India, indjə, Voor-Indië: Further — = Achter-Indië; — ink; —man =

Oostinjevaarder; — office = ministerie van koloniën; — rubber = —n

rubber; Indian = Indisch, Indiaansch; subst. Indiër, Indischman,

roodhuid: — anis = steranijs; A retired member of the — Civil Service =

gepensioneerd Indisch ambtenaar; Board of — Civil Service Studies =

Raad voor de studie voor de Brit. Ind. ambtenaarsexamens; — corn =

maïs; — cress = Oostindische kers; — file = achter elkaar; — fire =

soort van Bengaalsch vuur als signaalvuur; — ink = Oostindische inkt;

An — inky day = sombere; —like = als een Indiër of Indiaan; —-reed,

—-shot = Oostindisch riet; — rubber = gomelastiek, caoutchouc;

overschoen = — rubber shoe; — summer = warme nazomer; — yellow =

Oostindisch geel; The Indies = Indië.

Indiana, indjanə; Indianapolis, indjənapəlis.

Indicant, indik’nt, aanwijzend; subst. symptoom: — days = crisis;

Indicate, indikeit, aanwijzen, aanduiden; subst. Indication;

Indicative, indikətiv, indikətiv, subst. en adj. aantoonend(e wijs);

Indicator, indikeitə, indicateur; adj. Indicatory,

Indict, indait, beschuldigen, aanklagen: —ed for murder; —able offence

= een zwaar misdrijf (dat door de ‘Grand Jury’ berecht moet worden);

—er (= —or); —ment = aanklacht; beslissing van de Grand Jury, na

onderzoek, om rechtsingang te verleenen.

Indifference, indifərens, onverschilligheid, onpartijdigheid,

middelmatigheid; Indifferent = onverschillig(e), van geene beteekenis,

tamelijk, zoo-zoo: He is in — health = niet recht gezond; — pictures =

van geen bijzondere waarde; —ly printed = niet bijzonder fraai gedrukt;

To sleep —ly = vrij slecht; These words are used —ly = door elkander;

—ism, indifər’ntizm, stelselmatige onverschilligheid, vooral in

godsdienst.

Indigence, -cy, indidžens(i), gebrek, nooddruft, armoede.

Indigene, indidžîn, oorspronkelijke bewoner; Indigenous, indidžinɐs,

inlandsch, aangeboren, inherent.

Indigent, indidžent, behoeftig, arm.

Indigested, indidžestid, onverwerkt, onrijp, verward, vormloos;

Indigestible, indidžestib’l, onverteerbaar, onduldbaar; subst. —ness;

Indigestion, indidžestj’n, slechte spijsvertering; Indigestive =

dyspeptisch.

Indignant, indign’nt, verontwaardigd; Indignation, indigneiš’n,

verontwaardiging: —-meeting = protest meeting (Amer.); Indignity =

indigniti, smaad, hoon, beleediging.

Indigo, indigou, indigo; —-bird = Indigo vink; — composition =

indigotinctuur; —-plant = indigoplant; —meter, indigomətə, indigometer;

Indigotin, indigətin, indigoblauw.

Indirect, indirekt, niet recht, onoprecht, slinksch: — evidence =

derivatief bewijs; —-tax = indirecte belasting; —ion, indirekš’n,

oneerlijke practijk, list; —ness, scheefheid, omweg, onoprechtheid.

Indiscernible, indizɐ̂nib’l, niet te onderscheiden; subst. —ness.

Indiscoverable, indiskɐvərəb’l, niet te ontdekken, onbegrijpelijk.

Indiscreet, indiskrît, onverstandig, onbezonnen, onbescheiden,

indiscreet; subst. Indiscretion, indiskreš’n: Years of — vlegeljaren.

Indiscriminate, indiskriminit, niet te onderscheiden; niet

onderscheiden; zonder onderscheid, door elkaar; Indiscriminating = geen

onderscheid makend, blind; Indiscrimination, indiskrimineiš’n, gebrek

aan onderscheiding(svermogen), verwardheid.

Indispensability, indispensəbiliti, subst. v. Indispensable,

indispensəb’l, onvermijdelijk, onmisbaar: subst. —ness.

Indispose, indispouz, ongunstig stemmen, ongeschikt of ongesteld maken;

—d; Indisposition, indispəziš’n, afkeer(igheid), ongesteldheid.

