Metamorphize = Metamorphose, metəmöfous, metəmöfouz, metamorphoseeren;
Metamorphosis = gedaanteverwisseling.
Metaphor, metəfö, metaphoor; —ic(al), metəforik(’l), overdrachtelijk,
figuurlijk.
Metaphysical, metəfizik’l, metaphysisch; Metaphysician, Metaphysicist =
bespiegelend wijsgeer; Metaphysics, metəfiziks, bespiegelende
wijsbegeerte.
Metathesis, mətathəsis, metathesis.
Metayer, məteiə, landbouwer die de helft der opbrengst als pacht
betaalt.
Mete, mît, subst. maat; grens (= —s); — verb. meten, toemeten: Full
justice was —d out to him = hij kreeg geheel wat hem toekwam; The
treatment, —d out to him = hem ten deel gevallen; To apply the vulgar
—-yard to = een nuchteren maatstaf aanleggen.
Metempsychosis, mətempsikousis, zielsverhuizing.
Meteor, mîtjə, verheveling, meteoor; —ic, mîtiorik, meteoor...: —ic
shower = groote menigte vallende sterren; —ic stone = —ite, mîtiərait =
—olite, mîtiərəlait; —ologic(al), mîtiərəlodžik(’l), meteorologisch;
—ologist = weerkundige; —ology = weerkunde.
Meter, mîtə, meter: Dry —, Wet — = drooge, natte meter; To examine the
— = gasmeter opnemen; —age, mîtəridž, meting, meetloon.
Metheglin, mətheglin, mede (drank).
Methinks, mithiŋks, mij dunkt.
Method, methəd, methode, stelsel, proces; —ical, məthodik’l,
methodisch; —ics, məthodiks, methodiek; —ism = de leer der —ists =
aanhangers van de door John Wesley in Oxford gestichte secte (1729):
—istic(al), methodistisch; streng methodisch; —ize = stelselmatig
behandelen, methodisch rangschikken; —izer; —ology = (verhandeling
over) methodiek.
Methought, mithôt, mij docht.
Methuen, məth(j)ûən, methuən; Methuselah, məthjûzələ.
Methyl, methil, methyl.
Meticulous, mətîkjuləs, bang, vreesachtig.
Metonic-Cycle, mitoniksailk’l, maancirkel (19 jaar).
Metonymic(al), metənimik(’l), metonymisch; Metonymy, mətonimi,
metonymia.
Metre, mîtə, dichtmaat, versregel; meter (= 39.37 inches); Metric,
metrik, metriek; metrisch = Metrical, metrik’l.
Metrograph, metrəgraf, instrument aan een locomotief, dat de snelheid
van den trein, met den duur en het aantal malen “stoppen” aanwijst.
Metronome, metrənoum, metronoom; Metronomy = het meten der maat (muz.).
Metropolis, mətropəlis, zetel van een aartsbisschop, hoofdstad; Londen;
Metropolitan, metrəpolit’n, subst. aartsbisschop; adj.
aartsbisschoppelijk, tot een metropolis (tot Londen) behoorend: — Board
of Works = Londensche bouwraad.
Mettle, met’l, (grond)stof, wezen, natuur, geest, vuur, ijver, moed: A
man of — = voortvarend, van stavast; A horse of much — = vurig paard; —
of youth = jeugdig vuur; To put a person on (to) his — = iemand
aanzetten (aanleiding geven) al zijne krachten in te spannen; To try a
person’s — = alles vergen van iemands krachten; —d = —some = vurig;
subst. —someness.
Meuse, mjûz, Maas.
Mew, mjû, subst. zeemeeuw; ruikooi (vooral voor valken); schuilplaats;
gemiauw: —s = stal(len); nauwe straat achter groote huizen waarop de
stallen uitkomen; — verb. opsluiten; ruien, verharen; vernieuwen;
miauwen: To — the feathers.
Mewl, mjûl, schreeuwen, drenzen (van kinderen); —er = schreeuwleelijk.
Mexican, meksik’n, subst. en adj. Mexicaan(sch); Mexico, meksikou.
Mezzo, medzə; — soprano = tweede sopraan; —tint(o) = mezzotint.
Mho, mou, Ohm (electr.).
