ontbreken van erfgenamen) vervallen goed; in Amer. aan den staat; —
verb. aan de kroon of den leenheer vervallen; —age = het recht van dit
vervallen; —or = vroeger ambtenaar belast met het toezicht op
dergelijke goederen.
Eschew, əstšû, schuwen, vlieden, vermijden.
Escort, esköt, gewapend geleide; Escort, əsköt vergezellen of geleiden.
Escritoire, eskritwö, schrijflessenaar, schrijfmap.
Esculapian, eskjuleipj’n, geneeskundig.
Esculent, eskjulent, subst. en adj. eetbaar (iets), voedsel.
Escurial, əskjûriəl, Eskuriaal.
Escutcheon, əskɐtš’n, wapenschild, familiewapen; dekschild; naambord of
spiegel van een schip.
Eskimo, eskimou, Eskimo, ook adj.
Esop, îsəp; —ian, isoupj’n, —ic, isopik, Esopisch, van E.
Esophagus, îsofəgɐs, slokdarm.
Esoteric, esəterik, geheim, alléén voor de ingewijden, esoterisch,
duister.
Espadon, espəd’n, tweehandig Spaansch zwaard.
Espalier, əspaljə, subst. spalier, latwerk, staketsel; leiboom; — verb.
eene reeks van leiboomen maken.
Especial, əspeš’l, onderscheiden, bijzonder, hoofdzakelijk: In — =
voornamelijk.
Espial, əspai’l, spionneeren; Espier = spion.
Espinel, espinel, spinel (edelst.).
Espionage, espiənidž, spionnage.
Esplanade, espləneid, glacis, terras, vlakke wandel- of rijweg.
Espousal, əspauz’l, tot het huwelijk of de verloving behoorend; —s =
huwelijk, bruiloft, verloving; Espouse, əspauz, huwen, uithuwelijken,
aankleven, omhelzen.
Espy, əspai, bespeuren, ontdekken.
Esquimau, eskimou, mv. —x; Zie Eskimo.
Esquire, əskwaiə, subst. schildknaap, Weledelgeb. Heer (op adressen: G.
Bell, Esq. = Den Weledelgeb. Heer B.); — verb. vergezellen, dienen.
Essay, esei, poging, proef, verhandeling, vertoog; —ist = schrijver van
korte verhandelingen.
Essai, əsei, pogen, beproeven.
Essence, es’ns, subst. bestaan, wezen, essence, het wezenlijke,
uittreksel, reukwerk: He is the — of goodness = toonbeeld van;
Essential, əsens’l, wezenlijk, werkelijk, bepaald noodzakelijk,
gewichtig; subst. hoofdbestanddeel, hoofdzaak, kern: —-oils =
etherische oliën; Essentiality = wezenlijkheid.
Essera, esərə, netelroos.
Essoi(g)n, əsôin, subst. (Eertijds) het verontschuldigen (de
verontschuldiging) van iem. wegens niet-verschijning voor eene
rechtbank; — verb. verontschuldigen wegens niet-verschijning ter
terechtzitting; —ee, esoinî, de niet verschenen en verontschuldigde
persoon; Essoin-day = de eerste dag van de zitting waarop de essoins in
ontvangst werden genomen.
Establish, əstabliš, vaststellen, inrichten, oprichten, stichten, zich
vestigen, vaststellen: To — a business = eene zaak oprichten; To —
communications (with) = in verbinding stellen; He —ed himself there =
vestigde zich; An —ed truth = uitgemaakte waarheid; —ment =
vaststelling, bevestiging, regeling, bekrachtiging, vestiging,
handelshuis, inrichting, établissement, huishouding, sterkte,
staatskerk = The —ed Church.
Estacade, estəkeid, estacades, rivier- of havenversperringen.
Estafet(te), estəfet, renbode.
Estate, əsteit, subst. staat, toestand, rang, stand, bezit, landbezit,
bezitting, landgoed, plantage: The British legislature consists of the
—s of king (queen), lords and commons = drie (stenden) lichamen:
koning, lords en gemeenten; Second — = the Lords; Third — = the
Commons; Fourth — = de pers; He has come to man’s — = mannelijken
staat; Personal — = roerend goed; Real — = onroerend goed.
Esteem, əstîm, subst. achting, waardeering; — verb. achten, waardeeren,
beschouwen als.
