gevangenschap, gevangenis, schuilplaats, ruim van een schip; — verb.
houden, vasthouden, er voor houden, ophouden, behouden, inhouden,
aanhouden, bevatten, bewaren, behoeden, beslissen, bezitten, bekleeden,
verkrijgen, verdedigen, deelnemen, vieren, voeren (van taal), wedden,
standhouden, enz.: I cannot get — of him = hem te pakken krijgen;
Nothing has any — on him = heeft vat op hem; To keep firm — of = stevig
vasthouden; Do not let go your — = laat niet los; That great shock
looses his — on life = brengt hem den dood nader (eig. doet hem zijn
houvast aan ’t leven verliezen); To quit one’s — = loslaten; He took
(laid) — of my arm = hij greep (pakte, hield) mijn arm vast; The frost
will not — = zal niet aanhouden; That rule always —s (good) = gaat
altijd door; — fast by my girdle = houd je vast; — hard = houd je goed
vast, wacht even, kalm aan, schei uit, stop; Held in reserve =
gereserveerd; She held herself properly = kwam netjes voor den dag; I
will — a brief for you = de zaak voor u bepleiten; We held the fortress
against the enemy = verdedigden (met succes) de vesting; He can hardly
— his own = zich nauwelijks bedruipen; To — one’s own against any odds
= zich goed (staande, stand) houden tegen; — your peace = houd je mond;
The ministry —s its power at the hands of the people = heeft, ontvangt
zijn macht uit de handen van het volk; He held our proxy = was onze
procuratiehouder; We — our title of (from) the royal favour = ontleenen
onzen titel, ons recht; — your tongue = zwijg; I will — that wager =
durf die weddenschap aan; Such an excuse would never — water = opgaan,
geaccepteerd worden; He held wool for her = hield een streng wol voor
haar op; onderwierp zich aan hare nukken; You can’t — back time =
tegenhouden; To — back letters = achterhouden; — hard = stop! He held
forth his hand = stak zijne hand uit, bood zijne hand aan; We have been
—ing forth on all kinds of subjects = hebben het gehad over, er over
uitgeweid; He held off his enemies = hield op een afstand; He held on
his (headlong) course = zette zijn (onstuimigen) loop voort, ging door
op; — on a bit = wacht eventjes; He held (on) by the railings = hield
zich vast aan; They held on downwards = gingen verder naar beneden; —
on round my waist = houd je vast om mijn middel; He held on pluckily =
hield zich kranig; To — out = toesteken, vóórspiegelen, etc.: He was
—ing out to a knot of men = stond te oreeren; He held out those favours
to me = bood mij aan; I can — out no longer = kan het niet langer
uithouden; Many advertisements must be held over till our next issue =
wij moeten laten liggen; You must not — him to that opinion = niet als
zijne eind-opinie beschouwen; I held him to his promise = hield hem
aan; Behave well and — (stick) to the right = en houd u aan ’t goede;
He held faithfully to his party = bleef standvastig trouw aan; — up
your head, and look like a man = wees flink; To — up one’s head with =
niet onderdoen voor; The same speed was held up to the last = werd
volgehouden; He was held up for (to) execration, ridicule = werd
prijsgegeven aan; To — up as an example = tot voorbeeld stellen; He
held me up, until we were both picked out = hield mij boven water; To —
up a train = aanhouden (door roovers); We were in the held-up train; —
up man! = houd je goed, courage! Why don’t you — up your end of the
line (rope) = waarom neemt gij niet deel aan het gesprek (Amer.)? He —s
with the royalists = houdt het met; —-all = soort reiszak, nécessaire;
—back = verhindering, beletsel; —er = houder, bezitter, huurder,
aandeelhouder, bak; —er-forth = schreeuwerig redenaar; —fast =
houldfâst, steun, houvast; —ing = houvast, bezit, gehuurde boerderij.
Hole, houl, subst. gat, hol, opening, kuil, hok (van eene woning),
moeilijkheid; — verb. een gat maken, stoppen, in een gat kruipen: My
shoes are in —s = stuk; To be in a — = in de klem zitten; To make a —
in the water = zich verdrinken; We are not going to pick —s in each
other’s coats = elkaar geen kwaad doen, niet op elkaar vitten; I tried
to pick —s in his story = trachtte fouten te vinden in, aanmerkingen te
maken op; I put my foot into a big — = ben er leelijk ingeloopen, heb
me leelijk verpraat; The diplomatic —s and corners of our day = de
diplomatieke geheimen (wat er achter de schermen gebeurt); The
proceedings of the club are —-and-corner = zijn geheim (stiekum); A
—-and-corner engagement = stiekum.
