ophouden: The children went to bed and so —d = en kwamen zoo tot rust;
He —d into silence = had niets meer te zeggen; Subsidence, Subsidency,
sɐbsidens(i), səbsaidəns(i), zakken, vermindering: The — must be shored
up somehow = in de vermindering (verzakking) moet op de eene of andere
manier worden voorzien.
Subsidiary, səbsidjəri, hulp..., bijkomend; subst. helper: — troops =
Subsidiaries = hulptroepen; Subsidize, sɐbsidaiz, subsidieeren;
Subsidy, sɐbsidi, subsidie; Subsidies = bijdragen in de oorlogskosten.
Subsist, səbsist, bestaan, leven, bestaan van (on, upon), eigen zijn
aan: Man exists, and must — on food which should consist of nourishing
ingredients = bestaan van ... bestaan uit; Subsistence, Subsistency =
bestaan, wezen, onderhoud, middel van onderhoud, inherentie: To have —
= bestaan; To gain one’s — = den kost verdienen; Subsistent, bestaande,
inherent.
Subsoil, sɐbsôil, ondergrond; — verb. den ondergrond omploegen;
—-plough = ondergrondsploeg.
Substance, sɐbst’ns, zelfstandigheid, stof, werkelijkheid,
hoofdbestanddeel, vermogen: That is in — what he told me = de korte
inhoud: Substantial, səbstanš’l, werkelijk, wezenlijk; stevig,
deugdelijk, voedzaam, welgesteld, solied, belangrijk, vrij aanzienlijk
(—s = hoofdzaken): Many — citizens maintained order = aanzienlijke
burgers; — house = kapitaal huis; — meal = stevig; —ly correct = in
hoofdzaak juist; Substantiality = het wezenlijke, hoofdzakelijke;
deugdelijkheid, voedzaamheid, bemiddeldheid = Substantialness;
Substantiate, səbstanšieit, werkelijk maken, bewijzen, bevestigen: He
could not — the charge = de beschuldiging niet bewijzen; Substantival,
sɐbst’ntaiv’l, sɐbst’ntaiv’l, zelfstandig; Substantive, sɐbst’ntiv,
subst. en adj. zelfstandig (naamwoord), onafhankelijk: The several
papers have a — unity = vormen op zichzelf eene éénheid, vormen een
onafhankelijk geheel; A — post, rank, work = onafhankelijk,
afzonderlijk.
Substitute, sɐbstitjût, subst. plaatsvervanger, surrogaat, remplaçant;
— verb. vervangen; Substitution = (plaats)vervanging; adj.
Substitutive.
Substratum, səbstreit’m, onderlaag.
Substruction, sɐbstrɐkš’n, Substructure, sɐbstrɐktjə, benedenbouw,
fundament.
Subtenant, sɐbten’nt, onderhuurder.
Subterfuge, sàbtəfjûdž, uitvlucht, voorwendsel.
Subterranean, sɐbtəreinj’n, Subterraneous, sɐbtəreiniəs, onderaardsch.
Subtile, sɐ(b)til, fijn, dun, teer, ijl; scherp, sluw, spitsvondig;
subst. —ness; Subtilization, subst. v. Subtilize, sɐ(b)tilaiz, fijne
onderscheidingen maken, verfijnen, verdunnen, haarklooven; Subtilty,
sɐ(b)tilti, dunheid, fijnheid, spitsvondigheid, haarklooverij.
Subtle, sɐt’l, slim, listig; Zie Subtile; —-witted = scherpzinnig;
subst. —ness, —ty = fijnheid, slimheid, arglistigheid.
Subtonic, sɐbtonik, stemhebbende medeklinker.
Subtract, səbtrakt, aftrekken, verminderen: That does not — from his
merit = vermindert niet; —er; —ion = aftrekking, vermindering,
onttrekking; —ive = verminderend, negatief; Subtrahend, sɐbtrəhend,
aftrekker.
Suburb, sɐbɐ̂b, voorstad; omtrek (gew. —s); Suburban, səbɐ̂b’n, van de
voorstad, plat; subst. bewoner van een voorstad.
Subvene, səbvîn, te hulp komen, bijstaan; Subvention, səbvenš’n, subst.
tusschenkomst, rijksbijdrage; — verb. eene (rijks)bijdrage verleenen,
steunen.
