voortbrengend; Resino, rezinou, (in samenst.) —-electric = negatief
electrisch; —-electricity = negatieve electriciteit; Resinous, rezinɐs,
harsachtig; Resiny, rezini, harsachtig, hars.
Resist, rizist, weerstaan, (zich) verzetten: He —ed all such attempts
successfully = bood met succes weerstand aan; —ance = tegenstand;
weerstand (natuurk.): To offer, To meet with —ance = weerstand bieden,
ondervinden; —ant = wie of wat weerstand biedt; ook adj.; —er;
—ibility, subst. v. —ible = weerstaanbaar; —ibleness = weerstand,
weerstandsvermogen; —ive = vermogen weerstand te bieden; —less =
onweerstaanbaar; subst. —lessness.
Resoluble, rezəl(j)ub’l, oplos- of smeltbaar; subst. —ness.
Resolute, rezəl(j)ût, vast besloten, beraden, onverschrokken; subst.
—ness; Resolution, rezəl(j)ûš’n, oplossing, besluit, vastbeslotenheid,
resolutie: — of an equation = oplossing van eene vergelijking; — of
forces (of motion) = ontbinding van krachten; The — of the plot =
ontknooping van de intrigue; He took a firm — and stuck to it = nam een
vast besluit en bleef erbij; Resolutive, rezəl(j)ûtiv, oplossend.
Resolvability, rizolvəbiliti, oplosbaarheid; adj. Resolvable; Resolve,
rizolv, subst. vast besluit, beslissing of resolutie; — verb. oplossen,
ontbinden, verklaren, besluiten, oplossen van dissonanten (muz.),
wegsmelten: I approve your — = keur uw besluit goed; I am —d = ik ben
besloten; The House —d itself into a committee = ging in
comité-generaal; Ice —s into water = ijs verandert in water; I cannot —
on anything = tot niets besluiten; I am —d on accompanying you = ben
besloten; The king has the right to — on peace and war = oorlog te
verklaren en vrede te sluiten; —nt, subst. en adj. oplossend (middel);
—r = wie besluit, wat oplost.
Resonance, Resonancy, rezən’ns(i), weerklank; Resonant = weerklinkend.
Resort, rizöt, subst. samenloop, vereenigingsplaats, druk bezoek,
hulpmiddel, redmiddel; — verb. zich begeven naar, zijne toevlucht nemen
tot: His usual place of — was the inn = zijn gewone gang was naar de
herberg; We must trust to our swords in the last — = als laatste
toevlucht; Do not go to places where drunkards and gamblers — to =
plaatsen, die door dronkaards en dobbelaars bezocht worden; —er =
geregeld bezoeker.
Resound, rizaund, weerklinken, weergalmen: The sound —ed through the
house like thunder; The smithies —ed with hammering = weerklonken van
de hamerslagen.
Resound, rîsaund, opnieuw (doen) klinken.
Resource, risös, hulpbron, hulp(middel), redmiddel, vindingrijkheid: —s
= (geld)middelen, gaven, talenten: He was thrown on his own —s = moest
zichzelf maar zien te redden; —ful = vindingrijk; subst. —fulness: He
has a —fulness of mind which is quite astonishing = hij heeft een
vindingrijkheid die verbazend is.
Respect, rispekt, subst. eerbied, achting, verhouding of betrekking,
opzicht; — verb. betrekking hebben op, acht slaan op, eerbiedigen: In —
of that question = met betrekking tot; In (with) — to = met betrekking
tot; He is a clever fellow in every — = in ieder opzicht = In all —s;
—s = beleefde groeten of komplimenten: Pay (Present) my —s to your lady
= mijne beleefde groeten aan mevrouw; God does not — persons = God kent
geen aanzien des persoons; —ability = achtenswaardigheid, aanzien;
subst. persoon van aanzien: Starving —ability = fatsoenlijke armoede
(armen); He is a man of —ability = van aanzien; —able = eerbiedwaardig,
achtbaar, fatsoenlijk, eerzaam, middelmatig, tamelijk: His father was a
—able tradesman = een geacht koopman; subst. —ableness; —er: He is a
—er of persons = hij ziet zijne lui aan, is niet onpartijdig; —ful =
eerbiedig, hoogachtend; subst. —fulness; —ing = met betrekking tot,
aangaande; —ive: We went our —ive ways = ieder zijn eigen weg; These
persons were condemned to costs —ively = werden respectievelijk (ieder
voor zich) in de kosten veroordeeld.
