Cock, kok, subst. haan, mannetje, kemphaan (ook fig.), weerhaan, kraan;

hooiopper; onrust; wijzer, tong, boot, aanvoerder, opperste; het

hanengekraai, kerfje; — verb. overhalen, opheffen, opzetten, optoomen,

schuin (zwierig) opzetten, wenken: By — and pie = bij kris en kras; As

the old — crows, the young — learns = zooals de ouden zongen, piepen de

jongen; He lives like a fighting — = leidt een weelderig leven; That —

won’t fight = die vlieger gaat niet op; —-a-doodle (-doo) = kikeriki;

That man is —-a-hoop = zijn haan kraait victorie; The — of the school =

de “primus”; He is the — of the walk = haantje de voorste, leider; A —

and bull (A —-and-a-bull) story = onmogelijk verhaal; To — the ears =

spitsen; To — the eye = wenken; To — the eye at = boos aankijken; To —

the tail = hoog dragen; —-boat = kleine boot; —-brained = onbezonnen,

dwaas; —-broth = hanensoep; —-chafer = meikever; —-crow(ing) =

hanengekraai, dageraad; —-fight(ing) = hanengevecht; —-eyed = loensch;

—-horse = hobbelpaard, stokpaardje; fier paard; trotsch, op hooge

plaats, schrijlings: To ride a —-horse to Banbury = paardje rijden;

zich trotsch, aanmatigend gedragen; —-match = hanengevecht; —pit =

hanenmat, plaats voor hanengevechten; —pit deck = ziekenboeg aan boord;

—roach = kakkerlak; —-robin = roodborstje; —-rose = roode papaver;

—s-comb = hanekam, ratelaar, hoofd, fat. Zie Coxcomb; —’s-head =

spurrie; —-shut (—time) = schemeravond; —-shy = spel, om met stokken

(—-shy sticks) iets op een afstand om te gooien; —-spur = hanenspoor;

—-sure, šuə, positief zeker; —swain, koks’n, stuurman in een giek;

—tail = renpaard, dat geen volbloed is; paard met fier gedragen staart;

poen: Champagne —tail = champ. met enkele droppels Angostura bitter;

Soda —tail = selterswater met bitter etc.; —-tread = hanetree; —ed hat

= steek; driehoekig gevouwen briefje: To knock into a —ed hat = tot

moes slaan; —erel (—let, —ling) = jonge haan; —-up = naar boven

gekeerd; boven den regel uitstekend; scheeve hoed; —y = onbeschaamd,

pedant, aanmatigend.

Cockade, kəkeid, kokarde.

Cockatoo, kokətû, kaketoe.

Cockatrice, kokətr(a)is, basiliskus.

Cockburn, koubɐ̂n.

Cocker, kokə, subst. fokker van kemphanen; hond voor de snippenjacht; —

verb. troetelen, liefkoozen: —ed up too much; — thy child and he shall

make thee afraid = vertroetel; According to — = volgens Bartjes.

Cocket, kokət, douanezegel, tolbewijs, douane (veroud.); adj. dartel,

levendig, coquet: —ed up in fair gowns = uitgedost; —-bread = tweede

soort tarwebrood.

Cockieleekie, kokəlîki, kippesoep met look.

Cockle, kok’l, subst. mossel; bolderik, dolik; — verb. rimpelen,

samentrekken: That warms the —s of my heart = doet me innig genoegen;

Hot —s = spel waarbij een geblinddoekte moet raden wie hem geslagen

heeft; —-hat = pelgrimshoed met een —-shell = (mossel)schelp (als

pelgrimsinsigne); notedop (= klein bootje); —-stairs = wenteltrap; —r =

mosselverkooper.

Cockney, kokni, subst. (geboren en getogen) Londenaar; verwende en

verwijfde jongen; adj. wat een Cockney eigen is; —dom; —fy = tot C.

maken; adj. —ish; —ism = aard of uitdrukking van een C.

