(Amer.); slabbetje; raadsheer (in het schaakspel); bisschopsmuts
(hoornschelp); lievenheersbeestje; — verb. bevestigen, bisschoppen
benoemen, tot bisschop wijden; het gebit van een oud paard zóó
opknappen, dat het jonger lijkt; beetnemen; —’s-Bible = bijbelvertaling
van 1568; —’s-weed = zevenblad; —ess, vrouw van een Angl. bisschop;
—ric = bisdom.
Bison, b(a)is’n, biz’n, bison.
Bissextile, bisekstil, schrikkeljaar; adj. bisextiel; — year.
Bistre, bistə, bister, roetbruin.
Bistoury, bisturi, opereermes.
Bistort, bistöt, slangenwortel.
Bit, bit, subst. boorijzer (—spits), schaafijzer, baard v. een sleutel,
gebit; beetje, hapje, kleinigheid, klein geldstuk: Not a — of it = geen
kwestie van; He is every — as good as you = in alle opzichten; I am not
a — the wiser = ik ben geen haar wijzer; — by — = stukje voor stukje;
The coachman draws — = begint het paard in te houden; The horse got the
— between his teeth and ran away; A six-penny — = een munt van
sixpence; A long — = 15 cents (Amer.); A short — = 10 cents (Amer.);
—-bridle = stanggebit (van een paardetoom).
Bitch, bitš, teef, wijfje; snol.
Bite, bait, subst. beet, greep, mondvol, voedsel; streek, bedrog,
afzetterij; — verb. bijten, steken, prikken, branden, grijpen,
uitbijten, geeselen (fig.), bedriegen: His bark is worse than his — =
hij blaft harder dan hij bijt; He gave me a — and a sup (ook sip) = wat
te eten en te drinken; The biter bit = de bedrieger bedrogen; Once
bit(ten) twice shy = een ezel stoot zich geen tweemaal aan den zelfden
steen; Dead dogs don’t — = doode honden bijten niet; To — the dust = in
het stof bijten; He bit his lip = beet op; To — one’s nails =
nagelbijten; He bit the thumb at me (ten teeken van verachting of
uitdaging): —r: He is no —r = hij bijt niet; Biting = bijtend,
sarcastisch; Bitten = gebeten, geëtst (= — in): Frost-— = bevroren;
Hunger-— = verhongerd; To be — with = verliefd op.
Bithynia, bithinjə, Bithynië.
Bitt, bit, subst. beting; — verb. om de beting leggen (scheepstermen).
Bitten, bit’n, Zie Bite.
Bitter, bitə, bitter, scherp, pijnlijk, smartelijk; subst. bitter; slag
om de beting; —s = bitter, maagbitter, bitter bier; tegenspoeden; —
verb. bitter maken: To the — end = tot het (droeve) einde; —-almond,
—-apple (—-gourd) = kolokwint; —-sweet = bitterzoet; soort appel; The —
and the sweet of independence = lief en leed; —-wort = gentiaanwortel:
—ish = eenigszins bitter; —ness = bitterheid.
Bittern, bitən, roerdomp; moederloog.
Bitumen, bitjûm’n, bitjum’n, aardhars, aardpek; Bituminize =
bitumineeren; Bituminous, aardpekachtig (—houdend).
Bivalve, baivalv, met twee schelpen of kleppen; subst. mossel met twee
schelpen, vrucht met twee kleppen; Bivalvous, baivalvəs, Bivalvular,
baivalvjulə, tweekleppig, etc.
Bivouac, bivwak, bivuak, subst. biv(ou)ak; — verb. bivakkeeren.
Biweekly, baiwîkli, baiwîkli, subst. en adj. veertiendaagsch
(tijdschrift); adv. om de 14 dagen.
Biz, biz, verkorting voor Business.
Bizarre, bizâ, bizar.
Blab, blab, er uit flappen, wauwelen, verklikken; subst. snapper,
wauwelaar, klikker = —ber.
