Mantel, mant’l, mantel (Archit.); ook = —piece = schoorsteenmantel =
—shelf; Over— = étagèrespiegel.
Mant(e)let, mant(ə)lət, manteltje; stormscherm, beweegbare borstwering;
Mantilla, mantilə, mantille.
Mantle, mant’l, subst. mantel, dekmantel, gloeikousje; — verb.
bedekken, koken, gisten, schuimen, blozen, de vleugels uitspreiden (v.
valken).
Mantua, mantjûə, Mantua; wijde mantel (van ± 1850); —-gown = wijde
japon; —-maker = modiste; —n = (inwoner) van Mantua; The —n Swan =
Vergilius.
Manual, manjuəl, subst. handboek, manuaal (van orgel of piano),
handspuit; adj. hand..., coulant: — alphabet (voor doofstommen); —
exercise = oefening in de handgrepen van het geweer; — sign =
handteekening.
Manufactory, manjufaktəri, fabriek: adj. Manufactural; Manufacture,
subst. fabrikaat, vervaardiging; — verb. vervaardigen, fabriceeren;
Manufacturer = fabrikant; Manufacturing = fabricatie; adj. fabrieks...
Manumission, manjumiš’n, manumissie, het vrijlaten van een slaaf;
Manumit = slaven vrijlaten.
Manumotor, manjumoutə, wagen door den inzittende mechanisch
voortbewogen.
Manure, mənjûə, subst. mest; — verb. bemesten; —-cart; —-distributor =
meststrooier; —-fork; —r.
Manuscript, manjuskript, subst. handschrift, adj. met de hand
geschreven.
Manx, maŋks, van het eiland Man; subst. de taal, de bewoners; —man =
bewoner van Man.
Many, meni, veel, vele(n); subst. menigte, groot aantal: So —
countries, so — customs = ’s lands wijs ’s lands eer; — men, — minds =
zooveel hoofden, zooveel zinnen; — a man = menigeen; — a time and oft =
herhaaldelijk; This — a day = For — a day = reeds lang; As — again =
eens zooveel; Twice as — = tweemaal zooveel; We were packed like so —
herrings = zaten opeen als haringen in een ton; I am one too — for you
= ik ben je de baas af; She made one too — in the omnibus = was te
veel; The — = de groote hoop; A good (great) — = zeer vele; —-headed:
The —-headed monster = de Hydra; het gepeupel; —-sided = veelzijdig;
subst. —-sidedness.
Maori, mauri, mâəri, subst. Maori; hunne taal; adj. tot de Maoris of
hunne taal behoorend.
Map, map, subst. landkaart, hemelkaart, nauwk. voorstelling; — verb.
teekenen, afbeelden, nauwkeurig beschrijven, ontwerpen (out); —-maker =
landkaartmaker.
Maple, meip’l, ahorn.
Mar, mâ, beschadigen, bederven, ontsieren, verijdelen.
Marabou(t), marəbû, marəbû, marabout (veêr, zijde); —-feathers.
Marabout, marəbût, marəbût, Mahomedaansch priester en toovenaar (N.
Afr.).
Maracan, marəkan, ara-papegaai (Brazilië).
Maraschino, marəskînou, marasquin.
Marasmus, mərasməs: — senilis = senile aftakeling.
Maraud, mərôd, stroopen, plunderen; —er.
Marble, mâb’l, subst. marmer, marmeren beeld; knikker; adj. marmeren,
als marmer geaderd; — verb. marmeren: — Arch = een der toegangen van
het Hydepark; The children were playing at —s = waren aan het
knikkeren; —-edged = gemarmerd op snede; —-hearted = hardvochtig;
—-quarry = groeve; —d = gemarmerd: Marbling = marmeren; het doorgroeid
zijn van vleesch; Marbly = marmerachtig, gemarmerd.
Marcescent, mâses’nt, verwelkend; verschrompelend.