Subversion, səbvɐ̂š’n, omverwerping; Subversive = omverwerpend: That
would be — of every rule = zou omvergooien.
Subvert, səbvɐ̂t, omkeeren, het onderstboven keeren, vernietigen,
verwoesten; —ant, —ed = omgekeerd (herald.); —er = omverwerper; —ible =
wat omvergeworpen kan worden.
Subway, sɐbwei, onderaardsche (door)gang, tunnel.
Subworker, sɐbwɐ̂kə, sɐbwɐ̂kə, helper.
Succade, səkeid, sukade.
Succedaneous, səksideinjəs, plaatsvervangend; Succedaneum = surrogaat.
Succeed, səksîd, opvolgen, komen na, slagen, verkrijgen, goed afloopen:
As darkness —s light = zooals de duisternis komt na het licht: Nothing
—s like success = wie heeft, dien wordt gegeven: He did not — in
getting the place = slaagde er niet in; He —ed to the title = volgde op
in; That will not — with me = gaat niet op bij mij; Nothing —s with him
= niets gelukt hem; —er.
Success, səkses, gunstige uitslag, voorspoed: — to trade! = leve de
handel; He is a social — = hij is zeer gewild in gezelschapskringen; To
meet with bad — = mislukken; —ful = gelukkig, subst. —fulness;
Succession = (erf)opvolging, volging op, volgreeks, nakomelingschap;
Law (Right) of —; War of — = successieoorlog; By order of — = het
rijtje langs; In — = achtereenvolgens; —-duty = successierecht(en);
—-sale = verkoop van eene nalatenschap (Amer.); —al = achtereenvolgend,
opvolgend; Successive = achtereenvolgend: On three — nights = drie
avonden achter elkaar; Successor = opvolger, nazaat.
Succination, sɐksineiš’n, het vasten (schertsend van Succi, den
Italiaanschen vaster).
Succinct, sɐksiŋkt, kort, bondig, beknopt; subst. —ness.
Succinic, sɐksinik: — acid = barnsteenzuur.
Succory, sɐkəri, suikerij, cichorei.
Succotash, sɐkətaš, gerecht van jonge maïs en boonen (Amer.).
Succour, sɐkə, subst. hulp, bijstand, steun, ontzet(ter); —s =
hulptroepen; — verb. te hulp snellen, steunen, ontzetten: He ran to my
— = snelde mij te hulp; —er; —less = zonder hulp; subst. —lessness.
Succulence, Succulency, sɐkjulens(i), sappigheid; adj. Succulent.
Succumb, səkɐm(b), bezwijken.
Succursal, səkɐ̂s’l: — church = hulpkerk.
Succussion, səkɐšən, schok.
Such, sɐtš, zoodanig, zulk, zóó: — a one = zoo een, zoo iemand; — and —
= die en die, eenige: Mr. — a one = mijnheer zoo-en-zoo; No — thing =
niets daarvan; — is life = zoo gaat het in het leven; — was her virtue,
that = zoo groot was; — as won’t believe me = zij, die; Take — measures
as will be effective = neem uwe maatregelen zoodanig, dat ze; —like =
dergelijke.
Suck, sɐk, subst. het zuigen, sterke drank, parasiet, kokinje; — verb.
inzuigen, zuigen, uitzuigen (ook fig.), bedriegen (Amer.), zich vleiend
indringen bij (up to): To give — = zoogen; To — at a cigar = zuigen
aan; — in = inzuigen, opslorpen, beetnemen: It was a —-in = het was
beetnemerij; To — up = opzuigen; —er, subst. zuiger (ook van een
plant), zuigleer; — verb. zuigers uitsnoeien; —et = suikerballetje:
Sucking: —-bottle; —-bag = dot; zuigflesch; —-calf; —-pig =
speenvarken; —-pump; —-valve; Suckle = zoogen; Suckling = zuigeling;
Suction, sɐkš’n, zuigen, zuipen, drank: —-pipe = zuigpijp, zuigbuis;
—-pump = zuigpomp; Suctorial, sɐktôriəl, zuig - -.
Sudan, sûdân; —ese.
Sudatorium, siudətôriəm, zweetbad; Sudatory, siûdətəri, zweetkamertje,
zweetbad; adj. zweetafdrijvend.
