Pockwood, pokwud, pokhout.

Poco, poukou, een weinig (muz.).

Pod, pod, subst. dop, schil, peul; school robben, walvisschen; — verb.

opzwellen, doppen, peulen vormen; —-net = fuik; —ded (fig.) =

gemakkelijk.

Podagra, podəgrə, pədagrə, het “pootje”, voeteuvel; adj. —l =

Podagric(al).

Podge, podž, modderige poel; — verb. roeren.

Podgy, podži, kort en gezet; dronken.

Podium, poudiəm, podium.

Podrida, pədrîdə, mengelmoes.

Podsnap, podsnap, type van stijve deftigheid; —pery = peuterige, stijve

deftigheid.

Poe, pou.

Poem, pouim, gedicht: Minor —s = kleinere gedichten; Poesy, pouəsi,

dichtkunst; Poet = dichter: Minor — = dichter van den tweeden of derden

rang; — Laureate = gekroonde of hofdichter (in Engeland); Poetaster,

pouətastə, pouətastə, rijmelaar; Poetess, pouətəs, dichteres;

Poetic(al), pouetik(’l), dichterlijk; Poetics = gedichten; leer

(theorie) der dichterlijke vormen (ook Poetic); Poetize, pouətaiz,

dichten, dichterlijk behandelen; Poetry = dichtkunst, poëzie,

gedichten.

Pogrom, pogrom, pogrom (Rusland).

Poh, pou, bah!

Poignancy, pôin’nsi, subst. v. Poignant, pôin’nt, scherp, bitter,

stekelig, pijnlijk.

Poind, pôind, schutten van vee; beslag leggen op (voor schuld).

Point, pôint, subst. punt, spits, stip, stift, naald, nestel, oog,

naaldkantwerk, doel, nadruk, gedachte, uitdrukking, eigenaardigheid,

trek, wissel; — verb. punten, scherpen, wijzen, richten, aanleggen,

voegen, staan, pointeeren: What is the — = wat is de kwestie? That is a

great — for me = van groot belang; That is rather a nice — with him =

teer punt; He enumerated all the good —s of his horse = eigenschappen;

Blue —s = een klein soort oesters (Amer.); The —s of a speech =

hoofdpunten; At the — of death (= On the — of dying); This is a case in

— = dit is zoo’n geval als waarvan we thans spreken; In — of money =

uit een oogpunt van; To rise to a — of order = vragen of de spreker

niet “buiten de orde” is; In (from) a literary — of view = uit een

letterkundig oogpunt; What you say there is not to the — = ter zake

dienende; To be armed at all —s = van top tot teen gewapend, op alles

voorbereid; To come to a — = staan (van jachthonden); Things had come

to such a — that further delay would have been disastrous = hadden zulk

eene hoogte bereikt; That’s what I call coming to the — = dat is nu

eens op den man af; It came to the — = het kwam er op aan; Things were

growing to a — = men kon het einde zien aankomen; We hate militarism to

the — that = zoozeer, dat; You didn’t gain your —, you missed it = ge

hebt uw doel niet bereikt, uw zin niet gekregen; He gave me —s in (at)

billiards = gaf mij vóór; To lend — to = accentueeren, sterk doen

uitkomen; He always made (it) a — to stand (of standing) high in his

employer’s regard = hij stelde zich altijd ten doel; The rain always

makes a — of setting in when I wish to go out = heeft het er altijd op

gezet te beginnen; He has tried to prove it, but his — is not

absolutely made = maar is hierin niet volkomen geslaagd; Don’t press

the — = dring niet te zeer aan; We shall not pursue the — = er niet

verder op aandringen; I will not put too fine a — upon it = er niet te

veel van zeggen; That would be straining (stretching) a — = daarmee

zouden we een uitzondering maken, het niet zoo nauw nemen; To — a moral

= tot zedeles doen strekken; This story —s a moral against party

disputes = bevat een les tegen; He —ed at me = behandelde verachtelijk;

