misdadiger; —our, wangedrag, misdrijf.
Misdirect, misdirekt, verkeerd adresseeren, verkeerd leiden; subst.
—ion.
Misdo, misdû, misdû, verkeerd doen, een vergrijp begaan; —er; —ing =
vergrijp, misdaad.
Misemploy, misəmplôi, verkeerdelijk toepassen, misbruiken; subst.
—ment.
Misenter, misentə, valschelijk boeken; Misentry = verkeerde boeking.
Miser, maizə, vrek.
Miserable, mizərəb’l, ellendig, verachtelijk, waardeloos, ongelukkig:
The —s = katterigheid; subst. —ness.
Miserere, mizərîri, boetpsalm (51), miserere, weeklacht; — verb. drek
braken: — Day = Aschwoensdag.
Misery, mizəri, ellende, ramp, ongeluk.
Misfeasance, misfîz’ns, overtreding, misbruik van ambtelijke
bevoegdheid.
Misfit, misfit, (iets) wat slecht past; — verb. niet passen: This coat
is a —; A — suit.
Misform, misföm, misvormen; subst. Misformation, misvorming.
Misfortune, misfötjən, ongeluk, ongelukje (= misstap): —s never come
singly = een ongeluk komt nooit alléén.
Misgive, misgiv, met twijfel of argwaan vervullen: My heart (mind)
misgave me = ik vreesde het ergste; Misgiving = angstig voorgevoel,
twijfel.
Misgovern, misgɐvən, slecht besturen; subst. —ment = wanbeheer,
wanbestuur.
Misguidance, misgaid’ns, verkeerde leiding; Misguide, misgaid, verkeerd
leiden, op een dwaalspoor brengen.
Mishap, mishap, ongeluk, ongeval, misstap; To have a —.
Mishmash, mišmaš, mengelmoes, hutspot.
Mishna(h), mišnə, een afdeeling van den Talmud; Mishnic = tot de M.
behoorende.
Misinfer, misinfɐ̂, verkeerdelijk opmaken.
Misinform, misinföm, verkeerd inlichten; subst. —ation; —er.
Misintelligence, misintelidžens, verkeerde inlichting, valsch bericht.
Misinterpret, misintɐ̂prət, verkeerd uitleggen; subst. —ation; —er.
Misjoin, misdžôin, slecht of verkeerd verbinden.
Misjudge, misdžɐdž, verkeerd (be)oordeelen; subst. —ment.
Mislay, mislei, verliezen, te zoek maken: She lost her temper, or,
rather, mislaid it = zij raakte uit haar humeur, tenminste eventjes;
—er.
Mislead, mislîd, misleiden, verleiden; —er.
Mislike, mislaik, subst. afkeer, weerzin; — verb. een afkeer hebben,
mishagen.
Mismanage, mismanidž, verkeerd besturen; subst. —ment; —r.
Mismatch, mismatš, verkeerd samenvoegen of paren.
Mismetre, mismîtə, het metrum bederven.
Misname, misneim, verkeerd noemen.
Misnia, mizniə, Meiszen; adj. —n.
Misnomer, misnoumə, verkeerde benaming.
Misogamist, misogəmist, tegenstander van het huwelijk; Misogamy =
weerzin tegen het huwelijk; Misogynist, misodžinist, vrouwenhater;
Misogyny, misodžini, vrouwenhaat.
Misplace, mispleis, misplaatsen, verkeerd gebruiken; subst. —ment.
Misprint, misprint, drukfout; — verb. verkeerd drukken.
Misprision, mispriž’n, ambtsverzuim: — of felony = verzuim de misdaad
te vervolgen; — of treason = verzuim het hoogverraad te vervolgen.
Misprize, mispraiz, onderschatten, verachten.
Mispronounce, misprənauns, verkeerd uitspreken; subst.
Mispronunciation.
Misproportion, misprəpöš’n, eene slechte verhouding of schikking maken.
Misquotation, miskwəteiš’n, onjuiste aanhaling; Misquote = onjuist
aanhalen.
Misremember, misrimembə, zich niet juist herinneren: If I — not = als
mijn geheugen mij niet bedriegt.