Miaow, miau, miaauw!
Miasm(a), maiazm(a), (Meerv. —ata), miasma; —atic(al) = miasmen
bevattend: — fever = malaria.
Miaul, miôl, miaul, miauwen.
Mica, maikə, mica; —ceous, maikeišəs, van of als mica, mica...
Micah, maika; Micawber, mikôbə.
Mice, mais, meervoud van mouse.
Michael, maik’l; Michaelmas, mik’lmas, St. Michiel (29 Sept.); herfst:
—-term = zittingstermijn (vroeger van 2–25 Nov.; thans van 24 Oct.–21
Dec. = — Sittings); cursus van 1 Oct.–16 Dec. (Cambr.); 10 Oct.–17 Dec.
(Oxf.).
Mich(e), mitš, zich verbergen, rondsluipen, de school verzuimen; —er.
Michigan, mišigən.
Mickle, mik’l, veel, groot; ook subst.: Many a little makes a — = veel
kleintjes maken een groote.
Microbe, maikroub, microbe; adj. Microbic.
Microcosm, maikrəkozm, de wereld in ’t klein, de mensch; adj. —ic(al),
maikrəkozmik(’l).
Micrometer, maikromətə, micrometer; adj. Micrometric(al); subst.
Micrometry.
Micron, maikron, micron.
Micronesia, maikrənîziə, Micronesië.
Microphone, maikrəfoun, microphoon.
Microscope, maikrəskoup, microscoop; adj. Microscopic(al);
Microscopist, maikrəskoupist, maikroskəpist = iemand, die met den
microscoop werkt; Microscopy, maikrəskoupi, maikroskəpi = microscopie.
Mid, mid, subst. midden...; en verk. v. midshipman: —-air = tusschen
hemel en aarde; —day = middag, subst. en adj.; —land = (in het)
binnenland: The —lands = midden Engeland; The —land railway = de
centraalspoor; — Lent = het midden van de vasten; —most = middelste;
—night, subst. middernacht(elijk): He burns the —night oil = werkt tot
diep in den nacht; —riff = middenrif; —shipman of —shipmite
(schertsend) = adelborst (v. het oudste jaar); —-ships = midscheeps;
—stream = midden van de stroom; —summer = hartje v. d. zomer (21 Juni):
—summer-day = St. Jan (24 Juni); —summer-eve = 23 Juni; —way, subst.
middenweg; adj. midden op den weg, halverwege; —winter = het hartje van
den winter (21 December); —dy = —shipman; —st = midden: In the —st of.
Midden, mid’n, mesthoop.
Middle, mid’l, subst. het midden, middel (van het lichaam),
tusschentijd, tijdschriftartikel; adj. midden, middelst, tusschen
beiden, middelmatig: A clever — for an evening paper; — Ages =
Middeleeuwen; — course = middenweg; — English = ’t Engelsch van ±
1150–1500; — finger; Above, Under (the) — height; — life = middenstand;
— term = middenterm; Barely in —-age = van middelbaren leeftijd; —-aged
people = menschen van middelbaren leeftijd; —-class = burgerklasse;
Upper —-classes = deftige burgerstand; —-class school = Burgerschool;
—man = agent, tusschenpersoon; —most = middenste; —-sized.
Middleburgh, mid’lbɐ̂g.
Middling, midliŋ, middelmatig, redelijk; —s = met zemelen vermengd meel
(veevoeder).
Midge, midž, mug; dwerg = —t.
Midwife, midwaif, subst. vroedvrouw; — verb. verlosk. bijstand
verleenen; —ry, midw(a)ifri, verloskunde: Professor of —ry.
Mien, mîn, uitzicht, gelaat, voorkomen, houding.
Miff, mif, verdrietig, droevig; — verb. verdrietig zijn.
Might, mait, imperf. van may: As best he — = zoo goed en zoo kwaad hij
kon; He wept and well he — = en daar had hij wel reden voor.
Might, mait, macht, kracht: With — and main = uit alle macht; — is
above right (— overcomes right) = macht gaat boven recht; —iness =
grootheid, vermogen; hoogheid: Their High —inesses = Hunne
Hoogmogenden; —y = machtig, groot, sterk: A —y swell = een groote
banjer.