Indisputability, indispjutəbiliti, subst. v. Indisputable,

indispjutəb’l, indispjûtəb’l, onbetwistbaar; Indisputed, indispjûtid,

onbetwist.

Indissolubility, indisəl(j)ubiliti, subst. v. Indissoluble,

indisəl(j)ub’l, indisoljub’l, onoplosbaar, onverbreekbaar;

Indissolvable, indizolveb’l, onoplosbaar.

Indistinct, indistiŋkt, onduidelijk, verward; subst. —ness.

Indistinguishable, indistiŋgwišəb’l, niet te onderscheiden; subst.

—ness.

Indite, indait, schrijven, opstellen; —r.

Individual, individjuəl, individueel, persoonlijk, eigendommelijk;

subst. persoon, individu; —ism = individualisme, zelfzucht; —ity,

individjualiti, eigenaardig karakter, individualiteit; —ization =

subst. v. —ize = onderscheiden, als een individu kenmerken;

Individuate, individjueit, individualiseeren; subst. Individuation.

Indivisibility, indivizibiliti, subst. v. Indivisible, indivizib’l,

subst. en adj. ondeelbaar (iets).

Indo, indou, (in samenstellingen): —-Briton = iemand met een Engelschen

vader en eene Brit. Ind. moeder; —-China; —-Chinese = behoorende tot

het Z.O. schiereiland v. Azië; —-English = de in Indië geboren of

wonende Engelschen betreffend; —-European = Arisch, Indo-germaansch;

—-Germanic = Arisch, Indo-germaansch.

Indocile, indousil, indosil, onleerzaam, onhandelbaar; subst.

Indocility, indəsiliti.

Indoctrinate, indoktrineit, onderwijzen, in een stelsel inleiden of er

mede vertrouwd maken: I —d him with these notions; subst.

Indoctrination.

Indolence, indəlens, vadsigheid, traagheid, pijnloosheid; adj.

Indolent, indəlent: — tumour = pijnloos gezwel.

Indomitable, indomitəb’l, ontembaar, onoverwinnelijk.

Indoor, indö, adj. binnen, huiselijk, huis...: —s, indöz, indöz, adv.

binnenshuis, thuis.

Indorse, indös, Zie Endorse.

Indraught, Indraft, indrâft, binnenstroomen van water of lucht.

Indubitable, indjûbitəb’l, Indubitate, indjûbitit, ontwijfelbaar.

Induce, indjûs, bewegen, nopen, veroorzaken, induceeren; —ment =

aanleiding, beweegreden, drijfveer, prikkel.

Induct, indɐkt, inwijden, installeeren; (into), in een (geestelijk)

ambt bevestigen; —ion, indɐkš’n, begin, installatie, bevestiging,

inductie (electr.), inleiding, gevolgtrekking uit waargenomen feiten;

—ion-coil = inductierol (-klos); —ive = inleidend, door gevolgtrekking

uit waargenomen feiten, inductie, inductief..: —ive method; —ive

sciences = op waarneming gegronde wetenschappen; —or = hij, die

installeert, inductor (Electr.).

Indue, indjû, bekleeden, verschaffen.

Indulge, indɐldž, toegeven, zich overgeven, voeden, koesteren,

verwennen, zuipen: She —s her children too much = geeft te veel toe; To

— a dream = koesteren; He —s in indolence = geeft zich over aan; This

writer —s himself with a trifle of exaggeration = veroorlooft zich

eenige overdrijving; We —d ourselves with tickets for the opera =

permitteerden ons de weelde; —nce, —ncy = toegevendheid,

verdraagzaamheid, uitstel van betaling, uitspatting, aflaat; Indulgent

= toegeeflijk, zacht.

Indurate, indjureit, verharden, ongevoelig maken, worden; subst.

Induration.

Industrial, indɐstriəl, vlijtig, nijverheids..; subst. industriëel: —

exhibition = nijverheidstentoonstelling; — school = ambachtsschool; ook

soort tuchtschool; — school-ship = opleidingsschip voor verwaarloosde

kinderen; A penal — settlement = strafkolonie; Industrious, indɐstriəs,

vlijtig, nijver, arbeidzaam; Industry, indəstri, ijver, vlijt,

nijverheid: School of —.