Cocoa, koukou, cacao; —butter; —-nib = zaadvliesje van de cacaoboon;

—-nut = kokosnoot.

Cocoon, kəkûn, cocon; —ery = inrichting voor de zijdewormteelt.

Coctile, kokt(a)il, gebakken; Coction, kokš’n, koking, bakken.

Cod, kod, subst. schil, schaal, buidel, zak; — verb. in eene schil

besluiten.

Cod, kod, kabeljauw; —-liver-oil = levertraan; —der = visschersschuit

(voor —s); —ling = jonge kabeljauw.

Coda, koudə, coda.

Coddle, kod’l, zacht koken; troetelen, vleien: Don’t — yourself =

verwen je zelf niet.

Code, koud, wetboek, reglement: — of morality = zedewet; —-words =

afgesproken of telegramwoorden: The telegram was put into the — = in

dit schrift overgebracht; Codex = wetboek.

Codger, kodžə, oude vent, vrek.

Codicil, kodisil, aanhangsel van een testament; adj. Codicillary.

Codification, koudifikeiš’n, kodifikeiš’n, codificatie; Codify,

koudifai, kodifai, codificeeren.

Codilla, kədilə, ruwe hennep of vlas.

Codille, kədîl, codille (in quadrille of omber).

Codlin(g), kodliŋ, —lin, soort appelboom; Zie Cod.

Codrington, kodriŋt’n.

Coefficient, kouəfiš’nt, medewerkend; subst. coefficient.

Coemption, kouem(p)š’n, het opkoopen of koopen in het groot.

Coequal, kouîkw’l, subst. en adj. gelijk(e); —ity, kouikwoliti,

gelijkheid.

Coerce, kouɐ̂s, dwingen; —r; Coercion = dwang; —-act = dwangwet.

Coessential, kouəsenš’l, van hetzelfde wezen.

Coetaneous, kouiteiniəs, even oud.

Coeternal, kouitɐ̂n’l, eeuwig bestaand met; subst. Coeternity.

Coeval, kouîv’l = Coetaneous.

Coexist, kouegzist, gelijktijdig bestaan; subst. Coexistence; adj.

Coexistent.

Coffee, kofi, koffie: A cup of black —; To grind, make, roast, take —;

—-beans (= —-nibs); —-mill; —-pot; —-room = gelagkamer.

Coffer, kofə, subst. geldkist, kist, koffer, schat; gracht, galerij

(vestingb.), sluis (in een kanaal); — verb. in eene kist besluiten;

—-dam, kofədam, kistdam; —ed.

Coffin, kofin, subst. doodkist, pasteikorst, peperhuisje, bovenste van

een paardehoef, kar van een drukpers; — verb. in eene kist besluiten,

insluiten.

Cog, kog, subst. kam of tand (van een rad); kleine boot; — verb.

paaien, door mooie praatjes bedriegen: His dice were —ged = zijne

dobbelsteenen waren valsch (met lood aan ééne zijde bezwaard); —-wheel

= tand- of kamrad.

Cogency, koudž’nsi, overtuigende kracht; Cogent, koudž’nt, krachtig,

overtuigend.

Coggle, kog’l, kleine boot; —-stone = afgeronde keisteen.

Cogitate, kodžiteit, denken, overpeinzen; subst. Cogitation; adj.

Cogitative.

Cognac, ko(u)njak, cognac.

Cognate, kognit, subst. bloedverwant; adj. verwant (in Schotl. vooral

van moederszijde), vermaagschapt, van denzelfden aard; Cognation =

bloedverwantschap.

Cognition, kogniš’n, kennis (door eigen ondervinding of onderzoek

opgedaan); adj. Cognitive.

Cognizable, ko(g)nizəb’l, kenbaar, vervolgbaar; Cognizance,

ko(g)niz’ns, kennis(neming), kenmerk, insigne; competentie,

(rechts)gebied: Out of the — of the post; Cognizant, ko(g)niz’nt,

kennis dragend of nemend van (of).