Respirability, resp(a)irəbiliti, inadembaarheid; adj. Respirable,
respirəb’l, rispairəb’l, Respiration, respireiš’n, ademhaling;
Respirator = respirateur; Respiratory, respirətəri, rispairətəri,
ademhalings...: — organs = ademhalingsorganen; Respire, rispaiə,
ademhalen.
Respite, respit, subst. schorsing, uitstel, respijt, geduld; — verb.
uitstellen, schorsen, verdagen: Days of — = respijtdagen.
Resplendence, risplend’ns, luister, glans; Resplendent = glans- of
luisterrijk.
Respond, rispond, subst. reponsorie, beurtzang tusschen geestelijke en
koor (of gemeente) in een deel der Litany en Communion Service der
Angl. Kerk; — verb. antwoorden, beantwoorden, vergoeden, voldoen: He
—ed to my summons = gaf gehoor aan; —ent, subst. antwoorder, gedaagde;
adj. (be)antwoordende, overeenkomstig: —ent to our wishes =
overeenkomstig; —entia, respondenšiə, leening op de lading van een
schip, respondentia; Response, rispons, antwoord: I doubt — = ik weet
niet welk antwoord zal komen; The clerk read the —s = las de antwoorden
(kerkdienst); In — to a summons = ingevolge; Responsibility,
risponsibiliti, verantwoordelijkheid; adj. Responsible; subst. —ness;
Responsion, risponš’n, antwoord: —s = eerste examen voor den B.A. graad
(Oxford) = Little Go (Cambr.); Responsive = (be)antwoordend,
overeenkomstig: — to your kind words = in overeenstemming met (in
antwoord op); Responsory, risponsəri, antwoordend; subst. responsorium.
Rest, rest, subst. rust, kalmte, slaap, doodslaap, bok (bij het
biljarten of schieten), steun, pauze, rust (muz.), rest, overschot, de
overigen, appeltje voor den dorst (fig.); — verb. rusten, slapen,
steunen, leunen, berusten op (on), tot rust brengen, laten uitrusten,
laten leunen: A shoeblack’s — = bankje, kastje; He is at — now = de
(eeuwige) rust ingegaan; I hope I have set your heart at — on that
point = u hieromtrent gerustgesteld heb; With lance in — = met gevelde
lans; We retired to — at eleven = begaven ons ter ruste; These are
glorious times, Christmas among the — = onder andere Kerstfeest; There
were men of all kinds, men of genius among the — = en ook mannen van
genie; For the — = overigens; The train —ed at a great station = hield
eenigen tijd stil; She —ed back in her carriage = leunde achterover;
Many members of the family — in this churchyard = liggen begraven; He
—ed on his arms = leunde op; Your eye will — with pleasure on that
scene = zal met welgevallen rusten; The decision —s with you = is aan
u; The victory will — with us = zal onzer zijn; Why do you not —
yourself, take —? = waarom neemt ge geen rust; I am —ed now =
uitgerust; — assured = houd u verzekerd; To — contented = tevreden
zijn; These thoughts — me when weary, and comfort me in trouble =
schenken mij rust; You — me = je aanwezigheid is een weldadige rust
voor me; God — his soul! = zijn ziel ruste in God; God — you merry
gentlemen = uwe zielen rusten in God; —-capital = reserve; —-cure =
rustkuur; —ful = kalm, rustig; subst. —fulness; —ing-place =
rustplaats, graf; —(ing)-stick = schilderstok; —less = rusteloos,
slapeloos, onstuimig, woelig; subst. —lessness.
