Thunder, thɐndə, donder, donderslag, onweer, banbliksem; — verb.

donderen, bulderen, slingeren: By — = voor den donder; What in — do you

want = wat donder wil je eigenlijk? Rolling peals of — = ratelende

donderslagen; It is the — that strikes, but the lightning that smites =

de donder ratelt, de bliksem slaat in (= groote woorden zijn maar

wind); We shall have — to-day = krijgen onweer; — of applause; — of

cannon; — and lightning trousers = broek van donkergrauwe stof met

witte spikkels; To — out an excommunication; —bolt = bliksemstraal,

donderslag, banbliksem: Like a (—)bolt from the blue = gelijk een

donderslag uit onbewolkten hemel; —-clap = donderslag = Clap of —;

—-cloud = onweerswolk; —-dart = bliksemschicht; —-peal = slag; —-pick =

pijlsteen, dondersteen; —-storm = onweer; —-struck = (als) door den

bliksem getroffen; —er = donderaar (naam van “The Times”); —ous: —ous

roar = donderend geraas.

Thurible, thjûrib’l, wierookvat; Thurifer, thjûrifɐ̂, wierookvatzwaaier;

Thuriferous, thjurifərɐs, wierook bevattend of voortbrengend;

Thurification = bewierooking.

Thuringia, thjurinžiə, Thuringen; —n, (bewoner) van Th.; Thuringsch.

Thursday, thɐ̂zdi, Donderdag: Holy — = Hemelvaartsdag; Maundy — = Witte

Donderdag.

Thus, dhɐs, subst. wierook.

Thus, dhɐs, aldus, dientengevolge, dus, tot aan: — far = tot hiertoe;

As — = als volgt; I told you — much = dit (alles) heb ik u gezegd.

Thwack, thwak, subst. harde slag, stomp; — verb. slaan, stompen; —ing =

pak slaag.

Thwart, thwöt, subst. doft; adj. dwars, schuin; adv. dwars; prep.

dwarsover; subst. tegenstand, belemmering; — verb. kruisen,

dwarsboomen; —ness = dwarsheid, weerbarstigheid; —ships = dwarsscheeps.

Thy, dhai, bez. vnw.: uw; —self = uzelf.

Thylacine, thailəsain, buidelwolf.

Thyme, taim, tijm; Thymy, vol tijm, geurig.

Thyroid, thairôid, schildvormig; —-cartilage = schildvormig kraakbeen.

Thyrse, thɐ̂s (Thyrsus, thɐ̂səs), Bacchusstaf; Thyrsoid, thɐ̂sôid, in den

vorm van een B.

Tiara, taiêrə, taiârə, tiara, driedubbele pausenkroon, pausel.

waardigheid, soort v. diadeem: —ed, taiêrad met een tiara getooid.

Tib, tib: St —’s Eve = Juttemis; —-cat = kat.

Tib, tib: — out = uitknijpen (Schoolslang).

Tibald, tibəld; Tiber, taibə, Tiber; Tiberius, taibîriəs; Tibet, tibət,

tibet.

Tibia, tibiə, scheenbeen, adj. —l.

Tic, tik, neuralgie, aangezichtspijn.

Tichborne, titšbən.

Tick, tik, subst. teek, tijk, tikje, teeken, stip, getik; crediet,

rekening; — verb. tikken, borgen, crediet geven of krijgen, ter

contrôle aanschrappen op een lijst: He that has no money, needs no

purse, but — = heeft crediet en geene beurs noodig; A state of — =

toest. v. geldgebrek; He buys everything on — = op den pof, op crediet;

To give one no end of —; You cannot — a man off into columns in a

parliamentary return = men kan een mensch niet in rubrieken verdeelen

in eene regeeringsstatistiek; —-bean = paardeboon; —-tack of the clock;

—er = horloge.

Ticken, tik’n, stof voor beddetijk.

