Forward, föwəd, subst. een vooraan geplaatst speler bij football; adj.

voorste, vroeg, ver gevorderd in, vroegtijdig, niet achterlijk,

wijsneuzig, brutaal, vooruit; adv. (—s) vooruit, voorwaarts; — verb.

bevorderen, aansporen, verhaasten, overzenden; interj. voorwaarts! The

book is in a — state = het boek is een heel eind op weg; I beg to —

this letter = ik ben zoo vrij u dezen brief te doen toekomen; From this

day — = in het vervolg; —er = verzender, expediteur = —ing agent; —ing

firm = expeditiezaak; —ing note = vrachtbrief (Amer.); —ness =

vroolijkheid, vroegrijpheid, wijsneuzigheid, brutaliteit.

Fosbroke, fosbruk.

Fosse, fos, vestinggracht, halte.

Fossick, fosik, verlaten goudmijnen of waschplaatsen nasnuffelen;

lastig en druk zijn, aanhoudend zoeken; —er (Austr.).

Fossil, fosil, subst. delfstof, versteend lichaam; iemand ten achteren

bij zijn tijd; adj. opgedolven, verouderd: —iferous = versteeningen

bevattend; Fossilization = versteening; —ize, fosilaiz, versteenen,

verouderen.

Fossroad, fosroud, een der 4 groote heirbanen door de Romeinen

aangelegd, met slooten aan beide kanten, ook Foss(e)way geheeten.

Foster, fostə, voeden, zoogen, kweeken, aanmoedigen, koesteren;

—-brother = zoogbroeder; —-child = voedsterkind; —-daughter =

pleegdochter; —-father = pleegvader; —-mother = zoogmoeder; —-sister =

zoogzuster; —-son = pleegzoon; —er = voedster, zoogster, bevorderaar.

Fother, fodhə, wagenvracht; ook verb.: To — a leak = stoppen.

Fotheringay, fodhəriŋgei.

Fotmal, fotmâl, 70 Eng. ponden (31,751 K.G.) lood.

Fought, fôt, imperf. en part. perf. van to fight.

Foul, faul, vuil, onrein, stinkend, heiligschennend, gemeen, zondig,

misdadig, onwettig, onbillijk, storm- of regenachtig, bewolkt,

belemmerend; subst. aanrijden, aanvaren, ongeoorloofde slag; — verb.

bevuilen, besmetten, in botsing komen, vuil worden, verward raken: —

means = oneerlijke; A — pipe = vuile; — play = valsch spel, bedrog; I

had a — taste in the mouth; — wind = tegenwind; We fell (ran) — of a

rock = stieten op eene rots; These two persons fell — of each other =

kregen samen twist; He —ed my course and received all my weight = hij

kwam mij in den weg, en kreeg mijne geheele zwaarte op zich; —-anchor =

onklaar anker; —-proof = vuile proef; —-mouthed, —-spoken, —-tongued =

vuile taal sprekend; —ness = vuilheid, etc.

Foulard, fulâd, zijden (hals)doek.

Found, faund, imp. en p.p. van to find.

Found, faund, metaal gieten; stichten, grondvesten, oprichten,

begiftigen; —ation, faundeiš’n, grondslag, fundeering, stichting,

begiftiging, fundatie (—ationer = alumnus); —ation-muslin = stijf gaas;

—ation-school = door corporaties of privaat-personen gestichte school;

—ation-stone = eerste steen; —er, subst. metaalgieter; stichter, maker,

begiftiger: He is the —er of the feast = aanlegger; vr. —ress; —ry =

metaalgieterij; —ry-goods = gietijzeren artikelen.

Founder, faundə, verb. zinken, zakken, vergaan, mislukken; doen zinken,

vallen, kreupel worden of maken (van paarden): A —ed copy = slecht

uitziend (onderhouden) exemplaar; I am —ed with cold = stijf van koude.

Foundling, faundliŋ, vondeling: —-hospital = vondelingshuis.

Fount, faunt, bron, fontein, put; —ain, fauntin, bron, fontein,

waterreservoir; —ain-head = oorsprong of bron v. eene rivier (ook

fig.); —ain-pen = vulpen.

