Dodder, dodə, beven, trillen: To — about = rondstrompelen; —ing fears.
Doddle, dod’l, waggelen: A doddling old dotard = een strompelende oude
sufferd.
Dodecagon, dədekəgon, twaalfhoek.
Dodge, dodž, subst. plotselinge zijbeweging, kunstgreep, list, streek;
— verb. plotseling opzij springen, ontwijken, uitwijken, uitvluchten
bedenken, voorzichtig rondsluipen, slenteren, vermijden, als een
schaduw volgen, nagaan, heen en weer bewegen, bedotten: He worked the —
singled-handed = voerde de zwendelarij geheel alleen uit; He went
dodging about the village = slenterde door; —r = slimmerd, bedrieger,
kuiper, zwendelaar; —ry = zwendel, uitvlucht; adj., Dodgy.
Dodipole, dodipoul, sukkel, domkop.
Dodman, dodm’n, tuinslak.
Dodo, doudou, dodaars of basterdstruis (vroeger op Mauritius).
Dodonian, doudounj’n, uit Dodona, beroemd om haar orakel.
Doe, dou, hinde, ree; wijfje; —skin, douskin, hertenleder, soort
buckskin.
Doff, dof, afzetten, uittrekken.
Dog, dog, subst. hond, hondevleesch, vent, snaak; de Groote of Kleine
Hond (sterrenbeeld); duivelsklauw, mijnkarretje, haardijzer; — verb.
als een schaduw volgen, nauwkeurig nagaan: An artful (sly) — = een
slimmerd; A sad — = een snaak; Give a — a bad name, and hang him = als
men een hond wil slaan, vindt men wel een stok = There are more ways of
killing a — than hanging him; To go to the —s = ten onder gaan: Let
sleeping —s lie = maak geen - - - wakker; I call this throwing things
to the —s = de dingen weggooien; A — and shadow conviction =
persoonlijke; He is a — in the manger = hij kan niet zien dat de zon in
het water schijnt; The police —ged him = ging hem na; —-bee = hommel
(mannetjesbij); —-berry = bes van de roode kornoelje; —-biscuit;
—-briar (—-rose) = hondsroos; —-cart = twee- of vierwielig rijtuigje
met twee banken (rug aan rug); —-cheap = spotgoedkoop; —-collar =
halsband; —-days = hondsdagen; —-fancier = hondenfokker en -koopman;
—-fennel = stinkende camille; —fish = o.a. hondshaai; —-fox =
mannetjesvos; —-grass = kweek; —-hearted = onbarmhartig; —-hole =
hondegat, hondenhok; hok, gat (fig.); —-kennel = hok; —-latin =
kramerlatijn; —’s-ear = ezelsoor; ook verb.; —-sleep = hazenslaapje;
—’s-meat = afval van vleesch, hondenvleesch; —-star = hondsster,
Sirius; —-tooth = oogtand; —-trick = leelijke streek, gemeene
behandeling; —-trot = sukkeldrafje; —-vane = waker (scheepst.);
—-violet = hondsviooltje; —-watch = hondenwacht (van 4–6 of 6–8 p. m.);
—-weary = zoo moe als een hond; —wood = roode kornoelje; —ged; =
norsch, hardnekkig: It’s —ged as does it = de aanhouder wint; subst.
—gedness; —gish = hondsch; subst. —gishness.
Doge, doudž, doge; Dogate, dougit, Dogeate, doudžit, waardigheid van
een Doge.
Dogger, dogə, dogger (vaartuig).
Doggerel, dogərel, subst. rijmelarij = — rhymes.
Dogma, dogmə, leerstuk; adj. Dogmatic(al); —tism = dogmatisme; —tize =
dogmatizeeren.
Doily, dôili, tafelmatje, slabbetje, servetje.
Doit, dôit, duit, kleinigheid; 0,135 mGr.
Dolce, doltši, zacht, liefelijk.
Doldrums, doldr’mz, streek der windstilten: To be in the — = lusteloos,
gemelijk zijn, zich vervelen.
