Jamaica, džəmeikə, Jamaica (rum).

Jamb, džam, stijl van deur of raam, etc.

Jambok, džambok, lange zweep van nijlpaardenhuid (Z.-Afr.).

Jamboree, džambərî, gloeiende fuif.

James, džeimz; Jameson, džeims’n; Jamieson, džeimis’n.

Jampan, džampan, door vier mannen gedragen draagstoel (Japan); —ee,

džampənî, draagstoeldrager.

Jane, džein, Janna, Jaantje; Janet, dženət, Jansje.

Jangle, džaŋgl, subst. gekibbel, geharrewar, geratel, wanklank; — verb.

kibbelen, onaangenaam klinken, ontstemmen; —r.

Janitor, džanitə, portier, custos.

Janizary, džanizəri, janizəri, Janitschaar (soldaat van een in 1826

ontbonden Turksche garde).

Jansenism, džansənism, Jansenisme; Jansenist = Jansenist; adj.

Jansenistisch.

January, džanjuəri, Januari: Not till a hot — = met St. Juttemis.

Janus, džeinəs, Janus; —-cloth = stof aan twee kanten gelijk.

Jap, džap, (verkorting van Japanese), Japanees; jongleur, goochelaar,

enz.

Japan, džəpan, subst. Japan; lak, verlakt werk; — verb. lakken,

poetsen; —ese, džapənîz, džapənîs, subst. en adj. Japanees(ch); —ner,

džəpanə, verlakker; schoenpoetser.

Jape, džeip, subst. scherts, streek, aardigheid; — verb. schertsen,

uitlachen, bespotten, bedriegen, eene poets bakken.

Japheth, džeifəth; adj. Japhetic.

Japish, džeipiš, grappig; subst. —ness.

Japonica, džəponikə, Japansche kwee.

Jar, džâ, subst. flesch, kruik, pot; knarsend, ratelend geluid,

wanklank, oneenigheid, kier; — verb. knarsen, krassen, onaangenaam

treffen, in schelle tegenstelling zijn met, twisten, kijven, doen

trillen, verontrusten: The door is on the — = a— = op een kier; It —s

on my ears = het doet mijn ooren pijn; That does not — with the

surroundings = strijdt niet tegen, harmonieert met.

Jarde, džâd, hazenspat aan den poot van een paard.

Jardiniere, Fr. uitspr., jardinière.

Jargon, džâg’n, subst. brabbeltaal, gewauwel, dieventaal; — verb.

koeterwaalsch praten = —ize.

Jargonelle, dzâgənel, soort v. vroege peer.

Jarl, jâl, edele, hoofdman.

Jarv(e)y, džâvi, huurkoetsier, huurrijtuig.

Jasey, džeizi, sajetten pruik, kalotje.

Jashawk, džas-hôk, jonge havik.

Jasmin(e), džasmin, jasmijn.

Jason, džeis’n; Jasper, džaspə, Jasper; jaspis.

Jaundice, džândis, džôndis, geelzucht, nijd; — verb. geelzuchtig maken,

met afgunst vervullen; —d = geelzuchtig, afgunstig.

Jaunt, džânt, džônt, subst. zwerftochtje, uitstapje, rijtoertje; —

verb. rondzwerven, een uitstapje maken; —iness, subst. v. —y =

opgewekt, lustig, zwierig, elegant; Jaunting-car, džântiŋ-kâ, Iersch

karretje met twee banken overlangs.

Java, džâvə, Java(koffie); —nese, džavənîz, džavənîs, subst. en adj.

Javaan(sch).

Javelin, džavəlin, werpspies; —-man = speerdrager.

Jaw, džô, subst. kaak, mond, gekakel, brutaliteit, grove scherts,

scheldwoorden, twist; — verb. kakelen, kletsen, een grooten mond (bek)

opzetten, uitschelden: We were rescued from the —s of death = uit de

kaken des doods; It is too crack-— a name = een te moeielijk uit te

spreken; —-bone; —-breaker = moeielijk uit te spreken woord; —-lever,

instrument om den bek van vee voor het inbrengen van medicijn te

openen; —-tooth = maaltand.

Jay, džei, Vlaamsche gaai; praatjesmaker, lichtzinnig meisje, domkop.

Jeaffreson, džefəs’n.

Jealous, dželəs, jaloersch, bezorgd, wantrouwend, zeer gesteld op: I am

— of any one disturbing my books = bang, dat ...; —y = jaloerschheid,

argwaan, bezorgdheid.