Cognomen, kognoum’n, familienaam, bijnaam; benaming.

Cognovit, kognouvit, schriftel. erkenning door den gedaagde, dat de

eischer in zijn recht is.

Cogue, kog, nap, vaatje, emmer, slok.

Cohabit, kouhabit, (als man en vrouw) samenwonen; subst. —ation.

Coheir(ess), kouêə(rəs), mede-erfgenaam.

Cohere, kouhîə, samenkleven, logisch samenhangen; subst. —nce = —ncy;

adj. —nt; —r = cohaerer, fritter (Draadl. telegr.).

Cohesion, kouhîž’n, cohesie, samenhang, verband; adj. Cohesive; subst.

—ness.

Cohort, kouhöt, krijgsbende (oudtijds 500 à 600 man).

Coif, kôif, kwof, subst. kuif, kap, kapsel; — verb. met eene kap

bedekken.

Coiffure, kwofûə, kapsel.

Coign(e) kôin. Zie Coin.

Coil, kôil, subst. kronkeling, bocht; vlecht: (False back —s), rumoer,

verwarring, menigte; — verb. kronkelen.

Coin, kôin, subst. hoek, buitenhoek, wig, muntstempel (gestempelde

munt); — verb. munten, smeden, bedenken, verzinnen: Current — =

gangbare munt: To be all over — = een bom duiten hebben; He was paid in

his own — = met gelijke munt betaald; He is —ing money = hij verdient

geld als water; He —ed new words = smeedde; —age, kôinidž, het munten

van geld, muntstukken, het bedenken (van onware of valsche

voorstellingen); —er = stempelaar, valsche munter, bedenker (van

leugens, enz.).

Coincide, kouinsaid, samenvallen, overeenkomen; Coincidence = samenloop

(v. omstand.).

Coir(e), kôiə, kaiə, kokosbast (touw).

Coition, kouiš’n, conjunctie; bijslaap.

Cojuror, koudžûrə, getuige van eens anders geloofwaardigheid of

onschuld.

Coke, kouk, subst. coke(s); — verb. in coke(s) veranderen.

Coker-nut, koukənɐt = Cocoa-nut.

Colander, kɐl’ndə, vergiettest; — verb. doorzijgen.

Colchester, koultšəstə.

Cold, kould, adj. koud, huiverig, koel, zonder deelneming of

opgewektheid, bedaard: subst. koude, verkoudheid: — comfort = schrale

troost; It must be a — day in August ere I ever try it again = het zal

lang duren, vóór ik het weer beproef; To be down with a bad —; To have

(to catch) a —; She always had the joint in — the second day = als

koudvleesch; To leave out in the — = in de kou laten staan; negeeren;

afschepen; —-blooded = koudbloedig, koelbloedig; —-cream = zalfje voor

barsten; —-served = koud voorgediend; vervelend, saai; —-short =

koudbroos, koudbreukig; He gave me the —-shoulder = negeerde mij, zag

mij met den nek aan; I am severely —ed = zwaar verkouden; —ish = wat

koud; —ness = koude, koelheid.

Coleoptera, kolioptərə, schildvleugelige insecten.

Cole, koul: —mouse = Coal-mouse; —rape, koolraap; —rape-seed =

koolzaad; —-wort = Cabbage.

Colic, kolik, subst. koliek, hevige buikpijn: Devonshire —, Painter’s —

= loodvergiftiging; —ky = koliek...

Colinderies, kəlindəriz, koloniale producten, enz.; eene

tentoonstelling daarvan.

Coliseum, kolisîəm. Zie Colosseum.

Collaborate, kəlabəreit, samenwerken; Collaborator.

Collapse, kəlaps, subst. instorting, invalling, geheele mislukking; —

verb. invallen, instorten; Collapsible tubes = samendrukbare.

