Salicyl, salisil, salicyl; Salicylic acid = salicylzuur.

Salience, seilj’ns, vooruitspringen; Salient, seilj’nt, springend,

uitspringend, ùitstekend, merkwaardig: The — points of his lecture =

opmerkenswaardige gedeelten.

Saliferous, səlifərɐs, zouthoudend; Salifiable, salifaiəb’l, zout

vormend; Salify = in een zout omzetten; Salina, səlainə, zoutpan;

Saline, seilain, səlain, zout - -; zoutbron, zoutgroeve.

Salisbury, sôlzbri.

Saliva, səlaivə, speeksel; —l = —ry; —nt, saliv’nt, subst. en adj.

speeksel opwekkend (middel); —ry, salivəri, speeksel....: —ry glands =

speekselklieren; Salivate, saliveit, de afscheiding van speeksel

bevorderen; Salivation, saliveiš’n, kwijlen.

Salix, seiliks, wilg.

Sallet, salət, stormhoed (Mil.).

Sallow, salou, bleek, ziekelijk, vuilgeel; subst. —ness.

Sallow, salou, wilg; —y = vol wilgen.

Sallust, saləst, Sallustius.

Sally, sali, subst. uitval (ook fig.), uitstapje, waterwilg;

tuinkoning; — verb. een uitval doen: The garrison made a — = deed een

uitval; Sallies of wit = geestige zetten; To — forth = de deur uitgaan,

uittrekken; —-port = uitvalpoort.

Sally, sali; —-lun(n) = soort gebak; The game of —-Water = het

spelletje “Patertje langs den kant”.

Salmagundi, salməgɐndi, ragout van vleesch, eieren, ansjovis;

mengelmoes.

Salmi, salmi, ragout van gebraden wild.

Salmon, sam’n, zalm; —colo(u)red; —-trout = zalmforel; —et = jonge

zalm.

Saloon, səlûn, zaal, groote kajuit, tapperij (Amer.); —-car; —-carriage

= luxe wagon (Amer.).

Salop, salop = Shropshire; Salopian = (bewoner) van Shr.

Salsify, salsifai, preibladige boksbaard.

Salt, sôlt, subst. zout, zoutvaatje, geestigheid, vernuft, matroos;

adj. zout, gezouten, scherp, gepeperd (fig.); — verb. zouten, pekelen:

Common (Culinary) — = keukenzout; An old — = een oude zeerob; He is

worth his — = zijn kost waard; I have eaten his — = ik ben zijn gast

geweest; To put (lay, cast) — on the tail of a bird; To sit above

(below) the — = aan ’t hoofdeinde (beneden einde) van de tafel zitten;

To spill the — = ’t zoutvat omgooien; —-box = zoutvaatje (= —-cellar);

—-duty = accijns; —fish = zoutevisch; —-junk = pekelvleesch (voor

schepen); —-lick = zoute drinkplaats voor vee (Amer.); —-maker =

zoutzieder; —-marsh = zoutpan (-tuin); —-mine = zoutmijn; —-pan =

zoutpan; —-pit = zoutgroeve; —-spring = zoutbron; —-work(s) = zoutkeet;

—ed = gezouten, immuun (Z.-Afr.); —er = zoutzieder, handelaar in

gezouten waren; —ern = zoutkeet; —ish = zoutachtig; subst. —ishness;

—less; —ness; —y = met zouten smaak.

Saltant, salt’nt, sôlt’nt, op de achterpooten staande (Herald.);

Saltation, salteiš’n, springen, kloppen, bonzen; Saltatorial =

Saltatory = springend; Saltigrade = springend; subst. springspin.

Saltier, Saltire, saltîə, liggend kruis (✕).

Saltpetre, sôltpîtə, sôltpîtə, salpeter; Saltpetrous, sôltpîtrəs,

salpeterig.

Salubrious, səl(j)ûbriəs, heilzaam, gezond; subst. —ness = Salubrity.

Salutariness, sal(j)utərinəs, subst. v. Salutary, sal(j)utəri,

heilzaam, weldadig, voordeelig, gezond.

Salutation, sal(j)uteiš’n, groet, begroeting: She kissed him on both

cheeks and he returned the —; They parted in their —less manner = op

hunne gewone manier, zonder elkander de hand te drukken; Salutatory,

səl(j)ûtətəri, begroetend, verwelkomend; Salute, səl(j)ût, subst.

groet, begroeting, kus, saluut; — verb. begroeten, groeten, kussen,

eereschoten lossen; —r.