Holibut, holibɐt (Zie Halibut).
Holiday, holidei, subst. heiligedag, vacantiedag, vrije dag, feestdag;
ook adj. feest —, Zondags —, onecht —: Their — best = Zondagsche pak; —
Hall = plaats waar men zich niet behoeft te geneeren (om te rooken,
bijv.); To have a — = vrij hebben; She was on — = met vacantie, had
vrijaf; —s = vacantie; —-maker = plezierreiziger; — task =
vacantiewerk.
Holiness, houlinəs, heiligheid: His — = Zijne Heiligheid, titel voor
den Paus.
Holinshed, holinzhed, holinšed.
Holla, holə, subst. luide roep; — verb. luide roepen, toeroepen;
interj. helà, hei!
Holland, hol’nd, Holland, ongebleekt linnen: Brown — = weinig gebleekt
linnen; — gin = —s = Schiedammer; British —s = in Engeland gestookte
jenever; —er.
Hollow, holou, subst. holte, ledige ruimte, hol, groef, voor, dal; adj.
hol, niet massief, uitgehold, concaaf, laag, diep, geveinsd, onoprecht,
volkomen; — verb. uithollen; ook roepen: She beat all her sisters — =
won het royaal van, overtrof verre; —-eyed = met holle oogen; —-hearted
= onoprecht, valsch; —-square = carré (mil.); —-ware = (metalen)
keukengereedschap; —ness = holheid, leegheid, valschheid.
Holly, holi, hulst; steeneik; —-fern = stekelige schildvaren; —-hock =
stokroos; —-rose = cistroos.
Holm, houm, riviereilandje, vlak en vruchtbaar land langs den
rivieroever, hulst; —-oak = steeneik.
Holmes, houmz.
Holocaust, holəkôst, brandoffer bij de Joden, algemeene slachting.
Holograph, holəgraf, eigenhandig geschreven document, adj. eigenhandig
geschreven; adj. Holographic(al).
Holothurian, holəthiûriən, zeekomkommer.
Holster, houlstə, holster; —ed.
Holt, hoult, hout, boschje, aanleg, gat, schuilplaats (voor dieren).
Holus-Bolus, houləs-bouləs, halsoverkop.
Holy, houli, heilig, rein, goddelijk, gewijd: — of Holies = het Heilige
der Heiligen; The — One = Jehova; — day = Heiligedag; — Ghost (—
Spirit) = Heilige Geest; — Office = de Inquisitie; In — orders = in
Deacon’s of in Priest’s (= full) orders = Ordained als Deacon of
Ordained, admitted en instituted als Priest door den Bishop; — Rood =
kruis, kruishout, crucifix (in kerken vooral); — Saturday = Zaterdag
vóór Paschen; —-stone = schuursteen; ook verb.; — Thursday =
Hemelvaartsdag; — Tide (Week) = week voor Paschen; — water = wijwater;
— wells = miraculeuze bronnen; — Writ = de H. Schrift.
Holyhead, holihed; Holyrood, holirûd.
Holywell, holiwel: — Street Literature = pornographische literatuur.
Homage, homidž, subst. hulde, eerbied; — verb. huldigen = To do
(render) —; —r = vasal, leenman.