March, mâtš, subst. Maart; grens, markegrond; marsch, marche, tocht,
loop, geleidelijke ontwikkeling; — verb. grenzen; marcheeren, doen
marcheeren, wegvoeren (off): Order of — = marschroute; I have gained
(got, stolen) a — upon you = ben u vóór gekomen, u te slim af geweest;
To ride the —es = de grenzen omrijden (Schotl.); (Forward) —! The
general —ed the army to the enemy = rukte met het leger op tegen; We
—ed down upon the enemy = rukten aan op; To — off = afmarcheeren; To —
on = voortmarcheeren; oprukken tegen; To — past = voorbijmarcheeren,
defileeren; The soldiers were —ed up from the barracks = men liet hen
uit de kazerne rukken; —-chick = brutaaltje; —-land = grensland; —man =
grensbewoner; —ing-order = marschbevel: To be (To put) under
—ing-orders; —ing-past = défilé.
Marchioness, mâšənəs, markiezin.
Marconigram, mâkounigram, draadloos telegram.
Mare, mêə, merrie: Brood — = fokmerrie; A face as long as any —’s = een
gezicht als een oorworm; On Shank’s — = op Apostelpaarden; He has found
a —’s nest (and is laughing over the eggs) = hij dacht heel wat
bijzonders gevonden te hebben, doch blijkt zich geducht te hebben
vergist; Some experience will save you from —’s nests = zal u voor
teleurstellingen bewaren; —’s-tail = lange vederwolk: Waterdogs (=
regenwolkjes) and —’s tails, Make lofty ships have low sails.
Margaret, mâgərət, mâgrət.
Margarine, mâgərin, margarine.
Margate, mâgit.
Margay, mâgei, tijgerkat.
Marge, mâdž, rand, marge.
Margin, mâdžin, subst. rand, grens, speelruimte, verschil tusschen
inkoops- en verkoopsprijs, overschot, waarborgsom; — verb. van een rand
voorzien, van kantteekeningen voorzien; zich dekken: In such a work a —
of error should be allowed = kan men een zeker getal vergissingen
verwachten; A small — of profit = een klein voordeeltje; He is so
devoted to his work, that he has not a — for social life = dat er geen
tijd overschiet voor ’t gezellige leven; I sold out so as to have a
larger — with which to operate = om wat meer geld in handen te hebben;
He has but a narrow — on which to subsist = hij kan maar even
rondkomen; Eleven to four is a sufficient — for me = van 11 tot 4 heb
ik tijd genoeg; Named in the — = terzijde vermeld; To operate on a — =
alléén verkoopen (b.v. van effecten) als men erop kan winnen; —al: —al
notes, glosses (—alia, mâdžineiljə) kantteekeningen; —ate(d) = met een
rand, gerand.
Margravate, mâgrəvit, Margraviate, mâgreivi-it, markgraafschap;
Margrave, mâgreiv, markgraaf; Margravine, mâgrəvin, markgravin.
Maria, məraiə: Black — = dievenwagen; Marian, mêriən, Maria - -; The
Mariana Islands, mêrianə ail’ndz, de Dieveneilanden; Marianne, mêrian.
Marigold, marigould, goudsbloem; een millioen £; — window = radvenster.
Marinate, marineit, marineeren.
Marine, mərîn, adj. zee - -, scheeps - -, marine - -; subst. marine,
marinier, zeestuk: Tell that to the —s = maak dat je grootje wijs; —
blue: — drive = rijweg langs het strand; — insurance = zeeassurantie; —
law = zeerecht; — store dealer = soort scheepstagrijn; Blue —s =
matrozen artillerie; Red —s = marine infanterie; Mercantile (Naval) — =
koopvaardijvloot (de marine); Mariner, marinə, zeeman, matroos: Master
— = kapitein.
Mariolatry, mêriolətri, Maria-vereering.
Marionette, mariənet, marionet (ook fig.).
Marish, mariš, subst. moeras; adj. drassig.
Marital, marit’l, echtgenoots - -, echtelijk: I have no sympathy with —
wrongs = voel niets voor mannengrieven.
Maritime, marit(a)im, zee - -, marine - -, maritime - -, strand - -: —
Alps = de Zee-alpen; — commerce (— trade) = zeehandel; — insurance =
zeeassurantie; — power = zeemacht.
Marjoram, mâdžər’m, marjolein.
Marjoribanks, mâtšbaŋks; Mark, mâk, Marcus.