Sudden, sɐd’n, plotseling, onverwacht, snel, vlug: On a (the) —, All of
a — = plotseling, in eens, onverhoeds; subst. —ness.
Sudermania, siûdəmeinjə, Sudermanland;
Sudetic, siudetik: — Mountains.
Sudor, siûdə, zweet; —iferous, zweetverwekkend; —ific, zweetafdrijvend
(middel).
Suds, sɐdz, zeepsop: We are in the — = zitten er leelijk in; To leave
in the — = in den steek laten; To make some soap— = wat zeepsop.
Sue, sjû.
Sue, siû, aanzoek doen om of dingen naar (de hand), recht of
schadevergoeding zoeken, eischen, in rechten vervolgen, smeeken: The
wife —d her husband on the plea of non-support = diende een aanklacht
in op grond, dat de man haar niet onderhield of kon onderhouden; He —d
us for damages = eischte schadevergoeding van ons; He —d out a pardon
for us = verzocht en verkreeg.
Suet, siûət, nierenvet; adj. —y.
Suez, sûəz: — Canal.
Suff, sɐf = Suffragette.
Suffer, sɐfə, lijden, dragen, dulden, uithouden, toestaan, laten, straf
ondergaan, boeten: We —ed chains for religion’s sake = we droegen
ketenen; To — a change = ondergaan; To — losses = lijden; To —
punishment = ondergaan; To — a reverse = tegenspoed hebben; To — wrong
= lijden; You will have to — for it = er voor moeten boeten; Don’t —
yourself to be fooled = laat je niet versukkelen; —able = draagbaar,
toelaatbaar; —ance = smart, ellende, lijden, dulden, toestemming of
verlof: He is here on —ance = wordt hier geduld; —er = lijder, dulder,
die toelaat: You’ll be the —er = zult er het slachtoffer van worden; To
be a —er by = bij iets verliezen, te kort komen; —ing = het lijden,
verlies.
Suffice, səfais, səfaiz, genoeg of voldoende zijn, voldoen: — it to say
= het zij voldoende te zeggen; Sufficiency, səfiš’nsi, voldoendheid,
genoegzaamheid, voldoende voorraad, voldoende geschiktheid; Sufficient
= voldoende, genoegzaam, ruim, geschikt, deugdelijk: — in law =
rechtsgeldig; — reason = voldoende reden; You have done — to deserve a
dinner = genoeg; — unto the day is the evil thereof = elke dag heeft
genoeg aan zijn zelfs kwaad (Matth. VI, 34).
Suffix, sɐfiks, achtervoegsel.
Suffix, səfiks, achtervoegen; subst. —ion.
Suffocate, sɐfəkeit, (doen) stikken, smoren: It was suffocatingly hot
there = stikkend heet; Suffocation = verstikking: Crammed to — =
stikvol; Suffocative = stikkend.
Suffolk, sɐfək.
Suffragan, sɐfrəgan, subst. en adj. suffragaan: — bishop =
onderbisschop, wijbisschop.
Suffrage, sɐfridž, stem; kiesrecht, stemming, goedkeuring: Extension of
the — = uitbreiding; Female —; Household — = huismanskiesrecht;
Universal —; An advocate of woman (women’s) — = voorstander van het
vrouwenkiesrecht; Suffragette, sɐfrədžet, (hartstochtelijke)
voorstandster v. het kiesrecht v. vrouwen; — verb. manifesteeren;
Suffragist = voorstander van vrouwenkiesrecht.
Suffuse, səfjûz, overgièten, spreiden over: She was all —d with blushes
= blosjes kleurden hare kaken; Suffusion = verspreiding over,
overgièting, blos.
Sugar, šugə, suiker, vleierij, geld; adj. van suiker; — verb.
besuikeren, vergulden (fig.): Powdered — = poedersuiker; Refined —; A
glass of — and water = suikerwater; — of lead = loodsuiker; I am not
made of — (-plums) = niet poeslief; We —ed the trees = bestreken de
boomen met een mengsel van rum en stroop (om daardoor de nachtvlinders
te lokken en te vangen); —-baker = suikerwerker; raffinadeur; —-basin =
suikerpot; —-beet = suikerbiet; —-candy = kandijsuiker; —-cane =
suikerriet; —-caster = strooier; —-house = suikerraffinaderij; —-loaf =
suikerbrood; —-loaf hat = hoed in den vorm van een suikerbrood; —-loaf
waves = korte golven; —-louse = —-mite; —-maple = suikerahorn; —-mill =
suikerfabriek, suikermolen; —-mite = suikerworm; —-orchard = aanleg van
—-maples; —-planter = suikerplanter; —-plantation = suikerplantage;
—-plum = suikerboon; vleierij, lievigheid; —-refiner =
suikerraffinadeur; —-refinery = suikerraffinaderij; —-spirit = rum;
—-tongs = suikertangetje; —iness, subst. v. —y = zoet, suikerachtig;
—less.