Ticket, tikət, kaartje, biljet, lot, toegangsbewijs, plaatskaartje,

lommerdbriefje, etiket, mandaat, gedrukte candidatenlijst bij

verkiezingen, stembiljet (Am.): That’s the — = dat is je ware; To buy

one’s — (Am. voor Eng.: To take one’s —) een kaartje nemen; He was

elected on the radical — = op het radicale program; —-collector

(-examiner) = controleur; —-day = eerste dag der rescontre; —-of-leave

= bewijs van voorwaardelijke invrijheidstelling; —-of-leave-man =

voorwaardelijk vrijgelatene; —-night = soort benefice voorstelling;

—-office = plaatskaartenbureau; —-porter = gepatenteerd of door eene

maatschappij aangestelde kruier; —-window = loket.

Ticking = Ticken.

Tickle, tik’l, kietelen, streelen: That —d them = dat deed hun

aangenaam aan; He tried to — my palm = mij duimzalf te geven; —r =

netelige vraag, raadsel; stok, pak slaag; Ticklish, wankel(moedig),

onvertrouwbaar, netelig, lastig; subst. —ness.

Tidal, taid’l, wat tot ebbe of vloed behoort: — service =

stoombootdienst in verband met het getij; — wave = vloedgolf; I leave

by the — (train) for France = met den trein, die op het getij rijdt.

Tidbit, tidbit = Titbit.

Tiddler, tidlə: Tom —’s ground = luilekkerland.

Tide, taid, subst. tijd, tij, getij, hooge stand, vloed, stroom, loop

der omstandigheden; — verb. met het getij een haven binnenvallen of

verlaten, met tij zeilen of drijven: Outgoing — = ebbe; The — of

fortune (success) was flowing = was met ons (hem, etc.); The — was

going at a strong (great) rate = er liep een zwaar tij; We leave at the

shifting of the — = bij het kenteren van het getij; We are sailing with

the — = met den stroom; We could hardly stem the — = haast niet

doodzeilen; He took fortune at the — = Took the — at the flood =

smeedde het ijzer toen het heet was; We —d over those days = zijn

gelukkig te boven gekomen; It remains to be seen whether you can — over

the difficulties = of gij er u doorheen kunt slaan; —-gate = sluis v.

een kanaal dat den invloed v. het tij ondervindt; —-gauge = peilschaal;

—sman, —-surveyor = kommies te water; —-table = tafel der

hoogwatergetijden; —-waiter = —sman; —-water = water dat den invloed

van ebbe en vloed ondervindt; —-wave = vloedgolf; In the —-way = op

stroom; —less = zonder tij.

Tidiness, taidinəs, subst. v. Tidy.

Tidings, taidiŋz, tijding, bericht: To bring (receive, send) —.

Tidy, taidi, netjes, proper, zindelijk; subst. gehaakt kleedje,

anti-macassar, morsschortje; — verb. opruimen, in orde brengen,

opknappen: It cost me a — penny = een mooien duit; I must — away all

the memories of yore = moet verdrijven; To — up = zich opknappen.

Tie, tai, subst. band, knoop, haarband, gelijk aantal punten,

onbesliste wedstrijd, gelijk aantal stemmen, verbindingsbalk,

verbindingsteeken, strikje; — verb. binden, verbinden, onderbinden,

knoopen, beperken, precies gelijk zijn (bij een wedstrijd): White

evening — = strikje; Final — = eindwedstrijd; The —s of friendship,

love, kindred = banden van vriendschap, liefde, bloedverwantschap; He

is a — on me = is mij tot last, bindt mij de handen; To do up one’s — =

(hals)strikje knoopen; This poet scores a — with Tennyson in the

collection = van beiden zijn evenveel stukken opgenomen; To — a knot =

een knoop leggen; I am —d down to my work = gebonden aan; — it in a bow

= maak er een strik van; I have —d it up = heb het dicht gebonden; She

—d up her money that her husband could not get at it = zij zette haar

geld vast.

Tier, tîə, reeks, rij, rang; — verb. in rijen rangschikken: The cells

were built in —s, one over the other.

Tierce, tîəs, maat, gewicht (Zie Terce); volgkaarten, terts,

drielingsbalk (Herald).

Tiercel, tîəs’l, mannetjesvalk.

Tiercet, tîəsət, tɐ̂sət, terzet, drieregelig gedicht.