Inebriant, inîbriənt, dronken makend (middel); Inebriate, inîbri-it,

subst. en adj. dronken (mensch); — verb. inîbrieit, dronken maken;

Inebriation = dronkenschap, roes; Inebriety, inibraiiti, dronkenschap

(vooral van een ‘habitual drunkard’).

Inedited, ineditid, onuitgegeven.

Ineffability, inefəbiliti, subst. v. Ineffable, inefəb’l,

onuitsprekelijk.

Ineffaceable, inefeisəb’l, onuitwischbaar.

Ineffective, inefektiv, zonder uitwerking, vruchteloos, ondeugdelijk;

subst. onbruikbaar mensch; subst. —ness; Ineffectual, inefektjuəl =

Ineffective.

Inefficacious, inefikeišəs, zonder uitwerking, vruchteloos; subst.

—ness = Inefficancy = Inefficiency, ook onbekwaamheid; adj.

Inefficient.

Inelegance, ineləg’ns, smakeloosheid, onbevalligheid; adj. Inelegant,

ineləg’nt.

Ineligible, inelidžib’l, onverkieslijk, onverkiesbaar.

Inept, inept, ongerijmd, dwaas; subst. —itude = —ness.

Inequality, inikwoliti, ongelijkheid, oneffenheid, verschil,

onbevoegdheid, partijdigheid.

Inequilateral, inîkwilatər’l, ongelijkzijdig.

Inequitable, inekwitəb’l, onbillijk.

Inequity, inekwiti, onbillijkheid.

Ineradicable, iniradikəb’l, onuitroeibaar.

Inert, inɐ̂t, bewegingloos, log, traag; —ia, inɐšə, traagheid (Natuurk.)

= Vis —iae (inɐ̂ši-î); —ion = —ness = traagheid.

Inessential, inəsenš’l. Zie Unessential.

Inestimable, inestiməb’l, onschatbaar.

Inevitability, inevitəbiliti, subst. v. Inevitable, inevitəb’l,

onvermijdelijk; subst. —ness.

Inexact, inəgzakt, onnauwkeurig; subst. —itude = —ness.

Inexcitable, inəksaitəb’l, loom, lusteloos.

Inexcusable, inəkskjûzəb’l, onvergeeflijk; subst. —ness.

Inexhaustibility, inəgz(h)ôstibiliti, subst. v. Inexhaustible,

inəgz(h)ôstib’l, onuitputtelijk, onvermoeid = Inexhaustive,

inəgz(h)ôstiv, niet uitputtend.

Inexorability, ineksərəbiliti, subst. v. Inexorable, ineksərəb’l,

onverbiddelijk; subst. —ness.

Inexpedience, -cy, inəkspîdj’ns(i), ongeschiktheid, onraadzaamheid;

adj. Inexpedient, inəkspîdj’nt.

Inexpensive, inəkspensiv, goedkoop.

Inexperience, inəkspîrj’ns, onervarenheid; —d = onervaren, onbevaren.

Inexpert, inəkspɐ̂t, onbedreven; subst. —ness.

Inexpiable, inekspiəb’l, onverzoenbaar; subst. —ness.

Inexplicability, ineksplikəbiliti, subst. v. Inexplicable,

ineksplikəb’l, onverklaarbaar: —s = broek; subst. —ness.

Inexpressible, inəkspresib’l, onuitsprekelijk; —s = broek;

Inexpressive, inəkspresiv, zonder uitdrukking.

Inexpugnable, inəkspɐgnəb’l, inəkspjûnəb’l, onoverwinnelijk,

onneembaar.

Inextinguishable, inəkstiŋgwišəb’l, onbluschbaar.

Inextricable, inekstrikəb’l, niet ontwarbaar; subst. —ness.

Inez, ainîz.

Infallibilism, infalibilizm, het dogma van, en het geloof aan de

pauselijke onfeilbaarheid; Infallibility, infalibiliti, onfeilbaarheid;

Infallible, infalib’l, onfeilbaar, zeker; subst. —ness.

Infamous, infəmɐs, schandelijk, verfoeilijk, berucht; Infamy, infəmi,

schande, laagheid.

Infancy, inf’nsi, kindsheid, minderjarigheid, aanvang, eerste stadium.