Salvage, salvidž, berging: — charges (— money) = bergloon; — stocks =

door water of brand beschadigde goederen.

Salvation, salveiš’n, redding, verlossing: — Army = heilsleger;

Salvationist = heilsoldaat.

Salve, sâv, zalf, balsem (ook fig.); — verb. zalven, genezen, helpen;

salv, bergen (scheepst.); —r = berger.

Salver, salvə, presenteerblaadje.

Salvo, salvou, uitvlucht, verontschuldiging, exceptie; salvo: —s of

applause = daverende toejuichingen.

Salvor, salvə, berger.

Samaria, səmêriə, Samarië: Samaritan, səmarit’n, subst. en adj.

Samaritaan(sch), liefderijk (mensch), barmhartig(e); —ism.

Sambo, sambou, kind van neger en Indiaansche.

Same, seim, zelfde: It is all the — to me = mij precies ’t zelfde; At

the — time = terzelfdertijd; He is much the — as you = vrijwel zooals

gij; To come to the — thing = op hetzelfde neerkomen; Customers may

depend on being satisfied with the — = dezelve, hetzelve

(koopmansstijl); —ness = gelijkheid, eentonigheid.

Samian, seimiən, van Samos.

Samiel, seimiəl, samoen = — wind.

Samite, samit, goudbrocaat.

Samoa, sâmouə, səmouə: —n = (bewoner) van S.; Samos, seimos, Samos;

Samoyed, səmoujəd; adj. Samoyedic.

Samp, samp, gestampte of gekookte maïs.

Sampan, sampan, sampan.

Samphire, samfaiə, zeevenkel.

Sample, samp’l, sâmp’l, subst. staal, monster, model; — verb. stalen

aanbieden of nemen: —s of no value = monsters zonder waarde; Box of —s

= monsterkast; Up to — = volgens monster; —-room = monsterkamer;

proeflokaal (Amer.); —r = exemplaar, letterdoek, borduurlap; This is a

fair sampling of the complete work = geeft een goed idee van.

Samson, sams’n, Simson; Samuel, samjuəl.

Sanability, sanəbiliti, subst. v. Sanable, sanəb’l, geneesbaar; subst.

—ness; Sanative = geneeskrachtig; subst. —ness = geneeskracht.

Sanatorium, sanətôriəm, sanatorium; Sanatory = heilzaam, genezend.

San benito, sanbənîtou, mantel van door de Inquisitie veroordeelden (op

hun weg naar den brandstapel).

Sanctification, saŋktifikeiš’n, heiliging, wijding: — of the Sunday;

Sanctified = geheiligd, gewijd; schijnheilig; Sanctifier = heiligmaker:

The — = de H. Geest; Sanctify = heiligen, wijden: The end sanctifies

the means; Sanctimonious, saŋktimounjəs, schijnheilig, kwezelachtig;

subst. —ness = Sanctimony, saŋktiməni; Sanction, saŋks’n, subst.

bekrachtiging, sanctie; — verb. bekrachtigen, sanctionneeren;

Sanctionary measure = bekrachtigende maatregel; Sanctitude, saŋktitjûd,

heiligheid; Sanctity, saŋktiti, heiligheid, godsvrucht, reinheid,

onschendbaarheid; Sanctuary, saŋktjuəri, heiligdom, plaats van het

hoogaltaar, ’t Allerheiligste, asyl (rechtst.): He took — there = zocht

er asyl; Sanctum, saŋkt’m, gewijde plaats; sanctum, kabinet: —

sanctorum = het heilige der heiligen, heiligdom, kabinet.

Sand, sand, subst. zand; — verb. met zand bestrooien (vermengen): Small

— = schuurzand; A grain of — = zandkorrel; —s = zandstreek,

zandwoestijn; zandbanken: The mutable —s of the seashore = drijfzand;

He wants to number —s = de droppels in de zee tellen; —-bag = zandzak;

—-bank = zandbank; —-bath = zandbad; —-blast = zandblazen (om glas mat

te maken); —-box = zandstrooier; spuwbak (met zand); —-boy =

zanddrager: As merry as a —-boy = zoo dartel als een veulen; —-crack =

hoornkloof (bij paarden); —-eel = smelt; —man = het zandmannetje;

—-paper, subst. schuurpapier; — verb. polijsten, gladwrijven; —-pit =

zandgroeve; —stone = zandsteen; —ed = met zand bedekt, zandig, rossig,

—iness, subst. v. —y = zandig, rossig, onzeker, droog.