The cannon was —ed at the gate = was gericht op; To — out = aanwijzen,

in ’t licht stellen; The clock —ed to the hour, to seven = wees het uur

aan, stond op zeven; —-blank = recht op het doel af, zonder omwegen, op

den man af, botweg: I told him so —-blank = ik heb het hem in zijn

gezicht gezegd; —sman = wisselwachter; —ed = gepunt, scherp, geestig,

geestrijk: A —ed remark = fijne, scherpe opmerking; She only answered

when —edly addressed = als het woord bepaaldelijk tot haar gericht

werd; —er = wijzer, staande hond, stift, graveerstift; etsnaald; —less

= stomp, dom, niet geschikt of ter zake.

Poise, pôiz, subst. gewicht, belang, evenwicht, houding; — verb. wegen,

overwegen, in evenwicht brengen of zijn: The elegant — of her head; The

cloud hung at — over the hill = hing zwevend; — down = drukken,

onderdrukken.

Poison, pôiz’n, subst. vergift; — verb. vergiftigen, besmetten: —ed cup

= giftbeker = —-cup; —-fang = gifttand; —er; —ous = vergiftig; subst.

—ousness.

Poitiers, pôitîəz.

Poke, pouk, subst. zak, blaas, stoot, duw; — verb. duwen, stooten,

tasten, voelen, zoeken, onderzoeken, beuzelen (Amer.): That was a sly —

at him = dat was een steek op hem; His life and character were —d into

= nauwkeurig onderzocht; He —d his head through the window = stak; He

can — fun urbanely = op fijne wijze spotten of schertsen met, over; He

—d some very effective fun at continental customs = spotte raak

met....; —-bonnet = ouderwetsche tuithoed; Poker = pook; boeman (Am.),

pedèl v. den Vice-Chancellor (Oxf.), slakkensteker (degen), bluffen

(kaartspel): As stiff as a —; To have swallowed the — = To have a — up

one’s back = zich stijf houden (gedragen); —-drawing = brandschilderen;

Poky = onnoozel, dom; bekrompen, nauw, klein: A — little place =

bekrompen, klein; A — little staircase = zeer nauwe trap.

Polacca, pəlakə, driemaster (Middell. Z.).

Poland, poul’nd, Polen; Polander = Pool.

Polar, poulə, pool...: — bear = ijsbeer; — circles = poolcirkels; —

expedition; — sea; — star = poolster; —ity, pəlariti, polariteit;

—izable, pouləraizəb’l, polariseerbaar; —ization = het polariseeren;

—ize = polariseeren.

Polder, pouldə, polder.

Pole, poul, Pool.

Pole, poul, pool, paal, stang, dissel, stok, pols, uiterste punt; 5½

yard; — verb. staken zetten bij, voortboomen, beschoeien, inpompen;

—-ax(e), subst. hellebaard, enterbijl, slachtbijl; — verb. met eene

bijl dooden; —-axe isolation will be necessary against the rinderpest =

afmaking van aangetast en verdacht vee; A lot of crippled crocks, only

fit to be —-axed = een troep kreupele vilderspaarden, alleen geschikt

om gedood te worden; —-star = poolster.

Polecat, poulkat, bunzing.

Polemic, pəlemik, polemisch; polemicus: —s = polemiek.

Polenta, pəlentə, soort pap van maïs, aardappelmeel of gerstemeel.

Police, pəlîs, subst. politie; ook verb.: Mounted — = bereden politie;

A number of troops will be necessary to — the country = orde en regel

te brengen in; —-commissioner = commissaris; —-constable = agent;

—-court = politierechtbank; —-inspector = inspecteur; —-magistrate =

politierechter; —man = agent; —-office = bureau (—-station); —-officer

= ambtenaar bij de politie.

Policy, polisi, staatkunde, staatsbeleid, overleg, omzichtigheid,

wijsheid; polis; park van een landgoed (Schotland): Honesty is the best

— = eerlijk duurt het langst; Life — = levensverzekeringspolis.

Polish, pouliš, Poolsch.