Misreport, misripöt, subst. onjuist of valsch rapport; — verb. onjuist
berichten.
Misrepresent, misreprizent, onjuist of verkeerd voorstellen; subst.
—ation; —er.
Misrule, misrûl, wanorde, wanbestuur, oproer; — verb. verkeerd
besturen.
Miss, mis, (me)juffrouw (voor ongehuwde vrouwen): The —es Brown, The —
Browns = de (jonge)dames B.; —ie = juffertje; —ish = gemaakt,
juffertjesachtig, preutsch; subst. —ishness.
Miss, mis, subst. een misschot, misstoot, misworp; — verb. missen, niet
raken, misloopen, overslaan, vermijden; ontberen, ontbreken, ketsen,
mislukken: A — is as good as a mile = haast is nog niet half; She feels
the — of her children = het gemis; He made a — in balk (a — for safety)
= hij gaf een mispunt om goedaf te spelen (bilj.); You have —ed the aim
(the mark) = mis geschoten, het doel niet geraakt; The gun —ed fire =
ketste; To — a train; To — one’s step (footing) = uitglijden; To be
(go) a-missing = weg zijn, weg raken; The book is —ing = is er niet, is
weg; Several are killed or —ing = worden vermist; —ing-link =
ontbrekende schakel.
Missal, mis’l, misboek.
Missel (thrush), mis’l (thrɐš), groote lijster.
Missend, misend, aan het verkeerde adres zenden.
Misshape, mis-šeip, subst. wanstaltigheid; — verb. wanstaltig maken,
verkeerd vormen; —n = wanstaltig, misvormd; subst. —nness.
Missile, misil, werp..; subst. werptuig, projectiel; — dart =
werpspies.
Mission, miš’n, subst. zending, opdracht, missie, gezantschap,
zendelingenstation; —ary, zendelings..; subst. zendeling; —er = bode,
zendeling.
Missive, misiv, gezonden; subst. brief, officiëel bericht.
Missouri, misûri.
Misspell, misspel, onjuist spellen; —ing = verkeerde spelling.
Misspend, misspend, slecht besteden, weggooien.
Misstate, missteit, verkeerd voorstellen of uitdrukken; subst. —ment.
Misstep, misstep, misstap (eigenl. en fig.); — verb. mis-stappen,
struikelen.
Mist, mist, subst. nevel, motregen, sluier (fig.); — verb. misten,
motregenen, met nevel bedekken: I had a — before my eyes = mijne oogen
waren beneveld = A — was over my eyes; They were in a — = zij waren
beneveld, de kluts kwijt; The leaden — = grauwe; A Scotch — = zware,
natte nevel; —iness, subst. v. —y; —like = nevelachtig; —y = mistig,
duister.
Mistakable, misteikəb’l, wat gemakkelijk verkeerd wordt opgevat, of met
elkaar verward; Mistake, misteik, subst. vergissing, fout; — verb.
verkeerd opvatten of verstaan, verkeerdelijk houden voor, misverstaan,
dwalen, zich bedriegen: To make a profound — = zich deerlijk vergissen;
He is a good fellow, and no — (about it) = ..., en daar kun je op aan;
I mistook you for your brother = ik zag u aan voor; You are —n = ge
vergist u; A —n notion = dwaalbegrip; —nly = bij vergissing; —r.
Mister, mistə, mijnheer (vóór den naam, en dan steeds geschreven Mr.).
Misterm, mistɐ̂m, verkeerd noemen.
Mistimed, mistaimd, ontijdig, misplaatst.
Mistitle, mistait’l, een verkeerden titel geven.
Mistletoe, miz’ltou, marentak, vogellijm.
Mistranslate, mistr’nsleit, verkeerd vertalen; subst. Mistranslation.
Mistress, mistrəs, meesteres, gebiedster, huisvrouw, hoofd (van een
school), juffrouw voor de huishouding (in aanzienlijke families),
mevrouw (voor getrouwde vrouwen verkort tot Mrs., misiz), liefje,
minnares: Head — = directrice, hoofd.
Mistrust, mistrɐst, wantrouwen; ook verb.; adj. —ful; subst. —fulness:
—fulness of oneself = gebrek aan zelfvertrouwen.