Sandal, sand’l, sandaal; — wood = sandelhout; —led = met sandalen,

sandaalvormig.

Sandiver, sandivə, glasgal.

Sandwich, sandwitš, subst. dunne sneetjes brood met vleesch er

tusschen; — verb. tusschen andere dingen plaatsen: To be —ed between =

ingesloten zitten tusschen; The article was —ed between a poem and a

story = tusschen een gedicht en een verhaal ingeschoven; —-man =

wandelende reclame (een man met een bord voor en achter).

Sandy, sandi, bijnaam van een Schot; Sandys, sandz.

Sane, sein, gezond van geest; subst. —ness.

San Francisco, sanfransiskou.

Sang, saŋ, imperf. v. to sing.

Sangaree, saŋgərî, wijn met water en suiker of kruiderijen; — verb.

verdunnen of verzoeten.

Sangraal, saŋgreil, Sangreal, saŋgriəl = Grail; Sanguiferous,

saŋgwifərɐs: — vessels = bloedvaten; Sanguinariness, subst. v.

Sanguinary, saŋgwinəri = bloedig, bloeddorstig; Sanguine, saŋgwin,

bloedrijk, bloedrood; opgewekt, vurig, vol vertrouwen: To be — of

success = vol vertrouwen op; subst. —ness; Sanguineous, saŋgwiniəs,

bloedrijk, bloedrood, bloed...; Sanguinity, saŋgwiniti = Sanguineness.

Sanhedrin, sanhidrin, sanhedrin.

Sanicle, sanik’l, breukkruid.

Sanitary, sanitəri, gezondheids....: — board = gezondheidsraad; —

inspector (officer); — law; Sanitation, saniteiš’n, het inachtnemen der

voorschriften, het nemen van gezondheidsmaatregelen, hygiène; Sanity =

gezondheid, gezond verstand.

Sank, saŋk, imperf. van to sink.

Sanngasin, sangasin, Hindoesch kluizenaar.

Sans, sanz, zonder.

San Salvador, san-salvadö; Sanscrit, Sanskrit, sanskrit, Sanskriet;

adj. Sanskritic; —ist; Santa Claus, santə-klôz.

Santon, sant’n, Mahom. heilige, derwisch.

Sap, sap, subst. sap, vocht, spint (v. een boom), levensvocht, bloed,

loopgraaf, blokker; — verb. ondermijnen, verzwakken; blokken: This —ped

him of all mental and physical strength = ondermijnde zijn...; —-colour

= sapverf; —-green = sapgroen; —-rot = vermolming; —-tube = saphouder;

—wood = spint (v. een boom); —less = zonder sappen, droog; —ling =

jonge boom, jongmensch; —per = sappeur; —piness = sappigheid,

onnoozelheid; adj. —py.

Sapan, sapən, sapanhout (O.-I.).

Sapid, sapid, smakelijk; subst. Sapidity = —ness.

Sapience, seipj’ns, wijsheid; Sapient = wijs, scherpzinnig.

Saponaceous, sapəneišəs, zeepachtig, zalvend, vleiend; Saponification,

səponifikeiš’n, verzeeping; Saponify, səponifai, verzeepen.

Sapor, seipə, geur, smaak; —ific, sapərifik, smaak aanbrengend; —osity,

sapərositi, smakelijkheid; —ous, sapərɐs, smakelijk.

Sapphic, safik, Sapphisch.

Sapphire, safaiə, saffier; Sapphirine, safir(a)in, als saffier.

Sappho, safou.

Saraband, sarəband, sarabande, Spaansche dans, de muziek daarbij.

Saracen, sarəs’n, Saraceen; adj Saracenic(al); Sarah, sêrə; Saratoga,

sarətougə.

Sarcasm, sâkazm, bijtende spot, sarcasme; Sarcastic = stekelig,

schamper.

Sarcenet, sâsnət, sarsenet.

Sarcophagus, sâkofəgɐs, sarcophaag.

Sard, sad, sardis (bloedroode steen).