Restitution, restitjûš’n, teruggave, schadeloosstelling: To make —;
adj. Restitutive.
Restive, restiv, koppig, weerspannig; subst. —ness.
Restorable, ristôrəb’l, herstelbaar; subst. —ness; Restoration,
restəreiš’n, herstel(ling), verlevendiging, restauratie: The — = het
herstel van het koningschap (met Karel II) in 1660; Restorative,
ristôrətiv, subst. en adj. herstellend, versterkend, genezend (middel);
Restorator = restaurateur; Restore, ristö, herstellen, genezen,
vernieuwen: You will soon be —d = beter zijn; Everything was —d to him
= hem teruggegeven; He was —d to favour = in de gunst hersteld; To — to
life = in ’t leven terugroepen; —d to the throne = op den troon
hersteld; —r.
Restore, rîstö, opnieuw opslaan (in het pakhuis).
Restrain, ristrein, bedwingen, beteugelen, inhouden, beperken: He was
—ed from doing it = hem werd belet; I could not — myself from asking
that question = mij niet weerhouden; All my remarks are —ed to these =
beperkt tot, bepalen zich tot; —able = beteugelbaar, beperkbaar; —edly
= in beperkten zin; —er = wie of wat beteugelt of bedwingt; Restraint =
dwang, beperking, verkorting, hechtenis: You are under no — any longer
= weer geheel vrij; It is a great — upon us = het legt ons grooten
dwang op; To keep under — = in hechtenis houden; He put a — upon my
liberty = hij besnoeide mijne vrijheid; He put all kinds of —s on us =
hij beperkte ons op alle manieren.
Restrict, ristrikt, beperken, bepalen; —ion, ristrikš’n, beperking,
voorbehoud; —ive = beperkend, bepalend: subst. —ness.
Restringent, ristrinž’nt, subst. en adj. stoppend (middel).
Result, rizɐlt, subst. gevolg, uitslag, slotsom; — verb. volgen uit;
uitloopen op: The long —s of time = al wat de tijd heeft opgeleverd;
Can any good — from it? = hieruit voorkomen; Let us see what it will —
in = wat er van komt; —-fee = belooning voor vorderingen (school);
—ant, subst. resultante (werktuigkunde); adj. als resultaat: The —ant
impression is one of contrast rather than of harmony = de totaalindruk;
—less.
Resume, riziûm, hervatten, weder opnemen, weer aanknoopen: To —
business = weer openen; To — a discourse = weer opvatten; Old
friendships were —d = werden hernieuwd.
Résumé, reižumei, kort overzicht.
Resummon, rîsɐm’n, opnieuw dagvaarden; subst. —s.
Resumption, rizɐmš’n, hervatting.
Resupine, rîsiupain, achterover, op den rug, nalatig.
Resurrection, rezərekš’n, opstanding, verrijzenis; lijkenroof: Christ’s
— from the dead; —-man = lijkendief; —-pie = pastei van overgeschoten
vleesch; —ist = —-man.
Resurvey, rîsɐ̂vei, rîsəvei, hernieuwd onderzoek, nieuwe meting.
Resurvey, rîsəvei, opnieuw onderzoeken, opnieuw meten.
Resuscitate, risɐsiteit, opwekken, doen herleven, hernieuwen; subst.
Resuscitation; adj. Resuscitative; Resuscitator = wie of wat opwekt of
doet herleven.
Ret, ret, roten (v. vlas); —tery, —tory = plaats om vlas te roten.
Retail, rîteil, riteil, subst. verkoop of handel in het klein; adj.
détail...: Cigars wholesale and — = in ’t groot en klein; To sell by —;
Sold — everywhere; He is a — dealer = kleinhandelaar; — trade =
kleinhandel; —ment.
Retail, riteil, in het klein verkoopen, uit de tweede hand verkoopen,
bij stukjes en brokjes mededeelen, aan velen vertellen: He —ed to us
accurate accounts of the dishes, the dresses and the scandal at
yesterday’s dinner = gaf ons een omstandig verslag van; To — nonsense =
onzin verkoopen; —er = slijter, kleinhandelaar.