Jeames, džîmz, lakei (verbast. van James); Jean, džîn.

Jean, džein, gekeperde katoenen stof.

Jedburgh, džedbərə.

Jeejee, džidžî, “huuthuutpaardje” (kindertaal).

Jeer, džîə, subst. hoon, spot; — verb. bespotten, schimpen op.

Jefferson, džefəs’n; Jeffrey, džefri, Godfried, Govert: Jeffreys,

džefriz; Jehovah, džihouvə, Jehova.

Jehu, džîhjû, koetsier (2 Koningen IX, 20).

Jejune, džədžûn, schraal, dor; nuchter; subst. —ness.

Jekyll, džekil, džîkil.

Jell, džel = —ify = tot gelei maken of worden; Jelly, dželi, subst.

gelei; — verb. = —ify; I’ll beat you to a — = ik zal je tot mosterd

slaan; —-fish = kwal; A tin —-mould = vorm.

Jem, džem, Koos; Jemima, džəmaimə.

Jemadar, Jemidar, džemidâ, inlandsch luitenant; politiebeambte,

opzichter (Indië).

Jemmy, džimi.

Jemmy, džemi, džimi, subst. kort breekijzer, gebraden schaapskop;

(over)jas; adj. keurig, netjes.

Jennet, dženət, genet, Spaansch paardje.

Jenneting, dženətiŋ, soort v. vroege appel.

Jenny, dženi, džini, spinmachine; stoot waarbij men zijn eigen bal

stopt; —-ass = ezelin; —-wren = winterkoninkje.

Jeopard, džepəd, op ’t spel zetten, wagen; —er = waaghals; —ize = To

jeopard; —ous = gewaagd, gevaarlijk; —y = gevaar, waagstuk.

Jephthah, džeftə.

Jereed, džərîd = Jerid.

Jeremiad(e), džerəmaiəd, klaaglied, Jeremiade; Jeremiah, džerəmaiə;

Jeremy, džerəmi.

Jericho, džerikou: I wished him at — = ik wou dat hij op de Mookerhei

zat.

Jerid, džərîd, werpspies.

Jerk, džɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag, plotselinge, krampachtige

beweging; in reepen gesneden en in de zon gedroogd vleesch; — verb.

plotseling rukken, schudden of stooten, krampachtig trekken; vleesch in

lange reepen snijden en in de zon drogen; —ed beef; —y = met rukken,

krampachtig, ongeduldig.

Jerkin, džɐ̂kin, nauwsluitend buis of jekkertje.

Jeroboam, džerəbouəm, wijnflesch v. 10 à 12 quarts; Jerome, džer’m,

džiroum.

Jerry, džeri: —-builder, —-building = revolutiebouw(er): That book is a

piece of —-building = is slecht in elkaar gezet, is knoeiwerk; —-shop =

kroeg; —-sneak = pantoffelheld; zakkenroller.

Jersey, džɐ̂zi, fijn gesponnen wol; nauwsluitende sporttrui (voor

roeiers enz.).

Jerusalem, džərûsəlem; Jervis, džɐ̂vis, džâvis; Jesaiah, džəzeijə.

Jess, džes, leeren riem aan den poot van valken; — verb. vastbinden.

Jessamine, džesəmin. Zie Jasmine.

Jesse, džesə, groote koperen kerkkroon = — candlestick.

Jest, džest, subst. scherts, boert, mikpunt van spotternij; — verb.

schertsen, bespotten: It was but said in — = maar schertsend; He can’t

take a — = kan geen scherts verdragen; —er = schertser, nar; —ing

apart! = alle gekheid op een stokje!

Jesuit, džežuit, Jezuiet; —s’ bark = bruine kinabast; —ic(al),

džežuitik(’l), jezuietisch; —ism, džežuitizm = —ry, džežuitri,

Jezuietisme.

Jesus, džîžəs, Jezus: —! What a sight!

Jet, džet, subst. straal; git; — verb. uitwerpen, uitstralen,

uitspuwen; uitspuiten; —-black = gitzwart; —ty = gitachtig.

Jetsam, Jetsom, džets’m, overboordgeworpen goederen, strandgoed.

Jettison, džetis’n, goederen overboord werpen: To make — = uit nood

overboord werpen.

Jetty, džeti, klein havenhoofd, pier (Zie Jet); —-head = kop van een

havenhoofd.