Collar, kolə, subst. kraag, boord(je), halsband, halsring; — verb. een

halsband, enz. aandoen, bij den kraag pakken, de hand leggen op,

wegnemen, stelen; eene rollade maken: Against the — = met tegenzin; He

slipped the — = streek de halster (af), ging er vandoor; He is out of —

= buiten betrekking, heeft geen werk; A — of brawn = eene rollade van

varkensvleesch; The beef was —d = het vleesch werd tot den vorm eener

rollade gemaakt; —-beam = dwarsbalk; —-bone = sleutelbeen; —-work =

zwaar werk; —ed herring = rolmops; Collarette = dameskraagje.

Collate, kəleit, vergelijken (vooral van oude handschriften of boeken),

ordenen of rangschikken, schenken, overdragen, met een kerkelijk

“benefice” begiftigen; Collation, kəleiš’n, vergelijking; lichte

maaltijd, begiftiging, geschenk; Collator, kəleitə, vergelijker,

collator, schenker.

Collateral, kəlatər’l, subst. bloedverwant in de zijlinie, adj. zij aan

zij, parallel loopend, indirect, zijdelingsch: — security = bij- of

nevenborg; subst. —ness.

Colleague, kolîg, subst. ambtgenoot; — verb. (kolîg) zich vereenigen,

samenspannen; —ship.

Collect, kolekt, kort gebed, gebed voor een bepaalden tijd of dag;

vijver, waterplas (Amer.).

Collect, kəlekt, vereenigen, verzamelen, incasseeren; afhalen; door

waarneming of inlichting verkrijgen; gevolgtrekkingen maken: He —ed

himself = hij herkreeg zijne zelfbeheersching; He was not —ed =

bedaard, zichzelf meester; Collection = verzameling, incasseering (v.

coupons), gevolgtrekking, buslichting; — bag (box) = kerkzakje; —s =

een soort tentamen (Oxf.); To make a — = collecteeren; Collective =

verzamelend, vereenigd, afleidend (uit): The — body of a nation = Body

Politic; Collector = verzamelaar, ontvanger (v. belastingen enz.); een

der twee B.A.’s met de regeling der Dispuutcolleges belast (Oxf.);

Collectorate, Collectorship = ontvangersdistrict of

ontvangersbetrekking.

College, kolidž, college, seminarium, universiteit, leerinrichting;

verkiezingslichaam (Amer.): —-pudding = pudding van nierenvet, brood,

rozijnen en eieren.

Collegiate, kəlîdžiit, subst. lid van een college; adj. tot een college

behoorende: — church = collegiale kerk, die door het kapittel en de

kanunikken wordt bediend en geen bisschopszetel heeft.

Collet, kolət, halsband, ringkas.

Collide, kəlaid, tegen elkander stooten.

Collie, koli, Schotsche herdershond.

Collier, koljə, kolengraver, kolenhandelaar; kolenschip; —y =

kolenmijn, kolenhandel.

Colligate, koligeit, verbinden; Colligation = samenhang.

Collision, kəliž’n, botsing, aanvaring; tegenstand.

Collocate, koləkeit, plaatsen, stationeeren; Collocation =

bijeenplaatsing, regeling.

Collodion, kəloudj’n, collodium.

Colloid, kolôid, gelatineachtig, amorph; subst. gelatineachtige stof.

Collogue, kəloug, samenspannen (with).

Collop, koləp, stukje vleesch, lapje.

Colloquial, kəloukwiəl, tot de omgangstaal behoorende, alledaagsch,

gemeenzaam: A — command of the language = vertrouwdheid met de

omgangstaal; — powers = onderhoudendheid; —ism = alledaagsche

uitdrukking; Colloquy, koləkwi, gesprek.

Collude, kəl(j)ûd, onder één hoedje spelen, samenspannen; —r; Collusion

= geheime samenspanning.

