van denkvermogen, zielig, sukkelig; —-yearly =
zesmaandelijks(ch).
Halford, halfəd.
Halibut, halibɐt, holibɐt, heilbot; —ter = heilbotvisscher (vaartuig).
Halifax, halifaks.
Halitus, halitɐs, adem of damp.
Hall, hôl, groote zaal, vergaderzaal, rechtszaal, eetzaal
(universiteiten), maaltijd, gebouw, huis, vestibule: A — = ruimte!
uitroep bij de oude gemask. optochten; —-mark = stempel, keur, bewijs
van echtheid; ook verb.
Hallam, haləm.
Halleluja, haləl(j)ûjə, subst. lofzang; — lass = vrouwelijke
heilsoldaat.
Halley, hali.
Halliard, haljəd. Zie Halyard.
Halliwell, haliwel.
Hallo(a), həlou, Halloo, həlû, Hallow, həlou, Hola! Allo! subst.
allogeroep; — verb. luid roepen: Do not — before you are out of the
wood = men moet geen ho! roepen vóór men over de brug is.
Hallow, halou, heiligen, wijden; —e’en, halou-în, halou-în, avond voor
Allerheiligen; —mas(s) = Allerheiligen.
Hallucination, həl(j)ûsineiš’n, zinsbedrog, zinsbegoocheling; adj.
Hallucinatory.
Halm, hôm. Zie Haulm.
Halo, heilou, lichte kring om zon of maan, stralenkrans, heiligenkrans;
kring (Med.); — verb. met een krans omgeven.
Halt, hôlt, subst. stilstand (-staan), halt; het kreupel zijn,
kreupelheid, ziekte bij schapen; — verb. halt houden, halt roepen,
ophouden; kreupelen, mank gaan, aarzelen, dralen, gebrekkig zijn, te
kort schieten; adj. kreupel; interj. Halt! To call a — = halt doen
houden; To make a short — = even stoppen; They were —ed in the dusk =
tot staan gebracht; —ing-place = stopplaats; —ingly = hinkend,
langzaam, aarzelend.
Halter, hôltə, subst. halster, touw, strop; — verb. een halster aandoen
of er mede vastbinden.
Halve, hâv, (in tweeën) deelen. Zie Half.
Halyard, haljəd, val (scheepst.).
Ham, ham, knieboog of knieholte, dijbeen, schink; ham: —s = billen.
Ham, ham, Cham; Hamite, hamait; Hamitic, həmitik, van de nakomelingen
van Cham of hunne taal.
Hamadryad, hamədraiəd, hamədraiəd, boomnimf.
Hame, heim, haam.
Hamiform, hamiföm, heimiföm, haakvormig.
Hamilton, hamilt’n.
Hamlet, hamlət, gehucht, dorpje.
Hammer, hamə, subst. hamer, haan; — verb. hameren, slaan, smeden, met
moeite uitwerken, instampen (fig.): — and tongs = met alle kracht, met
groot geweld; At — and tongs = op gespannen voet; To bring to the — =
onder den hamer brengen, publiek verkoopen; I’ll be —ed if I do it = je
mag op mij schieten als ik het doe; He is always —ing at it = hij houdt
vol, geeft het niet op; I have —ed it out at last = ten laatste ben ik
er achter, eindelijk begrijp ik het; —-axe = werktuig, aan de eene
zijde hamer, aan de andere bijl; —-cloth = kleed over den bok van een
rijtuig; —fish = hamervisch(-haai) = —-head; —-hard(en) = koud metaal
door hameren harden; —-stone = splijthamer.
Hammock, hamək, hangmat; —-chair = stoel met linnen zitting en rug;
—-nettings = plaats, waar de hangmatten overdag worden geborgen;
vinkennet of enternet.
Hamper, hampə, subst. grove sluitmand, kluister, boei, tuigage; — verb.
in eene sluitmand doen, belemmeren, boeien, in de war brengen.
Hampshire, hampšə; Hampstead, hamsted; Hampton, hamt’n.