Tiff, tif, subst. booze bui, kleine ruzie; slokje: She was in a — = had

eene kwade bui; The two lovers have had a — = hebben standjes gehad; To

take — = zich beleedigd gevoelen; She is a little —ed, and thinks we

have treated her ill = boos; —ish = prikkelbaar.

Tiffany, tifəni, dun zijden gaas.

Tiffin, tifin, lunch of kleine maaltijd.

Tig, tig, vangspelletje (met tikjes).

Tiger, taigə, tijger, opsnijer, livreiknecht(je); extra luid applaus

(Amer.): Three cheers and a —; They were fighting the — = zij waren aan

het dobbelen (Am.); —-cat = tijgerkat; —-lily = tijgerlelie; —-spotted

= getijgerd; —-wood = tijgerhout; Tig(e)rish = tijgerachtig;

opsnijerig.

Tight, tait, (lucht)dicht, strak, dicht, nauwsluitend, sterk,

goedgebouwd, keurig, net, hevig, benauwd, schaarsch, gierig, dronken;

(—s = nauwsluitend tricot, zooals van acrobaten, etc.; spanbroek): — as

a drum = smoordronken; Money is — = ’t geld is krap; That’s an

uncommonly — fit = dat sluit zeer nauw, dat moet er buitengewoon

precies ingepakt worden, dat kan er nauwelijks in; I found myself in a

very — place = benarde positie; The — and the slack rope = het

gespannen en het slappe koord; He keeps his children — = kort; proper;

Everything on the deck was set — = vastgezet, vastgesjord; Sit — = houd

je vast; Air-— = luchtdicht; —-fisted = gierig; —-fitting =

nauwsluitend; —-laced = bekrompen; Tighten = aanhalen, spannen, zich

samentrekken; Tightness = dichtheid, etc.

Tigress, taigrəs, tijgerin.

Tigris, taigris, Tiger.

Tigrish, taigriš = Tigerish.

Tilbury, tilbəri, tilbury.

Tile, tail, subst. (dak)pan, aarden deksel, hoed, deur v. eene

vrijmetselaarsloge; — verb. met pannen dekken, zorgen dat geene

oningewijden binnenkomen: Ridge —s = vorstpannen; He has a — loose

(off) = het mankeert hem in zijn bovenste verdieping; We are —d = de

loge is gedekt, we zijn onder ons = This is a —d meeting; —-burner =

pannenbakker; —-drain = afvoerbuis; —-kiln = pannenbakkersoven;

—-work(s) = pannenbakkerij; —r = pannendekker, dekker van de loge

(vrijmetselaars); —ry = pannenbakkerij.

Tilia, tiliə, linde(boom); Tiliaceous, tilieišəs, gelijkende op of

verwant met de —.

Till, til, lade, winkellade.

Till, til, beploegen, bebouwen; —able = bebouwbaar; —age, tilidž,

akkerbouw; —er = akkerman, boer.

Till, til, tot, tot aan (alléén van tijd): It is not more than two

hours — dinner time = vóór; He did not come home — five = eerst om vijf

uur; — now = tot nu toe; — then = tot dien tijd toe.

Tiller, tilə, subst. handvat, roerpen, helm(stok), schoot, uitlooper,

jonge tak; — verb. uitloopen, nieuwe takken krijgen; —-chain =

stuurketting; —-rope = stuurtouw, stuurreep. Zie Till.

Tilt, tilt, subst. tent, huif, zonnetent, dekzeil; steekspel (= —s),

smeehamer, vooroverhelling (van vaten); — verb. met een tent of een

zeil bedekken, met een lans stooten, naar een ring steken, eene lans

breken, vechten (voor), overhellen (van vaten), scheef staan, kenteren,

hameren, wiegelen of dansen (op de golven): He ran full — at his enemy

= liep met alle kracht (pardoes) aan op; He sat —ing his chair = zat te

wiegelen met; He —ed himself on tiptoe = ging op de teenen staan; To —

at windmills = vechten tegen; The hat was —ed over her ear = stond op

haar ééne oor; —-boat = tentboot; —-cart = kipkar; —-hammer =

smeehamer; —-roof = koepeldak; —-waggon = met een kap bedekte wagon;

—-yard = tournooiveld; —ing-competition = ringsteken.