Black, blak, zwart, donker, duister, grimmig, somber, treurig,
ellendig, snood; subst. zwarte kleur, zwartsel, rouwkleeding, zwarte
vlek, roos (bij het boogschieten), neger, zwartrok, roetdeeltje,
scheldnaam, brand (in ’t koren); — verb. zwart maken, bevuilen,
bezoedelen: — as your hat, — as a gipsy’s eyes, — as ink, — as a
nigger-meeting; — as November, — as sables, — as thunder; Lamp— =
lampzwart; To be in a — temper = zoo nijdig als een spin; In — and
white = zwart op wit = (To give) — on (and) white; To be in (put into)
— = in het zwart (rouw) zijn (steken); To beat — and blue = bont en
blauw; To look — = boos, nijdig; To be — with people = zwart van
menschen; He is not fit to — your boots = uwe schoenriemen te
ontbinden; —amoor, —əmûə, neger; — art = zwarte kunst; —ball, subst.
zwarte bal (bij ’t stemmen); brand (in tarwe), zwartsel, schoensmeer; —
verb. tegenstemmen, uitsluiten; —-band = soort van ijzersteen;
rouwband; — beer = Dantzigsch bier; —beetle = kakkerlak; —berry =
braambes: As plentiful as —berries = zeer overvloedig; —bird = subst.
meerle, gevangen neger; — verb. negers vangen voor den slavenhandel;
—board = schoolbord; —boding = onheilspellend; —book = rapport (onder
Hendrik VIII) over de toenmalige kloosters; tooverboek; het zwarte
boek, conduitelijst, lijst v. dubieuse debiteuren: I am in his — books
= sta ongunstig bij hem aangeschreven; —-browed = dreigend, norsch
(fig.); —-cap = zwarte muts door rechters bij het uitspreken van een
doodvonnis opgezet; zwartkop koolmees, kapmeeuw; breedbladige
lischdodde, zwarte framboos; — cattle = zwart rundvee (Schotl.); —-coat
= zwartrok; —-cock = korhaan; — Country = de kolendistricten van
Stafsh. en Warwsh.; —-currant = zwarte aalbes; — death = pest; To have
a — dog (monkey) on one’s back = To ride the — donkey = slecht gemutst
zijn; — drop = laudanum droppel; — earth = teelaarde; —-edged
note-paper = met rouwrand; —-faced = somber, donker; —-fellow =
Australische neger; —foot = huwelijksbemiddelaar (Schotl.); N.A. Ind.
stam; — Forest = Zwarte Woud; —-friar = Dominikaner; —guard, blagəd,
subst. ploert, deugniet; adj. laag, gemeen; (ook: —guardly); — verb. op
gemeene wijze beschimpen, gemeene taal van of tegen iemand gebruiken;
—guardism = gemeen optreden; —-hole, subst. cachot, hondegat; — verb.
in het cachot zetten; —ing = schoensmeer; —-lead, subst. potlood; —
verb. potlooden; —-leg = klauwzeer, vlekkoorts; oplichter, bedrieger;
onderkruiper: They actually —-leg them by cutting (het drukken der)
prices; —-letter = oud Gothische letter; —-list = officieele lijst van
bankroetiers of misdadigers; verb. op die lijst plaatsen; —-mail =
geldafpersing, brandschatting: To levy —-mail = geldafpersen,
brandschatten; — verb. afpersen; — Maria = dievenwagen; —martin =
muurzwaluw; — Monday = ongeluksdag, Paaschmaandag 1360; de eerste
Maandag na de vacantie; —monks = Benediktijner monniken; —-mouthed =
lasterend; — night = (iron.) zwarte-rokkenavond; bijeenkomst voor
heeren alleen; — pudding = beuling; — Rod = soort ceremoniemeester en
intendant van het Hoogerhuis; — Sea = Zwarte Zee; —-sheep = schurftig
schaap, deugniet; onderkruiper; —smith = grofsmid; —-thorn, sleedoorn;
— Watch = het 42e regiment Hooglanders; —wood = pokhout, rozenhout;
—-work = grof smidswerk; —en, blak’n = zwart maken of worden,
bezoedelen, besmetten; —ey = zwartje.
Bladder, bladə, blaas, buil, blaar; windzak; —ed = opgeblazen; —y = met
blaren.
Blade, bleid, subst. grasspriet, halm, blad, schep, plat gedeelte,
lemmet, kling, zwaard, degen, vent, kerel; — verb. van een lemmet
voorzien, opsnijden, zwetsen; —-bone = schouderblad; —-smith =
zwaardveger.
Blain, blein, blaar, zweer; keeldroes.