Jew, džû, Jood; —-baiting = jodenvervolging; —’s-eye, —ess’-eye = iets

van groote waarde; —’s harp, (—’s trump) = mondharp; —’s poker =

“sjabbesgojje”, een Christen meisje, dat op Sabbath vuur en licht

onderhoudt; —-thrift = het zoeken van eigen grootheid; —ess = jodin;

—ish = joodsch; —ry = Judea, jodenbuurt, jodendom.

Jewel, džûəl, subst. juweel (ook fig.), kleinood, steen (in uurwerk); —

verb. met juweelen versieren, steenen aanbrengen: A watch —(l)ed in

nine holes = op negen steentjes loopend; —-case = juweelkistje; —ler,

džûələ, juwelier; —(le)ry, juweelen, juwelierswerk.

Jezebel, džezəbel, booze, brutale, schaamtelooze vrouw.

Jib, džib, subst. kluiver (zeil), kraan, balk, schichtig paard, smoel;

— verb. schichtig worden, zijwaarts of achteruit springen (van

paarden), achteruit krabbelen; —-boom = kluiverboom; —ber = schichtig

paard.

Jibe, džaib. Zie Gibe en Jib (verb.).

Jiffy, džifi: In (half) a — = in een wip.

Jig, džig, subst. levendige dans, hupsasa, danswijsje; poets, streek;

kolenwip; — verb. een jig dansen of spelen, vedelen, op en neer bewegen

met korte rukjes, ziften, bedriegen; —-a-— = —-a-jog = rukkende of

stootende beweging; ook adv. en verb.; —-maker = grappenmaker.

Jigger, džigə, danser, biljartbok, ertszeef, ertszifter,

pottebakkerswiel, rijwiel (plat).

Jiggle, džig’l, (doen) wiegelen, heen en weer trekken, spartelen.

Jilt, džilt, subst. coquette; valsche sleutel; — verb. coquetteeren, de

bons geven, laten zitten.

Jim, džim, Jaap; — Crow, titel van een negerliedje en dans; in samenst.

neger-; — Crow car = wagon voor negers.

Jimcrack(ery), džimkrakəri. Zie Gimcrack(ery).

Jimmy, džimi. Zie Jemmy.

Jimp, džimp. Zie Gimp.

Jingle, džing’l, subst. gerinkink, geklingel, rijmelarij, overdekte

Iersche of Australische tweewielige kar; — verb. rinkinken, rinkelen,

klingelen, rijmelen: He is a —-brains = warhoofd, lichtzinnig heer;

Jingling pianos = rammelkasten; To — glasses = klinken.

Jingo, džingou, chauvinist, oorlogzuchtige Tory (die de partij der

Turken wou kiezen in 1877–1878, zoo genoemd naar de in ’t refrein van

een café-chantant liedje uit dien tijd voorkomende uitdrukking: By — =

bij alle goden, voor den drommel); ook adj.; —ism = de gevoelens der

Jingo’s.

Jinks, džiŋks: High — = Oud Schotsch gezelschapsspel; fuif; At high (On

the high) — = erg vroolijk zijn; It was high (grand) — = het was een

“reuzen-pan”; To cut high —, To hold high — = luidruchtig fuiven.

Jinn(ee), džin(î), booze geesten (Mahomed. mythologie); enkelv. —ee,

džinî.

Jinricksha, džinrikšə, jinrikscha (Brit. Ind. wagentje).

Jiujitsu, jûjitsu, Japansch worstelen.

Joachim, džouəkim; Joan, džoun, džə-an, Johanna.

Job, džoub, Job: —’s comfort = schrale troost; —’s news; —’s post =

Jobsbode; As poor as — = doodarm; —ation = strafpredikatie.

Job, džob, subst. karwei, baantje, werkje, zaakje (in ongunst. zin),

knoeierij; por; ook adj. — verb. karweitjes doen, aannemen of

aanbesteden, verhuren, speculeeren, koopen in ’t groot en weer in ’t

klein afzetten; scharrelen, in een betrekking schuiven, een por geven,

pikken: That’s a good — = gelukje, meevallertje; A bad — = een leelijk

geval; beroerde boel; He did the — for the ruffian = hij doodde den

schurk; By the — = bij aanneming; —-goods = koopjes, rommel; —master =

verhuurder van paarden en rijtuigen; —-printer = drukkersgezel (voor

een bepaald werk aangewezen); —ber = iemand die op stuk werkt,

detailverkooper, effectenhandelaar, beursspeculant, paard- en

rijtuigverhuurder, knoeier; —-bery = knoeierij, wisselruiterij;

Jobbing: —-house = drukkerij (van allerhande drukwerk, maar geene

couranten of boeken); —-tailor = lapper, versteller.