Mignonette, minjənet, reseda.
Migrant, maigr’nt, subst. zwerver, trekvogel; adj. trekkend,
verhuizend, nomadisch = Migratory: — birds = trekvogels; — life;
Migrate, maigreit, verhuizen of trekken naar een ander land; subst.
Migration.
Mikado, mikâdou, keizer van Japan.
Mike, maik.
Milan, milən, milan, Milaan; —ese, milənîz, milənîs, Milanees,
Milaneesch.
Milch, milš, melkgevend: — cow = melkkoe (ook fig.); —y = melkgevend.
Mild, maild, zacht, zachtaardig, vriendelijk; licht: — ale = licht
bier; A — answer = vriendelijk antwoord; — and strong cigars; With —
pique = eenigszins gepiqueerd; A — pun = flauwe; The dog is as — as
milk = doodgoed; —-spirited (—-tempered) = zachtaardig; —-spoken =
vriendelijk; To put it —ly = om het zacht te zeggen; subst. —ness.
Mildew, mildjû, subst. meeldauw, schimmel; — verb. beschimmelen, met
meeldauw bedekt worden; —y = bedorven, beschimmeld.
Mile, mail, mijl (1609 meter); —-mark (—-post) = mijlpaal; —stone =
mijlsteen: I have passed some black —stones = heb het vaak hard te
verduren gehad; —age, mailidž, afstand in —s; uitgaven per mijl;
reiskosten per mijl; A ten —r = een marsch van 10 mijl.
Miles, mailz; Milesian, m(a)ilîž’n, inwoner van Milete; Ier; adj. van
Milete, Iersch.
Milfoil, milfôil, gemeen duizendblad.
Miliary, miliəri, gierst, gierstvormig, korrelig.
Militancy, milit’nsi, oorlog(stoestand); Militant = vechtend,
strijdlustig: The Church —.
Militarism, militərizm, oorlogsgeest, oorlogspolitiek, militairisme.
Military, militəri, adj. krijgs ..., krijgshaftig; subst. mv.
militairen: — Academy; — chest = oorlogskas; — code; He is a — man =
militair; I am not a — man = anti-militair; — officer = officier van de
landmacht; — school; — service; — stores = krijgsvoorraad.
Militate, militeit, (met against, from) = vijandig staan tegenover,
strijden tegen.
Militia, milišə, militie, die zonder eigen toestemming niet
buitenslands diende (nu vervangen door de “Special Reserve”): The land
and the marine —; To serve in the —; —man.
Milk, milk, subst. melk, zog, sap; — verb. melken, melk geven: There’s
no help for (It’s no use crying over) spilt — = gedane zaken nemen geen
keer; To take in with the mother’s —; To — the pigeon = monnikenwerk
doen; To — the wires = onrechtmatig vreemde telegrammen aflezen; zich
een deel van een electr. stroom toeeigenen; —-and-water(y) = melk en
water ..., flauw, sentimenteel; —-can; —-cure; —-farm; —-fever =
zogkoorts; —-gauge = galactometer; —-glass = melkglas; —-jug; —-livered
= laf; —maid; —man = melkboer; —-pail; —-punch = rum met melk, suiker
en muskaat; —-sop = in melk geweekt brood; verwijfd persoontje; —
Standard Act = wet tegen melkvervalsching; —-strainer = zeef; —-sugar;
—-tooth = melktand; —-walk = wijk van één melkboer; —-woman; —er =
melker; melkkoe = —ing-cow; —ing-time; —y = melkachtig: The —y Way =
melkweg.
Mill, mil, molen, fabriek, spinnerij, tredmolen; vuistgevecht,
rekenpenning (1⁄10 v. een Am. cent); — verb. malen, kartelen, vollen,
walken, pletten, afranselen, doen schuimen: That brings grist to your —
= dat zet zoden aan den dijk, geeft je voordeel; To go through the — =
door ervaring leeren; He has been through the — = hij weet er alles
van; Oil —; Saw —; St. Stephen’s — = het Parlement; Wind —; —-brook =
molenbeek; —-clack, —-clapper = molenklapper; —-cog = tand (molenrad);
—-dam = molendam; —-hand = molenaarsknecht; fabrieksarbeider; —-head =
water vóór den molen; —-owner = fabrikant; —-pond = molenvijver: As
quiet as a —-pond; —-race = molentocht; —-sail = molenzeil; —-stone =
molensteen; To get between the upper and the nether —-stone = tusschen
hamer en aambeeld geraken; He can see through (into) a —-stone = hij is
scherpzinnig; —-tail = waterstroom uit een molen; —wright = molenmaker;
—er = molenaar: There are many cases of drowning the —er in our
annotated editions of standard authors = herhaaldelijk vinden we
gevallen van te veel commentaar in de verklarende uitgaven van onze
classieken; —er’s fee (toll) = maalgeld; —ing = het malen, kartelen
(van muntranden).