Blamable, bleiməb’l = Blameable; Blame, bleim, berispen, laken; subst.
berisping: You are to — = het is uw schuld; To lay the — on = ten laste
leggen; No — attaches to you = gij hebt geen schuld; Blameable,
berispelijk; subst. —ness; —ful = berispelijk; subst. —fulness; —less =
onschuldig; subst. —lessness; —worthy = berispelijk; subst.
—worthiness.
Blancard, blaŋkəd, soort van Normandisch linnen.
Blanch, blânš, bleeken, laten trekken, vertinnen, (doen) verbleeken,
verzachten (over); — subst. witte vlek, stuk erts: To — almonds =
schillen; — fever = bleekzucht; —ing-liquor = bleekwater.
Blanch(e), blânš, Bianca.
Blanc-mange(r), bləmonž, blanc manger.
Bland, bland, zacht, vriendelijk, minzaam; subst. —ness.
Blandiloquence, blandiləkw’ns = vleitaal; Blandiloquent = vleiend.
Blandish, blandiš, vleien, streelen; —ment = vleitaal; liefkoozing.
Blank, blaŋk, blanco, niet ingevuld, wit, blind, ledig, los,
vruchteloos, volkomen, zuiver, rijmloos, mistroostig, verbluft,
beschaamd; subst. blanco papier, leemte, niet, pauze, (doel)wit,
muntplaatje; — verb. verlegen maken, verijdelen, aan ’t gezicht
onttrekken, een euphem. uitdrukking voor damn: The voting-paper was —;
I tell you so point-— = in je gezicht; A lottery ticket that has drawn
a — = met een niet is uitgekomen (Verg.: To prove —s = met een niet
uitkomen); He looked — = zag er beteuterd uit; — cartridge = losse
patroon; — door = blinde deur; — practice = oefeningen met losse
patronen; — shots = schoten met los kruit; — verse = niet rijmende
verzen; — him! = Damn him! What the blankety — do you want to know for?
= waarom voor den drommel? —ness = witheid, enz.
Blanket, blaŋkət, subst. deken; — verb. jonassen; de loef afsteken: To
get between the —s = onder de dekens kruipen; To put a wet — on (To
throw a wet — over) = koud water gieten op (fig.); Born on the wrong
side of the — = onwettig; —ing = stof voor (wollen) dekens.
Blare, blêə, subst. geloei, gebrul; verb. loeien, brullen: — of
trumpets = trompetgeschal.
Blarney, blâni, subst. grove vleitaal, geschetter; verb. vleien,
bepraten, bedotten: With your gift of — = talent om te vleien; To put
the — over a person = inpakken door vleierij; Try the three B’s:
B(larney), B(lather) and B(unkum); He has kissed the —-stone = hij kan
goed vleien en liegen.
Blaspheme, blasfîm, godslasterlijke taal spreken, spotten; —r;
Blasphemous, godslasterlijk; Blasphemy, blasfimi, godlasterlijke taal.
Blast, blâst, subst. rukwind, harde wind, krachtige luchtstroom; stoot
op een hoorn, vernietigende invloed op dieren of planten, pest, vloek,
brand (in het koren), trommelzucht (bij schapen); — verb. vernietigen,
verzengen, verdorren, laten springen, verijdelen, bederven, bezoedelen;
ontploffen: The — of Doom = de bazuin van het Laatste Oordeel; In full
— = in vollen gang; They —ed her character = bezoedelden; They —ed it
abroad = maakten het ruchtbaar; —-furnace, hoogoven; —-pipe = vlampijp,
afvoerpijp; —ing-oil = nitroglycerine; —ing-powder = mijnkruit.
Blastoderm, blastədɐ̂m, kiemhuidje.
Blatancy, bleit’nsi, drukte; Blatant, bleit’nt, druk, schreeuwerig: —
nonsense = groote onzin; — nothings = onbeteekenend geschetter.
Blather, bladhə, gezwets; — verb. zwetsen; —skite = zwetser (Amer.).
Blatta, blatə, kakkerlak.
Blatter, blatə, kletteren; snateren; subst. gekletter; gesnater.