Mark, mâk, subst. merk, teeken, blijk, baak, striem, nerf, stempel,
spoor, doelwit, kruisje (van iemand, die niet kan schrijven), aanzien,
gewicht, handelsmerk, nummer, prijs, cijfer; — verb. merken, noteeren,
opschrijven, stempelen, punten geven, markeeren, maat slaan,
onderscheiden, letten op, scherp onderzoeken, uitpikken, etc.: Above,
below the — = te hoog, te laag; You are beside the — = gij zijt de
plank mis; Near the — = het doel nabij; A man (names) of — = van
beteekenis; That (He) is not up to the — = beneden peil, kan er niet
door; Wide of the — = geheel mis; — of the beast (Zie Openbaring XIX,
19); High-(Low-)water — = hoog (laag) waterpeil; Load — = lastlijn,
diepgang; He left his — on the country = de invloed van zijne
persoonlijkheid doet zich nog gevoelen; That man will make his — = zal
van zich doen spreken; God bless (save) the — = God betere het (iron.);
— my words (= — me) = let op mijne woorden; To — time = den pas
markeeren; They were —ed out for destruction = ten doode opgeschreven;
To — with a hot iron = brandmerken; One of the —ed men of his age =
groote mannen van zijn tijd; It would look —ed if you stayed away = het
zou erg in ’t oog vallen; —er = aanschrijver, teller, marqueur,
vleugelman, fiche; —ing-ink = merkinkt: —ing-iron = brandijzer;
—ing-list = cijferlijst (School); —sman = scherpschutter.
Market, mâkit, markt, marktplaats (bezoek), navraag, aftrek,
marktprijs, voordeel; — verb. de markt bezoeken, op de markt koopen of
verkoopen: In the — = voorhanden, aanwezig; Clerk of the — =
marktmeester; There is no — for = wordt niet gevraagd; To find (meet
with) a ready — = gereeden aftrek vinden; To make — out of = profijt
trekken van; Good wares make quick —s = goede waar is half verkocht; It
was put upon the — = openbaar ten verkoop aangeboden; They looked like
devils who were —ing a corpse = die om een lijk dobbelden; —-bell;
—-cross = kruis op een markt (vroeger symbool van het marktrecht);
—-day; —-dues = marktgelden; —-garden = moestuin; —-gardener =
hovenier, gaardenier; —-hall = hal; —-merry = licht aangeschoten na de
markt; —-place = marktplein; —-porter = marktbediende; —-price (—-rate)
= marktprijs; —-report = marktbericht; —-rigging = beursmanoeuvre;
—-stall = stalletje; —-town = stad met het recht eene weekmarkt te
houden; —able = verkoopbaar; —ing = marktbezoek, marktvoorraad.
Marl, mâl, subst. mergel; stof, aarde; — verb, bemesten; marlen
(scheepst.); —-pit = mergelgroeve; Marlaceous = mergelachtig.
Marlborough, môlbrə; mâlbərə (als plaatsn.).
Marline, mâlin, marlijn; —-spike of Marling-spike = marlpriem.
Marlow(e), mâlou.
Marly, mâli, mergelachtig, mergel ...
Marmalade, mâmeleid, marmelade.
Marmoratum, mâməreit’m, marmercement; Marmoreal, Marmorean, mâmôriəl,
mâmôriən, marmerachtig, marmer...
Marmot, mâmət, marmot.
Maronites, marənaits, Maronieten (godsd. sekte aan den Libanon).
Maroon, mərûn, kastanjebruin.
Maroon, məûn, weggeloopen slaaf (West-Ind.); — verb. iemand op een
onbewoond eiland opzettelijk achterlaten; wegloopen, rondboemelen: A
—ing party = een gezelschap, dat een uitstapje maakt van eenige dagen
en kampeert in de open lucht.
Marplot, mâplot, spelbreker; zie Mar.
Marque, mâk: Letters of — = kaperbrieven.
Marquee, mâkî, groote tent.
Marquet(e)ry, mâkətri, ingelegd werk.
Marquis, mâkwis, markies; —ate, mâkwisit, markisaat.