Millenarian, milənêriən, duizendjarig, wat tot het duizendjarig rijk
behoort; subst. geloover in de komst van het duizendjarig rijk; —ism =
de leer der Millenarians; Millenary, milənəri, duizendjarig; subst.
millennium: The — of King Alfred = de duizendste jaardag; Millennial,
milenj’l, duizendjarig; Millennium, milenj’m, het duizendjarig rijk, de
tijd van den Wereldvrede.
Milleped, miliped, Millipede, milipîd, duizendpoot, pissebed (oproller,
varkentje).
Millerism, milərizm, leer v. William Miller (1782–1849); Millerist,
Millerite, milərait, volgeling van Miller, die de onmiddellijke komst
en heerschappij van Jezus verwachtte.
Millesimal, milesiməl, duizendste deel.
Millet, milət, gierst.
Milliard, miljəd, duizend millioen.
Milligram(me), miligram; Millimetre, Millimeter, milimîtə, milimitə.
Milliner, milinə, modemaakster, dameskleermaker; —y = (zaak in)
modeartikelen; kostuumnaaien.
Million, milj’n, millioen: Two thousand —s of money; The — = de groote
hoop, het groote publiek; —aire, milj’nêə, millionair; —ary = uit
millioenen bestaande; —th = millioenste.
Millocrats, miləkrats, rijke fabrikanten.
Milnes, milz; Milo, mailou.
Milreis, milrîs, Portug. munt (± ƒ 2,70).
Milsey, milsi, melkzeef.
Milt, milt, subst. milt, horn (van visschen); — verb. bevruchten, kuit
schieten; —er = hommer.
Miltiades, miltaiədîz; Milwaukee, milwôki.
Mime, maim, subst. mime, gebarenspel (bij Grieken en Romeinen),
gebarenspeler; — verb. spelen; We cannot bedeck our inner selves, and
make them — as the occasion pleases = kunnen ons innerlijk niet
optooien, en het, al naar de gelegenheid het verlangt, eene rol doen
spelen; —tic(al), m(a)imetik(’l), nabootsend; Mimic, mimik, nabootsend,
nagebootst; subst. nabootser, mime; — verb. nabootsen: — warfare =
spiegelgevecht, manoeuvres; Mimicker = nabootser; Mimicry = grappige
nabootsing, aanpassing aan de omgeving ter eigen beveiliging (van
dieren).
Mimosa, m(a)imousə, mimosa.
Mimsey, mimzi, maatje.
Minaret, minəret, minaret.
Minatory, minətəri, dreigend.
Mince, mins, fijn hakken, bewimpelen, gemaakt spreken of loopen (met
kleine pasjes): He doesn’t — matters = neemt geen blaadje voor zijn
mond; She —s her words = spreekt erg gemaakt; To — one’s steps =
trippelen; —-meat = fijngehakt, met rozijnen, appelmoes, citroensap,
vet, rum, etc., dooreengemengd vleesch voor pasteitjes: To cut into —
(To make — of) = in de pan hakken (milit.); —-pie = eene met —-meat
gevulde pastei; —r = hakmachine; geaffecteerd persoon; Mincingly =
geaffecteerd, vergoelijkend.