Dole, doul, subst. portie, aalmoes; smart; marksteen; — verb. uit- of
ronddeelen in kleine hoeveelheden (out); Happy man be his — = moge hij
gelukkig zijn; —ful = smartelijk, treurig, akelig; subst. —fulness;
—some = —ful.
Doll, dol, pop: —’s eyes, dolzaiz, k(o)ralen (voor poppenoogen).
Doll, dol, Doortje = Dolly, doli.
Dollar, dolə, Amerik. munt (van 100 cents = ƒ 2,50).
Dol(l)man, dolm’n, lang Turksch gewaad; dolman.
Dollop, doləp, klonter, klomp.
Dolly, doli, Doortje; bak met geperforeerden bodem, om erts in te
wasschen; grisette; blad met bloemen en vruchten; adj. sukkelig; —-shop
= stille bank van leening, lompenhandel.
Dolly Varden, dolivâd’n, lichte en gebloemde soort van polonaise
gedragen over een licht gekleurden rok; ook schuin gedragen hoed met
bloemen.
Dolorous, dolərɐs, pijnlijk, smartelijk; Dolour, doulə, smart, pijn:
Our Lady of —s = naam van de H. Maagd Maria.
Dolphin, dolfin, dolfijn; dolfijnvormig oor (van kanon of mortier),
ducdalf, meerboei: He felt as much out of his element as a — in a
sentry-box = als een visch, die op het droge ligt.
Dolt, doult, domkop, sukkel: —ish = dom, sukkelachtig; subst. —ishness.
Domain, dəmein, macht, gezag, domein, gebied.
Dombey, dombi.
Dom-boc, doumbouk, wetboek uit den tijd van Koning Alfred = Domebook.
Dome, doum, koepel, koepelvormig dak; een tempel, dom; —-shaped =
koepelvormig; —d = met een koepel, gewelfd.
Domesday, dûmzdei; Zie Doomsday.
Domesman, dûmzman, vroeger rechter = Doomsman.
Domestic, dəmestik, subst. huisbediende, dienstbode; adj. huiselijk,
huishoudelijk, tam, inlandsch; —s = binnenl. producten (Amer.); —
animals = huisdieren; — economy = huishoudkunde; — peace = huiselijke
vrede; — quarrels = binnenlandsche twisten; —ate, dəmestikeit, aan
huiselijk leven gewennen, temmen, beschaven; —ity, doumestisiti,
huiselijkheid.
Domett, domət, katoenflanel.
Domicile, domis(a)il, subst. domicilie; — verb. (zijn) domicilie nemen,
domicilieeren: A domiciliary visit = bezoek door de rechterlijke macht,
met het oog op huiszoeking; Domiciliate (= Domicile): To — a bill of
exchange = een wissel domicilieeren; Domiciliation = domicilie.
Dominant, domin’nt, subst. de dominante (Muziek); adj. heerschend,
domineerend, ver zichtbaar; Dominate, domineit, heerschen, zich
verheffen boven; Domination = heerschappij; Dominator = beheerscher;
Dominative = heerschend; Domineer, dominîə, een gebiedenden,
onbeschaamden toon voeren, den baas spelen; opspelen, woedend uitvaren.
Dominic, dominik; Dominica, domənîkə, dəminikə.
Dominical, dəminik’l: — letter = Zondagsletter; — prayer = het Onze
Vader.
Dominican, dəminik’n, Dominicaner monnik.
Dominie, do(u)mini, schoolmeester (vaak iron.), dominé (Schotl.);
predikant van Holl. gemeente (Amer.).
Dominion, dəminj’n, oppermacht, heerschappij, gebied: — Day = nationale
feestdag in Canada (1 Juli); The — = Canada.
Domino, dominou, domino; dominosteen: To play at —es = domino spelen;
—-box = dominospel, mond vol tanden.
Don, don, subst. heer (vroeger titel, in Spanje), Tutor of Fellow van
een College aan een der hoogescholen; banjer; —nish = pedant.
Don, don, aandoen.
