(Am.); —cracy, bjuroukrəsi, bureaucratie; Bureaucratic(al) =
bureaucratisch.
Burette, bjuret, buret, maatglas.
Burg, bɐ̂g = Borough; —age, bɐ̂gidž, stedelijk leengoed.
Burgee, bɐ̂džî, bɐ̂dži, naamvlag; kleine kolen.
Burgeon, bɐ̂dž’n, knop. Zie Bourgeon.
Burgess, bɐ̂džəs, freeman (kiesgerechtigd burger) van een Borough;
afgevaardigde van een Borough; magistraat: — list, — roll =
kiezerslijst; —-ship = burgerschap.
Burggrave, bɐ̂greiv = Burgrave.
Burgh, bɐ̂g, bɐrə = Borough; —al, gemeente ... (Schotl.); —er =
‘freeman’ van een Burgh.
Burghley, bɐ̂li = Burleigh.
Burglar, bɐ̂glə, inbreker; Burglarious = inbrekend; Burglary = inbraak;
Burgle = inbreken.
Burgomaster, bɐ̂gəmâstə, burgemeester (in Holland of Duitschland);
burgemeester (zeemeeuw).
Burgoo, bɐ̂gû, bəgû, haverpap; sterk gekruide soep.
Burgrave, bɐ̂greiv, burggraaf.
Burgundian, bəgɐndj’n, Bourgondiër; Bourgondisch; Burgundy, bɐ̂g’ndi,
Bourgondië; bourgognewijn; —-pitch = soort dennenhars.
Burial, berj’l, begrafenis; —-case = metalen doodkist; —-club =
begrafenisfonds; —-ground(-place) = begraafplaats; —-service =
lijkdienst.
Burin, bjûrin, graveerstift, etsnaald.
Burk(e), bɐ̂k, vermoorden (eigenlijk door verstikking met een
pikmasker), smoren: To — a discussion = eene discussie smoren.
Burl, bɐ̂l, subst. nop, knoop (in laken of draad); — verb. de noppen
uithalen; —er = lakennopper.
Burlap, bɐ̂ləp, grof weefsel van hennep of jute.
Burlesque, bəlesk, koddig, kluchtig; subst. klucht, pots, satire,
travestie; — verb. belachelijk maken (voorstellen).
Burletta, bəletə, opéra comique, vaudeville, muzikale scherts.
Burly, bɐ̂li, groot, zwaar, dik, stoer.
Burma(h), bɐ̂ma, Birmah; Burman = Birmaan; Burmese, bɐ̂mîz, bɐ̂mîs,
Birmaan(sch).
Burn, bɐ̂n, subst. brandwond, litteeken; beek; — verb. branden,
verbranden, uitbranden (van eene wond), bakken, heet maken (zijn),
gloeien, vonkelen: To — alive; Money —s (a hole) in his pocket = het
geld brandt hem in zijn zak; He has money to — = zit tot over de ooren
in het geld; To — a bawbee (= halfpenny) candle seekin’ a farthin’ = de
gierigheid bedriegt de wijsheid; goed geld naar kwaad geld smijten; To
— one’s boats = zijn schepen achter zich verbranden; To — the candle at
both ends = zijn krachten of middelen verspillen; To — one’s fingers
(ook fig.); To — away = op(af)branden; To — down = afbranden; To — out
= uitbranden; To — oneself out = zijn “boel” in brand steken; To — out
of house and home = (door brand) van huis en hof verdrijven; —t-out
people = de menschen, die bij brand alles verloren hebben; To — to
ashes (to death); —able = brandbaar; —er = brander; —ing-glass;
—ing-mirror; —ing question = brandend vraagstuk; —ing scent = versch
spoor (jacht); —ing shame; —ing, subst. = hitte, gloed.
Burnet(t), bɐ̂nət: Garden — = pimpernel.
Burnet(t)ize, bɐ̂nətaiz, behandelen met Burnett’s liquid (zinkchloride).
Burnish, bɐ̂niš, polijsten, bruineeren, gladmaken; —er, polijster,
polijststaal.
Burnoose, Burnous, bɐ̂nûs, bɐ̂nûs, bɐ̂nûz, burn(o)us, boernoes.
