stoffelijk overschot, nagelaten letterkundige producten, ruïne: It —s
to me to do so = mij rest nog; That —s to be seen = dat staat te
bezien; Remainder = overblijfsel, restant, saldo, onverkochte
exemplaren: He left her a good round sum to be hers for life, with — to
her children = die na haar dood aan de kinderen kwam.
Re-make, rîmeik, opnieuw maken.
Remand, rimând, subst. terugzending; — verb. terugzenden: Under —
(Jur.): i.e. een beschuldigde is Under —, zoo lang zijn zaak niet is
beslist. Hij kan dan zijn, òf in preventieve hechtenis, òf op vrije
voeten, mits on bail, i.e. na borgstelling; He —ed his son home =
liet... thuis komen; He was —ed till the 20th = tot den 20en in
preventieve hechtenis teruggezonden; —ed on bail = na borgstelling,
voorloopig vrij gelaten.
Remanet, remənet, restant, uitgestelde zaak.
Remark, rimâk, subst. opmerking, aanmerking; — verb. opmerken,
aanmerken: To pass —s on = aanmerkingen maken op; He did not — on that
= hij had geene aan- of opmerkingen; —able = merkwaardig; subst.
—ableness.
Remasticate, rîmastikzeit, herkauwen; subst. Remastication.
Remediable, rimîdjəb’l, herstelbaar; subst. —ness; Remedial, rimîdj’l,
heelend; Remediless, remədiles, rəmediles, ongeneeslijk, onherstelbaar;
Remedy, remədi, subst. geneesmiddel, hulpmiddel, rechtsmiddel, vrije
namiddag; — verb. genezen, verhelpen: There is no — for it, It is
beyond (past) — = er is niets aan te doen; It cannot be remedied = het
kan niet verholpen worden.
Remember, rimembə, zich herinneren, te binnen komen, onthouden,
gedenken, groeten: Well —ed = goed dat gij er om denkt; — the Sabbath =
gedenk den Sabbatdag; I do not — having seen him before = ik herinner
me niet; — me kindly to your friend = doe mijne vriendelijke groeten
aan; He has “—ed me” very handsomely = goed bedacht (in zijn
testament); I should be glad to be —ed = doe alstublieft mijn groeten;
Remembrance, rimembr’ns, herinnering, geheugen, heugenis, aandenken: Do
it in — of him = doe het te zijner gedachtenis; Within my — = zoolang
mij heugt; I cannot call it to — = ik kan het mij niet herinneren: Give
my kind —s to = groet van mij; Remembrancer = The City — =
vertegenwoordiger van de City in het Parlement; Your letter was a kind
— = uw brief heeft er mij vriendelijk aan herinnerd.
Remind, rimaind, te binnen brengen, herinneren: There, that —s me =
wacht eens, daar schiet me te binnen; — me of it = help het mij
onthouden; Reminder: A gentle — = een vriendelijke aanmaning, wenk; A
little — note = briefje om te herinneren aan; Remindful of = gedachtig
aan.
Remington, remiŋt’n.
Reminiscence, reminis’ns, herinnering: —s of Carlyle = herinneringen
aan C.; Reminiscent = herinnerend: To be — of = zich herinneren;
herinneren aan.
Remise, rimaiz, terugzenden, terugschenken; subst. rimîz, rimaiz,
afstand; huurrijtuig: To — a claim = afstand doen van.
Remiss, rimis, zorgeloos, onachtzaam, nalatig, lui: He was a very —
correspondent; subst. —ness.
Remission, rimiš’n, remissie, vermindering, verslapping, afneming,
afstand, vergiffenis: At last there was a — of the hot weather =
eindelijk werd het wat minder heet; adj. Remissive (of) = nalatig.
Remit, rimit, terugzenden, overmaken, remitteeren, verslappen,
verminderen, vergeven, kwijtschelden, afstand doen; —ting fever =
afgaande koorts: The King —ted the sentence of death; His fine was —ted
to half the amount = werd tot op de helft teruggebracht; —tance = het
overmaken (van geld, etc.), het overgemaakte geld, remise; —tee,
ontvanger van de remise; —tent = beurtelings op- en afgaande in kracht:
—tent fever; —ter = remittent.