Jocelyn, džosəlin, Just.

Jock, džok, jockey: Gentleman — = heerrijder; Jockey, džoki, subst.

jockey, pikeur; bedrieger; — verb. bedriegen; tegenaan rijden (bij

wedrennen); verdringen, zich op oneerlijke wijze bevoordeelen: Lewis

XIV —ed his grandson on to the throne of Spain = hielp door allerlei

intrigues; —ism = rijkunst; praktijken der jockeys = —ship.

Jocose, džəkous, grappig, boertig, amusant; subst. —ness = Jocosity.

Jocular, džokjulə, snaaksch, grappig; —ity, džokjulariti, snaakschheid,

grappigheid.

Jocund, džok’nd, džouk’nd, blijde, vroolijk, opgewekt; —ity, džəkɐnditi

= —ness = vroolijkheid.

Joe, džou = Joseph, John; een fourpenny stuk, en = — Miller = oude

“mop”, een uit den Enkhuizer; Not for Joe = Not for Joseph.

Jog, džog, subst. stootje, sukkeldraf; — verb. zachtjes aanstooten,

vooruitstooten, heen en weer loopen, horten, sukkelen: Shall I — your

memory for you? = opfrisschen, wakker schudden; I am —ging = ik ga er

van door; —-trot, subst. sukkeldrafje; routine; adj. eentonig,

vervelend.

Joggle, džog’l, waggelen, rammelen, tegen elkaar stooten, inkepen.

John, džon, Jan, Johannes; St. — the Baptist = Johannes de Dooper; —

Bull = de Engelsche natie; — Company = de Oost-Ind. Compagnie; — Dory,

džondôri, zonnevisch, St. Pietersvisch.

Johnny, džoni, verkleinw. van John; vent, enz.: He is a soft — = een

groote sul; — cake = maïskoek (Amer.); Amerikaan (Amer.); — Crapaud,

džonikrəpou, de Fransche natie; — Raw = recruut, landrot; The Head

Johnnies in the Primrose League = kopstukken.

Johnson, džons’n: —ese, džonsənîz, džonsənîs, klassieke, deftige stijl

van Dr. Johnson (1709–84); Johnston(e), džonst’n.

Join, džôin, vereenigen, verbinden, samenvoegen, zich aansluiten bij,

lid worden van, instemmen, overeenstemmen, grenzen aan, samengaan,

enz.; subst. verbinding, verbindingsplaats: Will you join us? = doet

(of gaat) ge mee met ons, kom je bij ons zitten? To — battle = slaags

raken; To — hands with = de hand reiken, bijstaan; I have —ed interests

with him = mijne belangen met de zijne verbonden; He —ed the majority =

stierf; To — a ship = aan boord gaan, zich inschepen; Shall we —

tables? = de tafels aan elkaar zetten? I did not — with him = was het

niet eens; Joinder = vereeniging van twee zaken in een proces (Jur.) =

— of action; Joiner = schrijnwerker; —y = schrijnwerkersvak of -beroep.

Joint, džôint, verbinding, aanknoopingspunt, gewricht, knoop,

scharnier, dwarsspleet; groot stuk vleesch; adj. vereenigd, verbonden,

gezamenlijk, solidair; — verb. vereenigen; in joints verdeelen: Out of

— = uit het lid, uit de voegen, in wanorde (Zie Nose); — and several =

allen zonder onderscheid; On — account = voor gezamenlijke rekening;

—-gout = gewrichtsrheumatiek; —-heir = mede-erfgenaam; —-stock =

maatschappelijk kapitaal: —-stock company = maatschappij op aandeelen;

—-stock Bank = commandite bank; —-stool = vouwstoel; —-tenancy =

medebezit; —-tenant = medebezitter; —er = lange schaaf, reeschaaf;

—ing-plane = reeschaaf; —ing-rule = winkelhaak.

Jointure, džôintjə, subst. goederen vastgezet op eene vrouw bij haar

trouwen, om de opbrengst ervan na mogelijk overlijden van haar man te

genieten; — verb, vastzetten op.