Suggest, sədžest, ingeven, aan de hand doen, inblazen, opperen,
suggereeren; Suggestion = ingeving, wenk, aansporing, inblazing,
suggestie: At this — the man immediately withdrew = toen hij dit hoorde
(toen dit geopperd werd); I did it on your — = op uw wenk of raad;
Suggestive = opperend, een wenk gevend, wijzend (duidend) op,
veelbeteekenend: Yours is a very — present = veelbeteekenend,
toepasselijk; To be — of = wijzen op; In a French comedy —ness is
expected = kan men gewaagde toespelingen verwachten.
Suicidal, siûisaid’l: — problem = zelfmat (schaakspel); — thoughts =
gedachten van (aan) zelfmoord; Suicide, siûisaid, zelfmoord (ook fig.),
zelfmoordenaar: To — oneself (= To commit —); To be —d = zelfmoord
laten begaan; Suicidism, siûisaidizm, neiging tot zelfmoord.
Suit, siût, subst. rechtsgeding, verzoek, hofmakerij, aanzoek, stel,
kleur (in het kaartspel), pak kleeren, kleeding; — verb. passen,
voegen, betamen, geschikt zijn, overeenkomen, schikken: Civil — =
civiel proces; Criminal — = strafzaak; A — of armour = complete
wapenrusting; A — of mourning = rouwpak; The housemaid gave notice, and
the cook followed — = en de keukenmeid eveneens; I played diamonds, and
he could not follow — = kon niet bekennen; — yourself = zooals je wilt;
That will exactly — me, — me down to the boots (ground) = dat is net
wat ik hebben moet; He —ed the action to the word = voegde de daad bij
het woord; Such a behaviour does not — you = voegt u niet; Suitability,
subst. v. Suitable = gepast, voegzaam, geschikt; subst. —ness.
Suite, swît, gevolg, reeks, stel: — of furniture = ameublement; A — of
rooms = eene suite.
Suitor, siûtə, verzoeker, vrijer, minnaar, partij in een proces.
Suk(e)y, s(i)ûki, theeketel; ook verk. van Susan.
Sulcate(d), sɐlkit (—eitid), gegroefd, gespleten; Sulcus, sɐlkəs, voor,
groef.
Sulk, sɐlk, subst. booze luim: — verb. in kwade luim zijn, pruilen: To
be in a — (the —s) = uit zijn humeur; He stood out against her —s and
pouts = gaf niet toe aan hare luimen en haar pruilen; Sulkiness, subst.
v. Sulky = gemelijk, pruilend.
Sulky, sɐlki, licht tweewielig karretje bij wedrennen: — harrow = eg
met zitplaats voor bestuurder.
Sullen, sɐl’n, gemelijk, knorrig, norsch, naargeestig, vijandig,
onaangenaam, eigenzinnig, halsstarrig, langzaam, traag, onheilspellend:
—s = kwade bui; subst. —ness.
Sully, sɐli, subst. smet, vlek; — verb. besmetten, bemorsen,
bezoedelen, bezwalken: That sullies your honour = bezoedelt uwe eer.
Sulphonal, sɐlfən’l, sulfonal.
Sulphur, sɐlfə, zwavel; — verb. met zwavel verbinden (bestrooien),
zwavelen; —-springs = heete zwavelbronnen; —ate, sɐlfjureit, met zwavel
verbinden, zwavelen; subst. —ation, sɐlfjureiš’n; —eous, sɐlfjûriəs,
zwavelig, zwavelhoudend; subst. —eousness; —etted = gezwaveld:
—etted-hydrogen = zwavelwaterstof; —ic, sɐlfjûrik, zwavel...: —ic acid
= zwavelzuur; —ization, subst. v. —ize, zwavelen, vulcanizeeren.