Remnant, remn’nt, overblijfsel, laatste stuk: Special — day =
lappendag.
Remodel, rîmod’l, opnieuw bewerken: The work was entirely —led = het
werk is geheel omgewerkt.
Remonstrance, rimonstr’ns, vertoog, verzet, protest; Remonstrant,
subst. remonstrant; adj. vertoogend, vermanend; Remonstrate,
rimonstreit, protesteeren, zich verzetten, excepties opwerpen,
onderhouden: I frequently —d with him on his behaviour = heb hem
herhaaldelijk onderhouden; subst. Remonstration.
Remora, remərə, de groote zuigervisch.
Remorse, rimös, berouw, wroeging; —ful = berouwhebbend, medelijdend;
subst. —fulness; —less = meedoogenloos, wreed, onbarmhartig: subst.
—lessness.
Remote, rimout, afgelegen, verwijderd, lang geleden, vreemd aan,
afgezonderd, gering: He made a — allusion to this = hij zinspeelde er
heel in de verte op; — antiquity = grijze oudheid; — kinsman = verre
bloedverwant; — resemblance = flauwe gelijkenis.
Remould, rîmould, opnieuw vormen.
Remount, rîmaunt, remonte (ook: versch) paard; — verb. opnieuw
bestijgen, remonteeren, teruggaan: The Army — Commission = remonte
commissie; We were getting —s for the cavalry = remontepaarden.
Removability, rimûvəbiliti, afzetbaarheid; Removable, rimûvəb’l,
afzetbaar; ook subst.; Removal, rimûv’l, verplaatsing, verhuizing,
afzetting, verwijdering; Remove, rimûv, subst. verwijdering, trap,
graad, klasse, bevordering; — verb. verwijderen, wegzenden,
verplaatsen, verhuizen, afdanken, dooden: The boy gained his — to the
form above = ging over; The boy missed his —, was not —d = ging niet
over, bleef zitten; He is my cousin to the second — = neef in den
tweeden graad (A cousin four times —d = in den vierden graad);
Elections at two —s = getrapte verkiezingen; These buildings will be —d
= zullen worden afgebroken; I think we shall — the first of July =
zullen verhuizen (overgaan); —d = verwijderd, afgelegen, dood; —r:
Furniture —r = verhuizer.
Remunerable, rimjûnərəb’l, wat beloond kan worden; subst.
Remunerability; Remunerate, rimjûnəreit, beloonen, vergoeden; subst.
Remuneration; Remunerative = beloonend, vergoedend = Remuneratory.
Renaissance, rineis’ns, renaissance.
Renal, rîn’l, nier...
Renard, renəd, Reintje de Vos.
Renascence, Renascency, rinas’ns(i), renaissance, wedergeboorte,
herleving; adj. Renascent.
Rencounter, renkauntə, subst. ontmoeting, botsing, treffen, gevecht,
duel; — verb. onverwachts ontmoeten, botsen, handgemeen worden.
Rend, rend, vaneenscheuren, verscheuren: To — in two, to pieces; It has
rent my heart in twain = het heeft mijn hart vaneengescheurd.
Render, rendə, teruggeven, overgeven, weergeven, overzetten of
vertalen, bewijzen, maken, berapen; subst. afgifte, beraping (van een
muur), overgave, verklaring: To — account = rekenschap afleggen; To —
assistance = hulp verleenen; To — homage = hulde bewijzen; To —
judgment = vonnis vellen; He wouldn’t — reason = geene reden geven;
Would you — me a service? = een dienst bewijzen; To — thanks = dank
betuigen; This —ed him unfit for work = maakte hem ongeschikt; The
fortress was —ed up to the prince = werd overgegeven; —er.
Rendezvous, rendəvû of Fr. uitspr. subst. plaats van bijeenkomst; —
verb. verzamelen, samenkomen; —-flag = verzamelplaatsvlag.
Rendition, rəndiš’n, overgave, uitlevering; vertaling, weergeving.