Dona, dounja, Donna; meisje.
Donalbain, donəlbein; Donald, don’ld.
Donate, douneit, geven (Am.); Donation, deneiš’n, gave, gift,
schenking; Donative, donətiv, subst. gift, schenking, benefice; adj.
bij schenking gegeven.
Doncaster, doŋkəstə.
Done, dɐn, part. perf. van to do. Zie Do.
Donee, dounî, begiftigde.
Donegal, donəgôl, donəgôl.
Donga, doŋgə, spleet in eene rivierbedding, droge rivierb. (Z. A.).
Donjon, dɐnž’n, donž’n, slottoren, kerker.
Don Juan, dondžûən.
Donkey, doŋki, ezel; —ess, doŋkiəs, ezelin; —-engine = een kleine
hulpmachine aan boord; —-pump = stoompomp (voor den ketel).
Donne, don; Donnybrook, donibruk, ruw, woest, (genoemd naar: — fair =
woeste (Iersche) kermisboel); — dance = woest gevecht; — row = hevige
ruzie.
Don Quixote, donkwiksət.
Doodle, dûd’l, subst. beuzelaar, sukkel; Yankee — = Amerik. volkslied.
Doob, dûb, gras als voeder gebruikt (Brit. Ind.).
Dood, dûd, kameel: —-wallah (walə) = kameeldrijver (Brit. Ind.).
Doolie, dûli, Brit. Ind. draagstoel.
Doom, dûm, subst. oordeel, veroordeeling, lot, verdoeming; — verb.
veroordeelen, straffen, richten: The crack of — = de jongste dag, het
einde der wereld; —sday = dag des oordeels; —sday-book = kadaster,
register van de landerijen (samengesteld op last van Willem den
Veroveraar); —ster = rechter.
Doonga, dûŋgə, cano met vierkant zeil (Brit. Ind.).
Door, dö, deur, ingang: That was laid at his — = hem ten laste gelegd;
It lies at his — = het is zijne schuld; It was never proved at his — =
hem nooit bewezen; He lives next-— = in het huis (kamer) hiernaast;
Next-— to him = naast hem; We had next-— to nothing = zoowat niets; In,
within —s = binnenshuis; Out of —s = buitenshuis; Sent out of —s =
weggestuurd; He leant against a —-casing (-case) = kozijn = —-frame;
—-handle = kruk; —-hinges = hengsels; —-keeper = portier; —-mat =
deurmat; voetveeg (fig.); —-nail = plaatje, waarop de klopper neervalt:
He is as dead as a —-nail = zoo dood als een pier (ook: As dead as a
—-mat); —-plate = naamplaatje; —-post = deurstijl: He is as deaf as a
—-post = zoo doof als een kwartel; —-scraper = krabber; —-step = stoep,
of = —-sill = drempel: You shall never darken my —(-step) again = jij
zet geen voet meer over mijn drempel; —-stone = steenen drempel; —-way
= ingang.
Dop, dop, onderduiken; subst. diepe buiging; dop (bij het
diamantslijpen).
Dopatta, doupatə, soort sjerp (Br. Ind.).
Dopper, dopə, schimpnaam voor de ouderwetsche en meer bekrompen leden
der Geref. kerk in Zuid-Afrika.
Dor, dö, kever (bladsprietig) = —-beetle.
Dorado, dəreidou, dərâdou, Dorada, Zuidelijk sterrenbeeld van zes
sterren; goudmakreel.
Dorcas Society, dökəsəsaiiti, Vereeniging (van dames) tot Christelijk
Hulpbetoon (Zie Handelingen IX, 36–41).
Dorchester, dötšəstə.
Dorée, derî, dorî, zonnevisch.
Dorian, dôriən, Doric, dorik, Dorisch: — order = Dorische bouwstijl.
Doring, dôriŋ, het leeuwerikenvangen met een slagnet en een spiegel.