Marriage, maridž, huwelijk(splechtigheid): By — = aangetrouwd; One —
makes a-many = van bruiloft komt bruiloft; To ask in — = ten huwelijk
vragen; —-articles = huwelijksvoorwaarden; —-certificate = trouwakte;
—-contract = huwelijkscontract; —-favours = witte strikken of linten,
bouquet witte bloemen bij een bruiloft gedragen; —-licence =
huwelijksvolmacht; —-lines = huwelijksbewijs; —-portion =
huwelijksgift; —-ring = trouwring: —-service = de liturgie bij het
kerkelijk huwelijk; —-vow = huwelijksgelofte; —able = huwbaar; —ables =
huwbaren; Married: Newly — couple = jonggehuwden; — life (state).
Marrow, marou, merg, kern, pit: Vegetable — = mergpompoen; To go by the
— stage = te voet gaan; —bone = mergpijp; —bones = knieën (Zie
Cleaver): Down on your —s = op je knieën! —fat = mergvet; —fat pea =
groote erwt; —less; —y.
Marry, mari, trouwen, huwen, uithuwen: — in haste, repent at leisure =
snel getrouwd, lang berouwd; He married below his station = beneden
zijn stand; Is your brother a married man? No, he is not a —ing man =
is uw broer getrouwd? Neen, dat is geen man om te trouwen.
Marry, mari, verbastering van Mary: —, you are right = waarachtig je
hebt gelijk.
Mars, mâz, Mars (oorlogsgod, planeet).
Marsala, mâsâlə, Siciliaansche wijn.
Marseilles, mâseilz.
Marsh, mâš, drassig land, moeras: —-fever = malaria; —-fire =
dwaallicht; —-gas = moerasgas; —-mallow = gewone heemst; —-marigold =
dotterbloem; —-parsley = selderie; —iness, subst. v. —y = drassig, dras
...
Marshal, mâšəl, subst. maarschalk; ceremoniemeester; schout, i.e. hoofd
van een Amerikaansch Judicial District, overeenkomend met een Sheriff
in Engeland; — verb. rangschikken, scharen, ordenen, rangeeren (Amer.):
Earl — = opperceremoniemeester aan het Eng. hof (erfelijke waardigheid
in het geslacht Norfolk); —ship.
Marshalsea, mâšəlsî, vroegere gevangenis voor gijzelaars in Londen
(Southwark).
Marsupial, mâsiûpiəl (Mv. Marsupialia, mâsiupieiljə), subst.
buideldier; adj. buideldragend, beursvormig; Marsupium = buidel van de
Marsupialia.
Mart, mât, subst. markt, marktplaats; — verb. verhandelen, schacheren.
Martello(tower), mâtelou(tauə), gewelfde, ronde kusttoren, kustfort.
Marten, mât’n, marter(-vel).
Martial, mâš’l, krijgshaftig, krijgs....: Court — = krijgsraad; — law
was proclaimed in the country = de krijgswet werd afgekondigd; — music.
Martin, mâtin, zwaluw: Bank — = oeverzwaluw; House — = huiszwaluw; St.
—’s Day = 11 Nov.; (St.) —’s Summer = Martinmas summer.
Martinet, mâtinet, dienstklopper: He gives himself — airs; He has a
touch of the — = is een echte dienstdoener; —ism = dienstklopperij.
Martingal, mâtiŋgal, Martingale, mâtiŋgeil, springteugel; doove Jut
(Scheepst.); voortdurende verdubbeling van den inzet: He played the —
on fate = bond een wanhopigen strijd aan tegen.
Martinmas, mâtinmas, St. Maarten (Nov. 11): — summer = mooie dagen laat
in den herfst.
Martyr, mâtə, subst. martelaar; — verb. den marteldood doen sterven,
martelen: I’m quite a — to the gout = lijd verschrikkelijk aan; —dom =
martelaarschap; —ology, mâtirolədži, geschiedenis of lijst van
martelaren.
Marvel, mâv’l, subst. wonder; — verb. zich verbazen, benieuwd zijn: It
is a — of cheapness = wondergoedkoop; — of Peru = bonte wonderbloem; I
— where he can be = ik wou wel eens weten waar hij is; —lous =
wonderbaar; subst. —lousness.
Mary, mêri, Marie: — Janes = dienstboden; A Hail — = Ave Maria; —land,
mêrilənd, merilənd; Marylebone, maribən, maribən; Marymas, mêrimas,
Maria Boodschap (25 Maart).