Infant, inf’nt, kind, minderjarige; adj. klein, teeder, kinderlijk;

kinder...: — in arms = schootkindje; — games; — mortality; —-school,

—s’ school = bewaarschool; His — son = zoontje; —a, infantə, —e,

infanti, koninklijke prinses of prins, behalve de troonopvolgster of

den troonopvolger (Spanje); —icide, infantisaid, kindermoord(enaar);

—ile, inf’nt(a)il, —ine, inf’nt(a)in, kinderachtig; kinderlijk = —like.

Infantry, inf’ntri, infanterie: —man = infanterist.

Infatuate, infatjueit; —d = blind ingenomen met, dwaas verliefd op

(with); Infatuation, infatjueiš’n, verdwaasdheid, dwaze verliefdheid.

Infect, infekt, besmetten, aansteken; —ion = besmetting, smetstof: To

catch (take) the —ion = besmet, aangestoken worden; —ious, infekšəs,

besmettelijk, aanstekelijk; subst. —ness; —ive = —ious.

Infecundity, infikɐnditi, onvruchtbaarheid.

Infelicitous, infilisitɐs, ongelukkig; Infelicity, infilisiti, ongeluk,

ellende, rampspoed, ongelukkig gekozen uitdrukking.

Infer, infɐ̂, eene gevolgtrekking maken, een besluit trekken; —able =

afleidbaar, volgend; —ence, infərens, gevolgtrekking; —ential,

infərenš’l, afleidbaar = By —ence; I could only gather it —entially =

slechts uit het medegedeelde opmaken.

Inferior, infîriə, minder, lager, ondergeschikt; ook subst.: I am — to

none in love of country = doe voor niemand onder; —ity, infîrioriti,

minderheid.

Infernal, infɐ̂n’l, helsch, duivelsch, verfoeilijk, kolossaal, kras: —

machine = helsche machine; —-stone = helsche steen.

Inferno, infɐ̂nou, de hel.

Infertile, infɐ̂t(a)il, onvruchtbaar; subst. Infertility.

Infest, infest, aanvallen, overvallen, invallen, verwoesten, onveilig

maken, kwellen; wemelen van (= To be —ed with); subst. —ation.

Infidel, infidel, subst. en adj. ongeloovig(e); —ity, infideliti,

ongeloof, twijfelzucht, ontrouw, verraad, bedrog.

Infiltrate, infiltreit, insijpelen, langzaam doordringen; subst.

Infiltration.

Infinite, infinit, oneindig, grenzeloos; subst. oneindigheid, oneindige

ruimte, onbepaalde hoeveelheid, Hoogste Wezen; —simal, infinitesim’l,

oneindig klein; Infinitude, infinitjûd, Infinity, infiniti,

oneindigheid.

Infinitival, infinitaiv’l, infinitiv’l, tot de onbep. wijs behoorend;

Infinitive, infinitiv, onbepaalde wijs.

Infirm, infɐ̂m, zwak, onzeker, weifelend; —arian, infɐ̂mêriən,

ziekentrooster; —ary = ziekenhuis; —ity = zwakheid (ook fig.);

ziekelijkheid = —ness.

Infix, infiks, inplanten, inprenten.

Inflame, infleim, doen ontvlammen, verbitteren, doen gloeien; gloeiend

worden: He —d them against England = zette ze op tegen; Inflammability,

inflaməbiliti, ontvlambaarheid, ook fig.; Inflammable, inflaməb’l,

ontvlambaar (—s = brandbare lichamen); subst. —ness; Inflammation,

infləmeiš’n, ontbranding, opwinding, ontsteking; Inflammatory,

inflamətəri, prikkelend, ontsteking veroorzakend, opruiend.

Inflatable, infleitəb’l, opblaasbaar; Inflate, infleit, opblazen,

uitzetten, opdrijven, opgeblazen maken; —r = fietspomp; Inflation =

opblazing, kunstmatige opdrijving, etc.: The — of (To —) worthless

securities with an artificial value; Inflationist, infleišənist,

voorstander van de vermeerdering van papieren geld; agioteur (Amer.);

Inflator = Inflater; Inflatus = inspiratie.

Inflect, inflekt, buigen, krommen, verbuigen, moduleeren; —ion =

(ver)buiging, kromming, buigingsvorm, modulatie; —ional = buigings...;

Inflexibility, subst. v. Inflexible, infleksib’l, onbuigzaam,

onverbiddelijk; Inflexion(al) = Inflection(al).