Dormancy, döm’nsi, rust; Dormant, döm’nt, subst. slaper (groote
dwarsbalk); adj. slapend, liggend; ongebruikt, dood (Jurid.): Let us
allow the matter to lie — = laten rusten; — partner = stille vennoot;
Dormer, dömə, verticaal venster in hellend dak (= —-window); Dormitive
= subst. en adj. slaapwekkend (middel); Dormitory, dömitəri, slaapzaal.
Dormouse, dömaus, hazel-(berg)muis.
Dorn, dön, rog, stekelrog.
Dorothy, dorəthi, Dorothea.
Dorsal, dös’l, dorsaal, rug...
Dorse, dös, jonge kabeljauw; rug.
Dorsel, dös’l, soort wollen stof.
Dorset, dösət; —shire, dösətšə.
Dorsum, dös’m, rug, heuvelrug.
Dort, döt, Dordrecht.
Dory, döri, zonnevisch (= John —); platboomd bootje (Amer.).
Dose, dous, subst. dosis, bittere pil (fig.); — verb. afmeten (van
geneesmiddelen), (een bittere pil) toedienen: They have —d him with
liquor = veel drank toegediend, suf of dronken gemaakt.
Dosel, dos’l = Dossal = dorsale, geborduurd kleed achter het altaar;
rijke draperie.
Doss, dos, kussen, bed; slaapstee = —-house; —er = logé van een
slaapstee, landlooper; huisvader.
Dosser, dosə, kleed, wandtapijt; draagkorf.
Dost, dɐst, 2de p.s. Pres. Imp. v. to do.
Dot, dot, subst. stip, punt; kindje; huwelijksgift (Amer.); — verb.
stippelen: —ted lines = stippellijnen; — your i’s and cross your t’s =
zet de puntjes op de i (ook fig.).
Dotage, doutidž, suffigheid (vooral van ouderdom), overdreven
teederheid, apenliefde; Dotard, doutəd, kindsche grijsaard, verliefde
oude gek.
Dotation, dəteiš’n, huwelijksgift, schenking.
Dote, dout, suffen, dol verzot zijn op: He —s on her = is dol op haar;
Doting = kindsch; dol, gek (on); subst. —ness.
Doth, dɐth = does.
Dottard, dotəd = Dotard.
Dottel, Dottle, dot’l, kluitje, propje (onverbrande) tabak in een pijp.
Dott(e)rel, dot’r’l, Morinel pluvier; sukkel.
Dottyville, dotivil: To be booked for — = naar “Meerenberg” moeten.
Double, dɐb’l, adj. dubbel, in paren, gekromd, dubbelzinnig; subst.
tweevoud, duplicaat, dubbelganger, zijsprong, draai, kunstgreep; —
verb. vouwen, verdubbelen, herhalen, omzeilen, dichtknijpen, ballen,
over elkaar slaan, doubleeren, verdubbelen van rotten (Mil.), zich
verdubbelen, op zijn weg terugkeeren, omdraaien, listig ontwijken,
bedriegen: They marched off at the —, at —-quick time = met den
looppas; The Cape was —d = omgezeild; He —d his fists = balde; All the
leaves were —d down = aan alle bladen waren ezelsooren; We —d upon the
enemy = brachten hem tusschen twee vuren; —-acting = dubbelwerkend
(mechan.); —-action; A —-barrelled rifle = geweer met dubbelen loop;
—-bass = contrabas; —-breasted coat = jas met twee rijen knoopen;
—-chin = onderkin; A —-dealer = dubbelhartig mensch, bedrieger;
—-dealing, subst. en adj. dubbelhartig(heid); —-Dutch = koeterwaalsch;
A —-dyed villain = een aartsschurk; —-eagle = goudstuk van twintig
dollars (Amer.); —-edged sword = tweesnijdend; —-entry: Book-keeping by
— = Italiaansch boekhouden; —-faced = met twee aangezichten, aan beide
kanten bruikbaar; onoprecht; —-first = de eerste zoowel in klassieke
talen als in mathematische wetenschappen te Oxford; de graad door zoo
iemand verkregen; —-ganger = dubbelganger; —-handed = met twee
handvatten; —-hearted = verraderlijk, valsch; —-knock = korte dubbele
klop (met een deurklopper); —-minded = weifelend, besluiteloos;
—-railed = met dubbel spoor; —-shot = dubb. lading; — verb. zwaar
laden, aandikken (fig.); —-tide = overuur; —-tongued = uit twee monden
sprekende; —-track = dubbelspoor; —ness = dubbel zijn;
dubbelzinnigheid.