Sultan, sɐlt’n, Sultan; —a, sɐltânə, sɐlteinə, sultane; —ate, sɐltənit,
sultanaat; —ess = —a; —ic, sɐltanik, van een sultan; —ship.
Sultriness, sɐltrinəs, subst. v. Sultry, sɐltri, drukkend, zwoel.
Sum, sɐm, subst. som, geheel, bedrag, inhoud, rekenvoorstel, toppunt; —
verb. optellen, opsommen, resumeeren (up): Gross (Round) — = ronde; The
civil engineer’s advances are great in the — = de vooruitgang van den
civiel-ingenieur is te zamen genomen groot; That is the total — of my
experiences = het totaal; The — and substance = korte inhoud; To do
(make, work) a — = maken; He is good at —s = kan goed sommen maken; He
could not do a — in large divisions, in multiplication = geene groote
deelingen en vermenigvuldigsom maken; It can’t be —med up in two words
= laat zich niet zeggen; The judge’s —ming-up was lucid and impartial =
’s rechters resumé van het verhoor en de pleidooien.
Sumac(h), siûmak, sumak, pruikenboom.
Sumatra, sumâtrə; —n = (bew.) van S.
Summarily, sɐmərili, in ’t kort, summier; Summarize = resumeeren;
Summary, sɐməri, subst. korte inhoud, kort begrip, resumé; adj.
beknopt, kort, snel, afgedaan: The judge gave a — of the case =
summing-up.
Summation, səmeiš’n, het samentellen.
Summer, sɐmə, subst. zomer; horizontale balk, kalf of bovendrempel,
groote steen over zuilen en pilaren, waarop de bovenbouw rust; adj.
zomer...., zomersch; — verb. den zomer doorbrengen, den zomer door
laten weiden: We went for a brief —ing in the country = voor een kort
tijdje in den zomer buiten wonen; To — and winter a person = van haver
tot gort kennen; Indian — = nazomer (in N. Amer.); St. Luke’s — = St.
Martin’s — = zacht en mooi najaarsweer, voorspoed na ongelukken en
rampen; One swallow does not make a —; —-colts = golvende trillingen
van heete lucht nabij den grond; —-fallow, subst. braakliggend land in
den zomer; — verb. in den zomer braak laten liggen; —-house =
tuinhuisje, zomerverblijf; —-lightning = weerlichten; —-time =
zomertijd; —-wheat = zomertarwe; —ing = vroege appel of peer; —y =
zomersch.
Summerset, sɐməset, Summersault, sɐməsôlt, buiteling.
Summit, sɐmit, top, kam, kruin, hoogste punt; —-level = hoogste punt
van eene spoorbaan, een kanaal, etc.
Summon, sɐm’n, oproepen, dagvaarden, opeischen, zenden om; — verb.
dagvaarden: —s, subst. dagvaarding; A —s was issued (taken out) against
him = hij werd voor het gerecht gedaagd; To serve a —s on = een
dagvaarding beteekenen; —s me for that if you like = dagvaard me
hiervoor; To — up one’s courage = zich vermannen; —er = deurwaarder.
Sump, sɐmp, poel, mijnput, smeltkroes.
Sumph, sɐmf, domkop; plof.
Sumpter, sɐmptə, subst. pakpaard = —-horse.
Sumptuary, sɐm(p)tjuəri, de uitgaven betreffende: — edict, law = wet
tegen te groote weelde; Sumptuous, sɐm(p)tjuəs, kostbaar, duur,
weelderig, prachtig; subst. —ness.