Renegade, renəgeid, afvallige, deserteur.
Renew, rinjû; hernieuwen, hervatten, nieuwe kracht geven, opnieuw
beginnen, herhalen; —able = hernieuwbaar; —al = verniewing, herleving;
—er.
Renfrew, renfrû, als persoonsn. renfrû.
Reniform, rîniföm, reniföm, niervormig.
Rennet, renət, (kaas)stremsel; renetappel.
Renounce, rinauns, subst. renonce (in het kaartspel); — verb.
verwerpen, zich verklaren tegen, laten varen, afzien van, renonceeren
(in ’t kaartspel): I — you and your party = wil niets gemeen hebben
met; subst —ment; —r.
Renovate, renəveit, vernieuwen, herstellen; —r of Renovator; subst.
Renovation, renəveiš’n.
Renown, rinaun, subst. vermaardheid, roem; — verb. beroemd of vermaard
maken; —ed = vermaard, beroemd.
Rent, rent, subst. scheur, scheuring, scheiding; — verb. imperf. en
p.p. van to rend.
Rent, rent, subst. rente, huur (—s = inkomsten); — verb. huren, in huur
hebben, verhuren: —-charge = erfpacht; —-day = betaaldag (van huur of
rente); —-free = kosteloos; —-roll = opgaaf of lijst der
pachtinkomsten, bruto pachtopbrengst; —al: The house commanded a good
—al = deed eene hooge huur; —al right = erfpacht; —er = huurder,
pachter, verhuurder, verpachter.
Rente, Fr. uitspr. rente, staatsschuld(bewijs).
Renter, rentə, fijn mazen. haast onzichtbaar stoppen of aaneennaaien;
subst. —er. Zie Rent.
Renumerate, rinjûməreit, optellen, opsommen.
Renunciation, rinɐnšieiš’n, verzaking, afstand; adj. Renunciative.
Reopen, rîoup’n, opnieuw openen of opengaan: The schools — = de scholen
beginnen weer; To — a wound (sore) = een oude wonde openrijten (fig.).
Reorganization, rîögən(a)izeiš’n, reorganisatie; Reorganize, rîögənaiz,
opnieuw organiseeren of inrichten.
Rep(p), subst. rips; adj. geribd: — note-paper = geribd postpapier.
Repair, ripêə, subst. herstel(ling); verblijfplaats, schuilhoek; —
verb. herstellen, vernieuwen, vergoeden, terugkomen op, zich begeven:
Beyond — = niet meer te herstellen; In (good) — = goed onderhouden; In
bad —, out of —, under — = slecht onderhouden, in verval, in reparatie;
To undergo —; Everything was soon —ed to its former state = in
vroegeren toestand teruggebracht, hersteld; He —ed to the subject again
and again = kwam telkens terug op; I —ed to him for information =
wendde mij tot hem; I do not know where to — to = waar ik zal heen
gaan, waar mij te bergen; adj. —able; —er (rijwiel)hersteller.
Repand, ripand, geschulpt (v. bladen).
Reparable, repərəb’l, herstelbaar; Reparation, repəreiš’n, herstelling,
genoegdoening, schadeloosstelling: He made — for his offensive words =
maakte weder goed; Reparative = herstellend, etc.
Repartee, repətî, gevat antwoord: Quick in — = slagvaardig.
Repass, rîpâs, opnieuw voorbij- of overgaan.
Repast, ripâst, maaltijd, voedsel.
Repatriate, ripatrieit, ripeitrieit, repatrieeren; subst. Repatriation.
Repay, ripei, terugbetalen, nogmaals betalen, vergoeden, kwijten: To —
oneself = zich schadeloos stellen; adj. —able; subst. —ment.
Repeal, ripîl, subst. intrekking, herroeping, afschaffing; — verb.
intrekken, herroepen, afschaffen; —able = herroepelijk; subst.
—ableness; —er = voorstander v. de — of the Union = de unie van
Engeland met Ierland (1843).