Doublet, dɐblət, wambuis, buis, vest, doublette (een woord van
denzelfden stam als een ander, maar verschillend in vorm en beteek.);
—s = dobbelspel (soort van triktrak); hetzelfde getal op beide
dobbelsteenen.
Doubloon, dɐblûn, Spaansch en Zuid-Amer. goudstuk (± ƒ 12).
Doubt, daut, subst. twijfel, onzekerheid, aarzeling, vrees; — verb.
weifelen, aarzelen, twijfelen, vermoeden, verdenken, vreezen: Beyond a
— = boven allen twijfel verheven; I have put it beyond — = buiten allen
twijfel geplaatst; No — = ongetwijfeld; —ful = twijfelachtig,
weifelend, verdacht, dubbelzinnig, onzeker; subst. —fulness; —less =
ongetwijfeld.
Douche, dûš, douche, stortbad.
Dough, dou, deeg: My cake is — = mijn plan is in duigen gevallen; A
—-faced fellow = jabroer, polit. weerhaan (Amer.); —-kneaded = zoo
zacht als deeg (Amer.); —nut = soort pannekoek; —y = week, bleek.
Doughtiness, dautinəs, manhaftigheid, flinkheid; adj. Doughty = flink.
Douglas, dɐgləs.
Dour, dûə, hard, streng, onbuigzaam (Schotl.).
Douse, daus, adj. ernstig, eerbaar; — verb. plotseling onderdompelen of
in ’t water vallen; ineens vieren of neerlaten; uitdooven; ranselen.
Dove, dɐv, duif, duifje (fig.); —-cot(e), —-house = duivenhok,
duiventil; —’s-foot = fijnblad ooievaarsbek; —tail, subst.
zwaluwstaart; — verb. vast verbinden, samenvoegen met zwaluwstaarten:
His own work and the quoted passages —tail into one another = sluiten
in elkander.
Dover, douvə: The Straits of — = het Nauw van Calais; — Court = een
luidruchtige bijeenkomst.
Dowager, dauidžə, douairière: Queen — = koningin-weduwe (moeder).
Dowden, daud’n.
Dowdy, daudi, subst. ouderwetsch of slordig gekleede vrouw, slons; adj.
ouderwetsch, slonzig = —ish.
Dowel, dau’l, subst. houten pen of nagel; — verb. met pennen verbinden.
Dower, dauə, subst. weduwengoed; — verb. een uitzet geven; Dowerless =
zonder bruidschat, arm.
Dowlas, dauləs, grof linnen goed.
Dowl(e), daul, pluim, veder.
Down, daun, subst. dons, nestveeren; zaadpluimpje; zacht haar; duin,
schapenweide: The —s = een groote reede aan de kust v. Kent; —y =
donzig, piekfijn.
Down, daun, beneden, naar beneden, onder; af, van de hoofdstad of van
een hoofdstation weg; terneergeslagen, koest (tegen honden), etc.; —
verb. neerdrukken, ontmoedigen, neerdalen: — the country = weg van de
hoofdstad; — the sound = in de richting van de ebbe zeewaarts; — the
stream = stroomafwaarts; — town = naar het centrum (handelswijk) der
stad; To be — at heel = afgetrapt; To be — for a club = vóórhangen; To
be — in the mouth = neerslachtig = — on one’s luck = in moeielijkheden;
— the wind = met den wind mee; I like her — to the ground = dolgraag;
That part suits you — to the ground = is geknipt voor je; From the
mayor — to the meanest citizen = tot den geringsten burger toe; To be —
on = uitvaren tegen; I’ll be — upon you = ’k zal je wel krijgen; To be
— with the influenza = aangetast door, te bed liggen met; — with him =
weg met hem; To feel — = somber, neerslachtig; To go — into the country
= naar buiten gaan; That will not go — with me = dat wil er bij mij
niet in; He has gone — = is met vacantie naar huis gegaan (v.