Blaze, bleiz, vlam, gloed, bles (op den kop van koe of paard), teeken
op boomen (door verwijdering van den bovenbast); — verb. vlammen, in
gloed staan, (boomen) merken, verkondigen, bekend maken: The house was
in a — = in lichterlaaie; He swore like —s = hij vloekte
verschrikkelijk; Go to —s = loop naar de hel; How the —s can you stand
the head-work you do? = hoe drommel kunt gij dat met het hoofd werken
zoo uithouden? What the blue —s = wat weerlicht! To — away = los
branden, er op los werken (praten); The stars themselves — forth the
death of princes = kondigen der wereld aan; The newspapers — with his
name = zijn vol van; —r = snikheete dag; gekleurde, gestreepte
sportjekker.
Blazon, bleizn, bleiz’n, subst. blazoen, wapenschild, wapenkunde,
voorstelling, bekendmaking, praal; — verb. blazoeneeren, versieren,
beschrijven, bekend maken, uitbazuinen; —er = heraldicus, heraut,
lofredenaar; —ment = wapenteekenen, kleurenpracht, uitbazuining; —ry =
wapenkunde, wapenteeken, versiering met herald. figuren.
Bleach, blîtš, bleeken, wit maken (worden); —er = bleeker; —ery =
bleekerij; —ing-liquid; —ing-powder; —ing-ground (= Bleach-field) =
bleekveld.
Bleak, blîk, subst. bliek.
Bleak, blîk, kaal, ruw, guur, droevig; —ness = kaalheid, etc.
Blear, blîə, adj. dof, zeer, druip - -; — verb. verduisteren, doen
druipen, bevuilen: To — the eyes = om den tuin leiden; —-eye =
druipoog; —-eyed = druipoogig; —edness = zeerheid; verduistering.
Bleat, blît, subst, geblaat; — verb. blaten.
Bleb, bleb, luchtbel, blaartje, puistje.
Bled, bled, imperf. en part. perf. van to bleed.
Bleed, blîd, bloeden, zijn bloed storten, aderlaten, (sap) aftappen,
laten uitloopen: To — freely = erg; To — white = uitzuigen (fig.); He
—s at the nose = uit den neus; To — to death = doodbloeden; To make one
— = laten bloeden (fig.).
Blemish, blemiš, subst. vlek, smet, klad; — verb. bevlekken, besmetten,
bezwalken; —less = vlekkeloos.
Blench, blenš, terugdeinzen, wijken.
Blend, blend, vermengen, zich vermengen, onmerkbaar in elkaar overgaan;
subst. vermenging, mengsel: The —ed scents of tea and coffee; This tea
is a favourite —; —-corn = tarwe en rogge dooréén verbouwd; —-water =
nierziekte bij rundvee; —er = menger.
Blenheim, blen’m, een soort spaniel, bruin en wit gevlekt; edele
appelsoort gekweekt op Blenheim House, het kasteel van de hertogen van
Marlborough = — orange.
Blesbock, blesbok, Z.-Afr. antilope.
Bless, bles, zegenen, heiligen, wijden, gelukkig maken, verheerlijken,
gelukkig achten: To — oneself = zich gelukkig achten; Not to have a
penny to — oneself with = geen rooien duit bezitten; — me, no! = om den
drommel niet! — my eyes (soul) = sapperloot! A —ed man = gezegend,
gelukkig; A —ed fool = groote gek; He was —ed in a fair daughter =
gezegend met; The abode of the —ed (of bliss) = der gelukzaligen; Of
—ed memory = zaliger gedachtenis; The whole —ed day = de lieve lange
dag; —edness: To live in single —edness = ongetrouwd zijn (iron.); —ing
= zegen, zegening, gave, geschenk, gunst; To ask a —ing = bidden vóór
den maaltijd; een zegen afsmeeken.
Blet, blet, subst. overrijpheid van vruchten, rotte plek: — verb. rotte
plekken hebben.
Blether, bledhə (Zie Blather).
Blight, blait, subst. meeldauw, brand, vorst; soort bladluis;
pestlucht; bederf: — verb. doen verdorren, verwelken; vernietigen,
bederven: Potato-— (= —-rot) = aardappelziekte; —er = snaak, lammeling.