Four, fö, vier: To form —s = in vieren opmarcheeren; To be folded in —s

= in vieren; We are (run) on all —s = wij zijn (loopen) op handen en

voeten; They go on all —s = zij stemmen volkomen overeen; That is on

all —s with it = dat komt er geheel mede overeen; To place on all —s

with = gelijkstellen; —-ale = goedkoop bier (4d. het quart): —fold,

adj. viervoudig; subst. viervoud; — verb. verviervoudigen; —-footed =

viervoetig; —-handed = vierhandig; —-horse = door vier paarden

getrokken; —-in-hand, subst. rijtuig met vier paarden; adj. door vier

paarden getrokken; —-legged = met vier pooten, viervoetig; —penny,

—pence = vierstuiverstukje; —-poster = groot ledikant met stijlen aan

de vier hoeken; —score = tachtig; —square = vierkant, vast gegrond,

vast staand: The Eiffel tower stands —square on feet of solid masonry =

staat onwrikbaar vast op; —-wheeler = vigelante; —teen = veertien;

—teenth = veertiende; —th = vierde; —th-rate = vierklassig (bij de

marine); —thly = ten vierde.

Fourbisseur, fûəbisɐ̂, zwaardveger.

Fourgon, fûəgon, fourgon, ammunitie- of bagagewagen.

Fourierism, fûriərizm, het socialistisch stelsel, aanbev. door Charles

Fourier.

Fowl, faul, subst. gevogelte, het vleesch daarvan, gezamenlijke vogels,

haan, kip; — verb. vogels vangen of schieten; —er = vogelaar;

—ing-piece = ganzenroer; —ing-shot = ganzenhagel.

Fox, foks, subst. vos, sluwe kwant; — verb. zuren (bij ’t gisten), rood

of zuur worden, begluren, voorwenden, veinzen, kapen, stelen,

voorschoenen aanzetten (Amer.); —-brush = vossestaart; —-chase (—-hunt)

= vossenjacht; —-earth = vossenhol; —-evil = kaalheid; —-glove of

Folks’-glove = vingerhoedskruid; —-grape = Amerikaansche wijnstok;

—-hound = hond voor vossenjacht; —-tail = vossestaart; —-trap =

vossenval; —-trot = sukkeldraf (van een paard); —ed, fokst, verkleurd,

gevlekt; met gestikt bovenleer versierd (Amer.); —ing, subst.

bovenleder; adj. verkleurend; —like; —y = sluw, rossig.

Fracas, freikəs, lawaai, ruzie.

Frack, frak, gretig, vaardig, krachtig.

Fracted, fraktid, gebroken; Fraction, frakš’n, breking (vooral met

geweld), gebroken getal, breuk, brok; het breken van het brood bij het

H. Avondmaal; —al, frakšən’l, tot eene breuk behoorend, gebroken,

klein, nietig: —al certificate = scrip certificaat; Fracture, fraktšə,

breuk (met geweld), gebroken deel; — verb. breken: Simple — =

eenvoudige been- of armbreuk; Compound — = gecomplic. breuk

(beschadiging v. het weefsel).

Fractious, frakšəs, twistziek, kribbig; subst. —ness.

Fragile, fradžil, broos, zwak, teer; —ness = Fragility, frədžiliti,

broosheid, zwakheid.

Fragment, fragm’nt, brokstuk; —al, frəgment’l, —ary, fragm’ntəri, uit

brokken bestaande, zonder verband.

Fragrance, —cy, freigr’ns(i), geur, welriekendheid; Fragrant,

freigr’nt, geurig, welriekend.

Frail, freil, subst. bies (voor manden), biezenmandje of mat (voor

vijgen of rozijnen).

Frail, freil, bros, broos, teer, besluiteloos, onvast, zwak, zondig:

The — sex; —ness = —ty = zwakheid, broosheid.

Fraise, freiz, subst. frees, halskraag, stormpaal (onder een hoek van

45°); spekpannekoek; drukte; — verb. fraiseeren, met stormpalen

beschermen: The battalion was —d = het bataljon stond met gevelde

bajonet.

Frame, freim, subst. samenstel, lichaamsgestel, steiger, geraamte,

lijst, raam, borduurraam, broeiraam (—bak), etc., gemoedsgesteldheid,

gietvorm; — verb. bouwen, samenvoegen, regelen, ordenen, vormen,

overlèggen, omlijsten, in elkander zetten: Out of — = in wanorde; His —

of mind = gemoedsstemming; Who —d that story = bedacht; —-bridge = brug

op jukken; —-building = —-house = houten huis; —-timbers = inhouten van

een schip; —work = geraamte, lijstwerk, kader, omlijsting, inrichting.