Inflict, inflikt, opleggen (van boete of straf), doen gevoelen,

toebrengen; —ion, inflikš’n, het toebrengen, opgelegde straf, last,

bezoeking.

Inflorescence, inflores’ns, bloeiwijze.

Inflow, inflou. Zie Influx.

Influence, influens, subst. invloed, macht; — verb. invloed hebben op,

inwerken op: He has — at Court = invloed aan het hof; These things have

no — with me = hebben geen invloed; He bragged of — over his mother =

dat hij zijne moeder naar zijne hand kon zetten; Influential,

influenš’l, invloedrijk; Influenza, influenzə, griep; besmettelijke

paardenziekte.

Influx, inflɐks, instrooming, toevoer, toevloed.

Inform, inföm, onderrichten, mededeelen, aangeven; vorm geven aan,

bezielen: He —ed against me = diende een aanklacht in tegen mij; He —ed

me of it = berichtte het mij; His book is —ed with intense conviction =

is bezield door, gloeit van; —ed with one spirit = bezield; —ant =

aanbrenger, zegsman; —ation, infömeiš’n, kennis, bericht,

inlichting(en), kennisgeving, geschreven beëedigde aanklacht; —er =

aanklager: Common —er = verklikker.

Informal, inföm’l, niet formeel; Informality = informaliteit.

Infra, infrə: — dig = beneden de waardigheid.

Infract, infrakt, schenden; —ion = schending, breuk: —ion of faith =

trouwbreuk.

Infrequence, -cy, infrîkw’ns(i), zeldzaamheid; adj. Infrequent,

infrîkw’nt.

Infringe, infrinž, inbreuk maken op, schenden, overtreden; subst.

—ment; —r.

Infuriate, infjûriit, adj. woedend, razend: — verb. (infjûrieit),

woedend of razend maken.

Infuse, infjûz, ingieten, ingeven, inprenten, een infusie maken,

drenken: He —d his life into his poetry = legde in, doordrong; —r;

Infusibility, subst. v. Infusible, infjûzib’l, onsmeltbaar; Infusion,

infjûž’n, ingieting, doordringing, infusie.

Infusoria, infjusôriə, infusiediertjes; adj. —l = tot de infusoria

behoorend of die bevattende; —n = infusiediertje.

Ingathering, ingadhəriŋ, inzameling: Feast of — (2 Mos. 23, 16).

Ingelow, indžəlou.

Ingeminate, indžemineit, herhalen.

Ingenious, indžîniəs, vernuftig, talentvol, vindingrijk, geestig;

subst. —ness = Ingenuity, indžənjûiti.

Ingenue, Fr. uitspr. naïef, onschuldig, ingenue; ook subst.

Ingenuous, indženjuəs, oprecht, openhartig, ongekunsteld; subst. —ness.

Ingest, indžest, voedsel in de maag brengen; subst. —ion.

Ingle, iŋg’l, vuur, haard (Schotl.): In the — of a window = hoekje;

—-nook = hoekje van den haard.

Inglorious, inglôriəs, roemloos, onbekend, schandelijk; subst. —ness.

Ingoing, ingouiŋ, subst. het ingaan, aanvaarden; adj. binnengaand, een

ambt aanvaardend.

Ingot, iŋgət, in-got, baar of staaf (goud, zilver, staal).

Ingraft, ingrâft, enten; —er = enter; —ment.

Ingrain, ingrein, (predikatief: ingrein), adj. in de wol geverfd,

ingeworteld, doortrapt; — verb. ingrein, ingrein, in de wol verven,

doordringen, verzadigen; —(-carpet) = in de wol geverfd vloerkleed.

Ingram, iŋgram.

Ingrate, ingreit, ondankbaar, ondankbare; Ingrateful, ingreitf’l,

ondankbaar.

Ingratiate, ingreišieit, (zich) in de gunst dringen bij (with), steeds

reflexief.

Ingratitude, ingratitjûd, ondankbaarheid.

Ingredient, ingrîdj’nt, bestanddeel.

Ingress, ingres, toegang, intrede, aanvaarding; Ingression = intrede.

Ingulf, ingɐlf, (als in een afgrond) verzwelgen.

Ingurgitate, ingɐ̂džiteit, verzwelgen; subst. Ingurgitation.