Joist, džôist, subst. dwarsbalk; — verb. van dwarsbalken voorzien.

Joke, džouk, subst. scherts, grap, kwinkslag; — verb. schertsen,

plagen: A practical — = ruwe grap, kwajongensstreek; Small —s = flauwe

grappen; It was above a — = om je ziek te lachen; In — = uit de grap,

schertsend; That’s past a — = dat gaat te ver; To bear (take) a — =

scherts verstaan; To pass (put) a — upon = een poets bakken; He can’t

realise a — = niet snappen; He would not see the —; You have worn that

old — nearly off its legs = die mop is al heel afgezaagd; He —d me

good-naturedly = plaagde; —r = grappenmaker; vent; troef kaart; Joking

apart = alle gekheid op een stokje.

Jole, džoul. Zie Jowl.

Jollification, džolifikeiš’n, jool, lolletje; Jollify = pret maken;

Jollity = pret, jool; Jolly, džoli, dartel, vroolijk, lollig,

lichtelijk aangeschoten, verduiveld aardig; subst. marinier; — verb.

beetnemen; ophemelen (Amer.): He is — rich = zit er aardig bij; — Roger

= zwarte zeerooversvlag.

Jolly-boat, džolibout, jol.

Jolt, džoult, subst. schok, stoot; — verb. schokken, horten, stooten;

—(er)-head = domkop, ezel; —er-headed = ezelachtig, dom.

Jonah, džounə: I seem to — everything I touch = te doen mislukken;

Jonas, džounəs; Jonathan, džonətən; Jonathan, trouwe vriend: Brother —

= de Amerikaansche natie, het type Amerikaan; Jones, džounz.

Jonquil, džonkwil, jonquille.

Jonson, džons’n; Jordan, džöd’n.

Jorum, džôr’m, groote beker of bowl.

Joscelin, džosəlin; Josceline, džosəlain.

Joseph, džouzef, dames rijkleed (18de eeuw); Jozef: I have been no — =

geen heilig boontje; Not for — = om den dood niet; Josephine,

džouzəfin; Josh(ua), džoš(uə); Josiah, džosiə.

Joss, dšos, Chineesche afgod; —-house = Chineesche tempel; —-house-man

= (Chin.) priester, missionaris; —-stick (= Jostick) = wierookstok in

Chin. tempels.

Josser, džosə, vent: Old — = ouwe paai.

Jostle, džos’l, stooten, duwen, verdringen, hossen; ook subst.

Jot, džot, subst. jota, kleinigheid, beetje; — verb. even opschrijven,

aanteekenen (down); —ting = memorandum, notitie, bericht.

Joule, džaul.

Journal, džɐ̂n’l, dagboek, dagblad, courant, handelingen van een geleerd

genootschap of parlement; journaal, scheepsjournaal; —ese =

krantentaal; —esia = krantenwereld; —ism = de pers; —ist =

dagbladschrijver; adj. —istic; —ize = journaliseeren (= To carry (post)

into the journal).

Journey, džɐ̂ni, subst. reis; — verb. reizen, trekken: —s outward and

back again = uit en thuis reizen; To go on a —; They made a — = deden

een reis(je); —man = werkman, daglooner, knecht; handlanger; —-weight =

ongeveer 180 oz. Troy van goud en 720 van zilver; —work = dagwerk,

knoeiwerk.

Joust, džûst, džɐst, subst. tournooi, steekspel; — verb. een steekspel

of tournooi houden.

Jove, džouv, Jupiter: By —! = sapperloot.

Jovial, džouvj’l, vroolijk, opgewekt; —ity, džouvialiti, vroolijkheid =

—ness.

Jowett, džauət.

Jowl, džoul, kop van een visch, bek, kossem, lel, wang, kaak: Cheek by

— = met de koppen bij elkaar, vlak naast elkaar, wang aan wang.

Jowler, džoulə, džaulə, soort (jacht)hond.

Joy, džôi, subst. vreugde, blijdschap; — verb. zich verheugen: Kill — =

spelbreker; I give (wish) you — = ik feliciteer u; —-bells =

vreugdeklokken; —ful, blijde, verheugd; subst. —fulness; —less =

treurig, verdrietig; subst. —lessness; —ous = blijde, verheugd; subst.

—ousness.

Juan, džûən.