France, frâns, Frankrijk: Isle of — = Mauritius; The Franco-German war.

Frances, fransəs, Francisca; Francis, fransis, Franciscus, Frans.

Franchise, franš(a)iz, subst. voorrecht, recht, vrijplaats,

vrijmoedigheid, edelmoedigheid, stemrecht (= Elective —); — verb.

vrijdom verleenen.

Franciscan, fr’nsisk’n, subst. Franciskaner (grijze) monnik; adj.

Franciskaansch.

Franconia, fraŋkouniə, Frankenland; —n = Frankisch; Frank.

Frangible, franžib’l, licht breekbaar; bros; Frangibility = broosheid.

Frangipane, franžipein, amandelgebak: — gloves = geparfumeerde.

Frank, fraŋk, openhartig, oprecht, vrij; subst. Frank, franc, brief

vrij van port; — verb. zonder vracht of port verzenden (door “Dienst”

of “O. H. M. S.” en de handteekening van den verzender); —ing (of

letters); —ish = Frankisch; —ly = ronduit; —ness = openhartigheid.

Frankincense, fraŋkinsens, soort v. geurige hars, wierook.

Frantic(al), frantik(’l), dol, krankzinnig, woest, razend; subst.

—ness.

Frap, frap, spannen (van eene trom); sjorren.

Fraternal, frətɐ̂n’l, broederlijk; Fraternity, frətɐ̂niti, broederschap;

Fraternization, fratənizeiš’n, freitən(a)izeiš’n = verbroedering;

Fraternize, fratənaiz, freitənaiz, vertrouwelijk en vriendschappelijk

omgaan; Fratricide, fratrisaid, broedermoord(er).

Fraud, frôd, bedrog, bedrieger, list; —ulence, —ulency =

bedriegelijkheid, bedriegerij, bedrog; —ulent, frôdjulent, bedriegend,

bedriegelijk.

Fraught, frôt, beladen, geladen, overvloedig: — with sorrow = vol

smart, van smart overstelpt.

Fray, frei, subst. strijd, gekrakeel, twist, rafel, kale plek (in

laken, b.v.); — verb. verslijten, rafelen, afslijten door wrijven (van

horens van een jong hert): —ed ropes = uitgerafelde touwen.

Freak, frîk, subst. gril, kuur; — verb. bont maken, streepen of

stippels trekken: — of nature = wangedrocht.

Freckle, frek’l, subst. (zomer)sproet, vlekje; — verb. met sproeten

bedekken of teekenen; —-faced = met sproeten in ’t gezicht = —d; subst.

—dness; Freckly = —d.

Fred, fred, verk. v. Frederick, fredərik, Frederik.

Free, frî, adj. vrij, toegankelijk, onbelemmerd, gratis, vrijwillig,

oprecht, mededeelzaam, mild, toegelaten (tot een gilde b.v.), los; —

verb. bevrijden, verlossen, uithoozen, lens pompen: —-and-easy,

ongedwongen; subst. gezellige familiare bijeenkomst; You are — to jump

my claim = moogt gerust ... negeeren; Wine was — to all takers = ieder,

die wou, kon vrijelijk wijn drinken; He is — of the goldsmiths’ company

= hij is lid van het goudsmidsgilde; You are as — of the house as

anybody = gij kunt even vrij het huis binnen gaan als ieder; I am — to

admit that = ik erken dit gaarne; To get — = vrij komen; To go — = met

gevierde schooten zeilen; He was made — of the City = hem werd het

eereburgerschap der City aangeboden; They made — with his wine =

dronken ongegeneerd; He did not offer to — me = mij van mijn woord te

ontslaan; This ticket will — you over every line of the country = met

dit kaartje kunt ge voor niets langs elke spoorlijn in het land reizen;