studenten); The wind is — = is gaan liggen; To look — upon = neerzien
op; To pay — = kontant; To turn upside — = onderste boven keeren; In
writing for children, be careful not to write — too much = niet te
kinderachtig te schrijven; He is not to be —ed by censure = laat zich
niet ontmoedigen; To —bear = drukken, verdrukken; A —cast look =
sombere blik; —come = plotselinge val, omverwerping; He is a —-Easter =
iemand, in de Oostel. staten wonend (soms New-Eng. of Maine); —fall =
instorting, val (van water), plotselinge val, ondergang; —haul = touw
om een zeil neer te halen; —hearted = neerslachtig; —hill =
bergafwaarts: —hill work = gemakkelijk werk; —-line = spoorlijn (van de
hoofdplaats of het middelpunt af); —-passenger = passagier met een
—-train; —pour = plasregen; —right = rechtstreeks, rondweg, echt,
volslagen, plotseling, dadelijk, loodrecht, openhartig, grondig: A
—right fool = gek in folio, echte dwaas; subst. —rightness; —stairs =
(naar) beneden, het dienstpersoneel betreffend; She was —-thump on him
= pakte hem (te) hard aan; —-stroke = neerhaal, neergaande beweging;
—-train = trein (van de hoofdplaats of het middelpunt af); —-trod(den)
= platgetreden, overheerscht; —-weed = roerkruid, viltkruid; —y = sluw.
Dowry, dauri, huwelijksgift, uitzet; hoop.
Dowse, daus. Zie Douse.
Doxological, doksəlodžik’l, lofzingend; Doxology, doksolədži, lofzang.
Doxy, doksi, liefje; snol.
Doze, douz, subst. dutje, sluimering; — verb. sluimeren, dutten,
suffen.
Dozen, dɐz’n, dozijn: A baker’s — = dertien.
Doziness, douzinəs, slaperigheid; droomerij; adj. Dozy.
Drab, drab, subst. slons; zoutbak; muisvale stof, geelgrauwe kleur (—s
= broek van die stof); adj. muisvaal, geelgrauw; saai, kleurloos,
conventioneel; vuil, goor; zwak: The republic is too — to last = te
zwak; —bish = vuil, geelgrauw; —by = vuil, slonzig.
Drabble, drab’l, bemodderen, vuil maken; naar barbeelen visschen met
een grondangel.
Dracaena, drəsînə, drakenbloedboom.
Drachm, dram, Drachma, drakmə, drachma; oud-Grieksche munt;
nieuw-Grieksche munt van ± 50 cts.; oud-Grieksch gewicht.
Draco, dreikou, drakenkop, sterrenbeeld; lichtende uitwaseming van den
bodem; vliegende draak = — volans, soort van hagedis (Indië en Afrika);
—nian, drəkounj’n, —nic(al), drəkonik(’l), Draconisch.
Dracunculus, drəkɐŋk(j)ulɐs, slangenwortel; pitvisch of
schelvischduivel.
Draff, drâf, spoeling, draf: Chaff and — = volkomen waardeloos iets.
Draft, drâft, subst. wissel, traite, stille uitslag, goed gewicht,
rafactie; detachement, afdeeling; schets, concept, waterdiepte noodig
voor een schip; — verb. concipieeren, schetsen, uitzoeken, detacheeren:
Finnish battalions will be —ed into the Russian regiments; He was —ed
off with others to work in the mines = hij werd aangewezen; — bill =
concept. Zie ook Draught.