Burnt, bɐ̂nt, brandde, gebrand; opgewonden; beetgenomen (Amer.): A —
child dreads the fire = een ezel stoot zich geen tweemaal aan
denzelfden steen; —-ear = roest (plantenziekte); —-offering,
—-sacrifice = offerande, brandoffer.
Burr, bɐ̂, subst. Zie Bur; ruwe kant (van metaal); ruimijzer;
molensteen, wetsteen; (Northumbrian —) keel-r; — verb. met keel-r
spreken; —-pump = scheepspomp.
Burrow, bɐrou, subst. hol; — verb. een hol graven, indringen, zich
ingraven.
Bursar, bɐ̂sə, penningmeester (v. een college); beneficiant (van een
leen); —y = kas (van corporatie of klooster), leen, studiebeurs
(Schotl.).
Burse, bɐ̂s, studiebeurs (Schotl.).
Burst, bɐ̂st, subst. breuk, scheur, uitbarsting, snelle rit, fuif; —
verb. barsten, openvliegen(gaan, springen), uitbarsten, uitvallen,
inbreken: This place is a — of roses = ’t is al rozen wat men hier
ziet; With a — = plotseling; They — the door = liepen in; With these
words he — away, forth, from = snelde hij heen, rukte hij zich los van;
He — into tears = in tranen uit; To — on = zich storten op; To — with
laughing (laughter), anger = van lachen, toorn, barsten.
Burthen, bɐ̂dh’n. Zie Burden.
Burton, bɐ̂t’n, takel, talie.
Bury, beri, begraven, bedekken, bergen, vergeten en vergeven: To — the
hatchet = eig. de strijdbijl begraven, vrede sluiten; —ing-beetle =
doodgraver (kever); —ing ground (— place).
Bus(s), bɐs, omnibus (Meerv. —ses); ook verb: We have bussed it.
Busby, bɐzbi, kolbak.
Bush, buš, subst. struik, kreupelbosch, tak klimop (vóór eene herberg
als uithangbord), oerwoud (Amer. en Austral.), vossestaart, ijzeren
ring, naafbus; — verb. met rijsjes of takjes steunen, van een naafbus
voorzien, ruig groeien: Good wine needs no — = geen krans; To beat
about the — = er omheendraaien, niet royaal op ’t doel afgaan; To beat
the — = het struikgewas kloppend doorzoeken; — fighting = guerilla;
—man = boschjesman (Z. Afr.), kolonist, bijv. in Australië; —-ranger =
woudlooper; een ontsnapte, van roof in bosschen levende galeiboef
(Australië); —-whacker = Backwoodsman; pummel; soort zeis; —iness =
ruigheid; —y = ruig, behaard.
Bushel, buš’l, schepel (8 gallons); een hoop: He measures other
people’s corn by his own — = zooals de waard is vertrouwt hij zijn
gasten; To hide one’s light under a — = zijn licht onder een korenmaat
zetten; —age = belasting op artikelen bij het schepel verkocht.
Business, bizinəs, subst. bezigheid, bedrijf, beroep, zaken, plicht:
That is not your —, no — of yours = dat gaat u niet aan; What — have
you to be here? = wat hebt gij hier te maken? That is not my line of —
= branche; A man of — = handelsman; — before pleasure = zaken gaan voor
vermaken; That has done the — for him = dat heeft hem den knoei
gegeven; He has got an eye to — = is een practische vent; — is — =
zaken zijn zaken; No — done after 4 o’clock = na 4 uur gesloten; I will
make it my — to please you = ik zal er voor zorgen ...; I mean — = meen
het in ernst; Mind your own — = bemoei je met je eigen zaken; A —
concern = handelszaak; — relations = handelsbetrekkingen; Chief —
street = voornaamste winkelstraat; —like = practisch.
Busk, bɐsk, subst. balein.
Buskin, bɐskin, halve laars, cothurn, tragedie; —ed = tragisch,
hoogdravend.
Buss, bɐs, subst. zoen; haringbuis (ook: Herring-—); — verb. smokken.
Bust, bɐst, borstbeeld, borst.
Bustard, bɐstəd, trapgans.
Buster, bɐstə, iets kolossaals; een groote opsnijderij (leugen); fuif;
hevige wind (Amer.)
Bustle, bɐs’l, subst. drukte, beweging, rumoer; tournure; — verb. veel
drukte of beweging maken, bedrijvig zijn; —r = druk, ijverig man.