Esther, estə.
Esthetic, əs-thetik. Zie Aesthetic.
Estimable, estiməb’l, achtenswaardig; subst. Estimableness; Estimate,
estimit, subst. schatting, begrooting, meening; — verb. estimeit,
schatten, ramen, begrooten, berekenen: On the extremest — = naar
hoogste schatting; The Army —s were voted unanimously = de begrooting
van oorlog werd met algemeene stemmen aangenomen; The loss is —d at £
5000 = wordt begroot; Estimation = schatting, begrooting, hoogachting,
meening; Estimator = taxateur.
Estival, estiv’l, istaiv’l, zomersch; Estivate, estiveit, îstiveit,
zomerslaap houden; subst. Estivation, estiveiš’n, îstiveiš’n,
zomerslaap.
Estop, əstop, belemmeren, afsluiten, uitsluiten (door een voorafgaande
handeling of verklaring); subst. —pel.
Estovers, əstouvəz, gerechtel. toegestane onderhoudsmiddelen,
alimentatie; gebruik van hout van den landheer door den huurder.
Estrade, əstreid, estrade.
Estrange, əstreinž, vervreemden, verwijderen, onthouden; subst. —ment.
Estrapade, estrəpeid, steigeren en schoppen van een paard, om zijn
ruiter af te werpen.
Estray, əstrei, onbeheerd of weggeloopen huisdier (Jur.).
Estreat, əstrît, subst. afschrift, duplicaat; — verb. een afschrift
maken.
Estuarine, estjuər(a)in, tot een estuary behoorend; Estuary, estjuəri,
wijde monding eener rivier, zeeboezem.
Esurient, isiûriənt, hongerig, begeerig.
Et caetera, etsetərə, enzoovoort; —s = en verdere dingen; extra
uitgaven.
Etch, etš, etsen; —er = etser; —ing-needle = etsnaald, etsstift.
Etern(e), itɐ̂n, eeuwig (dichterlijk) = adj. Eternal = eeuwig,
onveranderlijk: The — = de Eeuwige, God; — flower = immortelle;
Eternalize = eeuwig doen voortduren; Eternity = eeuwigheid,
onsterfelijkheid: To all — = tot in eeuwigheid; Eternize = vereeuwigen,
onsterfelijk maken.
Etesian, itîž’n, periodiek: — wind = de “mistral” of de “bise” aan de
Middell. Zee.
Ethel, ethəl; —bald, —bôld; —bert, —bɐ̂t; —wulf, —wulf.
Ether, îthə, ether; —eal, ithîriəl, vluchtig, etherisch, hemelsch;
—eality, onstoffelijkheid; —ealize, vergeestelijken; —ize, met ether
verdooven.
Ethic, ethik (= —al), ethisch; zedenleer (= —s): The Christian —.
Ethiop, îthiop, Ethiopiër, Ethiopisch; Ethiopia = Ethiopië; Ethiopian,
subst. Ethiopiër; neger, moor; adj. Ethiopisch, zwart; Ethiopic =
Ethiopisch, Ethiopiër.
Ethnic, ethnik, subst. heiden; adj. ethnologisch; heidensch = —al.
Ethnographer, əthnogrəfə, ethnograaf; Ethnographic(al),
ethnəgrafik(’l), ethnographisch; Ethnography, əthnogrəfi, ethnographie;
Ethnologic(al), ethnəlodžik(’l), ethnologisch; Ethnologist,
əthnolədžist, ethnoloog; Ethnology, əthnolədži, ethnologie.
Ethyl, ethil, aethyl.
Etiolate, îtiəleit, (doen) verbleeken, bleek worden (door onthouding
van licht); subst. Etiolation.
Etiology, etiolədži, îtiolədži, leer der (ziekte) oorzaken.
Etiquette, etiket, etiket, etiquette: It is not — for ladies = contrary
to — = tegen de etiquette.
Etna, etnə, Etna; soort snelkoker.
Eton, ît’n; —ian, itounj’n, leerling van de school te Eton; ook adj.
Etruria(n), itrûriə(n), Etrurië(r); Etruscan, itrɐsk’n, Etrurisch,
Etruriër.
Etui, ətwî, etui.