Mind, maind, subst. gemoed, geest, ziel, neiging, herinnering, zorg,
meening; — verb. letten op, behartigen, bezwaren hebben, bedenken, van
zins zijn: Absence of — = verstrooidheid; Presence of — =
tegenwoordigheid van geest; To be in one’s right — = bij zijn volle
verstand zijn; To be of one — = eenstemmig zijn; To be in two (several)
—s = weifelen; To be out of one’s — (of unsettled —) = niet recht bij
zijn verstand zijn; To bear in — = bedenken; To bring (call) to — = te
binnen roepen, zich herinneren; It came into my — = de gedachte kwam
bij mij op; To cross (enter) one’s — = te binnen schieten; To feel in
half a — = half van plan (geneigd) zijn; To have a great — = veel lust
hebben; To have no — = geen lust hebben; To have all the — in the world
= allemachtig veel trek hebben; To keep in — of = herinneren aan; He
does not know his own — = weet zelf niet wat hij wil; To make up one’s
— = besluiten; Make up your — for it = bereid er je op voor; I will put
you in — of it = je er aan herinneren; He has set his — upon it = zijn
zinnen er opgezet; Speak your — = zeg wat je op het hart ligt, spreek
ronduit; Out of sight, out of — = uit het oog, uit het hart; The house
has stood there time out of — = sedert onheugelijke tijden; To my — =
naar mijn meening; So many men so many —s = zooveel hoofden, zooveel
zinnen; — you! = denk er om! Never — = het kan niet schelen; — your own
business = bemoei je met je eigen zaken; To — a child = passen op; To —
the door = om de deur denken, op het huis passen; — your head-ache =
denk om je hoofdpijn; I should not — going there now = zou er nu wel
heen willen; — your P’s and Q’s = pas op je tellen; —-reading =
gedachtenlezen; —-wandering = ijlen; —ed = geneigd, gezind: He was —ed
to end the matter = van plan; If you are (so) —ed = als ge er zin in
hebt; —ful = opmerkzaam, voorzichtig, gedachtig: Be —ful of your health
= denk om; subst. —fulness; —less of everything = op (om) niets
lettende (denkende).
Mine, main, van mij: This book is —; A friend of — = een mijner
vrienden; — host = de waard.
Mine, main, subst. mijn, rijke bron; — verb. ondermijnen (ook fig.);
uitgraven, graven naar: A gold —; —-captain = mijnopzichter; —r =
mijnwerker, mineur.
Mineral, minər’l, subst. delfstof; adj. delfstoffelijk, mineraal: —
kingdom = delfstoffenrijk; — oil; — salt = mineraalzout; — spring; —
waters = minerale bronnen of wateren; —ization, subst. v. —ize =
versteenen, mineraliseeren; —ogic, minərəlodžik; mineralogisch; —ogist,
minəralədžist, delfstofkundige; —ogy, minəralədži, mineralogie.
Minerva, minɐ̂və, Minerva: — press = een vroegere drukkerij in Londen;
de sentimenteele romans daar gedrukt.
Minever, Miniver, minivə, Siberisch eekhorentje, het bont daarvan.
Mingle, miŋg’l, vermengen, zich vermengen (onder), versmelten.
Miniature, minitj(u)ə, subst. miniatuur(portret); adj. verkleind, op
kleine schaal: — painter.
Minibus, minibɐs, een soort wagen voor 4 personen.
Minify, minifai, verkleinen; geringschatten.
Minikin, minikin, zeer klein, geaffecteerd; subst. kleine speld;
lieveling.
Minim, minim, zeer klein; subst. dwerg, kort gedicht; ± 65 m.Gram;
halve noot; —s = de strenge orde der Miniemen; Minimal, minimaal;
—ization, subst. v. —ize = verkleinen, verbloemen: Let us not —ize the
danger of our situation; —um = minimum.
Mining, mainiŋ, subst. mijnbouw; adj. mijn ...: —-academy; —-shares
(—-stocks) = mijn waarden.
Minion, minj’n, subst. slaafsch volgeling, gunsteling, lichtekooi: —s
of the moon = roovers, dieven.
Minister, ministə, subst. (staats)dienaar, minister, gezant; werktuig
(fig.); predikant (bij de dissenters); — verb. voorzien van,
verschaffen, toedienen, besturen, ministreeren, oppassen, behulpzaam
zijn, geneesmiddelen geven: — of the Colonies; — of Finance; — of
Foreign Affairs; — of the Interior = M. van Binn. Zaken; — of War;
Prime — = minister-president; He —ed to me in those days = verzorgde
mij; —ial, ministîriəl, dienend, gehoorzamend; ministerieel; —ialist =
regeeringsgezinde; Ministrant, dienend; subst. dienaar; Ministration =
dienstverrichting, bestuur, geestelijke bijstand of ambt: The prisoner
was offered his — = den gevangene bood men geestelijken bijstand aan;
Ministry = ministerie, dienst, geestelijke functiën.