Repeat, ripît, subst. herhalingsteeken (muz.), nabestelling; — verb.
herhalen, opzeggen, oververtellen, repeteeren: Let me — to you =
opzeggen, reciteeren; I had to — him three times before he answered =
moest het hem herinneren; —-order = nabestelling; I have warned him
—edly = herhaaldelijk; —er = herhaler, opzegger, repeteerende breuk (=
—ing-decimal), repetitiehorloge (= —ing-watch), repeteergeweer of
pistool, iemand, die zijn stem tweemaal tracht uit te brengen (Amer.).
Repel, ripel, terugdrijven, afslaan, afstooten, weerstaan, afweren: I —
such terms = kom op tegen; —lence = afstootende kracht; adj. —lent:
Intoxicating drinks are —lent to me = staan mij tegen; —ler.
Repent, ripent, spijt of berouw gevoelen (hebben), boete doen: I — of
it = het berouwt me; She —ed her of her choice = had berouw van;
Repentance = berouw: Stool of — = zondaarsbankje; Repentant =
berouwhebbend, boetvaardig.
Repeople, rîpîp’l, opnieuw bevolken.
Repercussion, rîpəkɐš’n, terugkaatsing; adj. Repercussive, rîpəkɐsiv.
Repertoire, repətwâ, répertoire.
Repertory, repətəri, repertorium, bewaarplaats, lijst, register: A — of
useful science = een schat van nuttige kennis.
Repetend, repətend, repətend, repetent.
Repetition, repitiš’n, herhaling, voordracht; adj. Repetitious,
Repetitive.
Repine, ripain, morren, ontevreden zijn, kniezen, klagen: What is the
use of repining at God’s will? = wat geeft het of gij mort tegen Gods
wil.
Replace, ripleis, weer op de vorige plaats brengen, vervangen,
opvolgen: I must — the borrowed sum next week = het geleende
teruggeven; He has —d his opponent in the people’s esteem = zijn
tegenstander uit de gunst van het volk gedrongen; By what phrase can
this word be —d? = kan men dit woord vervangen; subst. —ment.
Replait, rîpleit, rîplît, opnieuw vouwen, dubbel vouwen.
Replant, rîplânt, opnieuw planten, verplanten; subst. —ation.
Replenish, ripleniš, weder aanvullen, bijvoegen: He couldn’t — his
small fire = kon niet aanvullen; subst. —ment.
Replete, riplît, vol: — with filth and misery = vol vuil en ellende;
Repletion = overlading, volheid.
Repleviable, ripleviəb’l, losbaar, herkrijgbaar; Replevin =
(bevelschrift tot) opheffing van beslag; Replevy, riplevi, weer in het
bezit krijgen, lossen.
Replica, replikə, copie v. een kunstwerk (door den maker zelf),
herhaling (muz.): A — of his father = evenbeeld; In Maggie we have Dot
in —.
Replicate, replikit, subst. herhaling (muz.); Replication = antwoord,
repliek, herhaling.
Reply, riplai, subst. antwoord, repliek; — verb. antwoorden,
repliceeren, hernemen: He made a poor — = gaf een ongelukkig antwoord;
The barrister replied on this case = repliceerde met betrekking tot
deze zaak; Why did you not — to his accusation? = antwoorddet gij niet
op, weerlegdet gij niet; —-(post)card = dubbele briefkaart.
Repolish, rîpoliš, opnieuw polijsten of beschaven.
Report, ripöt, subst. rapport, gerucht, faam, bericht, vonnis, verslag,
knal, gebulder; — verb. berichten, verslag doen, rapporteeren,
vertellen: To draw up a — = samenstellen; I am your friend in (through)
good and evil — = wat de wereld ook van u zegge; The — of the guns was
heard far off = in de verte hoorde men het kanongebulder; He was —ed
missing, but he soon —ed himself = als vermist opgegeven, doch meldde
zich; It is —d = het gerucht gaat; To — against = ongunstig
rapporteeren over; The committee —ed upon the bill = bracht rapport uit
over; School —; Reporter = verslaggever, rapporteur: He is a
parliamentary — = stenograaf bij de Tweede (Eerste) Kamer; —s’ gallery
= tribune voor de pers.