Mascle, mask’l, ruitvormig stuk op een geschubd pantser; open ruit
(Herald.); —d.
Mascot(te), maskot, mascotte.
Masculine, maskjulin, mannelijk, krachtig, flink, onvrouwelijk,
brutaal; subst. —ness = Masculinity.
Mash, maš, subst. mengelmoes, mengvoer, brouwsel; liefje, minnaar,
vlam; — verb. vermengen, fijn stampen, mout verdunnen, verliefd worden
op, het hoofd op hol maken; gek zijn op; den fat uithangen: Mary is —ed
on you = verkikkerd op je; —er = damesgek, fat; soort boord; —y =
papperig.
Mashie, maši, een ijzeren kolf bij het golfspel.
Mashonaland, məšounəland.
Mask, mâsk, subst. masker, maskerade(pak), gemaskerde, dekmantel,
scherm, vossekop, voorwendsel, draai; — verb. (zich) maskeeren,
vermommen, bedekken: —(ed)-balls; —er = gemaskerde.
Maslin, mazlin, subst. messing: — kettle = ketel daarvan gemaakt.
Mason, meis’n, steenhouwer, vrijmetselaar; — verb. metselen,
steenhouwen; —ic, məsonik, maçonniek: —ic emblems, jewels =
vrijmetselaars-insignes; —ic hall (lodge) = loge; —ry = metselaarswerk,
vrijmetselarij.
Masque, mâsk, Masquerade, maskəreid, Zie Mask.; —r.
Mass, mâs, massa, troep, hoop, gesloten formatie van cavalerie, brigade
kolonne van infanterie; — verb. (zich) tot een massa verzamelen: The
—es and the classes = het volk en de aristocraten; A — of information =
groote hoeveelheid kennis; The Boers are —ing in entrenched positions;
—-meeting = algemeene bijeenkomst; —iness, subst. v. —y = omvangrijk,
zwaar, in massa.
Mass, mas, mis: To attend (the) —, To go to —; To say — = de mis lezen;
High (Low, Morning) — = hoogmis (stille —, vroeg—); —-book.
Massachusetts, masətšûsəts.
Massacre, masəkə, subst. moord, bloedbad; — verb. in het wilde moorden.
Massage, masidž, masâž, massage: Massagist, masâdžist, masseur.
Masseter, masîtə, kauwspier.
Masseur, Masseuse, beide Fr. uitspr.
Massinger, masinžə.
Massive, masiv, massief; subst. —ness.
Mast, mâst, subst. mast; vrucht van eik of beuk, eikels, beukenoten; —
verb. van masten voorzien; mesten: He has served before the — = als
gewoon matroos gediend; The flag floated at half—-high = woei halfstok;
—-beam = zeilbalk; —-head = subst. top van den mast; — verb. in top
hijschen; voor straf naar boven in den mast zenden; —-hoop = band of
hoepel om den mast; —ed: Four —ed vessel = schip met 4 masten =
Four-—er; —less = zonder masten.
Master, mâstə, subst. meester, vader (v. armhuis, etc.), heer, baas,
“vrind”, eigenaar, jongeheer, magister, kapitein of gezagvoerder; adj.
voornaamste, hoofd - -, meester - -; — verb. vermeesteren, meester
worden, overwinnen, temmen: The — and matron of a workhouse = vader en
moeder; Under-— = ondermeester; He is a — at it = hij is het meester; —
of the horse = stalmeester; — of (the) (Fox)hounds = jagermeester van
een vossenjachtclub; —-at-arms = provoostgeweldiger; —-builder =
bouwmeester; —-hand = meesterhand; —-key = looper; —-man = opzichter,
baas; —-mariner = gezagvoerder: —-mason = meestersteenhouwer; —mind =
buitengewone geest, supérieur mensch; —piece = meesterstuk; —-spring =
hoofdveer; —-stroke = meestertrek, meesterstuk; — theme = hoofdthema;
—work = meesterstuk; —dom = heerschappij; —ful = bazig, despotisch;
—hood = meesterschap; —less = zonder meester; —liness, subst. v. —ly =
meesterlijk, meesterachtig; —ship = meesterschap, meerderheid;
leeraarschap: The French —ship = betrekking van leeraar in het Fransch;
—y = heerschappij, grootere voortreffelijkheid, meerderheid, voorrang:
To gain (get, obtain) the —y = de overhand winnen, heerschappij
verkrijgen, onderwerpen.