Colluvies, kəl(j)ûviîz, etterhaard, vuil.

Collyrium, kəliriəm, oogzalf (-water).

Colman, koulm’n; Colnebrook, konbruk.

Colocynth, koləsinth, kolokwint.

Cologne, kəloun, Keulen: —-water = Eau de Cologne.

Colon, koulən, kronkeldarm; dubbele punt; Colon, kəloun, kolən

(plaatsn.).

Colonel, kɐ̂n’l, subst. kolonel; — verb. (kolənel) = aanvoeren als —;

aanspreken met kolonel; —cy; —ship.

Colonnade, koləneid, zuilenrij.

Colonial, kəlouniəl, koloniaal: The — Dutch (Dutch —s) = Holl.

kolonisten; —-office = Min. v. Koloniën; —-produce = koloniale waren;

Colonist; Colonization; Colonize.

Colophon, koləfon, koləfoun, colophoon, einde, sluitsteen: From title

to — = van ’t begin tot het einde.

Colophony, kəlofəni, koləfouni, colophonium (vioolhars).

Colorado(-beetle), kolərâdou(bît’l), colorado(-kever).

Colorate, kɐlərit, kolərit, gekleurd, geverfd, getint; Coloration;

Colorature, kɐləritjə, koləritjə, koloratuur; Colorific, kɐlərifik,

kolərifik, kleurgevend, kleur—.

Colossal, kəlos’l, Colossean, koləsîən, kolossaal, reusachtig.

Colosseum, koləsîəm, Colosseum.

Colossus, kəlosəs, colossus.

Colostrum, kəlostr’m, biestmelk.

Colour, kɐlə, subst. kleur, tint, verf, voorkomen, (valsche) schijn,

soort, karakter; — verb. verven, kleuren, tinten, doorrooken, blozen,

bedekken, bewimpelen, aanneembaar maken, overdrijven: A man of — =

kleurling; State — = regimentsvaandel, waarmede alleen voor den koning

wordt gesalueerd; —s = kleuren; vlag, standaard, insigne: In —s =

opgeschikt; That is off — = niet de ware kleur; I am all off — = flets,

onlekker; de kluts kwijt; The off —ed son of an Indian Civilian; Under

— of = onder het voorwendsel van; To change, lose — = van kleur

verschieten, bleek worden; To nail the —s to the mast = ten teeken dat

men zich niet wil overgeven; volhouden; To serve with the —s = als

soldaat dienen; To — a pipe = doorrooken; He —ed to the eyes = bloosde

tot over de ooren; —-bearer = vaandeldrager; —-box = verfdoos; In the

oil and — line = in oliën en verfwaren; —-man = verfbereider,

verfverkooper; —-sergeant = onderofficier-vaandeldrager; —ed = gekleurd

(niet wit), zwartbruin; —ing = valsche schijn, kleur(sel); —less; —ist.

Colportage, kolpötidž, ook Fr. uitspr. colportage; Colporte(u)r,

kolpötɐ̂, kolpötɐ̂, colporteur.

Colquhoun, kəhûn.

Colstaff, kolstaf, draagstok voor watervat of last.

Colt, koult, subst. veulen (ook fig.): —’s foot = klein hoefblad (de

bladeren worden wel gerookt tegen asthma); —’s-tooth = melktand; —

verb. dartelen, springen (Amer.); afstraffen met een eind touw; —ish =

dartel.

Colter, koultə. Zie Coulter.

Colton, koult’n.

Coluber, koljubə = Colubrid(e), adder; Colubrine, koljubr(a)in,

slangachtig, listig.

Columbarium, koləmbêriəm, columbarium.

Columbia, kəlɐmbjə.

Columbine, kol’mb(a)in, subst. akelei; Colombine; violette weerschijn;

adj. met de kleur van een duivenhals.

Columbus, kəlɐmbəs.