Busy, bizi, adj. drukbezig, naarstig, rusteloos, bemoeiziek; — verb.
bezig houden, aan het werk zetten (zijn): — at work, — doing it; He is
a —body, a —-brain = bemoeial, plannenmaker.
But, bɐt, behalve, slechts, tenzij: All came back — he (him) = behalve;
Away went Gilpin, who — he? = wie anders dan hij? It cannot be — you
must have seen him = het kan niet anders, of; Have you got anything?
Yes, — I have = nu, of ik; “You know nothing about it.” — I do = dat
doe ik wèl; — for you I should be dead = zonder u; Not — what (of that)
he is a good fellow = niet, dat hij niet is; — then = maar daar staat
tegenover, dat; — now = zooeven; I saw him — yesterday = gister nog
(pas); All — one = alle op één na.
But, bɐt: —-and-ben = voor- en achterkamer in een huisje met twee
vertrekken.
Butcher, butšə, subst. slager; moordenaar, wreedaard; — verb. slachten,
wreedaardig vermoorden; —-bird = wurger (vogel); —r’s-broom =
muisdoorn; —y = slagersvak, slagerij, wreede moord of slachting.
Butler, bɐtlə, bottelier (hoofd der mannelijke bedienden); —y =
wijnkelder, provisiekamer.
Butment, bɐtm’nt. Zie Abutment.
Butt, bɐt, subst. stoot, dik uiteinde, kolf, eindpunt, grens, mikpunt,
schijf, schuttersdoelen, soort bot, achterste, kruis, zoolleer; groot
vat (± 476 L. wijn ± 443 L. bier); kussen; — verb. met den kop stooten,
wegduwen, aankomen tegen: He ran — into it = pardoes, plompverloren;
This path —s down upon the main road = loopt uit op; —-end = kolf,
hoofdzaak.
Butter, bɐtə, subst. boter; — verb. met boter besmeren, honig om den
mond smeren (fig.); boteren: Melted — = botersaus; Oiled — = gesmolten
boter; He looks as if — would not melt in his mouth = alsof hij geen
tien kan tellen, erg zoetsappig; — on bacon = zuivel op zuivel,
overdaad; —-boat = sauskom; —-cup, (—-flower) = boterbloempje;
—-cooler; —-dish = botervlootje; —-fingered = onhandig (van iemand die
alles laat vallen); —fly = kapel of vlinder (ook fig.); gaffel waarover
de teugels loopen bij een hansom: A —fly kiss = vluchtige zoen; —milk =
karnemelk; —-mould = —-print = botervormstempel; —-scotch = soort v.
kokinje; —-trier = boterboor; —ine, bɐtərîn, bɐtərin, margarine; —y,
subst. provisiekamer of -kast; ververschingslokaal (voor E. studenten
in de colleges); adj. boterachtig, week.
Butteris, bɐtəris, mes (v. een hoefsmid).
Buttock, bɐtək, achterste (gew. meerv.), bilstuk, gat (van het schip).
Button, bàt’n, subst. knop, oog, balletje, knoop, wervel; — verb. van
knoopen voorzien, vastknoopen: It is not worth a — = het is geen cent
waard; —s = piccolo: He has a soul above —s = hij is boven kleinigheden
verheven; To —-hole = aanklampen: —-hole, subst. knoopsgat, bouquetje
of roosje in het knoopsgat (= —-holer); — verb. knoopsgaten maken,
aanklampen, zich laten knoopen; —-hook = knoopenhaakje; —-nail =
spijker met ronden kop; —-tree = Conocarpus; —-ware = garen en band.
Buttress, bɐtrəs, subst. beer (metselwerk); — verb. steunen (gew. met
up).
Butty, bɐti, subst. kameraad, maat; —-collier = hoofd van de —-gang =
een groep mijnwerkers arbeidend volgens het —-system = stelsel, volgens
hetwelk het loon voor een aangenomen werk onder de arbeiders wordt
verdeeld.
Buxom, bɐks’m, ferm, stevig, mollig; levendig, dartel: —ness.