Retain, ritein, in bezit houden, behouden, onthouden, in dienst nemen,
bespreken: The men are especially —ed for this purpose = voor dit doel
gehouden; —er = bediende, vazal, volgeling, honorarium waardoor men
zich van de hulp van een barrister verzekert (gewoonl. 10 guineas) =
—ing-fee; I have a —er from that periodical in my pocket = honorarium
(als uitnoodiging om iets te schrijven).
Retake, rîteik, opnieuw nemen of vangen.
Retaliate, ritaljeit, vergelden (upon); subst. Retaliation;
Retaliative, Retaliatory = vergeldend, wraaklustig.
Retard, ritâd, subst. vertraging; — verb. vertragen, tegenhouden,
uitstellen; —ation = vertraging, uitstel; adj. —ative; —er = wie of wat
vertraagt.
Retch, retš, kokhalzen.
Retell, rîtel, opnieuw vertellen.
Retention, ritenš’n, terughouding, vermogen om te onthouden,
achterhouding; Retentive = terughoudend, bewarend: He has a — memory =
een sterk geheugen; The house was still — of its former state = had
iets behouden van zijn vroegeren toestand; subst. —ness.
Reticence, Reticency, retisens(i), stilzwijgendheid, verzwijging; adj.
Reticent.
Reticular, ritikjulə, netvormig, ingewikkeld; Reticulated = netvormig;
Reticulation = netwerk; Reticule, retikjûl, dameswerktaschje;
Reticulum, ritikjul’m, tweede maag der herkauwers; Retiform =
netvormig; Retina, retinə, netvlies; adj. Retinal; Retinitis,
retinaitis, ontsteking van het netvlies.
Retinue, retinjû, gevolg, stoet.
Retiracy, ritairəsi, afzondering, voldoend vermogen (Amer.); Retiral,
ritair’l, terugtocht, ontslag; inlossing van een wissel; Retire,
ritaiə, (zich) terugtrekken, verwijderen, naar bed gaan, heengaan,
aftreden, uit de zaken gaan, intrekken: To — from the army (service) =
den dienst verlaten; To — from business = zich uit de zaken
terugtrekken; To — from the examination = zich terugtrekken; To — from
practice = de praktijk neerleggen; I — to my bedroom = ik ga naar mijne
slaapkamer; They did not know where to — to = waarheen te gaan; Retired
= teruggetrokken, afgezonderd, oud, gepensionneerd, rentenierend: A —
baker, Indian Judge, postman; To go on the — list = gepensionneerd
worden; On — pay = op nonactiviteitstractement; Retirement =
eenzaamheid, afzondering, verwijdering, uittreding, pensionneering;
Retiring = (zich) terugtrekkend, bedeesd, bescheiden: He is — rather
than shy = meer teruggetrokken dan bedeesd; — allowance = pensioen.
Retorsion, ritöš’n: —s = represaillemaatregelen.
Retort, ritöt, subst. scherp, vinnig antwoord; retort; — verb.
terugwerpen, een scherp antwoord geven: I —ed upon him = ik raakte hem
weer, weerlegde hem.
Retouch, rîtɐtš, subst. het retoucheeren; — verb. retoucheeren; weer
aanroeren: Don’t — on the subject; —er; —ment.
Retrace, ritreis, weer naspeuren, opnieuw nagaan, weer óvertrekken (van
eene schets, etc.): We —d the events of our lives = gingen weer na; Let
us — our steps to the wood = teruggaan naar.
Retract, ritrakt, terugtrekken, intrekken, herroepen: I — the insult =
trek de beleediging in; —ability = intrekbaarheid; adj. —able; —ation =
herroeping, intrekking; —ile = intrekbaar; —ion = intrekking,
herroeping; —or = herroeper, spier voor de terugtrekkende beweging.