Minium, minj’m, roode menie.
Mink, miŋk, vison, soort v. Amer. wezel; pels daarvan.
Minnow, minou, soort witvisch, voorntje, stekelbaarsje.
Minor, mainə, kleiner, geringer, jonger, klein, gering; subst.
minderjarige, mineur, minor, (term van een syllogisme): — key = mineur
(muz.); — poets; — premiss, deze bevat den — term = het subject v. de
conclusie; — third = kleine terts; Asia — = Klein-Azië; —ite,
mainərait, Franciskaner; —ity, m(a)inoriti, minderheid,
minderjarigheid.
Minorca, minökə; Minos, mainəs; Minotaur, minətö.
Minster, minstə, hoofdkerk, kloosterkerk.
Minstrel, minstr’l, minstreel; negerzanger (= Negro —); —sy = de kunst
v. d. minstreel, balladenverzameling.
Mint, mint, munt, groote hoeveelheid; munt (plant); — verb. munten,
slaan, smeden: Master of the — = muntmeester; A — of money = een “bom”
duiten; The — and cummin of literature = de nietige dingen of
kleinigheden in de letteren (Zie Matth. XXIII, 23); —-drops =
pepermuntjes; —-julep = Amer. drank van suiker, spiritualiën en
kruizemunt in gestampt ijs; —-sauce = kruizemuntsaus; —age, mintidž,
het gemunte, muntrecht.
Minuend, minjuənd, aftrektal.
Minuet, minjuət, menuet: To step (walk) a — = een menuet dansen.
Minus, mainəs, minder dan, onder nul, met uitzondering van, waardeloos.
Minuscule, minɐskjûl, klein, gering; subst. kleine letter.
Minute, minit, subst. minuut, memorandum, concept, notulen, protocol (=
—s); ook adj.; — verb. aanteekeningen maken, do minuten of notulen
schrijven van: To keep the —s; —-book = klad- of notulenboek; —-glass =
zandglas (van ééne minuut duur); —-gun = minuutschot; —-hand =
minuutwijzer.
Minute, minjût, zeer klein, gering, precies, omstandig; subst. —ness;
Minutiae, minjûšiî, kleinigheden, bijzonderheden.
Minx, miŋks, brutale meid.
Miracle, mirək’l, wonder, mirakel: To a — = wonderbaarlijk; To work —s
= doen; Faith works —s; —-play = mysteriespel; Miraculous, mirakjəlɐs,
wonderdadig, wonderbaarlijk, wonder..; subst. —ness.
Mirage, mirâž, luchtspiegeling, waan.
Mire, maiə, subst. slijk, modder; — verb. bemodderen, in den modder
zakken of zitten, in ongelegenheid brengen: To be in the — = in den
klem zitten; To drag into the — = door het slijk halen (fig.); —-crow =
kap- of kokmeeuw; Miriness = modderigheid.
Mirror, mirə, subst. spiegel, toonbeeld; — verb. terugkaatsen: Dutch —s
= spionnetjes; Halls of —s = spiegelzalen.
Mirth, mɐ̂th, vroolijkheid, opgewektheid; adj. —ful; subst. —fulness.
Miry, mairi, modderig.
Mirza, mɐ̂zə, Perzische eeretitel; vorst.
Misadventure, misədventjə, ongeluk, tegenspoed; adj. Misadventurous.
Misalliance, miselaiəns, huwelijk beneden iemands stand; Misallied,
misəlaid, verkeerd vereenigd.
Misanthrope, misənthroup, menschenhater; adj. Misanthropic(al),
misənthropik(’l); Misanthropist, misanthrəpist, menschenhater;
Misanthropy, misanthrəpi, menschenhaat.
Misapplication, misaplikeiš’n, subst. v. Misapply, misəplai, verkeerd
toepassen.