Sun, sɐn, subst. zon, zonneschijn, zonsopgang(ondergang); — verb. in de
zon warmen, drogen of zitten: The — rises, declines, sets, goes down =
de zon gaat op, daalt, gaat onder; He had the — very much in his eyes =
was erg dronken; I have got a touch of the — = lichte zonnesteek; There
is no new thing under the — = niets nieuws onder de zon; —-beam =
zonnestraal; —-bird = zonnevogel; —-blind = zonneblind; —-bonnet =
dames zomerhoed; —-bronzed; —-burn = roode vlek van het verbranden door
de zon; —-burnt = door de zon verbrand, met sproeten; —-clad = in
stralen gehuld; —-dew = zonnedauw; —dial = zonnewijzer; —down =
zonsondergang (Amer.) = —set(ting); —-dried = in de zon gedroogd; —fish
= zonne(maan)visch; —-flower = zonnebloem; —-glass = brandglas; —-god;
—-hat; —-heat; —light = zonnelicht; —lit = verlicht door de zon; —-myth
= zonnemythe; —-ray; —rise, —rising = zonsopgang, Oosten; —-rose =
zonnekruid; —set gun = het avondschot; —shade = parasol, zeil of
scherm; —shine = zonneschijn, voorspoed, opgewektheid: To be in the
—shine = beneveld zijn; —shiny = zonnig, schitterend; —-spot =
zonnevlek; —stricken, —struck = door een zonnesteek getroffen; —stroke
= zonnesteek; —-up = zonsopgang (Amer.); —less = zonder zon,
beschaduwd; —like; —niness, subst. v. —ny = zonnig, opgewekt, blijde:
—ny eyes = vriendelijke oogen; I am on the —ny side of fifty = ik ben
nog geen vijftig.
Sunday, sɐnd(e)i, Zondag: A month of —s = lange en onbepaalde tijd; He
was dressed in his — best = in zijne mooie Zondagsche kleeren; —
citizen = zondagswandelaar; —-out = uitgaanszondag; —-school =
Zondagsschool.
Sunder, sɐndə, verb. scheiden, verdeelen; subst. slechts in de
uitdrukking: In — = vanéén, in tweeën.
Sundified, sɐndifaid, op zijn Zondags.
Sundries, sɐndriz, diversen: Dealer in — = in galanterieën; Sundry =
verscheidene, verschillende: All and — = alle gezamenlijk.
Sung, sɐŋ, part. perf. van to sing.
Sunk, sɐŋk, part. perf. van to sink; —en battery = verdekt opgestelde;
—en face = ingevallen; —en rock = blinde klip.
Sun(n), sɐn, Indische hennepplant; —n-hemp.
Sunna, sɐnə, alle voorschriften van Mohamed die niet in den Koran
staan; Sunnites, sɐnaits, orthodoxe Mahomedanen.
Sup, sɐp, subst. slokje; — verb. slurpen, soupeeren, een avondmaal
verschaffen: I —ped and dined them for several weeks = ik zorgde voor
hun avond- en middagmaal; We —ped on cold beef = wij hadden koud
rundvleesch voor het avondeten.
Super, siûpə, verk. van Supernumerary.
Superable, siûpərəb’l, wat te overkomen is, overwinbaar.
Superabound, siûpərəbaund, ruim, overvloedig zijn (met with);
Superabundance = groote overvloed; Superabundant = meer dan genoeg.
Superadd, siûpərad, nog eraan toevoegen; —ition = het bijvoegen of
bijgevoegde.
Superannuate, siûpəranjueit, door ouderdom en zwakheid ongeschikt
maken, zijn of verklaren, pensionneeren; —d = verjaard, uitgediend,
gepensionneerd: —d officer; —d spinsters = oude vrijsters;
Superannuation, siûpəranjueiš’n, ongeschiktheid, pensionneering,
pensioen; — act; — fund; — money (allowance).
Superb, siupɐ̂b, grootsch, prachtig, rijk, voortreffelijk; subst. —ness.
Supercargo, siûpəkâgou, supercargo (scheepsterm).
Superciliary, siûpəsiljəri, boven de wenkbrauw(en); Supercilious,
siûpəsiljəs, trotsch, aanmatigend, verwaand; subst. —ness.
Supereminence, siûpəreminens, buitengewone voortreffelijkheid; adj.
Supereminent.
Supererogation, siûpərerougeiš’n: Doctrine of — = leer, dat de goede
werken van den eenen Christen aan de gezamenlijke Christenen ten goede
komen; Works of — = vrijwillige werken (boven hetgeen God van den
Christen eischt), die den medechristenen ten goede komen;
Supererogatory = meer dan de plicht eischt.
Superexcellence, siûpəreksəlens, buitengewone voortreffelijkheid; adj.
Superexcellent.
Superficial, siûpəfiš’l, oppervlakkig, ondiep: — measure = vlaktemaat;
—ity, siûpəfišaliti = —ness; Superficies, siûpəfišîz, oppervlakte,
buitenkant.
Superfine, siûpəfain, allerfijnst; subst. —ness.