Blind, blaind, blind, bedekt, verborgen, duister, onbezonnen, valsch,
onbestelbaar; subst. ophaalgordijn, blind, vensterluik, oogklep (ook
—er genoemd), blinddoek, voorwendsel, uitvlucht, blindeering; — verb.
verblinden, verduisteren, bedriegen: Among the — the one-eyed blinkard
reigns = is Éénoog Koning; — of an eye = blind aan een der oogen; — to
his interests = blind voor; That proposal was a mere — = voorwendsel;
Roller —s = rolluiken; Venetian —s = jalouzieën; Wire —s = horretjes; —
alley = zak; — bargain = kat in den zak (fig.); — business = voorgewend
(bijv. een barber’s shop, die een betting-house blijkt te zijn);
—-coal, glanskool; — door; —-drunk = stomdronken; —fold, subst.: Your
egotism is a —fold to his virtues = maakt u blind voor; adj.
geblinddoekt; — verb. blinddoeken; —-Harry (—man’s-buff) = blindekoe,
blindemannetje; — letter = onbestelbare brief (—men, —officers,
—readers = ambtenaren bij het bureau daarvan); —man’s holiday = de tijd
voordat het licht wordt opgestoken; —-shell = granaat zonder
springlading; niet gesprongen granaat; To get on one’s — side = iemand
in zijn zwak tasten; —-staggers = beroerte: It gave me the —-staggers =
ik kreeg er een beroerte van op mijn lijf; —-worm = hazelworm; To —
oneself to the truth = de oogen sluiten voor; —age = blindeering; —ness
= blindheid.
Blink, bliŋk, subst. blik, oogwenk, knipoogje, glans, weerschijn v.
ijsvelden, ijsberg; — verb. gluren, knipoogen, glanzen; ontduiken,
ontwijken: To — a question = ontwijken.
Blinkard, bliŋkəd, kortzichtig; subst. bijziende persoon, sufferd: His
— generation = (ver)blind geslacht.
Blinkers, bliŋkəz, oogkleppen.
Bliss, blis, zaligheid; —ful(ness) = zalig(heid).
Blister, blistə, subst. blaar, trekpleister; — verb. blaren krijgen,
blaren trekken, eene trekpleister leggen op; —-beetle (—-fly) =
Spaansche vlieg; —-plaster = trekpleister; —y = met blaren.
Blite, blait, sapkelk, Goede Hendrik.
Blithe, blaidh, vroolijk, blijde = —some.
Blizzard, blizəd, koude sneeuwstorm in N.-Amerika; moeielijke vraag,
“harde noot” (Amer.).
Bloat, blout, (doen) opzwellen, opblazen, ijdel maken, rooken (van
visch); —edness = opgezwollenheid, opgeblazenheid.
Bloater, bloutə, bokking.
Blob, blob, bobbel, blaar, klont, klets: A — in the eye from a wave; —
of ink; —lip(ped) = dikke; —nose = mopneus.
Block, blok, subst. blok, onthoofding, stommeling, pruikebol,
hoedenvorm; blok huizen; belemmering, stremming van passage (ook —-up);
stuk of gedeelte van een spoorbaan; — verb. insluiten, belemmeren,
verhinderen, in zijn fatsoen brengen, stoppen (van een trein), in ’t
ruwe vormen of schetsen (met out): The hat had been sat on and was —ed
= op een vorm gezet; —-calendar = scheurkalender; —head = domkop;
—-house = blokhuis; —-printing = een manier van katoen drukken;
—-signal = signaal om te stoppen; —-slip = coupon van een chequeboek; —
system = blokstelsel; —-tin = bloktin; —-up = versperring (To — up a
window = het uitzicht benemen); stremming (van passage); —-wood plaster
= houten plaveisel.
Blockade, bləkeid, subst. blokkade: Paper — = in naam, niet door
aanwezige scheepsmacht gehandhaafd; — verb. insluiten, blokkeeren: The
enemy ran the — = brak door onze schepen heen; —-runner = schip, dat
door een blokkade heensluipt of breekt.
Bloke, blouk, kerel.
Blomary = Bloomery.
Blond(e), blond, blond, (blondine); zijden kant; —s = blondines; His —
moustache; A dreamy — = blondine; —-lace = zijden kant; —ness =
blondheid.