Drag, drag, subst. dreg, zware eg, rem, remschoen, slede (Amer.),
sleepende beweging, laag voertuig of kar, lange hooge wagen doorgaans
met vier paarden; — verb. sleepen, trekken, eggen, dreggen,
uitbaggeren, met een sleepnet visschen, langzaam vooruitkomen, niet
vlotten: The affair —ged = vlotte niet; —-bar = koppelstang; —-chain =
remketting; —-hunt, Zie Anise; —man = visscher, die een sleepnet
(—-net) gebruikt; —-rope = trektouw.
Draggle, drag’l, door het slijk of den modder sleepen, bevuilen: A
—-tail, a —-tailed woman = eene slons, slordige vrouw; —d skirts =
vuile rokken.
Dragoman, dragəm’n, Turksche (of Oostersche) tolk (gids).
Dragon, drag’n, draak; pistool (van de dragoons in de 17de eeuw);
sterrenbeeld, lichtende uitwaseming; dragon, slangenkruid,
keizersalade; —’s-blood = drakenbloed (roode kleurstof); —-fish =
pitvisch; —-fly = paardebijter, waterjuffer; —’s-head = drakenkop
(plant); klimmende knoop (Astron.); —-tree = drakenbloedboom; —et =
kleine draak.
Dragonnade, dragəneid, dragonade (onder Lodewijk XIV en XV); — verb.
onderdrukken met behulp van troepen; Dragoon, drəgûn, subst. dragonder;
— verb. door dragonades onderwerpen, plagen, négeren, vervolgen: The
military vice of —ing is unsuited to civic life = van “donderen”.
Drain, drein, subst. verlaat, sluis, greppel, riool, slokje; — verb.
draineeren of droogleggen, rioleeren, laten leegloopen, onttrekken,
uitputten, uitdrinken, filtreeren, wegvloeien: That is a heavy — on my
purse = dat kost veel geld; —s = korrels uit de brouwerskuip; —able =
wat gedraineerd kan worden; —age, dreinidž, drooglegging, waterafvoer,
het drooggelegde land; —(age)-pipe = draineerbuis; —er = vergiet,
schep; —ing-engine = pompmachine (voor waterafvoer); —(ing)-tiles =
draineerpannen; —ing-well = zinkput; afvoerput.
Drake, dreik, woerd: —-stone = steentje, om over het water te keilen.
Dram, dram, subst. drachme (60 greinen of ⅛ van een ounce), kleine
hoeveelheid, slokje, borreltje; — verb. zich aan het gebruik van
sterken drank overgeven, trakteeren: Not a — = geen zier; —-drinker =
borrelaar; —shop = kroeg.
Drama, drâmə, drama; —tic, drəmatik, dramatisch: The — speed of a
railway-train = de werkelijke snelheid van een trein; Thrown —tically
together = bont doorééngeworpen; Dramatis Personae, dramətis pɐ̂sounî =
handelende personen; Dramatist = tooneelschrijver; The dramatization of
a novel = het omwerken tot een tooneelstuk (The novel was dramatized);
Dramaturgist = dramaturg; Dramaturgy = tooneelschrijfkunst.
Drape, dreip, drapeeren, bekleeden, hullen in; —r = lakenhandelaar: The
—rs’ Company = een der twaalf groote Londensche gilden; —ry =
lakenfabricage, lakenhandel; lakensche goederen; drapeering, draperie;
— verb. drapeeren.
Drastic, drastik, subst. en adj. krachtig werkend(middel).
Drat, drat: — the boys = die “duivelsche” jongens.
Draught, drâft, subst. trek, span, trektouw, slok, vangst, teug,
drankje; tocht, zuiging, trek, luchtstroom; schets, eerste ontwerp,
klad; het spannen van een boog; detachement, diepgang; wissel; —s =
damspel; — verb. ontwerpen, concipieeren: At a — = in één teug; A boat
with a light — = met geringen diepgang; Ale on — = bier van het vat; —
and bottled ale = bier van ’t vat en op flesschen; —-animals =
trekdieren; —-board = dambord; —-dog = trekhond; —-hole = trekgat (voor
smeltovens, etc.); —-ox = trekos; —-screen = tochtscherm; —sman =
teekenaar; —y = tochtig.