Tilth, tilth: The land is in good — = goed bebouwd.

Tim, tim, verk. van Timothy.

Timbal, timb’l; Zie Tymbal.

Timber, timbə, subst. timmerhout, boomstam, boomen, bouwmateriaal,

hout, spant, barrière, woud (Amer.); adj. houten; — verb. met hout

beschieten, van hout bouwen: Shiver my —s = de drommel hale mij; He had

a well-—ed frame = goed gebouwd en krachtig lichaam; —-forest =

hoogstammig woud; —-lesson = het afranselen en uit de stad jagen van

vagebonden (Amer.); —-merchant = houtkooper; —-ship = houtschip;

—-trade = houthandel; —-tree = boom die timmerhout oplevert; —-work =

houtwerk, timmerwerk; —-yard = houtstek, houtloods; —ed = van hout

gemaakt, met hout beschoten, bedekt met boomen voor timmerhout,

massief, krachtig.

Timbre, timbə, timbre.

Timbrel, timbr’l, soort van tamboerijn.

Time, taim, subst. tijd, duur, keer, maat, tempo, gelegenheid; — verb.

in verband met den tijd inrichten of regelen, op het juiste oogenblik

doen, de maat aangeven, den tijd bepalen voor, overeenstemmen, maat

houden, etc.: He who gains —, gains everything = tijd gewonnen, alles

gewonnen; Take — while — serves = gebruik uw tijd goed; — and straw

make medlars ripe = de tijd baart rozen; — is money; — enough always

proves little enough = menschen, die den tijd hebben komen altijd tijd

te kort; — and the hour runs through the roughest day = aan den

zwaarsten dag komt eenmaal een einde; — and tide wait for no man = de

tijd schikt zich niet naar ons, wij moeten ons naar den tijd schikken;

— was, when ... = er was een tijd, dat; What — is it? = What is the —?

= hoe laat is het? Then is the — to show your talents = dan is het

tijd; — is up! = het is tijd, de tijd is om; In course of — =

mettertijd; That is quite a length of — = dat is een heele tijd; He did

it in the right nick of — = te juister tijd; — and again = telkens

weer; In —s to come = in de toekomst; From —s immemorial = sedert

onheugelijke tijden; I have known him — out of mind = ik ken hem ik

weet niet hoe lang al; Apparent, Solar — = zonnetijd; Sidereal — =

sterrentijd; Greenwich — = tijd volgens den meridiaan van Gr.; It is

close — = gesloten jachttijd; In the day — = over dag; I received your

favour in due — = uwe letteren te bestemder tijd; It’s a dull — = een

saaie, slappe tijd; We had a good (fine) — = hebben ons uitstekend

geamuseerd; He came here in good — = op het juiste oogenblik; Do

everything in good — = op zijn tijd; We hope to marry in good — = als

de omstandigheden gunstig zijn; Lost — is never found again = verloren

tijd keert nimmer weer; Many a — and oft = herhaalde malen; The mean —

= middelbare tijd; In the mean — = middelerwijl; There is no — like the

present = stel niet uit wat ge heden kunt doen; begin dadelijk; He did

it in less than no — = in een ommezien; The good old —s = de goeie oude

tijd; I shall do it in proper — = te bekwamer tijd; To march at quick

(double quick) — = in versnelden pas (met den looppas); I saw him a

short — since = kort geleden; Have you got the true —? = weet je

precies hoe laat of het is; — after — = keer op keer; To walk (work,

write) against — = op tijd loopen (sport); zoo hard mogelijk loopen,

werken, schrijven; To talk against — = zoo snel mogelijk praten om tijd

te winnen, of verlegenheid te verbergen; At —s = nu en dan; Two at a —

= twee tegelijk; At my — of day = op mijn leeftijd; At the — of his

death = ten tijde dat hij stierf; At one — you told me so = eens; I’ll

see you at one — or other = kom je te eeniger tijd bezoeken; It is

foolish to complain at this — of day = thans nog; A bit behind (before)

your — = te laat, (te vroeg); We shall have the sum by that — = tegen

dien tijd; You ought to be ready by this — = thans; I stop(ped) for the

— being = voor het oogenblik (destijds); I have not seen you for a long

— = in lang niet; He lived here for a — = een tijdje; You had better

repent in — = bijtijds, voordat het te laat is; Your remark is out of —

= te onpas; You are out of — = uit de maat; He was knocked out of — =

zoo geslagen, dat hij zijn bekomst had; The train ran to —, arrived to

— = was precies op tijd; Up to this — he paid regularly = tot hiertoe;