Retreat, ritrît, subst. terugtocht, stil verblijf, afzondering,
wijkplaats; — verb. terugtrekken, wijken, afzien van: To effect (make)
a — = zich terugtrekken; To make good one’s — = terug trekken, zich een
terugtocht verzekeren; The enemies sounded, beat a — = gaven (op hoorn
of trom) het signaal tot den terugtocht; A pleasant — among the valleys
= een heerlijk stil plekje; In — = uit dienst.
Retrench, ritrenš, besnoeien, verkorten, bezuinigen, beperken,
verschansen; —ment = afsnijding, besnoeiing, inkrimping, verkorting,
verschansing.
Retributer, ritribjutə, vergelder, vergoeder; Retribution, retribjûš’n,
vergelding, belooning, vergoeding; adj. Retributive, Retributory.
Retrievable, ritrîvəb’l, herstelbaar; subst. —ness; Retrieval,
ritrîv’l, herstel; Retrieve, ritrîv, herstellen, terugvinden, weer goed
maken, apporteeren: She afterwards —d her shortcomings = maakte weer
goed; —r = jachthond (die geschoten wild apporteert).
Retroact, ritrəakt, retrəakt, terugwerken; —ion = terugwerking; adj.
—ive.
Retrocede, rîtrəsîd, teruggaan, wijken; subst. Retrocession,
rîtrəseš’n.
Retrogradation, rîtrəgrədeiš’n, achteruitgang, ontaarding; Retrograde,
rîtrəgreid, retrəgreid, adj. (zich) achterwaarts bewegend,
achteruitgaand, ontaardend; — verb. achteruitgaan, ontaarden;
Retrogression, rîtrəgreš’n, achteruitgang, ontaarding; adj.
Retrogressive.
Retrorse, ritrös, achterwaarts gebogen.
Retrospect, rîtrəspekt, retrəspekt, terugblik; Retrospection =
terugblik; Retrospective: — law = wet met terugwerkende kracht; — view
= terugblik, teruggewende blik; He is a retrospicient (rîtrəspiš’nt)
man = een man, die met voorliefde den blik achterwaarts richt.
Return, ritɐ̂n, subst. terugkomst, terugkeer, omloop, teruggave,
belooning, beantwoording, verkiezing, officieel rapport, winst,
opbrengst, voordeel, retourkaartje; — verb. terugkomen, terugkeeren,
terugzenden, nogmaals vóórkomen, terugbetalen, kwijten, antwoorden,
officieel rapporteeren, verkiezen: A — of hospitality =
contra-beleefdheid; The — of spring = de terugkeer der lente; By — mail
(post) = per keerende post; In — for this = ter vergoeding hiervan; In
— of services rendered = ter vergelding van; On — = in commissie; To
make a false — of one’s income to the tax-gatherers = onjuiste opgave
doen; To meet with a base — = ondankbaar behandeld worden; To obtain a
fair — upon capital = behoorlijke rente maken; —s = omzet, tegenwaarde,
ontvangsten; The government —s = de officieele statistieken; I wished
him many happy —s of the day = dat hij het nog dikwijls mocht beleven;
Small profits and quick —s = kleine winst bij vluggen omzet; He has not
—ed evil with (for) evil = geen kwaad met kwaad vergolden; A great
liberal majority was —ed = werd verkozen; My partner did not — my suit
= heeft niet aan mijn invite (kaartspel) gevolg gegeven; To — thanks =
bedanken; To — a visit = een visite terugbrengen; —-cargo =
retourvracht; —-check = sortie (theat.); —-day = dag, waarop een
beschuldigde wordt voorgebracht om de uitspraak te hooren; —-match =
revanchepartij; —-ticket = retourbiljet; —able = wat hersteld of
teruggegeven kan worden: —able goods; —ing officer = voorzittend
ambtenaar bij eene Parlementsverkiezing.
Reunion, ri-jûnj’n, hereeniging, reunie; Reunite, rîjunait, hereenigen,
verzoenen.
Revaccinate, rîvaksineit, herenten; subst. Revaccination.
Revalenta, revəlentə, revalenta, linzenmeel.
Reveal, rivîl, openbaren, bekend maken; —able = wat geopenbaard kan
worden; subst. —ableness; —er.