Etymologic(al), etiməlodžik(’l), etymologisch; Etymologist,
etimolədžist, etymoloog; Etymologize, etimolədžaiz, woorden afleiden,
aan woordafleiding doen; Etymology, etimolədži, etymologie; Etymon,
etimon, grondwoord, stamwoord.
Eucalyptus, jûkəliptəs, eucalyptus, blauwe gomboom.
Eucharist, jûkərist, Eucharistie, het Sacrament des altaars, de H.
Hostie; Eucharistic = avondmaals..., dank...; Eucharistica =
overpeinzingen en gebeden bij het Heilig Avondmaal.
Euchre, jûkə, Amer. kaartspel (op Whist gelijkend); — verb. beetnemen.
Euclid, jûklid, Euclides; meetkunde; adj. Euclidean, jûklidîən,
Euclidian, juklidiən.
Eudoxia, judokšiə; Eugene, jûdžin, judžîn.
Eugenics, judženiks, rasverbetering.
Eulalia, juleiljə.
Eulogist, jûlədžist, lofredenaar; adj. Eulogistic(al); Eulogium,
juloudž’m = Eulogy, jûlədži, lofspraak; Eulogize, jûlədžaiz, loven.
Eumenides, jumenidîz, de Furiën.
Eunuch, jûnək, eunuch; —ism, het eunuch wezen, castreeren; — verb.
—ize, castreeren.
Eupepsia, jupepšiə = Eupepsy, jupepsi, jûpepsi, normale spijsvertering;
Eupeptic = met goede spijsvertering.
Euphemism, jûfimizm, verzachtende uitdrukking; adj. Euphemistic(al).
Euphonic(al), jufonik(’l), Euphonious, jufouniəs, welluidend;
Euphonism, jûfənizm, harmonie der klanken; Euphonize, jûfənaiz,
welluidend maken; Euphony, jûfəni, welluidendheid.
Euphrasy, jûfrəsi, oogentroost.
Euphrates, jufreitîz.
Euphues, jûfjuîz; Euphuism, jûfjuizm, gemaakte, gezochte, overdreven
sierlijke manier van uitdrukken; adj. Euphuistic(al).
Eurasia, jureišə, jureižə, Europa en Azië; —n = Europeesch-Aziatisch;
een uit het huwelijk van een Europeaan en Aziate geborene.
Eureka, jurîkə, Eureka: — overcoat = piekfijne.
Europe, jûrəp; —an, jûrəpîən, Europeaan; Europeesch; —anize,
jûrəpîənaiz = invoeren van Europeesche zeden, enz.
Eurus, jûrəs, (Zuid)oostenwind.
Eustace, jûstis; Eustachian, justeikj’n: — tube = Eustachiaansche buis;
Eustatia, justeišə.
Euston, jûst’n.
Euterpe, jutɐ̂pi, Euterpe; palmsoort; kapellensoort; adj. Euterpean.
Euthanasia, jûthəneižə, Euthanasy, juthanəsi, zachte dood; middel
daarvoor.
Euxine (The), dhəjûksin, de Zwarte Zee.
Eva, îvə, Eva.
Evacuant, ivakjuənt, subst. en adj. purgeerend (middel); ventiel;
Evacuate, ivakjueit, ontruimen, purgeeren, uitwerpen, ledigen;
Evacuation = stoelgang, ontruiming.
Evade, iveid, ontduiken, ontwijken, ontgaan, ontglippen, verijdelen,
uitvluchten maken: To — the law = ontduiken.
Evan, ev’n; Evans, ev’nz.
Evanesce, evənes, verdwijnen; subst. —nce; —nt = verdwijnend,
voorbijgaand, oneindig klein.
Evangel, ivanž’l, evangelie; —ic, îv’ndželik, evangelisch = —ical, ook
subst. een aanhanger van de Low Church; —ism, ivanžəlizm,
evangelieprediking; Evangelist; Evangelization = evangelisatie; —ize,
ivanžəlaiz, het evangelie prediken, evangeliseeren.
Evangeline, ivanžəl(a)in.
Evanish, ivaniš, verdwijnen; subst. —ment = Evanition.
Evaporable, ivapərəb’l, verdampbaar; Evaporate, ivapəreit, verdampen,
uitwasemen, drogen, verdwijnen, luchten (van toorn, b.v.); Evaporation,
verdamping; Evaporative = verdampings...; Evaporator =
verdampingstoestel; Evaporometer, îvapəromətə, verdampingsmeter.