Once upon a — there was = er was er eens; An orchestral conductor has

to beat — = moet de maat slaan; He has husbanded (out) his — = zijn

tijd zuinig besteed; You must improve the — = zoo goed mogelijk

besteden; You don’t keep — = bent uit de maat; I wish to kill (the) —,

for — hangs heavy on my hands = den tijd te korten, die mij lang valt;

He knows the — of day = weet hoe laat het is (fig.); I shall not lose —

to visit you = zal u spoedig komen bezoeken; That will take up a good

deal of — = heel wat tijd kosten; He took present — by the top = greep

de gelegenheid aan; Will you allow me to — myself? = mag ik eens op

mijn horloge kijken (om te zien hoe lang ik noodig heb gehad of hier

geweest ben); The train is —d to reach L. at 8 = moet om 8 uur te L.

zijn; The visit was —d at an inopportune moment = het bezoek kwam zeer

ongelegen; It was an ill-—d thought = eene op dat oogenblik ongelukkige

gedachte; —-bargain = tijdhandel, contract op levering; —-bill =

dienstregeling; —-cribbing = onwettig overwerk; —-expired = zijn tijd

uitgediend; —-freight = ijlgoed; —-glass, Glass of — = tijglas,

zandlooper; —-honoured = achtenswaardig: A —-honoured usage = eene

eerbiedwaardige gewoonte; —-keeper = chronometer, metronoom;

scheidsrechter, iem. die de tijden aangeeft (Sport); controleur; —-lock

= slot dat slechts op bepaalde tijden kan worden geopend; —-piece =

uurwerk, chronometer; —-pleaser = iemand, die de huik naar den wind

hangt = —-server; —-serving, subst. het huilen met de wolven; adj. zich

schikkend naar de heerschende opinie; —-table = dienstregeling,

spoorboekje, lesrooster, leerplan; —-worn = versleten; —ful = gepast,

tijdig, vroeg; —less = ontijdig; eindeloos, eeuwig; —liness, subst. v.

—ly = tijdig, vroeg: A —ly remark = eene te juister tijd gemaakte

opmerking.

Timid, timid, beschroomd, bedeesd: As — as a hare = zoo bang als een

wezel; subst. —ity, timiditi = —ness.

Timocracy, taimokresi, timocratie; adj. Timocratic, t(a)iməkratik.

Timon, taim’n, Timon; Timor, timö.

Timorous, timərɐs, schroomvallig, vreesachtig; adj. —ness.

Timothy grass, timəthigrâs, timotheegras.

Tin, tin, subst. tin, blik, geld, splint; adj. tinnen; — verb.

vertinnen, met stanniool beleggen, inmaken: A — case for botanical

specimens; Nice girls but not much — = maar geen geld; — roof = zinken

dak, plat; —ned meat, fruit = vleesch, vruchten in blik; —-foil =

stanniool; —-man = tinnegieter, blikslager; —-mine = tinmijn; —-plate =

blik; —-smith = —-man; —-solder = soldeer; —-type = photographie op

metaal (Am.); —-worm = duizendpoot; —ny = tin houdend, vol tin.

Tincal, tiŋk’l, ruwe borax.

Tincture, tiŋktjə, subst. tint, kleur, smaak, zweem, tinktuur; — verb.

kleuren, verven, tinten.

Tinder, tində, tonder, zwam; —-box = tonderdoos; —like = als tonder =

—y.

Tine, tain, tand van eene vork, tak; —d: Twelve —d antlers = met 12

takken.

Tinea, tiniə, mot; schin (Med.).