—-bench = weduwengoed; —booter = vrijbuiter; — chase = vrije jacht; —

church = kerk zonder Staatscontrole of met vrije zitplaatsen; de in

1843 afgescheiden Schotsche kerk; —-city = vrije Rijksstad; —-fighter =

guerilla soldaat, franc-tireur; — grace = Vrije Genade; —-hand = uit de

vrije hand; —-handed = edelmoedig, mild, royaal; —-hearted =

openhartig, weldadig; —hold, subst. grondbezittingen, waarover men

vrijelijk testamentair mag beschikken = —hold estate in land; —-holder

= bezitter van een freehold; —-lance = krijgsknecht; “wilde” (Parl.);

—-list = lijst van hen, die vrijkaarten krijgen (hebben); —-liver =

smulpaap, iemand die groot leeft; — love = vrije liefde; —man = vrije,

stemgerechtigd burger, lid van een City Company; —-mason =

vrijmetselaar; —-masonry, masonry = vrijmetselarij; —-minded = met

onbekommerd gemoed; —-pass = vrijbiljet; —-port = vrijhaven; —-school =

kostelooze school; He wanted — and open sittings in church = wenschte,

dat ieder vrijelijk de onbezette plaatsen zou mogen innemen; His

talents had — space to work = konden zich vrij ontplooien; —-spoken =

vrijmoedig; —-stone = zandsteen, arduin; —-states = die Staten van de

Unie, waar reeds voor den burgeroorlog geene slavernij meer bestond;

—-talk and knowing innuendos = familiare gesprekken en slimme wenkjes;

—-thinker = vrijdenker; —-trade = vrijhandel; —-trader = voorstander

van vrijhandel; —-wheel; —-will = vrije wil; adj. (meest frîwil)

vrijwillig; — wind = gunstige wind; —dman = vrijgemaakte lijfeigene;

—dom = vrijheid, vrijdom, al te groote vrijheid, gemakkelijkheid: I

shall take the liberty to speak with —dom = ik zal zoo vrij zijn

ronduit te spreken; He was offered the —dom of that town = hem werd het

eereburgerschap van die stad aangeboden; —r = bevrijder.

Freeze, frîz, subst. vorst, het vriezen; — verb. vriezen, bevriezen,

stollen: To — out = wegkijken; To — to = hangen aan, dol zijn op; To —

up = koel en strak worden (Amer.); Freezing-point = vriespunt.

Freight, freit, subst. vrachtprijs, goederentrein, vracht of lading

(Amer.); — verb. laden, bevrachten: We have sent the trunk by slow — =

als vrachtgoed; —-train (Amer.) = goederentrein; —-waggon =

goederenwagen; —age = vrachtprijs, vracht; —er = bevrachter; —less =

zonder vracht.

French, frenš, subst. en adj. Fransch(e taal), Fransch(e volk): What is

the — for William = wat is Willem in het Fransch? Guillaume is — for

William; —-bean = snijboon; —-chalk = kleermakerskrijt; —-curve =

teekenmal; —-horn = waldhoorn; To take — leave = met de noorderzon

vertrekken; —man = Franschman; —-polish, subst. wrijfwas; — verb.

frenšpoliš, politoeren; een vernisje geven (fig.); —-roll = broodje;

—-window = openslaande glazen deur; —woman = française; —ify,

frenšifai, verfranschen; —like = op zijn Fransch; —y = Fransoos.

Frenzy, frenzi, subst. waanzin; — verb. waanzinnig maken.

Frequency, frîkw’nsi, herhaald voorkomen, herhaling; Frequent,

frîkw’nt, gedurig, herhaald; subst. —ness.

Frequent, frikwent, dikwijls bezoeken, omgaan met; subst.

Frequentation; —ative, frikwentətiv, subst. en adj. frequentatief

(werkwoord).

Fresco, freskou, subst. waterverfschildering op versche kalk; — verb.

schilderen op die wijze.

Fresh, freš, frisch, versch, verfrischt, zoet, ongezouten, nieuw,

onervaren; subst. riviertje of stroompje bij de zee, overstrooming,

zoetwaterstroom, die een eind in zee doorloopt, dooi weder: As — as a

daisy, As — as paint = zoo frisch als eene roos, als een hoen; We shall

have to gather — way = wij zullen wat moeten opstoomen, wat meer spoed

moeten bijzetten; —-blown = pas ontloken; —-fish = nieuweling; —man =

groen, nieuweling; —-run = in den tijd van het kuitschieten de rivieren

opkomen; —-water = zoet water; —en = opfrisschen, verfrisschen,

verlevendigen, ontzouten of ontpekelen, aanwakkeren, kracht krijgen;

—es, frešiz: het brakke water aan de monding van rivieren; —et =

overstrooming (door zwaren regen of het smelten van sneeuw); —ness =

frischheid, etc.