Jubilant, džûbil’nt, juichend, jubelend; Jubilate, jubelen; subst.

džûbileitî, psalm 100 bij den morgendienst der Eng. kerk; derde Zondag

na Paschen, wanneer Psalm 66 den introïtus vormt; Jubilation,

džûbileiš’n, gejuich, gejubel, vreugdebetoon; Jubilee, džûbilî, groot

jubelfeest (om de 50 jaar) bij de Israëlieten ter herdenking van de

bevrijding uit de Egyptische slavernij; kerkfeest (om de 25 jaar) te

Rome; feestgetij; de 50e verjaardag van eene blijde en belangrijke

gebeurtenis.

Judaea, džudîə; Judah, džûdə; Judaic, džudeiik, joodsch; Judaism,

džûdeiizm, jodendom, joodsche leer; Judaize, džûdeiaiz, in

overeenstemming brengen met joodsche leer en gebruiken, joodsche

begrippen hebben of leeren.

Judas, džûdəs, Judas, verrader, kijkgat (= —-hole); —-coloured

(—-haired) = rood, rossig; —-tree = Judasboom.

Judcock, džɐdkok, watersnip.

Jude, džûd; Judea, džudîə; adj. —n, ook: jood.

Judge, džɐdž, subst. rechter, kenner, scheidsrechter; — verb.

oordeelen, vonnissen, beslissen, onderscheiden, achten, beschouwen,

beoordeelen (of = over); —-advocate = auditeur militair; Judging from

what you say = te oordeelen naar; —ship = rechtersambt.

Judgment, džɐdžm’nt, oordeel, vonnis, onderscheidingsvermogen,

verstand, godsoordeel, laatste oordeel, rechtspleging, goddelijk

raadsbesluit: — by default was passed on him = er werd vonnis bij

verstek tegen hem gewezen; In my — = naar mijn oordeel; To give (pass,

pronounce, render) — = vonnis vellen; The court sat in — = het hof had

zitting; That plague was considered as a — upon the people = als een

godsoordeel; —-day = dag des oordeels; —-debt = door den rechter

vastgestelde schuld; —-hall = audientiezaal, gerechtszaal; —-seat =

rechterstoel, vierschaar, rechtbank.

Judicable, džûdikəb’l, onderworpen aan de jurisdictie; Judicative,

džûdikətiv: — faculty, power = vermogen tot oordeelen.

Judicature, džûdikətjuə, rechtersambt, rechtspleging, rechtspraak,

rechtsgebied, gerechtshof.

Judicial, džədiš’l, rechterlijk, gerechtelijk, critisch.

Judiciary, džədišəri, subst. de rechterlijke macht; adj. gerechtelijk,

rechtsprekend.

Judicious, džədišəs, oordeelkundig, scherpzinnig, verstandig,

weloverlegd; subst. —ness.

Judith, džûdith.

Judy, džûdi, Judithje; de “vrouw” (Trijn) van Punch in de poppenkast;

vogelverschrikker (fig.).

Jug, džɐg, kruik, pot; gevangenis; nachtegaalslag; — verb. slaan als

een nachtegaal, stoven, opsluiten: Not by a —ful = in geen geval

(Amer.).

Jugal, džûg’l, tot het jukbeen behoorende.

Juggernaut, džɐgənôt, de Ind. Godheid Krischna, meer in het bijzonder

het beeld van den God te Puri in Orissa; Moloch (fig.); iets waaraan

men meedoogenloos wordt opgeofferd of zich blindelings opoffert.

Juggins, džɐginz, sul.

Juggle, džɐg’l, subst. goocheltoer, bedriegerij; — verb. goochelen,

bedotten; —r = goochelaar, bedrieger; —ry = goochelarij, bedriegerij.

Jugular, džûgjulə, subst. keelader; adj. tot nek of keel behoorende;

Jugulate, džûgjuleit = keelen, den hals afsnijden, smoren (fig.).

Juice, džûs, sap: To stew in one’s own — = in zijn eigen vet gaar

smoren; —less; Juiciness = sappigheid; adj. Juicy = sappig.

Ju-ju, džû-džû, fetisch, fetischdienst, daarmee verrichte vervloeking

(Afrika).

Jujube, džûdžûb, jujube.

Juke, džûk, buigen; duiken (Schotl.).

Julep, džûlep, koeldrank; soort bowl bestaande uit whisky, ijs, suiker,

pepermunt (Amer.).

Julia, džûliə, Julia.

Julian džûliən: — account = Juliaansche (door Julius Caesar ingestelde

en tot 1572 in Engeland gebruikelijke) tijdrekening; — Alps; Juliana,

džûlianə.