Ting, tiŋ: —-— = klanknaboots. van een (fiets)bel; — verb. (doen)

klinken: To — a bell.

Tinge, tinž, subst. tint, kleur, smaakje, zweem; — verb. tinten,

kleuren: She had experienced sharp —s of regret = er nu en dan diep

berouw over gehad; Principles, slightly —d with radicalism = iets

radicaal getinte beginselen; —r.

Tingle, tiŋg’l, tintelen, prikken, steken, jeuken, tuiten: My ears —d

with it = tuitten ervan; Tingling = kriebelen, tuiten: — of the ears.

Tinker, tiŋkə, subst. (ketel)lapper; — verb. (ketel)lappen, lappen,

knoeien aan: Political —s = politieke tinnegieters; I must have a — at

it = het eens onderhanden nemen; He was always —ing those contracts =

zat altijd te knoeien aan die contracten; —ing measures = lapmiddelen.

Tinkle, tiŋk’l, subst. gerinkel, geklingel; — verb. rinkelen, (doen)

klinken, tuiten: The tinkling of bells = getjingel; Tinkling his

dessert-knife against his wine-glass; Her fingers —d over the spinet =

tokkelden.

Tinsel, tins’l, subst. klatergoud (ook fig.), brocaat, valsche schijn;

adj. oppervlakkig, schijn..., opgeschikt; — verb. met klatergoud

bedekken, mooi maken.

Tint, tint, subst. tint; — verb. tinten: —ed glasses = gekleurde bril;

—less.

Tintinnabulation, tintənabjuleiš’n, getjingel; Tintinnabulous,

tjingelend; Tintinnabulum of rhyme = rijmgetjingel.

Tiny, taini, klein, teer, zwak.

Tip, tip, subst. punt, tip, topje, helmknopje, tikje, fooi,

inlichtingen, inrichting om karren te kippen, kipkar, losplaats; —

verb. punten, de punt beslaan met, wippen of kippen (van eene kar),

toppen (van ra’s), omvallen, schenken, eene fooi geven, intieme wenken

of inlichtingen geven: — of a cigar, the nose, the tail; The pendants

shook in the —s of her pretty ears = lellen; She is a lady to the

finger —s = op en top; That is a straight — = duidelijke wenk; I don’t

know where he gets his —s = waar hij zijne inlichtingen vandaan haalt;

He gave me the — = hij waarschuwde mij, gaf mij een wenk; —-car(t) =

kipkar; —-cat = timp, tip (ook het spel); —-staff = staf,

gerechtsdienaar; —-tilted = opgewipt; He —ped me a guinea = gaf me; To

— all nine = alle negen omwerpen; Have you —ped the servant? = heb je

een fooi gegeven; He —ped me the wink = gaf me een teeken, een wenk;

The minister had been —ped the wink as to the writer of the pamphlet =

den minister was heimelijk een wenk gegeven; He —ped the liquor off =

gooide “’m” om; The new seats in the theatre — up of their own accord

the instant they are vacated = wippen op zoodra men opstaat; —-up seats

= klapstoelen; —ping system = fooienstelsel.

Tipperary, tipərêri: — lawyer = korte eiken knuppel.

Tippet, tipət, pelskraag, sjerp, kraag.

Tipple, tip’l subst. drank, geliefkoosde drank; — verb. pimpelen: A

place of — = kroeg; This wine is first-rate — = is uitstekend; —r =

drinkebroer; Tippling-house = kroeg.

Tipsiness, tipsinəs, subst. v. Tipsy, tipsi, dronken, aangeschoten;

—-cake = amandelpudding of gebak met madera of iets dergelijks.

Tiptoe, tiptou, subst. punt van de teen; adj. en adv. op de teenen,

tersluiks; — verb. op de teenen loopen: He was (stood) on — = stond op

de teenen, was zeer nieuwsgierig, in gespannen verwachting; We are on

the — of expectation = in gespannen verwachting.

Tiptop, tiptop, subst. bovenste beste; adj. zeer goed, uitstekend,

bovenste beste: A — education = voortreffelijke opvoeding; A —per =

banjer, iets heel bijzonders.