Home, houm, subst. tehuis, huis, geboorteplaats, vaderland, woning,
verblijf, liefdadige instelling; — verb. naar huis gaan, wonen, zich
vestigen; adj. huis - -, binnenlandsch; adv. naar huis, ten volle,
toepasselijk, raak, krachtig: — is —, be it never so —ly = Be in East
and West, — is best = oost, west, thuis best; He banged the door — =
sloeg hard dicht; To bring — (carry —, come —, leave —, return —); To
bring — to = bewijzen, duidelijk maken; All our deeds come — at last =
worden op den duur op onszelf verhaald; That truth came — to me = drong
tot me door, werd me bewust; To go — = naar huis gaan, het doel
treffen; To pay — = betaald zetten; He is perfectly at — with what
passed = volkomen op de hoogte van; Make yourself at — = doe alsof je
thuis was; Mrs. N is at — on Monday = Mevrouw N. ontvangt Maandags; Is
he at —? No he will be — to dinner; Charity begins at — = het hemd is
nader dan de rok; —-baked = eigengebakken; —-bound = —ward-bound = op
de thuisreis; —-bred = inlandsch (van fokvee); natuurlijk, onbeschaafd;
—-circle = familiekring; —-circuit = rechtsgebied van de Judges of
Assize, dat Londen tot centrum heeft; —-counties = de counties
bevattend en Londen omringend; —-department (—-office) = Ministerie van
Binnenl. Zaken; —-farm = boerderij verbonden met het verblijf van den
eigenaar, —-fed bacon = inlandsch spek; —-felt = innig, innerlijk,
geheim; —-freight = retourvracht; —-keeping = thuisblijvend, huiselijk;
—-made = eigengemaakt, van inlandsch fabrikaat; —-return =
repatrieering; —-rule = plaatselijk zelfbestuur (vooral met het oog op
Ierland); To be —-sick = heimwee hebben; —-sickness = heimwee;
—-speaking = eenvoudige, oprechte taal; —-spun = subst. en adj.
eigengesponnen (stof), van eigen fabrikaat, eenvoudig; een bepaalde
stof; —-stall, —-stead = erf, huismansplaats; —-thrust = gevoelige
waarheid, raak antwoord, stoot die raak is; —-trade = binnenlandsche
handel; —less = dakloos; subst. —lessness; —like = gemoedelijk,
gezellig; —liness = eenvoudigheid; —ly = eenvoudig, dood gewoon, ook
ordinair (van het gelaat), voor huiselijk gebruik bestemd; —ward =
—ward-bound = op weg naar huis, op de thuisreis.
Homer, houmə, Homerus; Homeric, həmerik, Homerisch.
Homicidal, homisaid’l, homisaid’l, moorddadig, bloedig; Homicide =
moord, moordenaar.
Homiletic(al), homiletik(’l), homiletisch; Homiletics = homiletiek;
Homilist = homileet; Homily = kerkelijke tekstverklaring, kanselrede.
Homing, houmiŋ: — instinct = om het huis weer te vinden.
Hominy, homini, grof gemalen maïs.
Hommock, homək. Zie Hummock.
Homoeopath, ho(u)miəpath, homoeopaat; Homoeopathic(ally) =
homoeopathisch; Homoeopathist = homoeopaat; Homoeopathy = homoeopathie.
Homogeneous, houmədžîniəs, homogeen; subst. —ness.
Homologate, homoləgeit, bekrachtigen, goedkeuren; subst. Homologation.
Homologous, homoləgɐs, homoloog; Homology = homologie.
Homonym, ho(u)mənim, homoniem; adj. —ous, həmonimɐs; —y, homonimi,
gelijkluidendheid, dubbelzinnigheid; Homophone, ho(u)məfoun, letter of
woord van denzelfden klank.
Homunculus, həmɐŋkjuləs, dwerg; langs chem. weg geschapen mensch (v.
Paracelsus).
Honduras, hondjuras, hondjûras (mahoniehout uit) Honduras.
Hone, houn, subst. slijpsteen, oliesteen; — verb. slijpen, aanzetten.
Honest, onəst, eerlijk, braaf, oprecht, kuisch, deugdzaam: — Indian?
(Injun) = op je woord? —y = braafheid, eerlijkheid: —y is the best
policy = eerlijk duurt het langst; In —y of heart = in alle
oprechtheid.
Honey, hɐni, subst. honig, zoetheid, liefje, snoesje; adj. honigachtig,
zoet; — verb. met honig bedekken, zoet maken of worden; —-badger =
honigdas; —-bag = honigzakje (der bijen); —-bear = honigbeer; —-bee =
honigbij; —comb = honigraat, honigcel: The nation is —combed with
secret societies = doortrokken van geheime genootschappen; Nature is
—combed with pain and strife = is vol van pijn en strijd; —-dew =
honigdauw; soort van tabak met stroop bevochtigd en in koekjes geperst;
—-flower = honigbloem; —-guide = honigkoekoek (Zuid-Afr.); —-harvest =
honigoogst; —moon, subst. wittebroodsweken; — verb. in de
wittebroodsweken zijn, deze doorbrengen; —-mouthed = vleierig; —-stalk
= honigklaver; —-tongued = vleierig; —-suckle = kamperfoelie; —-wort =
wasbloem, kruisbladig walstroo; —ed (fig.) = zacht, zoet, vriendelijk,
vleiend.