Superfluity, siûpəflûiti, overtolligheid, overdaad; Superfluous,
siupɐ̂fluəs, overtollig, overdadig; subst. —ness.
Superfrontal, siûpəfrɐnt’l, altaarlaken dat over het frontaal hangt.
Superheat, siûpəhît, oververhitten.
Superhuman, siûpəhjûm’n, bovenmenschelijk.
Superincumbent, siûpərinkɐmb’nt, liggende op.
Superinduce, siûpərindjûs, bij- of toevoegen; subst. Superinduction.
Superintend, siûpərintend, het toezicht hebben op, controleeren; —ence,
—ency = oppertoezicht; Superintendent = opzichter, inspecteur,
directeur: Lady — = directrice; —ship.
Superior, siupîriə, subst. meerdere, superieur; adj. hooger, boven,
opper, meer, verhevener: — courts = opperste gerechtshoven (Common
Pleas, Exchequer en Queen’s Bench); — force (strength) = overmacht; —
planets = planeten verder van de zon dan de aarde; To be — to = staan
boven; Superiority, siupîrioriti, meerderheid, voorrang, overmacht: Air
of —.
Superjacent, siûpədžeis’nt, liggende op (Geol.).
Superlative, siupɐ̂lətiv, overtreffende, ongemeen, zeer voortreffelijk;
subst. overtreffende trap; subst. —ness.
Supernacular, siûpənakjulə, heerlijk, lekker; Supernaculum,
siûpenakjul’m, voortreffelijke drank, nagelproef: To drink — = een
nagelproef doen.
Supernal, siupɐ̂n’l, bovenste, hemelsch: She was — in intelligence =
haar geest was superieur.
Supernatural, siûpənatšər’l, bovennatuurlijk, supernaturalistisch; —ism
= bovennatuurlijke toestand, supernaturalisme; —ist; —istic;
Supernaturality = —ness.
Supernumerary, siûpənjûmərəri, subst. ambtenaar of officier boven de
formatie; figurant; adj. boven een bepaald getal.
Superpose, siûpəpouz, leggen op; adj. Superposition.
Superroyal, siûpərôiəl, formaat papier (49 bij 70 cM.; Amer. 56 bij 71
cM.).
Supersaturate, siûpəsatjureit, oververzadigen; subst. Supersaturation.
Superscribe, siûpəskraib, schrijven op of boven, adresseeren;
Superscription = opschrift, adres.
Supersede, siûpəsîd, afschaffen, opschorten, ter zijde stellen,
vervangen, noodeloos maken: To be —d in the command = van het bevel
worden ontheven; Supersedeas, siûpəsîdias, bevel tot opschorting of
schorsing; Supersedure, siûpəsîdjə, opschorting, afschaffing,
schorsing.
Supersensible, siûpəsensib’l, bovenzinnelijk = Supersensual,
siûpəsenšuel.
Supersession, siûpəseš’n = Supersedure.
Superstition, siûpəstiš’n, bijgeloof, bijgeloovigheid, òverpreciesheid;
Superstitious = bijgeloovig, overprecies, nauwgezet: — practices, uses
= bijgeloovige praktijken; subst. —ness.
Superstratum, siûpəstreit’m, bovenste laag.
Superstructure, siûpəstrɐktjə, bovenbouw.
Superterrestrial, siûpətərestriəl, bovenaardsch.
Supervene, siûpəvîn, bijkomen, onverwacht gebeuren of er tusschen
komen, verrassen; Supervenient, siûpəvînj’nt, bijkomend; subst.
Supervention.
Supervise, siûpəvaiz, het toezicht hebben of houden op, inspecteeren;
Supervision, siûpəviž’n, opzicht, toezicht: Under police — (— of the
police) = onder voortdurend politietoezicht; Supervisor, siûpəvaizə,
opziener, inspecteur; Supervisory power = bevoegdheid om toezicht te
houden.
Supination, siûpineiš’n, achteroverligging, ligging v. de hand met de
palm naar boven.
Supine, siûpain, supinum (gramm.).
Supine, siupain, achteroverliggend, hellend; onverschillig, werkeloos;
subst. —ness.
Supper, sɐpə, subst. avondeten, avondmaal: We have partaken of the
Lord’s — = aan het Avondmaal deelgenomen: —-time = tijd van avondeten;
—less: To go —less = geen avondeten krijgen.