Column, kol’m, zuil, pilaar, kolom, kolonne (troepen), rij: — of

companies = compagniescolonne; — of route = marschcolonne; Columnar =

zuilvormig, zuil - -.

Colure, kəljûə, kouljuə, (meest mv.) coluren (sterrek.), snijpunt.

Coma, koumə, slaapziekte, diepe slaap; nevelkring van een komeet;

zaadpluisje.

Co-mate, koumeit, subst. kameraad.

Comatose, koumətous, koumətous, door slaap bevangen, slaapzuchtig.

Comb, koum, subst. kam, hekel, wolkam, hanekam, honigraat; — verb.

kammen, hekelen, rollen en uiteenspatten (der golven): To cut a

person’s — = een toontje lager doen zingen; To — some one’s head (hair)

= iemand onder den duim houden; He —ed his hair with his hands = streek

met de hand door.

Combat, kombət, kɐmbət, subst. strijd, gevecht: Private, single — =

duel; — verb. strijden, worstelen, bestrijden; —able = bestrijdbaar;

—ant, subst. (ook: —er) strijder; adj. strijdend, strijdlustig; —ive =

strijdlustig; —iveness = strijdlustigheid.

Combe, kûm, koum.

Comber, koumə, hij die kamt, wolkam(mer), lange omkrullende golf.

Combinable, kəmbainəb’l, vereenigbaar.

Combination, kombineiš’n, verbinding, vereeniging, komplot; —s =

hemdbroek, = —-garment; —-laws = Eng. arbeidswetten van 1824; —-room =

gezelschapszaal (aan de universiteit te Cambridge); Combinative,

Combinative = verbindend, verbindings...

Combine, k’mbain, nauw verbinden, (zich) vereenigen, samenvoegen;

subst. bond, kongsie.

Combings, koumiŋz, kamharen.

Combustibility, k’mbɐstibiliti, brandbaarheid; Combustible,

k’mbɐstib’l, subst. brand(bare) stof; adj. verbrandbaar; driftig,

opvliegend; Combustion, k’mbɐstj’n, verbranding: Spontaneous — =

zelfverbranding.

Come, kɐm, komen, naderen, aankomen, verschijnen, uitbotten, gebeuren,

afloopen: —, that’s satisfactory = komaan, dat is plezierig; —, —, hope

for the best = kom, kom, laten we ’t beste er van hopen; —, don’t be a

fool; — your ways = allo, kom mee; She was trying to — that dodge = die

bedriegerij aan te wenden; Will you — the cruise? = tochtje meemaken;

You shall not — your ghosts over me = me niet bang maken met je spoken;

To — to hand = in goede orde ontvangen; It has — home to me = is me

duidelijk geworden; That stab came home = was raak; That word came home

= maakte een diepen indruk; To — to light = aan het licht komen; To —

to pass = geschieden; To — short = te kort schieten, falen; That is

coming it strong = dat is kras gezegd; To — true = uitkomen, waar

blijken; To — undone = losgaan; In time to — = in de toekomst; For a

long time to — = het zal nog lang duren; First — best served = die ’t

eerst komt, ’t eerst maalt; Lightly —, lightly go = zoo gewonnen, zoo

geronnen; He’ll be sixty — next Christmas = a.s. Kerstmis; The time has

— about, round = is weer daar; How did it — about? = hoe is het

gebeurd? To — across = toevallig aantreffen, stooten op; — along, old

man = ga nu mee; To — at = bereiken, raken, te pakken krijgen; She was

always coming backward and forward = zij was er, of ze kwam er; The

soldiers came by = kwamen voorbij; How did you — by that horse? =

kwaamt gij aan? To — down = naar beneden komen, vallen, dalen; He came

down very soon = hij bakte heel gauw zoete broodjes; They came down

handsomely = zij dokten flink op; To — down (up)on = aanpakken (fig.);

— in = kom binnen; I just came in for the last act = ik was nog net op

tijd voor het laatste bedrijf; He came in for a good scolding = kreeg

een flink standje; We came in for a storm = werden overvallen;

Chimney-pot hats have — in again = zijn weer in de mode; To — in = te

pas komen; He has — into his own = heeft zijn (erf)deel gekregen; He

came off scot-free = hij heeft het er zonder kleerscheuren afgebracht;

When will the concert — off? = wanneer zal het concert plaats hebben?