Honied, hɐnid = Honeyed.
Honorarium, onourêriəm, salaris, belooning.
Honorary, onərəri, eervol, eere...: — President = Eere-Voorzitter; —
monument = gedenkteeken voor iemand, die ergens anders begraven is;
That is a purely honorific distinction = louter een eeretitel.
Honour, onə, subst. eer, eergevoel, aanzien, rechtschapenheid,
kuischheid, hoogachting, waardigheid, titel (= edelachtbare),
eerewoord, een der vier hoogste troeven; — verb. eeren, eer bewijzen,
vereeren, honoreeren (van een wissel); Meerv. —s = eerbewijzen, hoogste
graad: Examinations in —s = “cum laude” examens; —s of war = krijgseer;
— bright = op mijn (je) woord van eer; Affair (Debt, Guard, Point,
Word) of —; You are in — bound to do it = aan uwe eer verplicht; To do
the —s = de “honneurs” waarnemen; That does you — = dat strekt u tot
eer; To meet with due — = behoorlijk honoreeren; I pledge it on my —, I
pledge my — for it = beloof het op mijn woord van eer; —er.
Honourable, onərəb’l, eervol, aanzienlijk, voornaam, edel, achtbaar,
titel (aan de jongere zoons van ‘earls’, aan al de zoons en dochters
van ‘viscounts’ en ‘barons’, aan opperrechters in Engeland en Ierland
en aan de hofdames toegekend; Zie ook Right-—); subst. —ness.
Hood, hud, subst. kap, capuchon, kapvormige plooi van eene
universiteitstoga, kap (van een rijtuig); peperhuisje, kap (van een
schoorsteen) enz.; — verb. van een kap voorzien, bedekken, omhullen:
The — and leathern apron of the carriage = kap; All —s make not monks =
’t zijn allen geen koks, die lange messen dragen; —-cap = soort
kaproen; soort zeehond; —man = blindeman (in het spel); —man-blind =
blindemannetje; —-moulding = lijst boven deur of venster; —wink =
blinddoeken, verschalken; ook subst.
Hoof, hûf, hoef, klauw, poot, stuk vee; — verb. loopen: To beat (pad)
the — = te voet (op Apostelpaarden) gaan; —-bound = volhoevig, kreupel.
Hook, huk, subst. haak, vischhaak, sikkel, kram, duim (van eene deur),
vooruitspringende landtong; voordeel, meevallertje; — verb. met een
hoek vangen, aanhaken, tot een haak buigen, van haken voorzien,
vasthaken, stelen: By — or by crook (Zie Crook); Off the —s = in
wanorde, ontstemd, ziek, dood: To drop (go) off the —s = het hoekje om
(= dood) gaan; I wished him off the —s = wou, dat hij dood was; You
must do it on your own — = op eigen gelegenheid, verantwoording; She
kept him on the —s = zij hield hem aan het lijntje, To pop off the —s =
doodgaan; To take one’s — = uitsnijden; They —ed it = zij zijn er van
door; She —s-and-eyes her gown = maakt vast met haken en oogen;
—-nose(d) = (met een) haviksneus; —-pin = haakbout; —ed = krom,
haakvormig; subst. —edness; adj. —y.
Hookah, hûkə, Oostersche pijp, waarbij de rook door water gaat.
Hooker, hukə, hoeker (visschersvaartuig), zakkenroller.
Hookey Walker, huki wôkə, onzin, maak dat de kat wijs!
Hooligans, hûlig’nz, straatschenders, gespuis; Hooliganism =
straatschenderij, woeste, liederlijke jool.
Hoop, hûp, subst. hoepel, crinoline, beugel, riem, — verb. met hoepels,
enz. beslaan, omringen (Zie ook Whoop); —-iron = bandijzer;
—-petticoat, —-skirt = hoepelrok; —er = kuiper.
Hooping, hûpiŋ: —-cough = kinkhoest.
Hoosier, hûžə, bewoner van — state = Indiana; — cake = soort peperkoek
(Amer.).
Hoot, hût, subst. gejouw; — verb. uitjouwen, schreeuwen (van een uil);
—er = autohoorn.
Hoove, hûv, koliek bij vee.