Sardine, sâdin, sardine (vischje): We were in the carriage as close as

—s in a box = zoo dicht opeengepakt als haringen in de ton; —

sandwiches.

Sardinia, sâdinjə, Sardinië; —n, subst. en adj. (bewoner) van Sardinië.

Sardonic, sâdonik, sardonisch, krampachtig, bitter: — laugh =

grijnslach; A — young fellow = een grinnikend ventje.

Sardonyx, sâdoniks, rood en witgestreepte onyx.

Sarlak, sâlak, ya(c)k, knoros uit Thibet.

Sarmatia, sâmeišə, Sarmatië; —n = (bewoner) v. Sarmatia.

Sarmentose, sâmentous, sâməntous: Sarmentous, sâmentəs, met

worteltakken; Sarmentum, sâment’m, worteltak.

Sarsaparilla, sâsəpərilə, sarsaparilla.

Sartor, sâtə, kleermaker: — Resartus (risâtəs); —ial, sâtôriəl, adj.

kleermakers...

Sash, saš, subst. sjerp, gordel; raam; — verb. van sashes voorzien;

—-door = met ruiten; —-fastener = wervel; —-window = schuifraam.

Sass, sas, brutaliteit; — verb. brutaliseeren (Amer.).

Sassafras, sasəfras, sassefras.

Sassarara, sasərârə: With a — = met geweld, zonder complimenten.

Sassenach, sasənak, Sakser (naam door de Berg-Schotten aan de

Angel-Saksers gegeven).

Sat, sat, imperf. en p.p. van to sit.

Satan, seit’n, Satan: — finds some mischief still for idle hands to do

= ledigheid is des duivels oorkussen; —ic(al), sətanik(’l), Satansch,

helsch, duivelsch; subst. —icalness.

Satchel, satš’l, schooltasch.

Sate, sat, seit, P. Imp. v. to sit.

Sate, seit, verzadigen.

Sateen, sətîn, satinet.

Satellite, satəlait, satelliet, trawant.

Satiability, seišiəbiliti, verzadigbaarheid; Satiable, seišəb’l,

verzadigbaar; subst. —ness; Satiate, seišit, adj. verzadigd; — verb.

seišieit, verzadigen; Satiation = verzadiging; Satiety, sətaiəti,

volheid, verzadigdheid.

Satin, satin, subst. satijn; adj. satijnen; — verb. satineeren; —-paper

= satijnpapier; —-spar = atlasspaat; —wood = satijnhout; —et, satinet,

satinet; —y = gelijk satijn.

Satire, sataiə, satire, scherpe opmerking; Satiric(al), sətirik(’l),

satirisch, hekelend; subst. —alness; Satirist = hekelschrijver;

Satirize, satiraiz, hekelen.

Satisfaction, satisfakš’n, voldoening, betaling, genoegen, overtuiging:

In — of = ter betaling van; It gives me — to hear = doet me genoegen;

Satisfactoriness, subst. v. Satisfactory, satisfaktəri, voldoende,

geruststellend, bevredigend, Satisfiable, satisfaiəb’l, die te voldoen

is; Satisfier; Satisfy, satisfai, voldoen, tevreden stellen,

geruststellen, verzekeren, overtuigen: To — one’s curiosity (hunger);

These conditions the statesman must — to command public confidence =

aan deze voorwaarden moet een staatsman voldoen; To — the requirements

= aan de eischen voldoen; I am satisfied that it was duly explained to

you = ik ben overtuigd.

Satrap, seitrap, satrap, satraap; —y = satraapschap, provincie.

Saturable, satjurəb’l, verzadigbaar; Saturant, satjur’nt, verzadigend;

Saturate, satjureit, verzadigen, overal doortrekken; adj. satjurit,

verzadigd; —d steam = verzadigde stoom; subst. Saturation.

Saturday, satədi, Zaterdag.

Saturn, satən, Saturnus; Saturnalia, satəneiljə, Saturnusfeest, dolle

pret of vroolijkheid; —n = dol, los, losbandig; Saturnian, sətɐ̂nj’n,

van Saturnus, gouden, gelukkig: — age; Saturnine, satənain,

zwaarmoedig, somber.

Satyr, satə, satyr, boschgod; —ic, sətirik, van satyrs; -ical,

sətirək’l.