Repose, ripouz, subst. rust, kalmte, slaap, gemoedsrust, stilte; —
verb. uitrusten, slapen, berusten, zich verlaten of vertrouwen op: To
take — = rust nemen; To — confidence in a person = vertrouwen stellen;
Reposeful = kalm: Every page is rich in quiet, — beauty = ademt kalme,
stille schoonheid.
Repository, ripozitəri, bewaarplaats, pakhuis, magazijn.
Repossess, rîpəzes, weder in het bezit stellen (nemen): He was —ed of
his property = werd weer in het bezit zijner goederen gesteld; subst.
—ion.
Reprehend, reprihend, berispen; Reprehensible = berispelijk; subst.
—ness; Reprehension, reprihenš’n, berisping, blaam; adj. Reprehensive,
Reprehensory.
Represent, reprizent, voorstellen, spelen voor, vertegenwoordigen,
afbeelden: —ed by counsel = door een advocaat bijgestaan; adj. —able;
—ation = voorstelling, rolvervulling, uiteenzetting,
vertegenwoordiging; —ative, subst. voorsteller, plaatsvervanger,
gevolmachtigde, vertegenwoordiger; adj. voorstellend,
vertegenwoordigend, typisch: This work is —ative of the spirit of our
age = drukt den geest uit; subst. —ativeness; —er; —ment.
Represent, rîprizent, opnieuw aanbieden; —ation = vernieuwd aanbod.
Repress, ripres, onderdrukken, bedwingen, in toom houden; —ible =
bedwingbaar; —ion = bedwinging, beteugeling; —ive = bedwingend,
beteugelend.
Reprieve, riprîv, subst. uitstel, bevrijding; — verb. opschorten,
uitstellen, bevrijden.
Reprimand, reprimand, subst. strenge berisping, hard verwijt; — verb.
reprimand, streng berispen, openbaar bestraffen.
Reprint, rîprint, herdruk; afdruk, nadruk (Amer.).
Reprint, riprint, herdrukken, een afdruk maken; nadrukken.
Reprisal, ripraiz’l, subst. herneming, represaille, vergelding,
weerwraak: Letters of — = kaperbrieven; That is a just — against them =
rechtmatige represaille op; To make —s (on); Reprise, ripraiz, subst.
hernomen schip; refrein: —s = jaarlijksche aftrek (bijv. erfpacht) van
de inkomsten uit landerijen.
Reproach, riproutš, subst. verwijt, berisping, blaam, schande, oneer; —
verb. verwijten, berispen, afkeuren, beschuldigen: That boy is the — of
the family, brings (draws) — on (upon) the family = strekt zijne
familie tot oneer; He incurred several —es = haalde zich allerlei
verwijtingen op den hals; —es = beurtgezang tijdens de kruisaanbidding
in de R.K. kerk op Goeden Vrijdag; I —ed myself for forgetting it = nam
mezelf kwalijk; What did he — you with? = wat heeft hij u ten laste
gelegd; —ful = schandelijk, verwijtend: His was a —ful conduct = was
schandalig; subst. —fulness.
Reprobate, reprəbit, subst. verworpeling; adj. goddeloos, verdoemd; —
verb. reprəbeit, verwerpen, afkeuren, verdoemen; Reprobation,
reprəbeiš’n, verwerping, verdoeming: The tenet of — = het leerstuk der
verwerping of verdoeming.
Reproduce, rîprədjûs, opnieuw voortbrengen, copieeren, weergeven; —r;
Reproduction = copie, nieuwe voortbrenging, etc.; Reproductive,
Reproductory = voortbrengend, copieerend.
Reproof, riprûf, berisping = Reproval, riprûv’l; Reprove, riprûv,
berispen, een standje maken; —r.
Reprune, rîprûn, opnieuw snoeien (vruchtboomen).
Reptant, rept’nt, kruipend.
Reptile, rept(a)il, subst. kruipend dier, verachtelijke kruiper; adj.
kruipend, verachtelijk; Reptilia, reptiljə, kruipende dieren;
Reptilian, subst. en adj. kruipend (dier).