Blood, blɐd, subst. bloed, kroost, bloedverwantschap, ras, stemming;
jongmensch, roué, fatje; het roode sap van bessen, enz.; — verb.
aderlaten, bloed laten proeven, aan het gezicht van bloed gewennen:
Blue —; Fresh — = nieuw bloed; Prince of the Royal —; Allied by —; Near
in —; It runs in the — = zit in de familie; In cold (hot) — = in koelen
bloede (in drift); Flesh and — = het zwakke vleesch; His — is up = zijn
bloed kookt; — is thicker than water = het bloed kruipt waar het niet
gaan kan = — tells; His — be on us = kome over: This caused much bad —
= heeft ... kwaad bloed gezet; You can’t get — out of a stone = waar
niets is heeft de keizer zijn recht verloren; It makes my — boil; To
show — = zijn afkomst verraden; To wipe out by —; —-baptism = doopsel
des bloeds; —-bespattered (—-flecked, —-stained) = met bloed bespat,
bevlekt; —-horse = volbloed paard; —-hound = bloed- of speurhond;
wreede vervolger; —-letting = het aderlaten; —-money = bloedgeld;
—-orange = wijn-sinaasappel; —-pudding = bloedworst; — relation;
—-shed(ding) = bloedstorting; —-shot = met bloed beloopen (—-shot
eyes); —-squeezer = —-sucker; —-stone = bloedsteen; —-sucker =
bloedzuiger (ook fig.); —-swelled, —-swollen = gezwollen van bloed;
—thirstiness = bloeddorstigheid; adj. —thirsty; —-vessel = ader: She
broke a —-vessel = kreeg eene aderbreuk; —-wite = zoen- of weergeld;
—-worm = larve van een mug (Chironomus); —ed = volbloed; —iness =
bloederigheid; bloeddorst; —less = bloedeloos, zonder bloedstorten,
koud, harteloos; subst. —lessness; —y = bloederig, bloeddorstig;
vervloekt, verduiveld: A —y fool = aartsstommeling; —y-bones = boeman;
—y-flux = dysenterie.
Bloom, blûm, subst. bloesem, bloem, blauwachtig waas op frissche
vruchten, blos, dons, bloei, gefrischt stuk ijzer; — verb. bloeien; —er
= ontloken knop; lief kind; reform kostuum (korte rok met Turksche
broek van 1850); —ing = verduivelde (Zie Bloody): —ing nonsense; A —ing
idiot; —ing beaks = beroerde magistraatspersonen; A —ing copper = lamme
klabak; —y = bloeiend, donzig.
Blossom, blos’m, subst. bloesem, perzikkleur(ig paard); — verb.
bloeien, zich ontwikkelen: He —ed out into some racy reminiscences =
hij raakte aan het praten over; —-faced = met rood, gezwollen gezicht.
Blot, blot, subst. vlek, smet, doorhaling; niet gedekte steen bij het
pufspel (dammen); — verb. bevlekken, bezoedelen; uitwisschen,
doorhalen, te niet doen, doen vergeten (out); vloeien: To cast a — upon
= een smet werpen op; To hit a — = een niet gedekten steen nemen; een
wondplek aanraken (fig.); To leave a — = een steen ongedekt laten
staan; —ter = vloeiblok; klad; —ting-book = vloeiboek; —ting-pad =
vloeiblok; —ting-paper = vloeipapier.
Blotch, blotš, subst. puist, blaar; vlek, smet; — verb. vlekken; —y =
vol puisten, bedekt, onduidelijk.
Blount, blont.
Blouse, blauz, kiel, blouse, blouseman.