Polish, poliš, subst. politoer, glans, verfijning, beschaving; — verb.

polijsten, poetsen, beschaven, gaan glimmen, zich laten polijsten: He

—ed his eye-glasses = veegde af; To — glass = glas slijpen; May I — off

that job for you? = dat zaakje ... opknappen; I —ed him off in no time

= zette hem gauw op z’n plaats; —ed = gepolijst, beschaafd; —ing:

—ing-cloths = wrijflappen; —ing-paste = poetspommade; Let us give it a

—ing = polijsten, politoeren, poetsen.

Polite, pəlait, beschaafd, beleefd; subst. —ness.

Politic, politik, politiek, staatkundig, slim, sluw: The Body — =

burgerlijke staat; Political, pelitik’l, politiek, staatsrechtelijk,

staats - -, staatkundig: — Economy = staathuishoudkunde; Politician,

politiš’n, staatsman, staatkundige, politicus; Politics, politiks,

staatkunde, politiek, slimheid: They were talking — the whole evening =

zij hadden het den geheelen avond over staatkunde; Polity, politi,

regeerings(vorm), inrichting.

Polk, poulk, een polka dansen: They liked waltzing and —ing; Polka,

poulkə, polkə, polka.

Poll, pol, Mietje; papegaai, lorretje = —-parrot.

Poll, poul, subst. hoofd, achterhoofd, persoon, register, lijst,

stemming, stembus, stembureau; benedeneind van eene bijl; — verb.

toppen, snoeien, knippen; stemmen, stemmen verkrijgen; registreeren,

slaan (sport): The — is over = de stemming is afgeloopen; At six the —

closed = sloot het stembureau; To go to the — = gaan stemmen; kandidaat

zijn; He was at the head of the — = hij had de meeste stemmen; The

ordinary or — (ook pol uitgesproken) degree at Cambridge = de gewone

graad (Zie Pass) bij het B.A.; The jury was —ed = de leden der jury

werden hoofdelijk ondervraagd omtrent hun aandeel in de genomen

beslissing (Amer.); —-cattle = ongehoornd vee; —-tax = hoofdelijke

omslag; —ing-booths = (verplaatsbare) stembureaux; —ing-clerk =

officieel stemopnemer; —ing-place (—-station) = stembureau.

Pollard, poləd, geknotte of getopte boom (b.v. — willow = knotwilg);

dier dat zijn gewei of horens kwijt is; grootkop (visch, Zie Chub),

zemelenmeel.

Pollen, pol’n, stuifmeel; —ize = bevruchten met stuifmeel; Pollinary

(Pollinose) = als met stuifmeel bedekt; Pollination = bevruchting door

insecten.

Polliwig, poliwig, donderpad, kikkervischje.

Pollute, pəljût, bezoedelen, besmetten, bevlekken, ontheiligen;

—d(ness); —r; Pollution, pəljûš’n, bezoedeling, besmetting, bevlekking.

Pollux, poləks; Polly, poli, Mietje, Marie(tje).

Polo, poulou, soort balspel, te paard (of in ’t water) gespeeld.

Polonaise, po(u)ləneiz, soort v. japon; Polonaise.

Polony, pəlouni, worst van halfgaar-gekookt varkensvleesch.

Poltroon, poltrûn, subst. lafaard; adj. lafhartig, verachtelijk; —ery =

lafheid; —ish = laf.

Polyandrian, poliandriən, polyandrisch; subst. Polyandry, Polyandry.

Polyanthus, polianthəs, tuberoos.

Polygamist, poligəmist, voorstander der polygamie; adj. Polygamous;

Polygamy = polygamie.

Polyglot, poliglot, veeltalig; polyglotte, boek in vele talen; adj.

Polyglottous.

Polygon, poligon, veelhoek; —al, —ous, pəligən’l, pəligənɐs,

veelhoekig; Polygonum, pəligənɐm, Polygony, pəligəni, duizendknoop

(grassoort).

Polygraph, poligraf, soort hectograaf; verzameling van verschillende

werken, veelschrijver; adj. —ic(al), poligrafik(’l).