Tirade, tireid, tirade; loopje (muz.).

Tirailleur, tiral(j)ɐ̂, scherpschutter.

Tire, taiə, subst. wielband, drijfriem; kleeding, tooi; afmatting; —

verb. uitputten, vermoeien, vervelen, afmatten: tooien, (op)kleeden;

een band doen om: Cushion (Pneumatic) — = luchtband; This “—d” me = dit

verveelde me (Amer.); He soon —d of it = werd het spoedig “beu”; I am

—d out = doodop; I am —d to death = doodmoe: He —d me to death = heeft

mij doodelijk verveeld; I am —d with (of) listening to your complaints

= ben moe (ik heb genoeg) van; Air-—d bicycles = rijwielen met

luchtbanden; Dog —d = bekaf; —dness = vermoeidheid, uitputting; —less =

onvermoeid; subst. —lessness; —some, taiəs’m, afmattend, vermoeiend,

vervelend; subst. —someness; Tiring: —-room = kleedkamer (voor

acteurs); —-woman = kamenier (van een actrice).

Tiro, tairou, beginner; Zie Tyro.

Tirra-lirra, tirəlirə, tiereliere, trara, etc.

Tirw(h)it, tɐ̂(h)wit, kievit.

’Tis, tiz, samentr. van It is.

Tisic(k), tisik; Zie Phthisic.

Tisri, tizri, eerste maand van het burgerlijk jaar (Israël.).

Tissue, tišu, subst. fijn weefsel, goud- of zilverlaken,

aaneenschakeling, zijdepapier (—-paper); — verb. weven, doorweven,

schakeeren: It is a — of lies = weefsel, reeks v. leugens.

Tit, tit, subst. graspieper, meesje; paardje; stukje, brokje, tikje; —

verb. tikken, gooien: I gave him — for tat = gaf hem leer om leer; Why

should I — up for it? = er om opgooien; —-bit = lekkernij, iets fijns.

Titan, tait’n, zon, Titan; vr. —ess; Titania, t(a)iteinjə, Titania, de

feeënkoningin en vrouw van Oberon; Titanic, taitanik, titanisch,

reusachtig.

Tith(e)able, taidhəb’l, tiendbaar; Tithe, taidh, tiende; — verb.

tienden heffen; Tithing, taidhiŋ, het heffen van tienden; getal van

tien huismannen; Tithing-man = hoofd van een Tithing; in Amer.

kerkelijk opziener, ambtenaar belast met het toezicht op de

Zondagsviering.

Titillate, titileit, kietelen, prikkelen; subst. Titillation.

Titivate, titiveit, opdirken, opzichtig kleeden.

Titlark, titlâk, graspieper = Titling.

Title, tait’l, subst. titel, opschrift, naam, benaming, aanspraak,

eigendomsrecht; — verb. betitelen, noemen: To bear a — = titel dragen;

To have a — to = gerechtigd zijn tot; He took possession by the

clearest — = met de duidelijkste (volste) aanspraken; —-deed =

eigendomsacte of -bewijs; —-page = titelblad; —-rôle = titelrol; A —d

gentleman = adellijk; —less = zonder titel.

Titmouse, titmaus, mees.

Titrate, t(a)itreit, titreeren; subst. Titration.

Titter, titə, gichelen, wippen; subst. gegichel: Every one around them

was in a — = aan het gichelen.

Tittle, tit’l, subst. stip, iota; — verb. wauwelen, babbelen: That is

it to a — = precies; —-tattle, subst. gewauwel, gebabbel, wauwelaar;

adj. wauwelend; — verb. wauwelen; —-tattler = snapper.

Tittlebat, tit’lbat, stekelbaarsje.

Titty-wagger, titiwagə, leugentje.

Titular, titjulə, titulair, in naam; subst. titularis (die ’t ambt niet

zelf uitoefent): — office = eereambt.

Titus (Brown), brauntaitəs, gewone volksetymol. verbastering van

Bronchitis.

Tiver, t(a)ivə, subst. roode oker om schapen te merken; — verb. merken.

Tiverton, tivət’n.

Tizzy, tizi, sixpence.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 124 / 141 段