Evasion, iveiž’n, ontduiking, ontwijking, uitvlucht; Evasive, iveisiv,
vol uitvluchten, ontwijkend.
Eve, îv, Eva; avond, vóóravond: She was on the — of her marriage = het
was onmiddellijk vóór haar huwelijk, aan den vóóravond van.
Evelina, evəlainə; Eveline, Evelyn, evəlin.
Even, îv’n, adj. gelijk, effen, even, kalm, onpartijdig, rond; adv.
zelfs, juist, zooeven, ook, bovendien; — verb. effenen, gelijk maken: —
and odd = even en oneven; To be — with a person = niets meer schuldig
zijn; To come — with = betaald zetten; To meet on — ground = strijden
met gelijke kansen; To be — with the times = met zijn tijd meegaan; He
told me — as much = precies hetzelfde; — as I said it = juist toen; —
now = zoo pas nog; — if = — though he came = al kwam hij ook; I saw him
— yesterday = ik heb hem gisteren nog gezien; Their — Christians =
mede-christenen; His —-handed dealing with all = onpartijdige
handelwijze jegens; —-handedness; On an — keel = achter en voor even
diep liggend; —-minded = gelijkmoedig; — money = ronde som; —-tempered
= gelijkmatig van humeur (= Of an — temper); —er = gelijkmaker;
zwengelhout (Amer.). —ness = vlakheid, gelijkheid, gelijkmoedigheid,
onpartijdigheid.
Even, îv’n, avond; —fall = avondstond; —song = vesper, avondlied; —tide
= avondtijd.
Evening, îv’niŋ, avond: The — crowns the day = einde goed alles goed;
Six in the — = zes uur ’s avonds; —-dress = rok en witte das; —-gun =
avondschot; — song = avondlied; —-star.
Event, ivent, gebeurtenis, afloop, gevolg, (sport)nummer: Double — =
zevenstoot (bilj.); Treble — = negenstoot; At all —s = in elk geval; In
the — of = voor het geval dat; In the — = ten slotte; —ful =
belangrijk, gewichtig; Eventual, iventjuəl, gebeurlijk, eindelijk;
Eventuality = mogelijkheid.
Ever, evə, ooit, in eenig opzicht, in eenige mate: For — = voor goed;
For — and a day = voor eeuwig en altijd = For — and aye; Or — = voordat
(verbasterd uit Ere —); Not — = never = nooit: I cannot — repent of it
= ik heb er volstrekt geen berouw van; Aren’t you — coming? = kom je
haast? As soon as — she comes here = zoodra ze maar hier komt; — and
again = telkens weer; — and anon = nu en dan; gedurig; — since that
time = van dien tijd af aan; I waited for — so long = een eeuwigen
tijd; He may rail — (never) so much = zooveel hij verkiest; Still
tremendously hot! It is — so much in the shade = ’k weet wel niet
hoeveel graden; With — so slight a foreign accent = een ‘ietsje’,
‘tikje’; It’s ninepence for — such a little tin = voor nog zoo’n klein
blikje; He would veto your taking — such a little glass = de geringste
hoeveelheid; —glade = moerassige steppe in Oost-Florida; —green =
plant, die het geheele jaar door groen blijft; —-lasting, evəlâstiŋ,
altijddurend, eeuwig; subst. eeuwigheid; sterke stof voor laarsjes: The
—lasting = de (eeuwige) Godheid; —lastings = immortellen; —lasting
flower = stroobloem; Life —lasting = het eeuwige leven; —more = altijd
door, steeds weer, voor eeuwig.
Ever(h)ard, evərəd; Everett, evərət.
Eversion, ivɐ̂š’n, omkeering, naar buitenkeering; — verb. Evert, ivɐ̂t.
Every, ev’ri, ieder, elk: — bit = volkomen, geheel: Her — gesture = elk
harer gebaren; — now and then = van tijd tot tijd, telkens; — other day
= om den anderen dag; My — word = elk mijner woorden; —body = iedereen;
—thing = alles; —way = in elk opzicht; —where = overal.
Evesham, îvz(h)əm.