Mastic, mastik, mastik, mastikboom (= —-tree); —-cement.
Masticate, mastikeit, kauwen, fijn snijden; subst. Mastication;
Masticator = hakmachine; Masticatory = kauw - -.
Mastiff, mastif, bulhond, kettinghond.
Mastodon, mastədon, mastodont.
Mat, mat, subst. mat, grof vlechtwerk; — verb. met matten beleggen,
dooreen vlechten, verwarren, in de war zijn of raken: She rubbed her
boots on the — = veegde af; His —ted hair = verward haar; He was —tedly
unkempt = ongekamd, met verwarde haren; —-grass = borstelgras; —ting =
matten, matwerk, stof voor matten.
Mat, mat, dof, mat; subst. wit metaal, matbijtel; — verb. matteeren;
—-gold = matgoud.
Matabele, matəbîl.
Matador(e), matədö, matədö, matador.
Match, matš, subst. zwavelstok, lucifer, lont; weddenschap, wedstrijd,
partij, partuur, gelijke, paar, span; huwelijk; adj. bij elkaar
passend; — verb. paarsgewijze vereenigen, verbinden, iets passends
uitkiezen, evenaren, opgewassen zijn tegen, zich meten, passen bij: Is
it a —? = wedden? It is a —! = top! The — will not come off = de
wedstrijd gaat niet door; I am no — for him = ben niet tegen hem
opgewassen; He is a — for them all = hij staat ze allemaal; He is more
than a — for you = je de baas; To light (strike) a — = een lucifer
aanstrijken; You two are well —ed = jullie beiden hoort net bij elkaar;
This —es it nicely = komt er mooi bij; To — pennies = pennies opgooien
(dobbelen); Not to be —ed (Vergel.: — to none) = onvergelijkelijk; To
be ill-(well-)—ed = slecht (goed) bij elkaar passen; —-box =
lucifersdoosje; —-girl = meisje dat lucifers verkoopt; —lock =
snaphaan; —-maker = lucifersfabrikant; koppelaar(ster): She is a
—-making woman = zij mag graag zoo’n beetje koppelen; —-wood = hout
voor zwavelstokken, splinters: The carriage collapsed like —-wood =
viel in elkaar als tonder; —able = vergelijkbaar; —less =
onvergelijkelijk; subst. —lessness.
Mate, meit, subst. maat, kameraad, helper, echtgenoot(e), mannetje,
wijfje; — verb. vereenigen, trouwen, paren: Chief — = eerste stuurman;
Cook’s — = koksmaat; Mating-season = paartijd.
Mate, meit, mat (schaakspel); — verb. mat zetten.
Mater, meitə, moeder, “ouwe vrouw”.
Material, mətîriəl, subst. (bouw)stof, materiaal; adj. stoffelijk,
lichamelijk, gewichtig, belangrijk, materialistisch: He bought the
house for its —s = voor afbraak; That is — to your welfare = van ’t
hoogste belang voor uw welzijn; His health improves —ly = gaat hard
vooruit; They were left —ly undisturbed = in hoofdzaak met rust
gelaten; —ism = materialisme; —ist; —istic = materialistisch; —ity,
matirialiti = stoffelijkheid; —ization = verstoffelijking; —ize =
verstoffelijken, realiseeren, stoffelijk voordeel (of resultaat)
opleveren; een stoffelijken vorm aannemen: All our announcements and
posters have failed to —ize = al onze advertenties en aanplakbiljetten
hebben niets gegeven; —ness = Materiality.
Maternal, mətɐ̂n’l, moederlijk, moeder.., van moederszijde; Maternity =
moederschap: —-hospital = kraaminrichting.
Mathematic(al), mathimatik(’l), wiskundig: —al master = leeraar in de
wiskunde; —ian, mathimətiš’n, wiskundige; —s = wiskunde: The higher —s.
Mather(s), madhə(z), Mathew, mathjû.
Matie, meiti, maatjesharing.