Hop, hop, subst. hop; sprong; thé dansant: —-o’-my-thumb = klein
duimpje; — verb. hinken, huppelen, springen, dansen, hop oogsten, met
hop brouwen: He escorted her at party or — = naar partijen en bals; He
has had many girls on the — = het hoofd op hol gemaakt; To catch (take)
on the (ground) — = een bal vangen als hij opspringt; iemand onverhoeds
overvallen, snappen; He is a — out of kin = hij slaat geheel uit den
aard; I can — that lot on one foot = dat eind wel hinkende afleggen; To
— the twig = uitsnijden; het hoekje omgaan; op houten beenen loopen;
—ped over the twig = over den puthaak getrouwd; —-back = hopzeef;
—-bind, —-bine = hopstengel; —-joint = opiumkit; —-picker = hopoogster;
—-pole = hopstaak; —scotch = hinkspel; soort balletjes; —-vine =
hopstengel; —-yard = hopveld; —per = danser, springer, etc. kaasmijt,
sprinkhaan, trechter, zaaikorf, hopoogster; modderschuit = —per barge.
Hope, houp, subst. hoop, vertrouwen, verwachting, wensch; — verb.
hopen, verwachten; vertrouwen: Young —ful = veelbelovend jongmensch
(ironisch); —fulness; —less = hopeloos; subst. —lessness.
Hopple, hop’l = Hobble = kluisteren; —s = kluisters voor vee in de
weide.
Horace, horis.
Horal, hôr’l, Horary, hôrəri, wat een uur duurt of betreft.
Horatian, həreiš’n, Horatiaansch; Horatio, həreišiou.
Horde, höd, subst. horde, bende, troep; — verb. in horden of benden
leven of zich vereenigen.
Horehound, höhaund, witte malrove.
Horizon, həraiz’n, horizon, gezichtskring: Apparent, Sensible — =
schijnbare horizon; Rational, Real, True — = werkelijke horizon; The
plain of literature that is —ed by 1801 = het veld der literatuur tot
1801; Horizontal = horizontaal, waterpas; subst. Horizontalness;
Horizontality.
Horn, hön, hoorn, horen, drinkhoorn, voelhoren, de niet-volle maan (bij
’t wassen of afnemen), vleugel (van een leger), zijtak (van eene
rivier), punt (van een aambeeld); borrel (Amer.); — verb. van horens
voorzien; (fig.) horens doen dragen: A pair of — spectacles; — of
Plenty = horen des overvloeds; To come out at the little end of the — =
ergens slecht (kaal) af komen; He has drawn, hauled, pulled in his —s =
hij is in zijne schulp gekropen; To put to the — = vogelvrij verklaren
(Schotl.); I’ll either make a spoon or spoil a — = ik waag het, erop of
eronder; To show one’s —s = de tanden laten zien, flink optreden; Take
a — = neem een borrel (Amer.); To wear the —s = hoorndrager zijn;
—-beak = gewone geep; —beam = hagebeuk; —-bill = neushoornvogel;
—-blower = hoornblazer; —-book = oud abéboek bestaande uit een blad
papier, waarop het alphabet, de getallen van 0–9, het Onze Vader,
beschermd door een doorzichtige plaat van hoorn en bevestigd op een
houten raam met handvat; —-distemper = hoornziekte (van vee); —-eel =
smelt; —-finch = stormvogeltje; —-fish = zeenaald; —-pipe = oud
blaasinstrument; horlepijp; —-work = hoornwerk (vestingbouw); —ed = van
horens voorzien; —ed horse (Zie Gnu); —ing = het wassen of afnemen van
de maan; door het blazen op een trompet ingeleide openbare afkondiging
(Schotl.); ketelmuziek (Amer.); —y = hard, hoornig: —y coat of the eye
= hoornvlies; —y hands = vereelte.
Hornet, hönət, horzel; kwelgeest: To bring a nest of —s about one’s
ears = zijn hoofd in een wespennest steken.
Horologe, horəlo(u)dž, uurwerk; Horologer = uurwerkmaker; Horology =
uurwerkmakerskunst, tijdmetingskunst.
Horoscope, horəskoup, horoscoop; I have cast her — = haar horoscoop
getrokken; adj. Horoscopic; Horoscopy, həroskəpi, kunst om de toekomst
te voorspellen.
Horrent, hor’nt, borstelig, rechtopstaand, afschuwelijk.
Horrible, horib’l, verschrikkelijk, ijselijk, akelig; subst. —ness.