Buy, bai, koopen, omkoopen: To — dear = duur betalen (fig.); To — at =
bij; To — back = terugkoopen; — from, of = van; — for, with = voor; To
— in = in(op)koopen, terugkoopen; To — off = afkoopen, vrijkoopen,
omkoopen; To — out = uitkoopen; To — over = omkoopen; To — up =
opkoopen; I have bought the refusal of that house = ik kan (tot zekeren
tijd) dat huis voor een bepaalde som krijgen; —able = koopbaar; —er =
kooper.
Buzz, bɐz, subst. gegons, gefluister, gerucht, gril; kortharige pruik,
aanstellerig mensch; — verb. gonzen, fluisteren, in ’t geheim rond
vertellen; interj. stil! —-saw = cirkelzaag; —er = gonzend insect.
Buzzard, bɐzed, subst. buizerd; domkop.
By, bai, bij, nabij, door, volgens, naar evenredigheid van, gedurende,
tegen, etc.: — all (any) means = toch vooral (— no means = vooral
niet); — chance = bij toeval; — degrees = trapsgewijze; — far =
verreweg; To get (to know) — heart = van buiten leeren (kennen); — our
lady(kin) = bij de H. maagd; — little and little = langzamerhand; — the
name of = genaamd; Passengers — the ‘Nederland’ = met; — nine o’clock =
tegen; — reason (virtue) of = krachtens; — the run = alles te zamen; —
the side of = vergeleken bij; Older — ten years = tien jaar ouder; —
this time = tegen; It is seven — my watch = volgens, op; He said it —
way of excuse = bij wijze van; I went to Italy — way of France = over
Fr.; — the way = in ’t voorbijgaan, à propos; — word of mouth =
mondeling; Day — day = dag aan dag; One — one = één voor één; — the
—(e) = à propos; To be — oneself = alleen; I do not know how he came —
all that money = kwam aan; When thieves fall out, honest men come —
their own = als dieven ruzie krijgen, komen de eerlijke menschen aan
wat hun toekomt; Do — others as you wish to be done — = behandel
anderen, zooals; He has two children — her; I live — my trade = van
mijn beroep, ambacht; To set great store — = op hoogen prijs stellen;
To take example — = nemen aan: To travel — rail, sea, land, water, etc.
(Maar in a carriage, vessel, steamer); —-bidder = opjager (bij
verkoopingen); —-blow = buitenbeentje, onecht kind; —-book = kladboek;
—-business = bijzaakje; —-corner = sluip- of schuilhoek; —-election =
tusschentijdsche verkiezing; —-end (—-purpose, —-view) =
nevenbedoeling; —gone = voorbijgegaan: In the —gone = in verloopen
jaren; Let —gones be —gones = laten we het gebeurde vergeten;
—-interest = eigenbelang, persoonlijk belang; —-lane = zijlaan; —-law
(plaatselijke) verordening; —-name = scheld- of spotnaam; —-part =
bijrol; —-passage = zijgang; —-path = zijpad; —-place = achterhoek,
schuilhoek; —-play = stil spel; gebaren; —-product = nevenproduct;
—-road (—-way) = zijweg, geheime weg; —stander = toeschouwer; —-street
= zijstraat, achterafstraat; —-word = spreekwoord, bijnaam, mikpunt.
Byard, baiəd, borstriem (van een mijnwerker), om karren voort te
trekken.
Bye, bai, sportterm met allerlei beteekenissen; vaarwel (= good-bye =
—-—); To go —-— = slapen gaan.
Byre, baiə, koestal.
Bysshe, biš.
Byssus, bisəs, linnen, katoenen of zijden stof van buitengewoon fijn
weefsel (bij de Ouden); de vezelen, waarmede schelpdieren zich aan
rotsen klampen; bosje of kuif.
Byzantian, bizanš’n, Byzantijn(sch); Byzantine, bizantain, bizəntain;
Byzantium.
C.