Evict, ivikt, uitzetten (uit een huis, b.v.), ontnemen, verdrijven;
—ion = uitzetting, ontneming.
Evidence, evidens, subst. bewijs, bewijsmateriaal, klaarblijkelijkheid;
— verb. bewijzen; In this novel the clergy are in — = komen veel
geestelijken voor; Mr. and Mrs. N. were both in — = tegenwoordig;
Circumstantial — = bewijs (Jur.); These circumstances are opposed to
the — = druischen tegen alle waarschijnlijkheid in; He gave — = legde
getuigenis af; To turn King’s (Queen’s) — = getuigenis afleggen tegen
de medeschuldigen; Evident, evid’nt, duidelijk, klaarblijkelijk: Self-—
= zonneklaar; Evidential = duidelijk bewijzend; Evidentness =
klaarblijkelijkheid.
Evil, îv’l, subst. kwaad, onheil, ellende, zonde, kwaal; adj. kwaad,
boos, snood, slecht, zondig: The — one = de duivel; The king’s — =
klierziekte; The —s of war, social —s = rampen; Stomach —s =
maagkwalen; This bodes — = voorspelt kwaad; —-affected = kwalijk
gezind; — case = rampzalige toestand; —-doer = boosdoener, zondaar;
—-eye = kwaad oog (dat op bovennatuurl. wijze kwaad berokkent); —-eyed
= met evil eye; afgunstig; —-favoured = met een ongunstig uiterlijk;
—-minded = boosaardig; subst. —-mindedness; —-smelling = kwalijk
riekend; —-speaking = laster(end); —-worker = boosdoener.
Evince, ivins, bewijzen, aan den dag leggen.
Eviscerate, ivisəreit, ontweiden (van wild); verknoeien; subst.
Evisceration.
Evocate, evəkeit, oproepen; Evocation = oproeping, bezwering.
Evoke, ivouk, oproepen, uitlokken, voor een andere rechtbank brengen.
Evolution, evəl(j)ûš’n, îvəl(j)ûš’n, evolutie, ontwikkeling,
worteltrekking, militaire beweging; —al = ontwikkelings = —ary =
evolutie...; —ism = evolutieleer.
Evolve, ivolv, ontvouwen, ontplooien, ontwikkelen, zich ontwikkelen;
Evolvulus, ivolvjulɐs, evolvulus, zekere klimplant.
Ewart, jûwət.
Ewe, iû, ooi: — cheese = schapekaas; —-lamb; —-neck = hertenhals (van
paarden).
Ewer, jûə, lampetkan, waterkan.
Ewing, jûwiŋ.
Ex, eks, (in samenst.), vroeger, gewezen: The —-king Milan.
Exacerbate, əgzasəbeit, verbitteren, verergeren; subst. Exacerbation.
Exact, əgzakt, adj. nauwkeurig, precies, methodisch, stipt; — verb.
eischen, vorderen, afpersen: In —est sort = in de puntjes; —ly so =
precies; —ing, veeleischend, streng; —ingness causes much misery =
veeleischendheid; —ion = afpersing, buitensporige eisch; —itude = —ness
= nauwkeurigheid.
Exaggerate, əgzadžəreit, overdrijven, vergrooten; subst. Exaggeration;
adj. Exaggerative.
Exalt, əgzôlt, verheffen, verhoogen, verrukken; —ation, egzolteiš’n,
verheffing, verrukking, geestvervoering; —ed = hoog, verheven; —edness
= exaltatie.
Examination, əgzamineiš’n, onderzoek, ondervraging, verhoor, examen
(ook verk. tot Exam, əgzam): — on paper = Written — = The writing part
of an —; Vivâ voce — = vivâ voce; To enter, (to pass, to present
oneself for, to retire from) an —; —-paper = examenopgaaf; —-in-chief =
ondervraging van de(n) hoofdgetuige; —al: The old —al system =
examenstelsel; Examine, əgzamin, onderzoeken, ondervragen, verhooren,
examineeren: I —d into the thing = deed onderzoek naar de zaak;
Examinee = examinandus; Examiner = examinator, onderzoeker, inspecteur,
rechter v. instructie.
Example, əgzâmp’l, voorbeeld, patroon, model, opgave: For — = bij
voorbeeld; By way of — = als, bij wijze van; I will set (give) you a
good — = u een goed voorbeeld geven; Take — from (by) your brother =
neem een voorbeeld aan, uw broeder tot voorbeeld; —r = model,
voorbeeld.