Horrid, horid, akelig, afschuwelijk; ruw, stekelig, overeindstaand;
treurig; subst. —ness.
Horrific, horific, afschuwwekkend; Horrify, horifai, met afschuw
vervullen, doen sidderen.
Horripilation, horipileiš’n, een gevoel alsof het hoofdhaar te berge
rijst.
Horror, horə, afgrijzen, afschuw, huivering: The —s = delirium tremens;
zwaarmoedigheid: To give the —s = afschuw inboezemen; To have the —s =
zwaarmoedig, katterig zijn, aan delirium tremens lijden; —-stricken,
—-struck = door afgrijzen verpletterd.
Horse, hös, paard (ook zeeterm), hengst, cavalerie, steunbok, droogrek,
werk dat vóór het uitgevoerd is betaald wordt (= Dead —), ezelsbrug; —
verb. een paard bestijgen, van een paard voorzien, schrijlings
plaatsen, dekken, opstijgen; adj. groot, grof: The near — =
bij-de-handsche paard; Off — = van-de-handsche; Dark — = nog onbekend
renpaard; nieuweling, onbekend candidaat; Master of the — =
opperstalmeester; Those who cannot flay the —, flay the saddle = wie
het meerdere niet kan doen, doe het mindere; To flog the dead — = aan
een dood paard trekken (fig.); To get on (To mount, to ride) the high —
= een hoogen toon aanslaan; To look a gift — at (in) the mouth = een
gegeven paard in den bek zien; You rode a dark — then = (eig.) gij
reedt toen op een onbekend paard, (fig.) gij hieldt u maar dom, voerdet
wat in uw schild; To ride a free — to death = een paard den rug stuk
rijden, iemand exploiteeren; He sits a — very well = hij rijdt goed; To
take — = te paard stijgen; I will win the — or lose the saddle = ik
waag het, erop of eronder; I have often been —d in this school myself =
ben zelf dikwijls op het “houten paard” geweest, afgeranseld geworden;
—-artillery = rijdende artillerie; To be (ride) on —back = te paard;
—-bean = paardeboon, tuinboon; —-block = stellage om bij het op- en
afstijgen behulpzaam te zijn; —-boat = pont door paarden getrokken, of
om paarden over te zetten; —-box = wagon voor paarden; stalafdeeling;
—-breaker = pikeur, iemand die paarden dresseert; —-car = tramwagen
(Amer.); —-car-track = tramweg (Amer.); —-chanter = opkooper van oude
paarden, om ze door knoeierij weer goed aan den man te brengen;
—-chestnut = paardekastanje; —-cloth = paardedek; —-coper =
paardenkooper; —-courser = koopman in renpaarden; eigenaar van
renpaarden; —-cucumber = groote groene komkommer; —-dealer =
paardenkooper; —-doctor = paardenarts; —-drench = paardendrank; —-emmet
= roode mier; —-faced = met een lang, grof gezicht; —-faker =
paardenkooper (Zie Fake); —-flesh = paardevleesch; paarden: The age of
—-flesh = de diligencetijd; He knows little of —-flesh = hij heeft geen
verstand van paarden; —-fly = paardenvlieg; —-Guards = bereden
lijfwacht; bureau van den bevelhebber in Whitehall, de militaire
autoriteiten aan het ministerie van oorlog; —-hair = paardenhaar; —-hoe
= groote egge; —-jockey = pikeur, paardenkoopman; —-keeper =
stalknecht; verhuurder v. paard.; —-knacker = paardenvilder; —-laugh =
luide en ruwe lach; —-latitudes = streek der windstilten; —-leech =
paardenarts, bloedzuiger; vrek; —-litter = baar door paarden gedragen;
—-load = paardenvracht; —-lock = paardenkluister; —man = ruiter;
—manship = rijkunst; —marines: Tell that to the — = maak dat je grootje
wijs; —-marten = groote hommel, torenzwaluw; —-meat = paardevoer;
—-mill = rosmolen; —-milliner = paardetuig- en zadelmaker; —-play =
ruwe grap, ruwe wijze van doen; —-pond = paardewed; —-power =
paardekracht: —-race = wedren; —-radish = mierik, meerradijs,
peperwortel; —-railroad = tramweg (Amer.); —-rake = paardehark, groote
egge; —-rider = kunstrijder; —shoe = subst. en adj. hoefijzer(vormig);
—-shoeing = beslaan van paarden; —-stinger = paardenbijter; —-tail =
paardestaart; Turksche standaard; —-way (Amer.) = rijweg; —-whip,
subst. paardezweep; — verb. met de paardezweep slaan, afranselen;
—woman = paardrijdster, amazone; —-worm = paardenworm of de larve
ervan; Hors(e)y, hösi, paardachtig, gek op paarden, jockeyachtig;
Horsing = tuchtiging (met een roede) van een schooljongen, die daartoe
op den rug van een anderen jongen hangt.