Republic, ripɐblik, republiek, gemeenebest: — of letters = rijk der
letteren en geletterden; —an, subst. en adj. republikein(sch); —anism =
republikeinsche gezindheid; —anize = in eene republiek veranderen.
Republication, rîpɐblikeiš’n, herdruk, nieuwe uitgave; Republish,
rîpɐbliš, opnieuw uitgeven, herdrukken.
Repudiate, ripjûdieit, verwerpen, verstooten, loochenen, ontkennen;
Repudiation = verwerping, etc; Repudiator.
Repugnance, ripɐgn’ns, afkeerigheid, weerzin, tegenspraak; adj.
Repugnant.
Repulse, ripɐls, subst. terugdrijving, afwijzing, weigering,
teleurstelling; — verb. terugdrijven, terugslaan, afslaan: He got (met
with) no second — = hij werd niet voor de tweede maal afgescheept; —r;
Repulsion = terugdrijving, afstooting, afschuw; Repulsive =
terugstootend, afschuwwekkend.
Repurchase, rîpɐ̂tšis, subst. terugkoop; — verb. weder- of terugkoopen.
Reputable, repjutəb’l, te goeder naam bekend, eervol, geacht; subst.
—ness; Reputation, repjuteiš’n, goede naam, aanzien, achting;
Reputatively, repjutətivli, volgens zijn naam, volgens gerucht; Repute,
ripjût, subst. goede naam, roem; — verb. achten, houden voor: He is a
man of (good) — = van goeden naam; He is held (stands) in high, in bad
— = hij heeft een goeden, slechten naam; He is well —d = hij staat goed
bekend, heeft een eervollen naam; —dly = naar verluidt, vermeend.
Request, rikwest, subst. verzoek, vraag, request; — verb. verzoeken,
een request richten: At your — = op uw verzoek; At the — of; In great —
= veel gevraagd = Much in —; To accede to, To comply with, To grant a —
= aan een verzoek voldoen, een verzoek inwilligen; To make, To prefer a
— = een verzoek doen; —er.
Requiem, rîkwiem, rekwiem, requiem, zielmis (= —-mass).
Require, rikwaiə, eischen, vorderen, verzoeken, vragen, noodig hebben,
vereischen: What do you — me to do? = verlangt ge dat ik doen zal;
—ment = eisch, vereischte, geëischte; —r; Requisite, rekwizit, subst.
vereischte; adj. onontbeerlijk, noodig; subst. —ness; Requisition,
rekwiziš’n, subst. vraag, eisch, verlangen, schriftelijke oproeping,
requireering; — verb. eischen, requireeren: To lay under (Put in) — =
requireeren; —s of food = opeisching van levensmiddelen; The horses
were —ed for the Royal Artillery = werden gerequireerd; —ist.
Requital, rikwait’l, belooning, vergelding, wraak; Requite, rikwait,
beloonen, vergelden, wreken; —r.
Reredos, rîədos, altaarscherm, achterwand van het altaar (van steen,
hout, fluweel of borduursel); achterwand van een open vuurhaard.
Reremouse, rîəmaus, vleermuis.
Resail, rîseil, terugzeilen.
Resale, rîseil, weder-verkoop, tweedehandsverkoop.
Rescind, risind, herroepen, afschaffen, vernietigen; adj. —able;
Rescission, risiš’n, herroeping, vernietiging; Rescissory = opheffings
...
Rescript, rîskript, keizerlijke beslissing over eene rechtszaak,
pauselijk antwoord of beslissing, besluit, edict.
Rescue, reskjû, subst. bevrijding, verlossing, redding, hulp,
gewelddadige bevrijding; — verb. bevrijden, verlossen, te hulp komen,
redden: To come to the — in time = te hulp komen; He was —d from
danger; —-home = asyl voor gevallen meisjes; —r.
Research, risɐ̂tš, subst. stipt en streng onderzoek; — verb. ook rîsɐ̂tš,
nauwkeurig onderzoeken, naspeuren: I have made —es into it = van alle
zijden nauwkeurig onderzocht; —er.
Reseat, rîsît, opnieuw plaatsen, van nieuwe zitplaatsen voorzien.