Sauce, sôs, subst. saus, onbeschaamdheid, brutaalheid: — verb. sausen,

kruiden, brutaal aanspreken, “zijn vet” geven: Don’t give me — = wees

niet brutaal tegen mij; Hunger is the best — = honger is de beste kok;

—-boat = sauskom; —-box = brutaaltje; —-pan = lang gesteelde stoof- of

braadpan; —-tureen = sauskom; Sauciness, subst. v. Saucy, sôsi,

onbeschaamd, brutaal.

Saucer, sôsə, schoteltje: —-eyed = met kalfsoogen.

Saucisse, Fr. uitspr., kruitworst (om een mijn te doen ontbranden).

Sauerkraut, sauəkraut, zuurkool.

Saul, sôl; Saunders, sândəz.

Saunter, sôntə, sântə, rondzwerven, drentelen, slenteren; ook subst.;

—er = treuzelaar, drentelaar.

Saurian, sôriən, subst. hagedis; adj. hagedis...

Sausage, sosidž, saucijs, worst: —-roll = saucijzenbroodje; Bologna — =

saucisse de B.

Sauterne, Fr. uitspr., soort van witte Bordeaux.

Savable, seivəb’l, te redden; subst. —ness.

Savage, savidž, woest, wild, barbaarsch, razend; subst. wilde, barbaar;

subst. —ness = —ry = woestheid; Savagism, savədžizm, barbaarsche

toestand.

Savanna(h), səvanə, savanne, boomlooze grasvlakte (in N.-Amerika).

Save, seiv, verb. behouden, bewaren, redden, (be)sparen, beveiligen, op

tijd bereiken; prep. behalve, uitgezonderd: To — appearances = den

schijn redden; To — one’s bacon = ergens goed afkomen; — the mark = ’t

is God geklaagd, God betere ’t; You can — a mile by taking this road =

eene mijl uitwinnen; A penny —d is a penny gained = een stuiver

bespaard is een stuiver gewonnen; In great haste to — the post = om de

post te halen; God — the Queen = God behoede de koningin; To — the tide

= gebruik maken van de beste gelegenheid; — me from myself = behoed mij

voor mijzelf; What shall I do to be —d? = om zalig te worden; — errors

= vergissingen voorbehouden; The last — one = de voorlaatste; —-all =

profijtertje; bijzeil; schraper. Zie Saving.

Saveloy, savlôi, cervelaatworst.

Savin(e), savin, zevenboom.

Saving, seiviŋ, subst. redden, sparen, uitzondering, voorbehoud; adj.

reddend, spaarzaam, etc.; prep. behoudens, met alle respect voor: — is

having and — is no sin = wie wat spaart heeft wat; — your honour = met

alle respect voor UEd.; — your presence = met uw welnemen; —-sleeve =

morsmouw; —s = spaarpenningen; (Post-Office) —s-bank = (post)spaarbank;

—s-bank book = spaarbankboekje; —ness = zuinigheid.

Saviour, seivjə, redder: The — = de Heiland.

Savory, seivəri, boonenkruid.

Savour, seivə, subst. geur, smaak, reuk (fig.); — verb. een bijzonderen

geur of smaak hebben, rieken naar (fig.): It —s of ginger = smaakt

naar; —iness = smakelijkheid, geurigheid; —less; —ous = —y = smakelijk,

geurig.

Savoy, səvôi, Savoye; savoyekool; Savoyard, səvôiəd, savôi-âd,

Savoiaard.

Saw, sô, imperf. van to see.

Saw, sô, subst. zaag; gezegde, spreuk; — verb. zagen: Circular — =

circuleerzaag; Cross-cut — = zaag met 2 handvatten voor twee personen;

Wise —s; —-blade = zaagblad; —-bones = spotnaam voor een chirurg; —dust

= zaagmeel, zaagsel: These books are as —dust in the mouth = door en

door saai en droog; —fish = zaagvisch; —-horse = bok; —-leaved = met

getande bladen; —mill = zaagmolen; —pit = zaagkuil; —-set (—-wrest) =

tandzetter (werktuig); —yer = zager; heen en weer drijvende boom op de

Mississippi.

Sawder, sôdə, sodə: Soft — = vleierij: They put me off with soft — =

scheepten me af met mooie praatjes, stuurden me met een kluitje in ’t

riet.

Sawney, sôni, subst. spotnaam voor een Schot (= Sandy), slimmerd.

Saxe-Coburg-Gotha, saks-koubɐ̂g-goutə; Saxe-Weimar, saks-waimə.