Polyhymnia, polihimniə; Polynesia, polinîšə, polinîžə, Polynesië; —n =

van P.; Polynesiër.

Polyp(e), polip, poliep.

Polypod, polipod, duizendpoot; naaktvaren.

Polypus, polipɐs, poliep inktvisch.

Polysyllabic(al), polisilabik(’l), veellettergrepig; Polysyllable,

polisiləb’l, polisiləb’l, veellettergrepig woord.

Polysyndeton, polisindəton, polysyndeton.

Polytechnic, politeknik, polytechnisch; subst. = —-school =

polytechnische school.

Polytheism, polithîizm, veelgodenleer; Polytheist = geloover in —; adj.

Polytheistic(al).

Pomace, pomis, pɐmis, pəmeis, droesem van geperste appelen; adj.

Pomaceous = appel...

Pomade, pəmeid, pəmâd, Pomatum, pəmeit’m, pommade; — verb. pommadeeren.

Pome, poum, appelvrucht; —granate, pomgranit, pɐmgranit, granaatappel.

Pomerania, poməreinjə, Pommeren: —n = Pommersch; Pommeriaan, keeshond;

Pomfret, pomfrət.

Pomiculture, poumikɐltšə, ooftboomkweekerij.

Pommel, pɐm’l, subst. degen- of zadelknop; — verb. slaan, bont en blauw

slaan: They —(l)ed his back = sloegen op zijn rug; To — to a jelly =

tot moes slaan.

Pomologist, pəmolədžist, pomoloog; Pomology, pəmolədži de kunst v.

(leerboek over) vruchten en vruchtboomen kweeken; Pomona.

Pomp, pomp, praal, praalvertooning.

Pompeian, pompeiən, pompîən; Pompeii, pompeijî, pompîjai; Pompeius,

pompîjəs = Pompey, pompi, Pompeji; Pompejus.

Pompion, pɐmpj’n, pompoen.

Pompom, pompom, revolverkanon.

Pompon, pompən, pompon.

Pomposity, pompositi, praalzucht, vertoon, verwaandheid; gewichtigheid;

adj. Pompous, pompəs, subst. —ness; Pomposo, pompousou, statig en

waardig (muz.).

Pond, pond, vijver, poel.

Ponder, pondə, overwegen, overpeinzen: He —ed the past = hij bepeinsde

wat er gebeurd was; —ability = weegbaarheid; —able = weegbaar; —osity =

zwaarte, gewicht, gewichtigheid; —ous = zwaar, gewichtig, saai; subst.

—ousness.

Pondicherry, pondišeri.

Pone, poun, maïsbrood (Amer.).

Pongee, pöndžî, mindere soort v. Chineesche zijde.

Poniard, ponjəd, subst. dolk; — verb. doorsteken.

Ponsonby, pons’nbi.

Pont, pont, veerschuit, veerpont.

Pontic, pontik: — Sea = Zwarte Zee.

Pontifex, pontifeks (Mv. Pontifices, pontifisîz), Romeinsch priester;

bisschop, paus; —-maximus = eerste dezer priesters, de Paus; Pontiff =

hoogepriester, paus (= Supreme —); Pontifical, pontifik’l, subst. het

liturgische boek voor de bisschoppelijke bedieningen; adj.

hoogepriesterlijk, pauselijk: — States = de kerkelijke staat; —s =

onderscheidingen gedragen door bisschoppen en prelaten: In full —s = in

pontificaal; Pontificate, pontifikit, hoogepriesterlijke of pauselijke

waardigheid.

Pont levis, pontləvis, pontlevis, ophaalbrug; het steigeren (van een

paard).

Ponton(n)ier, pontənîə, pontonnier; Pontoon, pontûn, ponton,

kiellichter (scheepst.); —-bridge = pontonbrug; —-train.

Pony, pouni, hit: 25 £; letterlijke vertaling v. een

(klassiek)schrijver; — verb. zulk een vertaling gebruiken: To put down

the — = opdokken; —-engine = rangeerlocomotief.