C, sî, A.C. = Ante Christum = vóór Christus; C natural = C; C. flat =
C-mol; C. sharp = C-dur; C = 100; C. B. = Companion of the Bath =
ridder van de Bath-orde; CC = 200; Cf. = confer = vergelijk;
Camb(ridge); Cantab = student van Cambridge University; Cant(erbury);
C(are) O(f) = per adres (op brieven); Cath(olic); Celt(ic);
C(ommissionary) G(eneral); Chap(ter); Chas. = Charles; Chem(istry);
C(ost), I(nsurance), F(reight) = kosten, assurantie en vracht
inbegrepen (uitspr.: Sif); C(ity) I(mperial) V(olunteer); C(ash) O(n)
D(elivery) = tegen rembours; Colloq(uial); Comp(arative);
Conn(ecticut); Corr(esponding) Mem(ber); Cor(responding) Sec(retary);
C(ertificated) T(eacher); C(yclist) T(ouring) C(lub); C(ome) Q(uick)
D(anger) = een Marconisein voor schepen; Cwt = a hundredweight;
Cyc(lopaedia).
Caaba, kâ-a-ba, kaäba, de zwarte heilige steen in Mahomed’s moskee te
Mekka. Ook het tempeltje zelf.
Cab, kab, soort rijtuig, bril = overdekte plaats voor den machinist op
de locomotief; — verb. in een cab rijden: We have —bed it; —man,
kabm’n, koetsier; —-stand = standplaats voor —s; Cabby = —man.
Cabal, kəbal, subst. cabaal, samenspanning, politieke intrigue; — verb.
samenspannen; —ler = intrigant.
Cab(b)ala, kabəla, geheime wetenschap, aan Mozes geopenbaard en den
Rabbis overgeleverd, ter verklaring van de Schrift; mystiek; Cabalist,
kabəlist, Rabbi, bedreven in de Cabala; mysticus; Cabalistic(al) =
mystiek.
Caballine, kabəl(a)in, paarde(n) - - -: — spring = hengstebron =
Hippocrene.
Cabaret, kabəret of Fr. uitspr. kroeg.
Cabas, kaba, kabas, reismandje.
Cabbage, kabidž, subst. kool, koolkop; de stof, die bij kleermakers
door de naald gaat; — verb. een kop vormen bij ’t groeien; zich stukjes
goed toeëigenen; —-butterfly = koolwitje (de —-worm is er de larve
van); —-headed = dom; —-lettuce = kropsla; —-tree = koolpalm.
Cabin, kabin, subst. kamertje, hut, kajuit: — verb. opsluiten of wonen
in eene cabin; —ed, cribb’d, confined = achter slot en grendel; —-boy.
Cabinet, kabinet, kabinet (in allerlei beteekenissen); photo in
kabinetformaat: — council = Meeting of the C., ministerraad; —-maker =
kabinetwerker; —-picture = kabinetstuk.
Cable, keib’l, subst. kabeltouw, ankerketting, telegraafkabel,
kabelbericht; — verb. met een kabel vastmaken; kabelen: A —’s length =
185,5 M.; To pay out a — = een tros vieren; A — (message) = een
kabelbericht = —gram; —-laid = als een kabel gedraaid; —-(rail)road,
—-railway = kabelspoor; —-room = —-tier, keib’ltîə, kabelgat; —t =
kleine kabel.
Caboodle, kəbûd’l, rommelzoo (Amer.).
Caboose, kəbûs, kombuis; veldkeuken; een aan een goederentrein
aangebrachte wagen voor beambten en arbeiders; een woning (Amer.).
Cabriolet, kabriəlei, cabriolet.
Cacao, kəkeiou, kakâou, cacaoboom; —-butter = cacaoboter.
Cachalot, katšelot, potvisch.
Cache, kaš, geheime bewaarplaats; — verb. verbergen.
Cachet, kašei, zegel.
Cachinnation, kakineiš’n, luid, aanhoudend gelach; Cachinnatory = luid
lachend.
Cacholong, katšoloŋ, cacholong.
Cachou, kəšû, cachou, cachoupil voor rookers.
Cackle, kak’l, subst. gekwaak, gekakel, gewauwel; — verb. kwaken,
wauwelen, giechelen; —r = snaterende gans, kakelende kip; wauwelaar.
Cacography, kəkogrəfi, cacographie.
Cacology, kəkolədži, slechte uitspraak.
Cacophony, kəkofəni, cacophonie.
Cactaceous, kakteišəs, cactusachtig; Cactal, kakt’l, cactus - -;
Cactus, kaktəs, cactus.
Cad, kad, poen, ploert; —dish, ploertig.
Cadastral, kədastr’l, kadastraal; Cadastre, kədastə, kadaster.