Hamshackle, hamša’kl, den kop (van os of paard) aan een der voorpooten
vastmaken, temmen, beteugelen.
Hamster, hamstə, hamster.
Hamstring, hamstriŋ, subst. kniepees; — verb. verlammen door het
doorsnijden der kniepees (of staartspier bij een walvisch).
Hand, hand, subst. hand, handvol, handvat, wijzer, handeling,
bekwaamheid, acte; deel, zijde, kant, werkman, fabrieksarbeider,
matroos, ingewijde; schrift, spel kaarten, een der spelers, vijf (van
een artikel dat verkocht wordt), pak tabak; — verb. overhandigen,
aangeven, vastmaken, geleiden, helpen, overleveren: To be a clever — at
= knap zijn in; An old — = een ervaren, gewikst persoon; His — was
against everybody = hij was in opstand tegen ieder; My —s are clean =
ik ben onschuldig; I have come out of this business with clean —s = ik
ben eerlijk gebleven; —s across! = handen over elkaar; He won the race
—s down = op zijn doode gemak; —s off! = handen thuis! niet aankomen;
—s up! = geeft u over! It was a —-to-—-fight = gevecht van man tegen
man; They are —-and-glove (= — in glove) with = koek en ei, op intiemen
voet; My brother is on the mending — = aan de betere hand; My sword was
at — = bij de hand, dicht bij; I have received many kindnesses at your
—(s) = van u; The time was at — = op handen; The horse is hot at —
(heavy on —) = moeielijk te regeeren; I bought it at first (second) — =
uit de eerste (tweede) hand; She came out at the right — = kwam er goed
af; The child was brought up by — = met kunstmatig voedsel; He sent his
reply by — = met een bode; Take him by the — = aan uwe hand, onder uwe
hoede; To go from — to — = van den een tot den ander; — to mouth =
armelijk, pover; From — to mouth = voor onmiddellijke behoefte; To live
from — to mouth = van de hand in den tand; — over fist = — over — =
hand over hand, langzamerhand; snel; They go — in — = zij houden het
samen, helpen elkander; Our men are in good heart and thoroughly in — =
en onder volkomen discipline; We have the matter in — = hebben ...
onder handen; Payment in — = contante betaling; This horse is light in
— = gemakkelijk te regeeren; The matter was taken in — by him =
aangepakt, ondernomen; He was taken in — by the judge = onder handen
genomen; They carried their lives in their —s = stelden hun leven
bloot; Each found the life of his — deed het werk, dat zijne hand vond
om te doen; We have no stock on — = geen voorraad voorhanden; Case on
—; waiting instructions = collie aanwezig; verzoeke
verzendingsinstructies; He did it out of — = dadelijk, onmiddellijk;
Out of — = klaar, af; He has got out of — = is buiten den band geraakt;
He went up the ladder — over — = door telkens de eene hand boven de
andere te brengen; You will find everything to your — here = alles
klaar, in gereedheid; Your favour (note) came duly to — = uwe geëerde
letteren heb ik in orde ontvangen; I saw an instrument under the
minister’s — = een door den minister geteekend stuk; He asked (gave)
the — of his cousin = vroeg om (schonk) de hand van zijne nicht; Bear a
— there = help eens een handje; This house has changed —s five times in
three years; They forced the —s of the government = zij zetten ... naar
hun hand; He wanted to get his — in = aan slag (aan den gang) komen,
zich inwerken; To give a — with = een handje helpen met; I have a free
— now = de handen vrij; He had a — in the game = hij had er de hand in;
You must have your —s full = volop werk hebben; de handen vol hebben
met; He holds —s with the best authors = kan wedijveren met; Let us
join —s, Join —s in — = eendrachtig samenwerken; To join —s with = de
hand reiken aan; The two armies joined —s = vereenigden zich; One must
keep one’s — in = men moet het onderhouden, zich blijven oefenen; The