Poodle, pûd’l, poedel.

Pooh, pû, interj. poepoe! onzin! To —-— = met verachting van zich

werpen: He —-—ed the possibility of ever doing such a thing.

Pool, pûl, subst. poel, inzet, pot (bij het spelen), potspel (biljart),

totalisator; — verb. samenleggen (van geld, etc.), zich verbinden tot

gezamenlijk doen van iets: The swimming — and the wading — = zwembassin

en “pierenbak”; —-counter = fiche; —-ticket = totalisatorkaart; —er =

stok om te roeren.

Poonghee, pûŋgî, Poongy, pûŋgi, Boeddhistisch priester.

Poop, pûp, subst. achterhut of -dek, campagne; vent; — verb. over den

achtersteven breken (van golven), van achteren aanvaren; Funny old —.

Poor, pûə, arm, behoeftig, uitgeput, vermagerd, zwak, vervelend,

treurig, onbeteekenend, nederig, stumperig: The — and the rich = armen

en rijken; — Clares = orde van Franciscaner nonnen; You are making a —

dinner = ge eet weinig; A — excuse = een armzalig excuus; In — health =

in slechte gezondheid; — Law = armenwet; It’s a — look-out = ’t ziet er

miserabel voor ons uit; —house = armenhuis; —-rate = armenbelasting;

—-spirited = ellendig, lafhartig; subst. —-spiritedness; I feel very

—ly to-day = voel me lang niet goed; How is the patient? —ly indeed =

hoe is het met de(n) zieke? Erg minnetjes; subst. —ness.

Pop, pop, subst. klap, flap, plof, mousseerende drank, pistool(tje);

interj. floep! poef! — verb. plotseling binnenkomen of voor den dag

komen, schieten, snel bewegen, duwen, paffen, knallen, poffen,

verpanden: — goes the weasel! = en weg was het! —, bang, fire! =

pief-paf-poef! The — of bottles = floep; To go — = op de flesch gaan;

He came in — = plotseling; He was a regular attender at Sunday —s =

Popular Concerts; To — corn = maïs poffen tot de korrels er uit

vliegen; She —ped her head out of the window = zij kwam in eens met

haar hoofd buiten het raam; He —ped the question = hij vroeg om hare

hand; To — into bed = springen; I could not think you would — in upon

me at this hour = ik had er niet het minste idee op, dat gij nu zoudt

komen aanwaaien; Rusty firelocks were continually —ped off = verroeste

snaphanen werden onophoudelijk afgeschoten; He —ped a wanting hand on

the mutilated statue = hij lapte eene ontbrekende hand aan; —-corn =

maïs die geschikt is gepoft te worden; —-eyes = uitpuilende oogen;

—-gun = klein pistooltje; —-shop = pandjeshuis; —-visit = onverwacht

bezoek; —per = mand van ijzerdraad om maïs te poffen; poffer, pistool.

Pope, poup, paus, patriarch, pope; pos; tuinvalk; —-Joan, poupdžoun,

zeker kaartspel; —’s eye = de met vet omgeven klier in de dij van ossen

of schapen; —’s-head = lange bezem; —’s nose = stuit van een gebraden

vogel; —dom = pausdom, pausschap; —hood; —ry = Roomsch-Kath. godsdienst

(in ongunstigen zin): The No-—ry Plots = de anti-R.-Katholieke

samenzweringen.

Pope, poup, Pope; Popian = v. Pope.

Popinjay, popindžei, papegaai, specht, gaai (schietschijf in den vorm

van een papegaai), windbuil.

Popish, poupiš, pauselijk, paapsch.

Poplar, poplə, populier = —-tree.

Poplin, poplin, popeline.

Poppet, popət, een der blokken waarop het schip ligt bij het van stapel

loopen; lieverd, popje, marionet.

Poppa = papa (Amer.).

Poppy, popi, papaver.

Poppycock, popikok: It’s all — = allemaal onzin.