Revel, rev’l, subst. luidruchtige pret of partij; — verb. pret maken,
luidruchtig feest vieren, brassen: Master of the —s = een soort van
“Prins Carnaval” bij de oude feesten op Kerstmis; —ler = zwierbol,
pretmaker; —ry = luidruchtige feestvreugde, brasserij.
Revelation, revəleiš’n, openbaring, laatste bijbelboek = Book of the —;
adj. —al.
Revenge, rivenž, subst. wraak(zucht), revanche; — verb. wreken,
weerwraak nemen: In — of former insults = uit wraak over; I did it out
of — = uit wraak; To give an adversary his — = “revanche” geven; He
glutted his — = wreekte zich vreeselijk; To take one’s — on; I will be
—d on you = ik wil mij op u wreken; —ful = wraakgierig; subst.
—fulness; —r = wreker.
Revenue, revənjû, inkomsten, tollen: The Public —(s) = de inkomsten van
den staat; —-cutter = recherchevaartuig (tegen den smokkelhandel);
—-officer = ambtenaar der douane.
Reverberant, rivɐ̂bərənt, weergalmend, terugkaatsend; Reverberate,
rivɐ̂bəreit, terugkaatsen, weergalmen; Reverberation = terugkaatsing,
weergalming; oven; adj. Reverberative = Reverberatory, subst. reverbeer
(strijk-, puddel-)oven = — furnace.
Revere, rivîə, eerbiedigen, hoogachten; Reverence, revərens, subst.
eerbied, hoogachting, eerwaarde; — verb. vereeren, eerbiedig groeten:
Your — = Uw Eerwaarde; Saving your — = met allen eerbied, met alle
respect; —r; Reverend, revərend, eerwaardig, eerwaarde (voor
geestelijken): The Very — Dean of W. = de hoogeerwaarde deken van W.;
The Right — Bishop of London = zijne hoogwaardigheid; The Most —
Archbishop of Canterbury = zijne doorluchtige hoogwaardigheid;
Reverent, revərent, eerbiedig, nederig, onderdanig; He laid the book
down —ially (revərenšəli) = hij legde het boek eerbiedig neer; Reverer
= vereerder.
Reverie, revəri, revərî, mijmering, droomerij.
Revers, rivîə, revers.
Reversal, rivɐ̂s’l, herroeping, vernietiging, omlegging.
Reverse, rivɐ̂s, omgekeerd, tegengesteld; subst. keerzijde, achterkant,
omverwerping, omkeer, tegenspoed, nederlaag, tegenovergestelde; — verb.
omkeeren, omleggen, omschakelen, de richting wijzigen, onderstboven
keeren, omverwerpen: That is the — of the medal = de keerzijde; He said
the — of what he intended = het omgekeerde; The chairman —d the order
of the day = veranderde, keerde om de orde der werkzaamheden; He held
his pipe —d = hij had de pijp met de opening naar beneden in den mond;
—r = stroomwisselaar; Reversible = omkeerbaar, herroepelijk, wat aan
beide kanten gedragen kan worden: — Coat; Reversion, rivɐ̂š’n, atavisme,
het weder toevallen (van een erfgoed) aan een persoon na den dood van
den tegenwoordigen bezitter: He has an estate in — of £ 300 a-year;
Reversionary, rivɐ̂šənəri: He had a — right to the crown = het recht op
de kroon kon op hem terugvallen; Reversioner = iemand die eene
reversion heeft; Revert, rivɐ̂t, omkeeren, terugkomen, terugkeeren tot
den schenker of diens erfgenamen: That will — to you = dat zal u later
ten deel vallen; He —ed to the subject again and again = kwam telkens
weer terug; The conversation —ed to our plan = kwam weer op; Revertible
= teruggaand, terugkeerend; Revertive = omkeerend, wisselend.
Revest, rîvest, weder bekleeden, weder instellen, terugkeeren tot den
vorigen eigenaar.
Revet, rivet, bekleeden; —ment = bemanteling (vestingb.).