Saxifrage, saksifridž, steenbreek (plant).

Saxon, saks’n, subst. en adj. (Angel)sakser; (Angel)saksisch(e taal);

—y = Saksen: Upper, Lower —y = Opper-, Neder-Saksen; —-blue = Saksisch

blauw.

Saxophone, saksəfoun, saxophone.

Say, sei, subst. meening, woord, bewering, rede; — verb. zeggen,

vertellen, opzeggen, aanvoeren, onderstellen, beslissen: It is my — now

= nu is het woord aan mij; To give a person a — in the matter = mee

laten spreken; To have a — in the matter; Let him have (say) his — =

laat hem uitspreken; I’ll have my — out with you = ik zal jou eens

zeggen waar het op staat; I — waiter = Aannemen! I —, my boy = zeg er

eens, jongen; Can it be that our literature is poorer than that of —

Germany? = laat ons zeggen Duitschland; — that he would go = aangenomen

dat; You don’t — so = och kom! Though I — so who shouldn’t = al zeg ik

het zelf; That is more than you can — = dat gelief jij te zeggen

(maar...); On pag. 25 it —s = lezen wij; As it —s in the Bible = zooals

te lezen staat in; He said his lessons, prayers = zeide zijne lessen,

gebeden op; To — mass = de mis lezen; — the word = sla toe; He has not

much to — for himself = is niet erg spraakzaam, kan zich niet

verdedigen; Do you mean to — that you would — me nay? = woudt ge

zeggen, dat ge mij woudt weigeren? — me the poem that you made = zeg

eens voor me op; You have not anything to — about it at all = er niets

in (over) te zeggen; I have nothing to — against him = niets op hem te

zeggen; I have something to — in it = er in te zeggen; — out what you

think = spreek vrij uit; He said it to my face = hij zei het mij in

mijn gezicht; I have nothing to — to him = wil niets van hem weten;

What do you — to that = wat dunkt u daarvan? Saying = gezegde,

uitdrukking, spreuk, spreekwoord: — nothing (= To — nothing) of her

beauty = om nog niet eens te spreken van; That is — a good deal (much)

= dat is veel gezegd; The — is, that ... = men zegt, dat; As the — is =

zooals men dat noemt (zegt), “zal ik maar eens zeggen”; There is no —

what he will do = men kan onmogelijk zeggen; That goes without — =

spreekt van zelf; So said so done; When all is said and done = bij slot

van rekening.

Scab, skab, roofje, schurft; onderkruiper; —bed, skabd, skabid,

schurftig, laag, vuil: One —bed sheep is enough to spoil (will mar) a

flock; —bedness = —biness = schurftigheid; —by = schurftig.

Scabbard, skabəd, subst. scheede; — verb. in de scheede doen.

Scabies, skeibiîz, schurft; Scabious, skeibiəs, schurftig; subst.

scabiosa; Scabrous, skeibrəs, ruw, oneffen; subst. —ness.

Scad, skad, hors of hars (soort makreel).

Scaevola, sevələ.

Scaffold, skaf’ld, subst. schavot; steiger, stellage; — verb. van

steiger of stellage voorzien; —ing = steigerwerk, steigerhout;

—ing-pole = steigerpaal; —ing-trestle = schraag.

Scagliola, skaljoulə, scagliola.

Scalable, skeiləb’l, beklimbaar (met ladders).

Scalariform, skəlêriföm, laddervormig.

Scalawag, skaləwag = Scallawag.

Scald, skôld, subst. brandwonde; hoofdzeer; oud Noorsch dichter; —

verb. met heete of kokende vloeistof branden, afkoken, opkoken; —ic =

skaldisch; It is —ing hot = gloeiend of brandend heet.

Scale, skeil, subst. schaal, Weegschaal (dierenriem), schub, opperhuid

(van slangen, enz.), dun laagje, schilfer, schaal (fig.)

graadverdeeling, toonladder, maatstaf; — verb. afschilferen, van de

schubben (ketelsteen) ontdoen; aanzetten (v. ketelsteen), wegen; met

stormladders beklimmen, opklauteren: Sliding — = veranderlijke

maatstaf; By a — of = op de schaal van, etc.; — of wages = loontabel;

On a large, small — = op groote, kleine schaal; Pair of —s =

weegschaal; The —s have fallen from my eyes = de schellen, etc.; Be

sure to practise your —s = toonladders in te studeeren; That will turn

the — = zal de schaal doen overhellen; This paint will not — =

schilfert niet af; The tusks of the elephant —d I don’t know what =

wogen ik weet niet hoeveel; —-armour = geschubd harnas; —d = geschubd;

—less = zonder schubben; —r = afschrabber. Zie Scaling.