Populace, popjulis, volk, grauw; Popular, popjulə, bij het volk

geliefd, populair, gemakkelijk te begrijpen; Popularity, popjulariti,

populariteit; volksgunst; Popularization, subst. v. Popularize,

popjuləraiz, populair maken; Populate, popjuleit, bevolken,

voortplanten; Population = bevolking; Populous = dicht bevolkt, vol

menschen; subst. —ness.

Porcate(d), pökit(id), evenwijdig geribd.

Porcelain, pöslin, subst. porselein; adj. porselein...: —-clay =

porseleinaarde; —-ware; —ize = door hitte in eene porseleinachtige stof

veranderen; Porcel(l)anous, pösələnɐs, pösəleinəs, pöselənɐs,

porseleinachtig, porselein...

Porch, pötš, portiek, portico, portaal: The — = school der Stoïcijnen.

Porcine, pös(a)in, tot de zwijnen behoorende.

Porcupine, pökjupain, stekelvarken: — quill.

Pore, pö, turen, staren, vlijtig studeeren (= To — over, on, upon one’s

books), nauwkeurig onderzoeken.

Pore, pö, porie.

Porgy, pödži, soort v. zeebrasem (Am.).

Poriform, pôriföm, als eene porie.

Pork, pök, varkensvleesch; —-butcher; —er = (gemest) varken; Porkopolis

= bijnaam voor Cincinnati en Chicago.

Pornographer, pönogrəfə, pornograaf; adj. Pornographic; Pornography =

pornographie.

Porose, pourous, poreus; subst. Porosity; Porous, pourəs, poreus;

subst. —ness.

Porphyritic(al), pöfiritik(’l), porfierachtig, porfier bevattend;

Porphyry, pöfiri, porfier.

Porpoise, pöpəs, bruinvisch: As fat as a — = zoo vet als modder.

Porrect, porekt, uitgestrekt; ook verb.; subst. —ion.

Porridge, poridž, havermeelpap.

Porringer, porinžə, kommetje, nap.

Port, pöt, haven; houding, voorkomen; portwijn; poort, ingang,

bakboord, geschutpoort; adj. aan bakboordzijde; — verb. het roer naar

links overleggen: Free, Inner, Out— = vrijhaven, binnenhaven,

buitenhaven; The ship made (the) — = liep... binnen = put in at the —;

— of departure, destination, distress, refuge (ook fig.); —-admiral =

havencommandant; —-bar = havenbank, boom om eene haven of geschutpoort

af te sluiten; —-charges, —-dues = havengelden; —cullis = hamei; —hole

= patrijspoort; —-lanyard (—-rope) = touw om de deur der geschutpoort

op te trekken; —last = dolboord; —-lid = deur eener geschutpoort;

—-side = bakboordzijde; —-town; —-vein = poortader; —-wine.

Portability, pötəbiliti, subst. v. Portable, pötəb’l, niet zwaar,

draagbaar; subst. —ness; Portage, pötidž, het dragen, draagloon,

afbreking van eene waterverbinding (zoodat de goederen daarover moeten

worden gedragen).

Portal, pöt’l, deur, portaal, ingang, poortje.

Porte, pöt: The Sublime — = de Verheven Porte.

Portend, pötend, voorbeduiden, voorspellen; Portent, pötent, pötent,

(slecht) voorteeken; Portentous, pötentəs, onheilspellend, dreigend,

monsterachtig, ijselijk; subst. —ness.

Porter, pötə, portier, besteller, drager, kruier; porter (bier): —’s

lodge = portierswoning; —age, pötəridž, kruiersloon, draagloon,

bestelloon; Porteress = portierster.

Portfolio, pötfouljou, portefeuille: The — for Foreign Affairs.

Portico, pötikou, overdekte zuilengang.

Portion, pöš’n, subst. gedeelte, portie, aandeel, erfdeel,

huwelijksgift; — verb. verdeelen, toebedeelen, begiftigen; —ist = een

van de beursstudenten van Merton College (Oxf.); clergyman die met

anderen de inkomsten van een living deelt; —less, zonder huwelijksgift.