Cadaver, kədeivə, kədavə, lijk; Cadaverous, lijkachtig, lijkbleek, lijk
- - -; subst. —ness = lijkachtigheid, etc.
Caddice, Caddis, kadis, soort pluksel; ook = —-bait (—-worm) = larve
van de —-fly = watermot.
Caddie, kadi, drager der kolven (golfspel).
Caddy, kadi, theebus.
Cade, keid, subst. vat haring (500 stuks), vat sprot (1000 stuks);
ooilam, verwend kindje; adj. tam; — verb. met de hand groot brengen.
Cadence, keid’ns, Cadency, keid’nsi, cadans, rythme = Cadenza, kədenzə.
Cadet, kədet, jongere of jongste zoon; kadet.
Cadge, kadž, venten, bedelen; —r = venter; smulpaap.
Cadgy, kadži, lustig, dartel, lichtzinnig.
Cadi, kâdi, keidi, Kadi.
Cadiz, keidiz, Cadix.
Cadmean, kadmîən, van Cadmus, Thebaansch; Cadmus, kadməs.
Cadogan, kədoug’n.
Cadre, kadə, kader.
Caduceus, kədjûsiəs, staf van Mercurius.
Caducous, kədjûkəs, vroeg (ontijdig) vallend, broos.
Caecum, sîk’m, blinde darm.
Caedmon, kadm’n.
Caesar, sîzə, Caesar, keizer, autocraat; —ian, sizêrj’n: — operation =
keizersnede; —ism, sîzərizm, absolute regeering.
Caesura, sizjûrə, caesuur; —l = caesuur - -.
Caffeic, kəfîik, kafəik: — acid = koffielooizuur; Caffein, kəfîin,
kafiin, kafiain, caffeïne.
Caffer, Caffre, kafə, kaffer; kafir; Caffraria, kəfrêriə, het
Kafferland.
Cage, keidž, subst. kooi; gevangenis, ijzergaas net (= Wire —, om een
gasbrander), liftkooi; — verb. in eene kooi sluiten; — of a stair-case
= trappenhuis; —ling = opgesloten vogel.
Cagmag, kagmag, subst. bedorven vleesch, taaie gans; adj. walgelijk,
oneetbaar.
Cahoot, kəhût, subst. compagnieschap (Am.); — verb. handelen in
vereeniging: To be in —s = onder één deken slapen (fig.).
Caic, kaîk, kaïk.
Caiman, keim’n, kaaiman.
Cain, kein: To raise — = den boel op stelten zetten.
Caique = Caic.
Cairn, kêən, kegelvormige steenhoop (als monument of
herinneringsteeken).
Cairo, kairou.
Caisson, keis’n, keisûn, caisson.
Caitiff, keitif, subst. schurk; adj. laag, gemeen.
Caius, keiəs.
Cajuput, kadžəput, kajapoetolie (-boom).
Cajole, kədžoul, bevleien, aftroggelen (out of); —r, vleier; —ry,
vleierij.
Cake, keik, koek, gebak; suffer; — verb. tot een koek vormen, zich
zetten tot een koek: My — is dough = ’t is mis; There’d be no more —s
and ale = geen pret, vroolijkheid; They are —s and ale to him = zijn
een feest voor hem; They go off like hot —s = zij gaan als koek, grif
van de hand; You cannot eat your — and have it = je kunt je geld maar
eens uitgeven; —-walk = oorspronkelijk een danswedstrijd tusschen fraai
uitgedoste negerparen met een cake als prijs; Caky = koekachtig.
Calabar, kaləbə, soort pelswerk.
Calabar-bean, kaləbâbîn, Afrikaansche boon (ook toetsboon genoemd,
omdat zij als toets diende van de schuld of onschuld van de van
hekserij aangeklaagden).
Calabash, kaləbaš, pompoen, kalebas.
Calaboos, kaləbûs, kaləbûz, gevangenis (Amer.), — verb. opsluiten.
Calabria, kəleibriə, kalâbriə, Calabrië.
Calais, kalis.
Calamanco, kaləmaŋkou, kalmink.
Calamint, kaləmint, kalament, kattenkruid.
Calamitous, kəlamitɐs, rampspoedig; Calamity, kəlamiti, ramp, ellende,
tegenspoed.
Calamus, kaləmɐs, kalmus; herdersfluit.