Inhabit, inhabit, wonen, bewonen; —able = bewoonbaar; —ancy =

woonplaats, domicilie; —ant = bewoner, inwoner; —ation = bewoning.

Inhalation, inhəleiš’n, subst. v. Inhale, inheil, inademen, inhaleeren:

—r = respirateur, inhaleertoestel.

Inharmonic(al), inhâmonik(’l), Inharmonious, inhâmounjəs, onwelluidend.

Inhaul(er), inhôl(ə), inhaler (zeeterm).

Inhere, inhîə, onafscheidelijk verbonden zijn; —nce, —ncy, inhîr’ns(i),

onafscheidelijkheid, inhaerentie; —nt = inhaerent: It is —nt in the

blood = zit in het bloed.

Inherit, inherit, erven; —ability, erfelijkheid, overerving; —able =

erfbaar; —ance = erfenis, erflating; —or = erfgenaam; vr. —ress = —rix.

Inhibit, inhibit, terughouden, beletten, verbieden; subst. —ion,

inhibiš’n, verbod tot het uitoefenen van geestelijke bedieningen,

aangaan van schulden, geven van crediet; adj. —ory.

Inhospitable, inhospitəb’l, onherbergzaam, ongastvrij; subst.

Inhospitality.

Inhuman, inhjûm’n, onmenschelijk, wreed: An — hunger = verschrikkelijke

honger; subst. —ity, inhjumaniti.

Inhumation, inhjumeiš’n, begraving; Inhume, inhjûm, begraving.

Inimical, inimik’l, vijandelijk, schadelijk.

Inimitability, inimitəbiliti, subst. v. Inimitable, inimitəb’l,

onnavolgbaar; subst. —ness.

Iniquitous, inikwitɐs, zondig, onrechtvaardig; Iniquity, inikwiti,

ongerechtigheid, onrechtvaardigheid, zonde, misdaad.

Inirritability, iniritəbiliti, subst v. Inirritable, iniritəb’l,

ongevoelig.

Initial, iniš’l, beginnend, eerste, voorste; subst. beginletter,

vóórletter; — verb. met zijn initialen teekenen (borduren), parafeeren;

Initiate, inišiit, nieuw...; nieuweling, ingewijde; verb. (inišieit),

inleiden, in de eerste beginselen onderrichten, inwijden; Negotiations

on the lines initiated at Bloemfontein = onderhandelingen in de lijn

der voorloopige besprekingen te B; subst. Initiation; Initiative =

inleidend; subst. eerste stap, begin, initiatief: To take the — in;

Initiatory = inleidend, inwijdend.

Inject, indžekt, inspuiten, inbrengen; subst. Injection: —-cock =

injector; —-pipe; —-syringe = injectiespuitje; Injector = injector.

Injudicious, indžudišəs, onoordeelkundig, onverstandig; subst. —ness.

Injunct, indžɐŋkt, uitdrukkelijk verbieden, inscherpen; —ion =

opdracht, bevel, rechterlijk verbod: To give strict —s to = To lay

strong —s upon a person = iemand op het hart binden.

Injure, inžə, onrecht doen, verongelijken, krenken, benadeelen,

kwetsen; —r; Injurious, indžûriəs, nadeelig, schadelijk, krenkend;

subst. —ness; Injury, inžəri, onrecht, schade, beleediging, krenking,

verwonding: He is detained by an — to his leg = door eene wond aan zijn

been.

Injustice, indžɐstis, onrecht(vaardigheid).

Ink, iŋk, subst. inkt; — verb. zwart maken, met inkt besmeren; —-bag =

inktblaas (bij visschen); —-blot = vlek; —-bottle = inktflesch;

—-eraser = inktgomelastiek; —-fish = inktvisch; —-holder = reservoir;

—-lines = gelinieerd blad; —-slinger = broodschrijver, journalist

(Amer.); —stand = inktkoker, inktstel; —-stone = inktsteen; —iness =

inktachtigheid, zwartheid; —ing: —ing-ball = drukbal; —ing-pad =

inktkussen; —y = inktachtig, zwart; —yburn = de Hel: I wished him at

—yburn = ik wou, dat hij op de Mookerhei zat.

Inkle, iŋk’l, breed lint, soort sajet.