Portland, pötlənd, schiereiland in Dorsetshire: — cement = cement; —

stone.

Portliness, pötlinəs, statigheid, deftigheid, gezetheid; adj. Portly.

Portmanteau, pötmantou, valies.

Porto, pötou, Oporto.

Portrait, pötrət, portret, schildering: Full-length — = portret ten

voeten uit; Half-length — = kniestuk, buste; I will have my — taken =

mijn portret laten maken; —-painter = portretschilder = —ist; —ure =

portret, de kunst van portretten maken, schildering.

Portray, pötrei, schilderen, portretteeren, beschrijven; —al =

schildering, beschrijving; —er = schrijver, beschrijver.

Portsmouth, pötsməth.

Portugal, pötjug’l, Portugal; Portug(u)ee = Portugees, Portugeesch;

Portuguese, pötjugîz, pötjugîs, pötjugîs, pötjugîz, subst. en adj.

Portugees(che taal), Portugeezen.

Pose, pouz, subst. pose, houding, stand; — verb. eene bepaalde houding

of een bestudeerd karakter (de allures) aannemen, poseeren, verlegen

maken, in de war brengen; —r = moeielijke vraag, streng examinator,

“harde noot”: That’s a —r = dat is moeilijk te verklaren.

Posit, pozit, vaststellen, als waar aannemen.

Position, pəziš’n, toestand, houding, gesteldheid, rang, stand,

betrekking, stelling: Of inferior social — = van minderen stand; I am

not in a — to pretend such a thing = ik ben niet in staat, durf niet,

zoo iets te beweren; You cannot make good this — = die bewering niet

bewijzen; He took up his — there = hij nam daar positie, zijne positie

in.

Positive, pozitiv, stellende trap, positief (in photographie); adj.

stellig, volstrekt, bepaald, werkelijk, dogmatisch, eigenzinnig,

koppig: I am quite — = weet het zeker; I am — in your doing this = ik

sta er op dat gij dit doet; He is not naturally — = het ligt niet in

zijn aard, stijf op zijn stuk te blijven staan; — degree = stellende

trap; — electricity = glas-electriciteit; — philosophy = positivisme,

de wijsgeerige richting, die het gebied van het weten bepaalt tot wat

met de zinnen kan worden waargenomen; — quantity = positief getal;

subst. —ness; Positivist = aanhanger van Positivism.

Posse, posi, mogelijkheid; menigte, hoop: A strong — of police; —

Comitatus = de gewapende macht die een Sheriff kan oproepen.

Possess, pəzes, bezitten, bezetten, bemachtigen, zich overtuigen van,

beheerschen, vervullen: He acted like one (a man) —ed = als een

bezetene: He —es himself = hij kan zich beheerschen; Great awe —es my

soul = mijne ziel is vervuld van; — your soul in patience = bezit in

lijdzaamheid; Possession, pəzeš’n, bezit, eigendom, bezitting: — is

nine points of the law = zalig zijn de bezitters; A writ of — = een

rechterlijk bevel van den Sheriff om iemand in het bezit van een stuk

grond te stellen; The man in — = Broker’s man (who is put in — of the

house till the execution is paid out); To be in —; To get — of; I gave

him — of (put him in — of) his property = stelde hem in het bezit van;

He recovered — of his goods = hij herkreeg bezit van; He took — of his

own = hij nam wat het zijne was; To take — of a house = betrekken;

Possessive case = tweede naamval; Possessor = bezitter; adj. —y =

bezittend, betrekking hebbende op het bezit.

Posset, posət, warme melk, geronnen door bijvoeging van wijn, bier of

azijn, gekruid en zoet gemaakt; — verb. stremmen.

Possibility, posibiliti, mogelijkheid; Possible, posib’l, mogelijk: If

— = zoo mogelijk; Possibly = mogelijk(erwijs): I cannot — assist you =

ik kan u onmogelijk helpen.

Possum, posəm, subst. opossum: To act (play) — = zich dood houden, ziek

houden; To play — with = bedriegen.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 88 / 141 段