Blow, blou, subst. slag, windvlaag, vliegenei, bloei, bluf, shilling; —
verb. blazen, waaien, hijgen, toeteren, spuiten, uitblazen, aanblazen,
opblazen, snuiten, orgeltrappen, verspreiden; eieren leggen, in de
lucht laten vliegen, ontploffen: At a — = in één klap: To come to —s =
handgemeen worden; They took the town without a — = zonder slag of
stoot; That’s the way the wind —s = uit dien hoek waait; Huge winds —
on high hills = hooge boomen vangen veel wind; It’s an ill wind that —s
nobody good = geen kwaad zonder baat; To — eggs = uitblazen; — the
expense! = ’t kan niet schelen wat het kost; To — kisses at =
kushandjes geven; To — one’s nose = snuiten; You be —ed! loop jij naar
den duivel; To — hot and cold = uit twee monden spreken; nu eens erg
lief en dan weer onvriendelijk zijn; Met voortzetsels en bijw.: To get
a good —ing about = eens flink doorwaaien; To — away = wegblazen,
wegwaaien; To — down = omwaaien; My umbrella was —n inside out; To —
off = afwaaien, uitlaten van stoom; He —s on his coffee = blazen om af
te koelen; To — out = uitblazen; He blew out his brains = schoot zich
voor ’t hoofd; He blew out the tyres = pompte op; A —-out = smulpartij,
festijn; To — over = omverwaaien; overwaaien (van gevaar, een storm,
etc.); To — up = opblazen; in de lucht laten vliegen; den mantel
uitvegen: To give a good —(ing)-up = een flink standje; To — upon =
blazen op; bederven, belasteren, verraden; —-ball = uitgebloeid
bloemhoofdje van eene paardebloem, etc.; —-fly = vleeschvlieg; —-gun =
windroer, blaaspijp (wapen); —-hole, trekgat, neusgat v. een walvisch;
wak (in het ijs); —er = blazer, glasblazer, orgeltrapper,
reguleerschuif, soort ventilator; —n = buiten adem; —n-glass = geblazen
glas; Fly-—n meat = bedorven vleesch (wegens de maden); —y = winderig.
Blowze, blauz, dikke, gezonde meid; —d = roodwangig, boersch; Blowzy =
roodwangig; verward, slordig.
Blubber, blɐbə, subst. walvischspek, zeenetel; — verb. tranen met
tuiten schreien.
Blucher, blûtšə, halve laars met veters.
Bludgeon, blɐdž’n, knuppel, knots.
Blue, blû, blauw, azuurkleurig, trouw, standvastig, conservatief,
landerig, somber, norsch, buitengewoon, gemeen; subst. blauwe kleur,
blauwsel; het azuur, conservatief, blauwkous; — verb. blauw verven,
blauwen: To be — (— as indigo = Stone —); A — Presbyterian = echte; —
Water School = tegenstanders van een staand leger, omdat ze een sterke
vloot voldoende achten; A true-— Tory = echte; To — the swag = de
“boel” er door brengen; To have (To be in) the —s = het land (stierlijk
het land) hebben; To give the —s = landerig maken; The —s = The Royal
Horse Guards; —-bell = grasklokje, scilla, knikkende vogelmelk; —berry
= rijsbes; —-bird = Am. blauwkeeltje; —-bonnet = Schot, Schotsche muts;
korenbloem; blauwmeesje; —-book = in Engeland officieele
regeeringsbescheiden en rapporten; lijst van rijksambtenaren met hunne
salarissen (Amerika); —-bottle = korenbloem; bromvlieg; politieagent;
—-breast, blauwborstje; —-cap = eene zalmsoort; korenbloem; klabak;
—-coat = een jongen van Christ’s hospital in Londen (wegens de lange
blauwe jas die zij dragen); —-devils = landerigheid, katterigheid,
delirium tremens; In a — funk = erg in de rats; —-gown = gepatenteerd
bedelaar (Schotl.); —-jacket = matroos, Janmaat; Once in a — moon =
alle blauwe Maandagen; —-ointment = kwikzalf; —-Peter = blauwe
signaalvlag, ten teeken dat het schip gereed is om uit te zeilen;
—-pill = kwikpil, blauwe boon (fig.); —-ribbon = het lint van de orde
van den kouseband; eerste prijs; uitstekende kok; insigne der
geheelonthouders: To be a —-ribbon; To break one’s —-ribbon;
—-ribbonism; —-ribbonist; —-ruin, slechte jenever, volkskanker;
—-stocking = blauwkous; —-stockingism = blauwkouserij; —-throat =
blauwkeeltje; —ness = blauwheid; —ish = blauwachtig.
Bluff, blɐf, breed en plat, steil, open, rond, goedmoedig, barsch,
lomp; — subst. steile oever, steile en breede klip of voorgebergte;
grootspraak, brutaliteit, een soort kaartspel; — verb. overbluffen,
driest, aanmatigend optreden: — King Hal = de royale, ronde koning
Hendrik VIII; That is a piece of — = opsnijderij, grootspraak,
brutaliteit; He —ed it through = hij sloeg er zich brutaal doorheen;
You don’t — me = ik laat me niet bang maken; —bowed = met breede en
platte boeg; —ness = rondborstigheid, lompheid; —y = steil; ruw, plomp.
Bluggy, blɐgi, bloederig: A — story.