Resect, risekt, uitsnijden (van beenderen); subst. —ion.
Reseda, risîdə, reseda.
Reseize, rîsîz, weder bemachtigen, weder in bezit nemen; subst.
Reseizure, rîsîžə.
Resell, rîsel, opnieuw verkoopen.
Resemblance, rizembl’ns, gelijkenis, overeenkomst; Resemble, rizemb’l,
gelijken: He —d my father = geleek op.
Resend, rîsend, opnieuw zenden, doorzenden.
Resent, rizent, kwalijk nemen, zich beleedigd toonen over, als eene
beleediging opvatten: I — such opinions = protesteer tegen zulke
meeningen; —er; —ful = geraakt, gebelgd; —ment = wrok, toorn,
verbolgenheid: He did not show the least —ment = scheen er volstrekt
niet gebelgd over.
Reservation, rezəveiš’n, voorbehoud, achterhoudendheid; gereserveerd
terrein (Amer.): Mental — = innerlijk voorbehoud.
Reserve, rizɐ̂v, subst. achterhouding, terughoudendheid, voorbehoud,
behoedzaamheid (in taal of daad), uitzondering, reserve, de oudere
lichtingen der soldaten; — verb. achterhouden, bewaren, voorbehouden:
To accept a statement with some — = onder eenige reserve; He kept it in
— = hield dat achter, in voorraad; I dare state this without — = zonder
voorbehoud; The —s were called out = de reserve werd opgeroepen; I have
—d the best for the last moment = heb bewaard; I — to myself the right
of refusing = behoud mij het recht voor; —d = gereserveerd,
teruggehouden, omzichtig, koel, op een afstand; —r = wie of wat
voorbehoudt; Reservist = soldaat van de reserve; Reservoir, rezəvwö,
bewaarplaats, regenbak: Balancing — = watertoren.
Reset, rîset, opnieuw zetten; —ter.
Reset, riset, een misdadiger herbergen, helen; —ter = heler.
Resettle, rîset’l, opnieuw in orde brengen, weer vestigen of
installeeren, tot rust komen; subst. —ment.
Reship, rîšip, opnieuw inschepen, retour zenden, opnieuw uitvoeren;
subst. —ment.
Reside, rizaid, wonen, resideeren; Residence, rezidens, woning,
verblijf(plaats), officieel verblijf, residentie: He took up his —
there = hij vestigde zich; Board and — = kost en inwoning; Residency,
rezid’nsi, residentschap; officieel verblijf van den Resident (Brit.
Ind.); Resident, rezid’nt, subst. bewoner, (minister)-resident; adj.
woonachtig, inwonend: — doctor, pupil, teacher; —ship = ambt van een —;
—ial, rezidenš’l, met betrekking tot een verblijf of bewoner; Resider =
bewoner, verblijfhouder.
Residual, rizidju-əl, overgebleven: — product = netto opbrengst;
Residuary (rizidjuəri) devisee = de persoon aan wien al het onroerend
goed komt na aftrek van legaten; — legatee = aan wien al het roerend
goed komt onder dezelfde voorwaarden (feitelijk krijgen beiden alles,
waarover niet bepaald anders is beschikt); Residue, rezidjû, overschot,
rest; Residuum, rizidju-əm, bezinksel, overblijfsel, schuim der
maatschappij.
Resign, rizain, afstaan, zich onderwerpen aan, bedanken, neerleggen,
ontslag nemen: He was appointed, but —ed = werd benoemd, maar bedankte;
I would not — my grief = zou niet willen missen; He suffered much, but
was —d = maar droeg het gelaten; He —ed himself up to the decrees of
Providence = onderwierp zich aan; Resignation, rezigneiš’n,
onderwerping, gelatenheid, overgave (aan Gods wil), ontslag: To hand
in, To offer, To tender one’s — = indienen, aanbieden; Resignee,
rizainî, rezainî, rizainî, wien iets afgestaan wordt; Resigner = die
afstand doet; Resignment = afstand, berusting, onderwerping.
Resign, rîsain, opnieuw teekenen.
Resilient, risilj’nt, terugspringend.