The trial will soon — off = beginnen; My hair is coming off = ik groei

door mijn haar; The soldiers came off duty = kwamen van de wacht; He

came out with his guess prematurely = hij raadde te vroeg; Nothing will

— out of it = daar zal niets uit voortkomen; She came out on her 18th

birthday = kwam in de wereld; kwam uit; The bankrupt has — out again =

heeft zich weer (in de maatschappij) vertoond; It came out as I told

you = gebeurde; He came out with his secret = hij verklapte zijn

geheim; The truth came out; This —s out clearly = blijkt duidelijk,

komt duidelijk aan ’t licht; The book came out = verscheen; He has —

out strongly = is kranig voor den dag gekomen; To — over to a party =

overgaan bij; To — round = komen aanrijden, vóór komen, etc.; He is

sure to — round = hij zal wel bijdraaien; The patient will soon — round

again = hersteld zijn, tot bewustzijn komen; You shall not — round me =

bepraten, inpalmen; He came to (himself) in no time = kwam dadelijk

weer bij (uit flauwte); It —s to the same thing = komt op ’t zelfde

neer; When all —s to all = alles bijeengenomen; That has — up of late =

dat is in den laatsten tijd gebruik geworden; He struck gold, and came

up by leaps and bounds = hij vond goud, en werd zeer spoedig rijk; To —

up to = beantwoorden aan; He came up to me = naderde mij; To — up to

the scratch = iemand staan, een uitdaging aannemen, toebijten; Two

travellers came up with me = haalden mij in; He came upon me very

suddenly = hij viel mij plotseling op het lijf; —-at-able =

genaak(verkrijg)baar; —-down = val, vernedering; —-off, kɐmof, kɐmof,

uitvlucht, tot stand koming; —-outer = bekeerde; radicaal (Amer.); He

has found his —-uppance = hij heeft zijn meerdere gevonden, hij heeft

zijn man gevonden.

Comedian, kəmîdj’n, tooneelspeler, blijspeldichter; Comedietta,

komədjetə, klucht; Comedy, komədi, blijspel.

Comely, kɐmli, bevallig, knap, gepast.

Comer, kɐmə, komende, bezoeker: The first — = de eerst komende, de

eerste de beste; New— = nieuweling, vreemdeling.

Comestibles, kəmestib’lz, eetwaren.

Comet, komət, komeet, een kaartspel; Cometary = komeet - -; Cometarium

= cometarium.

Comfit(ure), kɐmfit(jə), suikergoed, bonbon. Comfit = confijten.

Comfort, kɐmfət, subst. troost, vertroosting, aanmoediging, bijstand;

soort sprei (Amer.); — verb. troosten, kracht geven, opwekken,

opbeuren: We are in — = kunnen ons goed redden; To take — = zich

troosten, moed scheppen; —able = subst. soort sprei of polsmof (Amer.);

adj. (= Comfy) aangenaam, gemak gevend: Now I am —able = nu ben ik

(voel ik mij) op mijn gemak; —er = trooster; fopspeen; bouffante; de

Heilige Geest (Joh. XIV, 26).

Comfy = Comfortable.

Comic(al), komik(’l), grappig; subst. —ality, —alness.

Coming, kɐmiŋ, toekomstig: —! Sir! = aannemen! mijnheer! — in =

binnenkomen; inkomsten; — on = nadering, toeneming.

Comitia, kəmišə, volksvergaderingen; adj. —l.