Juliers, džûliəz, Gulik. Juliet, džûliət. Julius, džûliəs.

July, džulai, Juli.

Jumar, džûmâ, (fabel) muilos, osezel, muilpaard.

Jumble, džɐmb’l, subst. verwarring, mengelmoes; soort koekje; — verb.

door elkaar gooien, door elkaar raken of geschud worden: — sale =

goedkoope bazaar.

Jump, džɐmp, subst. sprong, soort van buis; — verb. springen, snel

rijzen, stooten, hotsen, overheen springen, laten dansen, zich werpen

op; een claim in bezit nemen tijdens de afwezigheid van den eigenaar

(Amer.); wagen: —s = lijfje, zoogcorset; He —ed at my proposal = pakte

met beide handen aan; To — at (to) conclusions = voorbarige

gevolgtrekkingen maken; My judgment —ed (in) with his = stemde overeen

met; He was —ed off at the last fence = afgeworpen; To be —ed on (with

both feet) = (ernstig) berispt worden; Great wits — together = stemmen

overeen; —-seat = open wagentje met neerklappende zitplaats(en); —er =

springer, sprinkhaan, kaasmijt, boorwerktujg, soort trui; The —ers =

godsdienstige sekte (die God “huppelend” meent te moeten dienen);

—ing-jack = hansworst; A —ing-off place = springplaats; —ing-pole =

polsstok; —ing-sheet = springzeil; —y = bewegelijk, zenuwachtig.

Juncaceous, džɐŋkeišəs, biesachtig; Juncous, džɐŋkəs, vol biezen.

Junction, džɐŋkš’n, verbinding, vereeniging, vereenigingspunt;

—-railway = verbindingsspoor.

Juncture, džɐŋktšə, verbindingspunt, naad, verbinding; bepaald of

kritiek oogenblik, tijdsgewricht: At (in) this —.

Juncus, džɐŋkəs, bloembies.

June, džûn, Juni.

Jungle, džɐŋg’l, tropische wildernis; —-fever = tropische wisselkoorts;

—-market = markt van actiën der West.-Afrik. handelsvereenigingen.

Junior, džûnjə, jonger, lager; jongere, lager geplaatste; subst.

beginnend advocaat, die, om zich te oefenen, een ouder collega

assisteert; —ity, džûnioriti, toestand van een junior.

Juniper, džûnipə, jeneverstruik: — berry.

Junius, džûniəs.

Junk, džɐŋk, jonk (Chineesch vaartuig), brok, homp, oud kabel- en

touwwerk, taai pekelvleesch, rommel; —-bottle = dikke porter-flesch

(Amer.); —-dealer = scheepstagrijn (Amer.); —-shop; —-wad = prop van

pluiswerk tusschen lading en kogel.

Junket, džɐŋkət, subst. dikke room, wrongel; soort lekkernij; fuif,

picnic (Amer.); — verb. fuiven; —er; —ing excursion (—ing party).

Juno, džûnou, Juno; Junonian, majestueus.

Junta, džɐntə, Junta.

Junto, džɐntou, geheime raad, complot, kliek.

Jupiter, džûpitə, Jupiter.

Jura, džûrə.

Jurat, džûrət, rechter (op de eilanden in het Eng. kanaal), schepen,

onderteekende beëedigde verklaring van getuigen.

Juridical, džuridik’l, gerechtelijk, juridisch.

Jurisconsult, džûriskənsɐlt, dzûriskonsəlt, rechtsgeleerde.

Jurisdiction, džûrisdikš’n, jurisdictie; adj. —al.

Jurisprudence, džûrisprûd’ns, jurisprudentie; adj. Jurisprudential,

džûrisprudenš’l.

Jurist, džûrist, rechtsgeleerde.

Juror, džûrə, gezworene, jurylid bij eene tentoonstelling.

Jury, džûri, subst. de gezworenen, jury of commissie van beoordeeling

bij tentoonstellingen (= — of award): Grand — = jury, van 12 tot 24

leden (die over het al of niet verleenen van rechtsingang beslist);

Petty — = jury van 12 leden (die met algemeene stemmen in strafzaken

moet beslissen): —-box = bank der gezworenen; —man = gezworene; —-mast

= noodmast; —-process = bevel tot bijeenroeping van eene jury; —-rudder

= noodroer.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 62 / 141 段