Misappreciate, misəprîšieit, onderschatten; subst. Misappreciation.
Misapprehend, misaprihend, misverstaan, verkeerd begrijpen; subst.
Misapprehension.
Misappropriate, misəprouprieit, zich onwettig toeëigenen; subst.
Misappropriation.
Misarrange, misəreinž, verkeerd rangschikken; subst. —ment.
Misbecome, misbikɐm, ongepast zijn voor, slecht passen bij; Misbecoming
= ongepast, onvoegzaam.
Misbefitting, misbifitiŋ, onvoegzaam.
Misbegotten, misbigot’n, onecht, slecht.
Misbehave, misbiheiv, zich misdragen (oneself); Misbehaviour,
misbiheivjə, wangedrag.
Misbelief, misbilîf, ongeloof, dwaalleer; Misbelieve = dwalen, ten
onrechte gelooven; Misbeliever = ongeloovige.
Miscalculate, miskalkjuleit, misrekenen; verkeerd uitrekenen; subst.
Miscalculation.
Miscall, miskôl, verkeerdelijk noemen.
Miscarriage, miskaridž, mislukking, verloren gaan, wangedrag, miskraam:
A gross — of justice = grove rechterl. dwaling; Miscarry, miskari,
verloren gaan (v. brieven), mislukken, een miskraam krijgen: He
miscarries of puns every minute = hij zegt om den haverklap te
onrechter tijd woordspelingen.
Miscast, miskâst, subst. misrekening; — verb. misrekenen, verkeerd
berekenen.
Miscegenation, misədžəneiš’n, rassenvermenging.
Miscellanea, misəleinjə, allerlei; Miscellaneous = gemengd, door
elkaar, verscheiden; subst. —ness; Miscellanist, misələnist, schrijver
van mengelwerk; Miscellany, miseləni, mengeling, mengelwerk.
Mischance, mistšâns, subst. ongeluk, ramp; — verb. ongelukkig gebeuren.
Mischief, mistšif, onheil, ongeluk, kwaad, ondeugendheid, onrecht,
schade, nadeel: The boys are never out of — = voeren altijd wat uit; He
is bent on — = hij voert wat in zijn schild; Out of pure — = uit
moedwil; To do — = ondeugend zijn; To get into — = kattekwaad
uitvoeren; To lead into — = verleiden tot kwaad doen; To make — =
onheil stichten; He means — = voert wat in het schild; There will be
the — to pay = dan heb je de poppen aan ’t dansen; What the — is your
little game = wat duivel voer jij in ’t schild? Like the very — = als
dol; He is a —-maker = onheilstoker, tweedrachtstichter; A —-making
fellow = kwaadstichter, onheilstoker; Mischievous, mistšivɐs,
boos(aardig), schadelijk, moedwillig, noodlottig, ondeugend; subst.
—ness.
Miscible, misib’l, vermengbaar.
Miscite, mis-sait, verkeerdelijk aanvoeren of aanhalen.
Miscomprehend, miskomprəhend, Misconceive, misk’nsîv, verkeerd
begrijpen of beoordeelen; Misconception = verkeerde opvatting,
wanbegrip, dwaling.
Misconduct, miskondəkt, wangedrag, verkeerde behandeling.
Misconduct, misk’ndɐkt, slecht besturen of behandelen: To — oneself =
zich slecht gedragen.
Misconjecture, misk’ndžektjə, subst. valsche gissing; — verb.
verkeerdelijk gissen of berekenen, misrekenen.
Misconstruction, misk’nstrɐkš’n, misvatting, verkeerde uitlegging;
Misconstrue, miskonstrû, verkeerd opvatten of uitleggen.
Miscount, miskaunt, subst. misrekening; — verb. verkeerd tellen of
rekenen.
Miscreant, miskriənt, afschuwelijk, gemeen; subst. ellendeling, schurk.
Miscue, miskjû, subst. misstoot (bilj.); — verb. misstooten.
Misdate, misdeit, subst. verkeerde dagteekening; — verb. verkeerd
dateeren.
Misdeal, misdîl, subst. het verkeerd geven (van kaarten); — verb.
verkeerd geven: To make a —.
Misdeed, misdîd, misdaad.
Misdeem, misdîm, verkeerd beoordeelen.