Hortation, höteiš’n, vermaning; Hortative, hötətiv, Hortatory,
hötətori, vermanend.
Horticulture, hötikɐltšə, tuinbouw; A horticultural show =
tuinbouwtentoonstelling; Horticulturist = tuinbouwkundige.
Hosanna, həzanə.
Hose, houz, kousen, sportkousen, nauwsluitende kniebroek,
brandspuitslang, tuinslang (= —-pipe); — verb. bespuiten: You have got
your legs into twisted — there = dat hebt gij glad mis; —-man =
spuitgast.
Hosier, houžə, koopman in sajetten en wollen goederen; —y = sajetten en
wollen (gebreide) goederen, zaak in die goederen.
Hosea, houzîə, Hosea.
Hospice, hospis, hospitium, kloosterherberg.
Hospitable, hospitəb’l, herbergzaam, gastvrij; subst. —ness; Hospitage,
hospitidž, gastvrijheid; Hospital, hospit’l, hospitaal, godshuis:
—-ship; Hospitality = gastvrijheid; Hospital(l)er =
hospitaal-inspecteur; hospitaal-broeder, -zuster, -ridder.
Host, houst, subst. gastheer, waard; leger, troep, menigte; hostie; —
verb. zijn verblijf nemen, onthalen, herbergen: The Lord of —s = de
Heer der Heerscharen; —ess = gastvrouw.
Hostage, houstidž, gijzelaar, borgtocht.
Hostel, host’l, herberg, hospitium (voor studenten te Cambridge);
Hostelry, host’lri, = herberg, hospitium.
Hostile, host(a)il, vijandig, vijandelijk; Hostility, hostiliti,
vijandigheid (Meerv. Hostilities = vijandelijkheden).
Hostler, oslə, stalknecht.
Hot, hot, heet, scherp, brandend, vurig, dol op (on): That horse is —
at hand = is vurig en hard in den bek; In — haste = overijld, snel; We
found ourselves in — water = we zaten er leelijk in; — water tin =
waterstoof; X. is becoming too — for him = hij kan het te X. niet meer
uithouden; I’ll make it — for him = ik zal hem mores leeren; Brandy — =
warme cognacgrog; —-bed = broeibak; broeinest; —-blast = stroom van
heete lucht; —-blooded = vurig, driftig; hartstochtelijk; —-brained =
oploopend, heethoofdig; —-cockles = spel, waarbij de geblinddoekte moet
raden wie hem geslagen heeft; —-flue = droogkamer (katoenfabr.); —-foot
= zoo snel mogelijk; —-head = driftkop, heethoofd; —-headed =
heethoofdig, driftig; subst. —-headedness; —-house = broeikast,
droogkamer; —-mouthed = hard in den bek, onhandelbaar; —-press = pers
(voor het satineeren van papier of het decateeren van laken);
—-spirited = vurig van geest, driftig; —-spur, subst. driftkop; vroege
doperwt; adj. doldriftig; —-spurred = driftig, onstuimig; —-tempered =
opvliegend.
Hotchpot(ch), hotšpot(š), mengelmoes, zootje, hutspot.
Hotel, hətel, logement: —-car = restauratiewagen (Amer.); —-keeper =
hotelier.
Hotri, houtri, Brahmaansch priester.
Hottentot, hot’ntot, Hottentot; de taal; ook fig.
Houdah, hauda. Zie Howdah.
Hough, hɐf.
Hough, hok. Zie Hock.
Hougham, hɐfəm; Houghton, hout’n.
Hound, haund, (jacht)hond; — verb. met honden jagen, aanzetten,
ophitsen, wegjagen: Master of Fox-—s = jagermeester, hoofd van de Hunt
(de jachtvereeniging in een bepaald district): To follow the —s = jagen
(op vossen); He rides well to —s = hij is een goed vossenjager;
—’s-tongue, = hondstong.
Hounslow, haunzlou.