Fret, fret, subst. het in- of wegvreten, zweer, gisting, kwelling,

schaving (van de huid), lijstwerk, ornamentwerk; — verb. wegvreten,

invreten, afwrijven, schoonwrijven, aantasten, beschadigen, kwetsen;

kwellen, beroeren, gemelijk zijn, kniezen; versieren (m. snijwerk),

beitelen of beeldhouwen, van toetsen voorzien, tokkelen; —-saw =

figuurzaag; —-work = snijwerk, netwerk; —ful = gemelijk, knorrig,

gerimpeld; subst. —fulness; Pock —ten, fret’n, van de pokken

geschonden; —ty, met snijwerk versierd.

Freya, fraiə, eene Godin.

Friability, fraiəbiliti, brokkeligheid, brosheid; Friable, fraiəb’l,

bros, brokkelig; subst. —ness.

Friar, fraiə, frater, broeder, monnik; plaatsen in een proef waar de

inkt niet geraakt heeft; —’s-balsam = monniksbalsem; —’s-lantern =

dwaallicht; —y = klooster.

Fribble, frib’l, subst. beuzelaar, beuzelarij; adj. beuzelachtig; —

verb. beuzelen; —r = beuzelaar.

Fricassee, frikəsî, subst. fricassee, schotel v. gehakt vleesch met

pikante saus; — verb. eene fricassee maken.

Fricative, frikətiv, subst. schuringsgeluid; adj. schurend.

Friction, frikš’n, subst. wrijving, kleine oneenigheid; adj. wrijvend;

—-match = lucifer; —-wheel = wiel, dat door wrijving in beweging brengt

of gebracht wordt; —al-electricity = wrijvingselectriciteit; —ize =

wrijven.

Friday, fraidi, Vrijdag: Good — = Goede Vrijdag.

Friend, frend, vriend, kennis, bloedverwant, vriendin, beschermer,

bevorderaar, Kwaker: A — in need is a — indeed = in den nood leert men

zijne vrienden kennen; —s = bloedverwanten; Society of —s = de sekte

der Kwakers (17e eeuw gesticht); To have —s in (at) court = vrienden

aan het hof, invloedrijke vrienden hebben; I’ll never again make a — =

ik sluit nooit weer vriendschap; Let us make —s with him = laten wij

ons met hem verzoenen; —less = zonder vrienden; subst. —lessness; —like

= als van een vriend, welwillend; —liness, subst. van —ly =

vriendschappelijk, goedaardig, gunstig gezind: —ly Societies =

(arbeiders) vereenigingen tot wederzijdschen bijstand in ziekte en

nood; —ship = vriendschap, goede gezindheid: That’s in —ship = dat

blijft onder ons.

Friese, frîz, Fries, Friezin; adj. Friesian, frîž’n; Friesland,

frîzlənd.

Frieze, frîz, fries (bouwk.); fries, een grove wollen stof.

Frigate, frigit, fregat; —-bird = fregatvogel; Frigatoon, frigətûn,

Venetiaansch fregat.

Fright, frait, vrees, schrik; ook verb. = —en: In a — = verschrikt; You

look a —, if you do not do yourself up = ge ziet er uit om van te

schrikken, als ge u niet blanket; To put in a — = doen schrikken; He

took — = hij schrikte; It is the thunder that —s, and the lightning

that smites; —en = schrik aanjagen; ontstellen: I was —ened to death,

out of my wits = doodelijk verschrikt; —ful = verschrikkelijk; subst.

—fulness.

Frigid, fridžid, koel, koud, kil, vormelijk; vervelend: — zones = de

Poolstreken tusschen de Polen en de Poolcirkels; —ness = —ity,

frîdžiditi, koelheid, enz.

Frill, fril, subst. geplooide strook, kanten kraag; affectatie,

opgedirktheid (Amer.); — verb. plooien, van een frill voorzien; de

veeren van koude opzetten.