Scalene, skəlîn, ongelijkzijdig: — triangle = ongelijkzijdige driehoek.

Scaliness, skeilinəs, schubbigheid.

Scaling, skeiliŋ; —-ladder = stormladder, brandladder.

Scall, skôl, subst. schurft, hoofdzeer; —-headed, —-pated = met een

zeer hoofd; —ed = schurftig; armoedig.

Scallawag, skaləwag, slecht gevoed, achterlijk dier; deugniet,

schooier.

Scallion, skalj’n, sjalot.

Scallop, skaləp, skoləp, subst. kamschelp, schelp (voor pasteitjes, in

de heraldiek of als pelgrimsteeken), schulp; — verb. uitschulpen; —s =

in schelpen opgediende gerechten; —ed = uitgeschulpt, gebakken met

broodkruimels, melk, etc. (van oesters).

Scalp, skalp, subst. schedel, schedelhuid, hoofdhuid (met het haar),

pruik; — verb. scalpeeren; —-lock = haarbosje op de kruin van het

hoofd; —ing-knife = scalpeermes.

Scalpel, skalp’l, ontleedmes.

Scaly, skeili, geschubd, schubvormig; schabbig, schunnig.

Scamp, skamp, subst. schelm, deugniet.

Scamp, skamp, knoeien, slordig afwerken: We do not — our work at the

Savoy = we loopen er aan het S.-theater niet luchtig overheen; —er =

knoeier.

Scamper, skampə, subst. overhaaste vlucht; — verb. rennen, overijld

vluchten: They —ed across country = vluchtten over heg en steg.

Scan, skan, (zich laten) scandeeren; nauwkeurig onderzoeken,

doorgronden.

Scandal, skand’l, subst. schandaal, schande, smaad, laster; — verb.

belasteren: It is (They are) a — to; What a —! = wat een schandaal! She

caused, raised a — in the village = zij gaf aanstoot of ergernis; He

lies under a — = hij wordt belasterd; He is a —-monger = lasteraar;

That turns biography into —-mongering = eene “chronique scandaleuse”;

Scandalize = ergernis geven, te schande maken, lasteren, kruiselings

toppen (van ra’s,) als teeken van rouw: To be —d at = zich ergeren

over; Scandalous = schandelijk, lasterlijk; subst. —ness; Scandalum

magnatum, skandəlɐmmagneit’m, oude rechtsterm voor de beleediging van

personen van aanzien.

Scandent, skand’nt, klimmend (plantk.).

Scandinavia, skandineivja, Scandinavië; —n, subst. en adj.

Scandinavisch(e taal), Scandinaviër.

Scansion, skanš’n, het scandeeren.

Scansores, skansôrîz, klimvogels; Scansorial, subst. klimvogel; adj.

klimmend.

Scant, skant, adj. karig, schraal; — verb. bekrimpen, beperken, met

mondjesmaat toemeten, schralen (van den wind): — of breath =

kortademig; You do — justice to = gij laat niet genoeg recht wedervaren

aan; —ness, —iness, subst. v. —y = schaarsch, bekrompen, onvoldoende,

gebrekkig: Their —y fare = schrale en on. voldoende kost; —y of words =

weinig spraakzaam.

Scantling, skantliŋ voorbeeld, model, patroon, kleine hoeveelheid,

verbindingsstuk.

Scape, skeip, subst. schacht, steel; luim, inval, gemeene streek.

Scape, skeip, (alléén in samenst.): —-gallows = galgebrok; —goat =

zondebok; He is a —grace = deugniet.

Scaphander, skəfandə, reddingsvest.

Scaphoid, skafôid, schuitvormig: — bone.

Scapula, skapjulə, schouderblad; —r, subst. scapulier, schouderdoek,

lang afhangend, van witte zijde, met welks uiteinden de priester de

monstrans of pyxis vasthoudt; adj. tot den schouder of tot het

schouderblad behoorende; —rs = rugveeren van een vogel.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 103 / 141 段