Comity, komiti, (burgerlijke) beleefdheid, hoffelijkheid: — of nations

= internationale hoffelijkheid, waardoor b.v. de wetten van het eene

land erkend worden binnen de grenzen van een ander.

Comma, komə, komma: Inverted —s = aanhalingsteekens; —-bacillus.

Command, kəmând, subst. bevel, gebod, macht, gezag, commando; — verb.

bevelen, bestellen, bedingen, beheerschen, afdwingen: The Boers of De

Wet’s — = commando; — of oneself = zelfbeheersching; I am at your — =

ben tot uw dienst; To be in — = het bevel voeren; This hill —s (a view

of) the surrounding landscape = deze heuvel bestrijkt (geeft het

gezicht op); —ant, kom’ndânt, als titel bij een naam; kom’ndânt =

commandant; —eer, kom’ndîə, requireeren in den oorlog (Zuid-Afrika):

They —eered the caffres for military service; —er = bevelhebber,

zeeofficier met rang tusschen Captain en First Lieutenant; stamper; —er

of the Faithful = titel van den Sultan van Turkije; —er-in-chief =

opperbevelhebber; —(e)ry = kommandeurschap; —ership = bevelhebberschap;

—ment = gebod, bevel; —o: The Transvaal —os.

Commeasurable, kəmežər’b’l = Commensurable.

Commemorate, kəmeməreit, herdenken, vieren; subst. Commemoration; adj.

Commemorative.

Commence, kəmens, beginnen, worden, een zeker karakter aannemen; —ment

= begin, opkomst, oorsprong; de dag waarop vroeger uitsluitend de

promotie tot M. A. of Doctor plaats had te Cambridge.

Commend, kəmend, prijzen, aanbevelen, opdragen, toevertrouwen: For a

mild winter, — me to the South of France = voor zacht winterweer moet

men het Zuiden van Frankrijk hebben; — me to him = doe mijne groeten

aan hem; adj. —able = prijzenswaardig; subst. —ableness =

prijzenswaardigheid; —er; Commendam = tijdelijk beheer van een

kerkelijk ambt of een leen (in 1863 afgeschaft); Commendation = lof;

Commendatory = prijzend, aanbevelings- - (— letter); een prebende in

commendam hebbend; subst. tijdelijk beheerder van een opengevallen

prebende (= Commendam) = Commendator.

Commensurability, kəmenšurəbiliti, commensurabiliteit; Commensurable =

commensurabel: A is — with B = Commensurate, kəmenšureit.

Comment(ary), kom’nt(əri), commentaar; Comment = verklarende

aanteekeningen maken bij, kritiek uitoefenen (on); Commentator =

uitlegger, verklaarder.

Commerce, koməs, handel, verkeer, omgang; een kaartspel: — Union =

tolverbond; — of ideas = gedachtenwisseling.

Commercial, kəmɐ̂š’l, handels ...: — college = handelsschool; —

education = handelsonderwijs; — relations = handelsbetrekkingen; — room

= monsterkamer in een hotel voor handelsreizigers; —-school =

handelsschool; — traveller = handelsreiziger.

Commination, komineiš’n: —-service = een deel van de liturgie der Eng.

kerk, op Aschwoensdag gelezen, waarbij Gods toorn tegen zondaars wordt

uitgesproken; Comminatory = dreigend.

Commingle, kəmiŋg’l, (zich) vermengen.

Comminute, kominjût, tot gruis of poeder maken; inkrimpen; subst.

Comminution.

Commiserate, kəmizəreit, beklagen; subst. Commiseration.

Commissariat, komisêriət, subst. de intendance van het leger, de

daartoe behoorende officieren; ook adj.: All the — animals had been

killed = al het slachtvee (voor het leger) was gedood.

Commissary, komisəri, gemachtigde; officier van het Commissariat: —

Court = gerechtshof (van een graafschap) inzake erfenissen; —-general =

generaal-intendant.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 21 / 141 段