Fringe, frinž, subst. franje, rand; — verb. met franje versieren: To

wear one’s hair in a — = ponnies hebben; Newgate — (— frill) = baard

onder de kin.

Fringilla, frindžilə, vink; —ceous, frindžileišəs, tot de vinken

behoorend.

Fringing, frinžiŋ, franje, rand: — reef = koraalrif dat een eiland

omgeeft.

Frippery, fripəri, subst. oude kleeren, tweedehandsmeubels,

oude-kleerwinkel, prulleboel; adj. min, beuzelachtig.

Frisco, friskou = San Francisco.

Frisia, frižə, Friesland; —n, Fries(ch).

Frisk, frisk, subst. dartele sprong, dol, vroolijke bui; adj. levendig,

dartel, druk; — verb. rondspringen, dansen, dartelen; —iness, subst.

van —y = dartel, vroolijk, uitgelaten.

Frit, frit, subst. frit, gesmolten glasmassa.

Frith, frith, mond eener rivier, vischweer; kreupelhout.

Fritillary, fritiləri, keizerskroon (bloem).

Fritter, fritə, brokje, stuk, reepje, afgesneden stukje vleesch om te

bakken; — verb. in kleine stukken snijden of breken, verknoeien: He has

—ed away his money, his time = zijn geld verknoeid, zijn tijd

verbeuzeld.

Frivolity, frivoliti, beuzelachtigheid, wuftheid; Frivolous, frivəlɐs,

beuzelachtig, nietig, wuft; subst. —ness.

Friz(z), friz, krullen, kroezen; subst. krul; —zle = krullen, op heete

kolen bakken; —zler = friseur, kapper; —zling-iron = friseertang.

Fro, frou, alléén in: To and — = heen en weer.

Frock, frok, pij, kleed, kiel, jurk; —-coat = gekleede jas; —-dress =

in gekleede jas.

Frog, frog, kikker, langwerpige bekleede knoop met lus tot sluiting en

versiering; verbindingstuk om op andere rails te komen; straal (aan

paardehoeven); —-bit = kikkerkruid; —-eater = Franschman (iron.);

—-hopper = schuimcicade; —s’-march = kruipen op handen en voeten, het

wegdragen door de politie van een lastigen dronken man (met het gezicht

naar beneden); —ged = met ‘frogs’ bevestigd of versierd; —gy = vol

kikkers.

Froise, frôiz, spekpannekoek.

Frolic, frolik, subst. dartele sprong, grap; vroolijke partij, pretje;

adj. vroolijk, dartel, dol, lustig; — verb. dartelen, rondspringen,

pret maken: —some = dartel, vroolijk; subst. —someness.

From, from, van, vandaag, vanuit, sedert, wegens: — forth = vanuit; He

had his mission — on high = hij ontving zijne zending van boven, uit

den hemel; — my childhood = van kindsbeen af; — the sixth of May =

sedert; It’s all — his unwillingness to oblige me = het komt allemaal

door zijne ongeneigdheid om mij te helpen; — time to time = van tijd

tot tijd; Judging — this = hiernaar te oordeelen; Protected — the rain

= beschermd voor; To sift grain — chaff = kaf van koren, waarheid van

leugen scheiden; Tell it him — me = namens mij.

Frome, froum.

Frond, frond, blad van planten als varens en palmen; —escence,

frondes’ns, het ontplooien der bladeren; adj. —escent, frondes’nt;

—iferous, frondifərɐs, waaiervormige bladeren dragend; —ose, frondous,

frondous, waaiervormig (—dragend).

Frondeur, frondɐ̂, lid der Fronde i.e. tegenstanders van de Regeering

bij de minderjarigheid v. Lodewijk XIV.