Exanthema, eksanthîma, huiduitslag; koorts, die daarmee gepaard gaat;
meerv. Exanthemata, eksanthîmətə, eksanthemətə.
Exarch, eksâk, Legaat v. den Patriarch; onderkoning (in Italië) van de
Byzantijnsche keizers; —ate, eksâkit, eksâkit, exarchaat.
Exasperate, əgzaspərit, adj. verbitterd, getergd; — verb. (əgzaspəreit)
verbitteren, tergen, verergeren; subst. Exasperation.
Excalibur, ekskalibə.
Excavate, ekskəveit, uithollen, uitgraven; Excavation = uitholling,
holte, uitgraving, doorgraving; Excavator = graafmachine.
Exceed, əksîd, overtreffen, overschrijden, meer zijn dan, te ver gaan,
te buiten gaan: I’ll take good care that you don’t — = u niet te buiten
gaat; I have —ed already = ik heb al boven mijn “taks” gedronken
(gegeten), etc.; —ing(ly) = buitengewoon.
Excel, əksel, overtreffen, uitmunten; —lence, eksəlens, uitstekendheid,
voortreffelijkheid; Excellency, eksəlensi, excellentie: In a degree of
— = voortreffelijk; Excellent = voortreffelijk.
Excelsior, əkselsiö, excelsior.
Excentric, eksentrik. Zie Eccentric.
Except, əksept, — verb. uitzonderen, tegenwerpingen maken; prep.
buiten, behalve; conj. tenzij, zonder; —ing = uitzonderend,
uitgezonderd; Exception, eksepš’n, uitzondering, tegenwerping,
ontkenning: I take — to such words = ik keur af, neem kwalijk, werp op
een exceptie tegen; Bill of — = lijst van excepties tegen een
rechterlijk besluit; —s prove the rule = de uitzonderingen bevestigen
den regel; —able = berispelijk, betwistbaar; —al = bij wijze van
uitzondering = —ive.
Excerpt, əksɐ̂pt, excerpeeren, een uittreksel maken; subst. (eksɐ̂pt),
excerpt.
Excess, əkses, overtolligheid, overdaad, buitensporigheid, onmatigheid:
He eats and drinks to — = buitensporig veel; — fare = boete (op
spoorwegen): To pay — fare; —ive = overdadig, buitensporig,
buitengewoon, onmatig.
Exchange, əkstšeinž, subst. (uit)wisseling, ruiling, beurs; — verb.
ruilen, wisselen, uitwisselen: To apply for an — = overplaatsing
verzoeken; Arbitration of — = wisselarbitrage; Bill of — =
wissel(brief); Course of — = wisselkoers; Foreign and domestic —s =
buiten- en binnenlandsche wisselkoersen; List of —s = koersnoteeringen;
The — = de Beurs; At to-day’s — = ter beurze van heden; — it for
another = vervang het, ruil het; —-broker = wisselmakelaar; —ability =
wisselbaarheid; —able = inwisselbaar, uitwisselbaar; —r = wisselaar.
Exchequer, əkstšekə, schatkist, kas: — Bills = schatkistbiljetten;
Chancellor of the — = kanselier van de schatkist.
Excisable, əksaizəb’l, belastbaar; Excise, əksaiz, subst. accijns,
impost; adj. accijns...; — verb. belasten, veraccijnzen; —-duties =
accijnzen; —man = ontvanger der accijnzen; —-office = accijnzenkantoor.
Excise, eksaiz, uitsnijden, uithollen, schrappen; Excision, əksiž’n,
uitsnijding, amputatie, uitsluiting; excommunicatie.
Excitability, əksaitəbiliti, prikkelbaarheid; Excitable, əksaitəb’l,
prikkelbaar; Excitant, əksait’nt, eksit’nt, subst. en adj. prikkelend,
opwekkend (middel); Excitation, eksiteiš’n, opwinding, opgewondenheid;
Excitative = prikkelend; Excite, əksait, opwekken, aanzetten, opwinden,
prikkelen, aan den gang brengen, gevoelig maken; Excitement =
opwinding, opgewondenheid, prikkel.