police have laid —s on him = heeft hem te pakken; Lend a (helping) —,
old boy = zeg vriend, help eens een handje; I will not put my — to that
deed = mijn hand niet zetten onder; He could set his — to every kind of
work = hij kon met allerlei werk terecht; Let us shake —s = elkander de
hand drukken (= shake each other by the —); You don’t show me your —
for nothing = je laat me niet voor niemendal in je spel kijken; To — a
sail = vastmaken; To — about = rondgeven; To — down = aangeven,
overleveren: This story was —ed down from my ancestors = is van mijne
voorouders afkomstig; To — in = helpen (in een rijtuig), inleveren; He
—ed it over to me = overhandigde het mij; She was —ed over to her old
enemies = overgeleverd aan; —-bag = valies; —-barrow = (draag)berrie;
kruiwagen; —-ball = gummibal aan spuit; —-bell = tafelbel; —-bill =
snoeimes; affiche, schuldbewijs; —book = handboek; —-brace = drilboor;
—breadth = handbreedte; —-cart = handkar; —-clasp = handdruk; —-cuff,
subst. handboei; — verb. de handboeien aanleggen; —-dog = Andiron;
—-drop = handverlamming; —-gallop = korte galop; —-glass = handspiegel,
glas over planten; —grasp = handdruk; —grenade = handgranaat; —grip =
greep: To come to —s = handgemeen worden; —kerchief = zakdoek, doek: To
drop the — = het teeken geven (oorspronkelijk door den persoon, die
gehangen werd); To throw the — to = uitnoodigen; —-language =
vingertaal; —-lead = klein peillood; —-loom = weefgetouw; —-maid(en) =
vrouwelijke bediende, dienares; —-mill = handmolen; —-organ =
draaiorgel; —-paper = papier (met eene hand als watermerk); —-painted =
uit de hand geschilderd; —-press = handpers; —-promise = plechtige
verloving, die slechts met toestemming van beide partijen ophoudt;
—-rail(ing) = leuning; —-sail = klein zeil; —-saw = handzaag: He knows
a hawk from a — = hij heeft zijn weetje; —-screw = dommekracht; —-shake
= handdruk; —spike = handspaak, koevoet; —spring = sprong, soort salto
mortale: To chuck (throw, turn) —springs; —strap = riem (in een
tramwagen); In a —-turn = in een ommezientje; —’s turn = hulp;
—-writing = schrift; handschrift; —er, handə, aanreiker, overbrenger,
klap: No —ers was the motto of the schoolboys on strike = “geen
lichamelijke straf” was het motto v. de werkstakende schooljongens;
—ful = handvol; —less = zonder handen; onhandig.
Handfast, handfâst, subst. greep, handvat, houvast, handslag, contract,
verbintenis; hechtenis; — verb. verbinden, verloven, vereenigen,
vasthouden.
Handicap, handikap, subst. vóórgift (in tijd, afstand of gewicht) bij
een wedstrijd; (fig.) nadeel; — verb. vóórgeven, (fig.) belemmeren,
benadeelen, bezwaren: It is a — to a popular author to have made a
great book = het is een nadeel (nl. met het oog op zijne volgende
boeken); A — race = wedstrijd met vóórgift; Heavy taxation —s a country
= drukken een land (belemmeren het in zijne vrije ontwikkeling); In
this way we — our own producers as compared with the foreigner =
bezwaren we onze eigen producenten.
Handicraft, handikrâft, handenarbeid, werk van de handen; —(s-man) =
handwerksman.
Handiness, handinəs, handigheid, gemakkelijkheid, doelmatigheid.
Handiwork, handiwɐ̂k, handarbeid, kunstwerk, schepping.
Handle, hand’l, subst. handvatsel, “vat”, oor, gevest, enz.; — verb.
betasten, bevoelen, hanteeren, behandelen, gebruiken, leiden: He has a
— to his name = hij heeft een titel, is van adel; I will give you a — =
ik zal u de gelegenheid verschaffen; He flew off (at) the — = hij werd
driftig; He knows how to — the matter = weet de zaak aan te pakken; The
guns were well —d = goed bediend; Handling = hanteering, behandeling.
Handsel, hands’l, subst. handpenning, handgift, eerste verkoop,
geschenk, etc.; — verb. een handpenning geven, handgeld geven.