Matins, matinz, vroegdienst, metten; Matinee, matinei, matinée;
morgenjapon.
Matricidal, meitrisaid’l, matrisaid’l, moedermoord betreffend;
Matricide, meitrisaid, matrisaid, moedermoord(er).
Matriculate, mətrikjuleit, immatriculeeren, (zich laten) inschrijven in
de matricula (= naamlijst); subst. Matriculation.
Matrimonial, matrimounj’l, huwelijks...: — agents; — duties =
huwelijksplichten; He is —ly inclined towards her = wenscht haar tot
zijne vrouw; Matrimony = huwelijk, huwelijke staat.
Matrix, meitriks, matriks, baarmoeder, matrijs, de vijf eenvoudige
kleuren bij het wolverven (zwart, wit, blauw, rood en geel).
Matron, meitr’n, matrən, matrone, deftige dame, directrice van eene
instelling of inrichting; —age, meitrənidž, matrənidž, de gezamenlijke
matrons, moederlijke zorg; —al = matroneachtig; adj. bejaard; —hood =
—age; —ize = als oudere dame (of moeder) eene jonge vergezellen; —like
= —al = —ly; —ship.
Matter, matə, subst. stof, zelfstandigheid, onderwerp, voorwerp, zaak,
gewicht, etter, kopij (drukkerij), enz.; — verb. van belang zijn: What
is the — = wat is er, scheelt er aan? There is always something or
other the — with him = hij heeft ook altijd wat; It is a — of five
pounds = zoo wat 60 gld.; That is a — of course = dàt spreekt vanzelf;
— of fact = daadzaak: As a — of fact = feitelijk; He is a —-of-fact
person = door-en-door practisch, nuchter; That is a great — = dat is
van groot gewicht; It is not a — of pence but principle = niet om de
knikkers, maar om ’t recht van ’t spel; I might go there for that —,
for the — of that = wat dat aangaat; No — = het kan niet schelen; It is
no — of mine = ’t gaat mij niet aan; No such — = niets daarvan; The
subject — = stof, inhoud; It does not — = het kan niet schelen; It —s
to us all = is van belang voor ons allen; It cannot greatly — = het
doet er niet veel toe; —ful = van gewicht, kracht of beteekenis.
Matthew, mathjû; Matthias, məthaiəs.
Mattock, matək, houweel.
Mattress, matrəs, matras; fascine: Hair —, Wire —.
Maturate, matjureit, rijp worden; subst. Maturation; Maturative =
rijpend, ettering bevorderend (middel).
Mature, mətjûə, adj. rijp, gerijpt, geheel ontwikkeld, voorbereid,
vervallen (van wissels): A —d plan = wel overlegd, goed doordacht; —d
wine = belegen wijn; —ness = Maturity = rijpheid, vervaltijd (van
wissels): At (On) maturity = op den vervaldag.
Matutinal, matjutain’l, mətjûtin’l, vroeg, morgen...: — bath; — habits
= gewoonte vroeg op te staan.
Maud, môd, Maud; wollen plaid (Schotl.).
Maudlin, môdlin, sentimenteel, schreierig als een dronken mensch;
subst. —ism.
Maugre, môgə, niettegenstaande.
Maul, môl, subst. groote houten hamer, moker; — verb. ranselen,
verpletteren, beschadigen, mishandelen: They were severely —ed =
leelijk toegetakeld, scherp gecritiseerd.
Maulstick, môlstik, schildersstok.
Maunder, môndə, mândə, op huilerigen toon spreken, mompelen, bazelen;
subst. gebazel; —er = brompot.
Maundy-Thursday, môndi-thɐ̂zdi, Witte Donderdag, waarop; — money wordt
uitgedeeld door den Royal Almoner in Whitehall (gewoonlijk een penny
voor elk levensjaar van den vorst).
Maurice, môris, moris; Mauritania, môriteinjə; Mauritius, môrišəs.
Mausoleum, môsəlîəm, praalgraf.
Mauve, mouv, subst. purperkleur; adj. purperkleurig.
Mavis, meivis, zanglijster.
Maw, mô, pens, krop, maag; bek: Hold your —; —-seed = papaverzaad;
—-worm = spoelworm; huichelaar.