Inkling, iŋkliŋ, wenk, flauw idee (van): He has an — of it = hij weet

er iets van; I gathered an — of their project = kreeg er de lucht van.

Inknit, in-nit, inbreien, vastmaken.

Inknot, in-not, met een knoop vastmaken.

Inland, inland, binnenlandsch: — duty = accijns; — navigation =

binnenscheepvaart; — revenue = binnenlandsche rechten; — sea =

binnenzee; — town = landstad, binnenl. stad.

Inlay, inlei, inlei, subst. mozaïek, fineerhout; — verb. inlei,

inleggen, met mozaïek versieren; Inlaid, inleid; predikatief: inleid: A

mother-of-pearl — desk = met paarlemoer ingelegde.

Inlet, inlet, ingang, baai, inham.

Inly, inli, innerlijk: Man’s conscience is an —-written law =

innerlijke, in zijn binnenste geschreven; He chuckled — = lachte in

zich zelf.

Inmate, inmeit, medebewoner, huisgenoot, bewoner: The carriage was

crumbled up, and most of the —s killed = inzittenden.

Inmost, inmoust, binnenste, geheimste.

Inn, in, subst. herberg; college van rechtsgeleerden en studenten: —s

of Chancery = opleidingsschool voor de studenten in de rechten (in

vroeger tijd); —s of Court = 4 colleges: Inner en Middle Temple,

Lincoln’s en Gray’s Inn, waar de aanstaande juristen hunne opleiding

tot barrister ontvangen, examens afleggen en later vaak hunne bureau’s

(Chambers) hebben; —-keeper = herbergier.

Innate, in-neit, in-neit, ineit, in- of aangeboren: — ideas =

aangeboren begrippen; subst. —ness.

Inner, inə, meer naar binnen gelegen, innerlijk, binnen ...: The — man

= inwendige mensch, maag; The — office = kantoor van den chef; That’s

an — = een mooi schot; He has made an — = hij heeft in de roos (behalve

de “witte”) geschoten; —most = binnenste.

Innervate, inɐ̂veit, prikkelen; Innervation = zenuwprikkeling

(versterking); Innerve = sterken.

Inning, iniŋ: —s = aangeslibd land; beurt om te spelen (bij het

cricket), gelegenheid, kans: To have one’s —s = “aan slag” zijn (fig.);

He had a long —s = prachtige gelegenheid.

Innocence, inəsens, onschuld, onnoozelheid; Innocent = onschuldig;

Innocentius: You needn’t do the — with me = je van den domme houden;

Massacre of the —s = —s’ Day = 28 December (Zie Matth. II, 16).

Innocuous, in-nokjuəs, onschadelijk; subst. —ness.

Innominate, in-nominit, naamloos: — bone = schaambeen.

Innovate, inəveit, nieuwigheden invoeren, veranderingen aanbrengen;

subst. Innovation; Innovative = verzot op ’t invoeren van nieuwigheden;

Innovator.

Innoxious, in-nokšəs, onschadelijk; subst. —ness.

Innuendo, injuendou, wenk, (hatelijke) toespeling.

Innumerability, in-njumərəbiliti, subst. v. Innumerable, in-njûmərəb’l,

ontelbaar, talloos = Innumerous.

Innutritious, injutrišəs, niet voedzaam = Innutrative.

Inobservance, inobzɐ̂v’ns, Inobservancy, subst. v. Inobservant,

inobzɐ̂v’nt, achteloos.

Inoccupation, inokjupeiš’n, gebrek aan bezigheid, werkeloosheid.

Inoculate, inokjuleit, enten, inenten; subst. Inocculation.

Inoffensive, inofensiv, onschadelijk, argeloos; subst. —ness.

Inoperative, inopərətiv, zonder uitwerking.

Inopportune, inopətjûn, ongelegen, ontijdig; subst. Inopportunity.

Inordinate, inödinit, ongeregeld, buitensporig: To keep — hours =

ongeregeld opstaan en te bed gaan.

Inorganic(al), inöganik(’l), onbewerktuigd.

Inosculate, inos’kjuleit, inmonden van aderen; nauw verbinden; in nauw

verband staan.

In-patient, in-peiš’nt, verpleegde (in een hospitaal, etc.).

Inquest, inkwest, onderzoek: Coroner’s — = gerechtelijke lijkschouwing.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 59 / 141 段