Front, frɐnt, subst. voorhoofd, gelaat, voorste gedeelte, front, gevel,

voorvertrek: brutaalheid, schaamteloosheid, toertje (valsch haar),

overhemdje, begin, voorhoede; — verb. het hoofd bieden, staan

tegenover, met het voorhoofd gekeerd staan naar, van een front

voorzien: He changed — all at once = hij veranderde in eens v.

batterij; This man has come to the — of late = neemt in den laatsten

tijd eene eerste plaats in; They presented a united — in this emergency

= in dezen nood boden ze gezamenlijk weerstand; To stand in — of =

staan vóór; My shoes must be new —ed = ik moet laten voorschoenen;

—-benchers = (ministers) die op de eerste bank zitten (Lagerhuis);

—-box = loge tegenover het tooneel; —-door = voordeur; — opposition

bench = eerste bank, links van den Speaker, in het House of Commons

waarop de leiders der oppositie zitten; —-rank = eerste rang (klas);

—age, frɐntidž, voorzijde of front van een gebouw langs de geheele

uitgestrektheid; —al, subst. fronton, hoofdband, deur- of vensterboog;

adj. eerste, voorste, vooraan gelegen, tot het voorhoofd of front

behoorende; —let, kleine hoofdband; —on, frontən, frɐntən, of Fr.

uitspr., fronton.

Frontier, frontjə, frɐntjə, frontîə, subst. grens(lijn); adj. aan de

grenzen gelegen.

Frontispiece, frontispîs, frɐntispîs, frontispies, voorgevel, plaat

tegenover het titelblad, gelaat; voorzien van een frontispies.

Frost, frost, vorst, ijzel, kilheid, koele ontvangst; — verb. berijpen,

glaceeren, scherpen (v. paardehoeven), mat of dof maken: The singer was

a fearful — = had niet het minste succes; This piece will run no chance

of a — = dit zal ongetwijfeld succes hebben, “gaan”; —-bitten =

bevroren: A —-bitten nose = bevroren neus; —-bound = ingevroren;

—-flower (Zie —-work); —-nail = ijsnagel (voor paarden); —-work =

ijsbloemen op glas, enz.; —ed = geglaceerd, mat: —ed glass = ijsglas;

—ed silver = mat zilver; —iness = vorstigheid; —ing = suikerglazuur,

matte oppervlakte; —y = vorstig, koel, koud.

Froth, froth, subst. schuim, ijdel gesnap, gewauwel; — verb. met schuim

bedekken, (doen) schuimen, ijdele praat houden: — and flummery =

gewauwel en nonsens; —-spit, Zie Frog-hopper; —iness, subst. van —y =

schuimend, ijdel, onbeteekenend.

Froude, frûd.

Frounce, frauns, krul, rimpel: —s of phrase and style = gemaakte

zinswendingen en onnatuurlijke stijl.

Frousy, Frouzy, frauzi, vuil, slordig, muf, rans.

Froward, frouwəd, adj. weerspannig, gemelijk, onaangenaam; subst.

—ness.

Frown, fraun, subst. gefronst gelaat, ontevreden blik; — verb. fronsen,

dreigend staren: He was under the — of power = de machtigen staarden

hem dreigend aan; He —ed us into obedience = zijn dreigende blik deed

ons gehoorzamen.

Frowzy, frauzi = Frousy.

Froze, frouz, imperf. van to freeze.

Frozen, frouz’n, bevroren, buitengewoon koud, kil; part. perf. v. to

freeze: The — Ocean = de IJszee; The — Zones = de Poolstreken.

Fructescence, frɐktes’ns, rijpwording der vruchten, vruchtentijd;

Fructiferous = vruchtdragend; Fructification, frɐktifikeiš’n,

bevruchting, vruchtvorming; Fructify, frɐktifai, vruchtbaar maken,

vrucht dragen; Fructose, frɐktous, frɐktous, vruchtensuiker.

Frugal, frûg’l, matig, zuinig; —ity, frugaliti, matigheid, zuinigheid.

Frugivorous, frudživərɐs, vruchtenetend.

Fruit, frût, vrucht(en), fruit, kroost, gevolgen, voordeel; — verb.

vruchten dragen; —-bearing = vruchtdragend; —-bud = vruchtknop; —-dish

= vruchtenschaal; —-knife = fruitmesje; —-loft = fruitzolder; —-time =

oogsttijd, vruchtentijd; —-tree = vruchtboom; —age = ooft; opbrengst;

—erer = fruithandelaar; —ful = vruchtbaar; subst. —fulness; —iness =

vruchtensmaak; —ion, frûiš’n, vruchtgebruik, bezit, genot daaruit

voortvloeiend; —ive, frûitiv, genietend, gebruikend; —less =

vruchteloos; subst. —lessness; —y = met vruchtensmaak.

Frumenty, frûm’nti, tarwepap.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 45 / 141 段