Exclaim, əkskleim, uitroepen, luide uitvaren (against), luid jammeren
(on); —er = ijveraar; Exclamation, ekskləmeiš’n, uitroep, kreet,
geschreeuw, het uitvaren (tegen): Note of — = uitroepteeken; adj.
Exclamatory, əksklamətəri.
Exclude, əksklûd, uitsluiten, buitensluiten, uitzonderen; Exclusion =
uitsluiting; Exclusive, əksklûsiv = uitsluitend, met uitsluiting van
(of), exclusief: — dealing = begunstiging van bepaalde personen (om
politieke of relig. redenen); He has — sources of information = aparte,
bijzondere; His comforter was three yards long, — of the fringe =
buiten de franje; subst. Exclusivism.
Excogitate, əkskodžiteit, uitdenken, verzinnen; subst. Excogitation.
Excommunicate, ekskəmjûnikeit, excommuniceeren; subst. ekskəmjûnikit =
een geëxcommuniceerde; Excommunication, ekskəmjûnikeiš’n,
excommunicatie: The lesser — = uitsluiting van deelneming aan het
avondmaal; The greater — = algeheele kerkban; adj. Excommunicative.
Excoriate, əkskôrieit, villen, de huid afschaven; subst. Excoriation.
Excrement, ekskrəment, uitwerpsel(en); adj. Excremental.
Excrescence, əkskres’ns, uitwas, wrat; Excrescent = overtollig.
Excrete, əkskrît, afscheiden; Excretion, əkskrîš’n, afscheiding;
Excretory, əkskrîtəri, ekskrətəri, afscheidend: Kidneys are — organs =
afscheidingsorganen.
Excruciate, əkskrûšieit, martelen, folteren; Excruciating =
ondragelijk, ijsselijk; Excruciation = marteling.
Exculpate, ekskəlpeit, əkskɐlpeit, verschoonen, verontschuldigen,
vrijspreken, rechtvaardigen; subst. Exculpation; Exculpatory =
verontschuldigend.
Excursion, əkskɐ̂š’n, afwijking, afdwaling, uitstapje: —-ticket =
uitstapkaart; —-train = pleiziertrein; —ist = tourist; Excursive,
doelloos, afdwalend; subst. —ness; Excursus, əkskɐ̂səs, aanhangsel met
nadere uitwerking van een in den tekst genoemd punt.
Excusable, əkskjûzəb’l, verschoonbaar; subst. —ness; Excuse, əkskjûs,
verontschuldiging, uitvlucht, ontheffing.
Excuse, əkskûz, vrijpleiten, vergeven, vrijstellen, verontschuldigen:
He is —d all the hard work in the house = vrijgesteld van; He —d
himself on that score = verontschuldigde zich; — me for doubting it =
neem me niet kwalijk, dat ...
Exeat, eksiat, verlof aan een (Engelsch) student tot tijdelijke
afwezigheid; afwezigheidsverlof aan een geestelijke.
Execrable, eksikrəb’l, verfoeilijk; subst. —ness; Execrate, eksikreit,
verfoeien, vervloeken, verwenschen; subst. Execration; adj. Execrative
= Execratory.
Executable, eksəkjûtəb’l, əksekjutəb’l, uitvoerbaar; Execute, eksikjût,
uitvoeren, volvoeren, verrichten, passeeren, ten uitvoer leggen,
voltrekken, terdoodbrengen: To — a deed = eene acte passeeren; To — a
will = een testament uitvoeren; —r = executeur; Execution, eksikjûš’n,
uitvoering, volbrenging, voordracht, spel, uitwerking, bevel tot
voltrekking (= Writ of —), executie, beslag, voltrekking der doodstraf:
To put a thing into — = iets ten uitvoer brengen; An — was put into our
house for rent = om de huur werd er beslag gelegd op het meubilair; To
take in — = bij executie laten verkoopen; Executioner, eksikjûšənə,
beul; Executive, əgzekjutiv, subst. uitvoerende macht; adj. uitvoerend,
volvoerend; Executor, egzekjutə, executeur; —ship = ambt van executeur;
Executory = executoir; Executrix = executrice.
Exegesis, eksidžîsis, exegese; Exegete, eksidžît, exegeet;
Exegetic(al), eksidžetik(’l), exegetisch; Exegetics, eksidžetiks,
uitlegkunde.