Calandra, kəlandrə, kalander-leeuwerik; korenworm.
Calash, kəlaš, calèche; kap.
Calcar, kalkâ, fritoven; calcineeroven; —eous, kalkêriəs, kalkachtig,
kalkhoudend: — spar = kalkspaath.
Calcedon, kalsidon, calcidoon, vuile ader in edelgesteenten.
Calcic, kalsik: —-chloride = chloorcalcium; Calciferous, kalkhoudend;
Calcify, kalsifai, verkalken; Calcimine = stukadoorskalk; — verb.
witten.
Calcination, kalsineiš’n, calcineeren, oxydatie; Calcine, kalsain,
kalsin, calcineeren; tot asch verbranden.
Calcium, kalsiəm, Calcium.
Calcography, kalkogrəfi, (koper)plaatsnijkunst.
Calculable, kalkjuləb’l = berekenbaar; betrouwbaar; Calculate,
kalkjuleit, berekenen, rekenen, ramen, begrooten, geschikt zijn, zich
leenen tot; zich voornemen, vermoeden (Amer.): A calculating boy = een
rekengenie; Calculating-machine; Calculation = berekening; Calculative
= berekenend; A lightning calculator = snelrekenaar.
Calculous, kalkjulɐs, steen...
Calculus, kalkjulɐs, (mv. Calculi), steen, graveel; berekening: The —
of probabilities = kansrekening; Algebraical — = algebra; Differential
— = differentiaal-rekening; Integral — = integraal-rekening; Literal —
= algebra.
Ca(u)ldron, kôldr’n, groote ketel.
Caleb, keiləb.
Calecannon, keilkan’n, Iersch gerecht (gestampte aardappelen en
moesgroente).
Caleche, kəleš = Calash.
Caledonia, kalədounjə, Schotland; —n = Schot(sch); —ns = een soort
quadrille.
Calefacient, kalifeišn’t, adj. en subst. verwarmend (middel);
Calefaction, kalifakš’n, verwarming; Calefactor = klein kookfornuis;
Calefactory = verwarmend.
Calembourg, kal’mbûə of Fr. uitspr. woordspeling.
Calendar, kal’ndə, subst. kalender, register, rol; — verb.
registreeren: Perpetual —, Tear-off —; Turn-over —; —-month =
zonnemaand.
Calender, kal’ndə, subst. kalander; — verb. kalanderen; —er.
Calends, kal’ndz, eerste dag van iedere maand bij de Romeinen: At (on)
the Greek — = nooit.
Calendula, kəlendjulə, goudsbloem.
Calenture, kal’ntjulə, ijlende koorts (door de hitte in tropische
gewesten).
Calf, kâf, (Meerv. Calves, kâvs), kalf (ook fig.), kalfsleer; kuit: To
kill the fatted —; —-love = kalverliefde; —-skin = kalfsvel (leer).
Calhoun, kalhûn.
Caliban, kaliban, verdierlijkt wezen, wildeman.
Caliber, Calibre, kalibə, kəlîbə, kaliber; gesteldheid, waarde;
bevattingsvermogen: —-compasses. Zie Callipers; Calibrate =
kalibreeren; van graadstrepen voorzien; subst. Calibration.
Caliciform, kalisiföm, kelkvormig.
Calico, kalikou, calicot (in Amerika bedrukt katoen); —-ball = bal,
waarop de dames katoenen japonnen dragen.
California, kaliföniə; —n = Californiër, Californisch.
Caligo, kəlaigou, vlek op het hoornvlies.
Calipash, kalipaš, kalipaš, groenachtig vleesch van een schildpad aan
de rugzijde; Calipee, kalipî, kalipî, geelachtig vleesch van een
schildpad aan het buikschild.
Caliph, kalif, keilif, kalif; —ate, kalifeit, keilifeit, kalifaat.
Calisthenics, kalistheniks, vrije- en orde(n)-oefeningen (vooral voor
meisjes).
Calix, kaliks, keiliks = Calyx.
Calk, kôk, subst. ijsspoor, scherpe kalkoen, ijsnagel; — verb. van
ijssporen voorzien, op scherp zetten, calqueeren (kalkeeren), breeuwen;
—in = ijsspoor, etc.; —ing-iron = breeuwmes, kalefaatijzer.