Review, rivjû, subst. overzicht, revisie (ook jur.), recensie,
aankondiging, tijdschrift met opstellen en recencies, revue, inspectie;
— verb. terugzien op, herzien, recenseeren, inspecteeren: The — of —s
is a well-known monthly = de “revue der revues”; Works —ed in this
number = in dit nummer besproken; The queen —ed the fleet off Spithead
= hield eene vlootschouw bij; —er = recensent.
Revile, rivail, smaden, beschimpen; subst. —ment; —r; He said it
revilingly = smadelijk.
Revisal, rivaiz’l, revisie; Revise, rivaiz, subst. herziening, revisie;
— verb. herzien, verbeteren, revideeren; —r = corrector; Revising
barrister = revisor der kiezerslijsten; Revision, riviž’n, herziening,
revisie; adj. Revisional = Revisionary.
Revisit, rîvizit, nogmaals bezoeken.
Revival, rivaiv’l, herleving, weder opleving, weder opvoering, herstel;
godsdienstige opwekking of herleving = —ism; —ist = voorstander van
(bijeenkomsten tot) opwekking van godsdienstig leven; Revive, rivaiv,
herleven, nieuw leven herkrijgen, weer opleven (opvoeren), opwekken,
vernieuwen, weer moed imboezemen: Old differences should not be —d =
men moet geen oude koeien uit de sloot halen; Let me — your memory a
little = wat opfrisschen; —r = soort vlekkenwater, borrel; Revivify,
rîvivifai, opnieuw bezielen; Revivor, rivaivə, hervatting van een
rechtsgeding.
Revocability, revəkəbiliti, rivoukəbiliti, herroepbaarheid; adj.
Revocable, revəkəb’l, rivoukəb’l, subst. —ness; Revocation, revəkeiš’n,
herroeping; Revoke, rivouk, subst. renonceeren; — verb. herroepen,
intrekken, vernietigen, renonceeren (bij het kaarten): The judgment
cannot be —d = is onherroepelijk.
Revolt, rivoult, rivolt, subst. opstand, oproer; — verb. in opstand
komen, walgen van: The labourers were in — = maakten oproer; In vain
did he try — = beproefde hij het met oproer; The meal —ed him = stond
hem tegen; —er = oproermaker, oproerling, afvallige; A —ing deed =
stuitende; A —ing smell = walgelijke.
Revolution, revəl(j)ûš’n, omwenteling, omloop, revolutie: The rotation
of the earth on its axis, and its — round the sun = en haar loop om de
zon; —ary, subst. revolutionair; adj. omwentelingsgezind: —ary ideas =
revolutionaire denkbeelden; —ist = omwentelingsgezinde; —ize = eene
omwenteling veroorzaken, een geheelen omkeer brengen in: Darwin’s works
have —ized all our old-world systems = al onze ouderwetsche stelsels
omvergegooid.
Revolve, rivolv, omdraaien, omwentelen, voortrollen, overleggen,
overdenken: There he stood, revolving many memories = terwijl hij vele
herinneringen bepeinsde; To — in one’s mind = overpeinzen; —r =
revolver; Revolving: — light = draaiend licht van een vuurtoren; —
winds = dwarrelwinden.
Revulsion, rivɐlš’n, plotselinge en geweldige ommekeer; afleiding
(eener ziekte); Revulsive, adj. afdrijvend; subst. afdrijving,
afdrijvend middel.
Reward, riwöd, subst. belooning, vergoeding, jagersrecht; — verb.
beloonen, vergelden: Give it him as a — = ter belooning; —er; —less =
zonder belooning.
Rewrite, rîrait, opnieuw schrijven: Sixth edition, entirely rewritten =
geheel nieuw bewerkte uitgaaf.
Reynard, rein’d, ren’d; Reynold, ren’ld, Reinout; Reynolds, ren’ldz.
Rhadamant(h)ine, radəmant(h)in, streng rechtvaardig, afdoende, zonder
beroep.
Rhaetian, rîšən: — Alps.