Misunderstand, misɐndəstand, verkeerd begrijpen, misverstaan; —ing =
misverstand, onaangenaamheid, verschil.
Misusage, misjûzidž, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûs,
misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûz, misbruiken, slecht
behandelen, beetnemen.
Miswrite, misrait, onjuist schrijven.
Mite, mait, mijt; penning, ziertje, dreumes: My contributory — =
penninkske; The widow’s — = het penninkske der weduwe; Our Mary was a
toddling — of two years old = een waggelend dreumesje.
Mithridate, mithridit, tegengif; Mithridates, mithrideitîz,
Mithridates.
Mitigate, mitigeit, verzachten, verlichten, matigen, lenigen; subst.
Mitigation; adj. Mitigative; Mitigator = alles wat lenigt en verzacht.
Mitral, maitrəl, als een mijter: — valve = hartklep; Mitre, maitə,
subst. (bisschops)mijter, waardigheid van een bisschop, hoek van 45°,
schoorsteenkap; — verb. met een mijter tooien, onder een hoek van 45°
samenvoegen of bijeenkomen; Mitriform, mitriföm, mijtervormig.
Mitt(en), mit(’n), handschoen (zonder vingers), want: Handle your tools
without —s = pak flink aan; To give (get) the — = een blauwtje geven
(krijgen).
Mittimus, mitimɐs, bevel aan de autoriteiten tot opname in een
gevangenis; bevelschrift tot het zenden van stukken van het ééne hof
naar het andere.
Mity, maiti, vol mijten.
Mitylene, mitilîn.
Mix, miks, (ver)mengen, vereenigen, zich mengen, zich bewegen in: I
advise you never to — your wines = wijn door elkaar te drinken; He got
—ed in his wrath = hij wist in zijn toorn niet meer wat hij zeide;
Don’t — up my silks = maak niet in de war; —max = allegaartje, verwarde
hoop; —ed affair = dolle boel; —ed marriage = gemengd huwelijk; —ed
pickles = groenten in mosterdzuur; —tilineal, —tilinear = uit rechte en
kromme lijnen bestaande; —ture, mikstjə, mengsel.
Miz(z)en, miz’n, bezaan; adj. bezaans-: — mast = bezaansmast; —-rigging
= bezaanswant; —-sail = bezaan; —-shrouds = bezaanswant; —-top =
kruismars.
Mizzle, miz’l, subst. motregen; — verb. motregenen; er van “doorgaan”
(out); Mizzly = druilig, mistig.
Mizzy, mizi, poel, moeras.
Mnemonic, nimonik, geheugen..: —s = geheugenleer.
Moabite, mouəbait.
Moan, moun, subst. gekerm, gejammer; — verb. kermen, kreunen,
betreuren, bejammeren: To make one’s — = zijn leed klagen.
Moat, mout, subst. gracht; — verb. met eene gracht omgeven.
Mob, mob, subst. Janhagel, gepeupel, gespuis, bende; muts(je) met
banden (= —-cap); — verb. samenrotten, samen aanvallen, achterna
loopen: He found himself —bed by the hangers-on, who invariably worship
the rising sun = het werd hem lastig gemaakt door; —-law = wet van het
ruwe geweld (Zie Lynch-law); —ocracy, mobokrəsi, de tirannie van het
gepeupel.
Mobile, məbîl.
Mobile, moubil, mobil, bewegelijk, levendig, vlug; subst. Mobility.
Mobilization, mobilizeiš’n, mobilisatie; Mobilize, mobilaiz, moubilaiz,
mobiliseeren.
Mobus, moubəs = motor-omnibus; Mocab, moukab = motor-cab; Mocar, moukâ
= motor-car.
Moccasin, mokəsin, Indiaansche sandaal.
Mocha, moukə, Mokka; —-coffee.
Mock, mok, subst. bespotting, voorwerp van spot; adj. nagemaakt,
onecht; — verb. bespotten, uitlachen, tarten, negeeren, nadoen,
nabootsen: To make — at = To make a — of = bespotten; — combat (—fight)
= spiegelgevecht; —-heroic poem = komisch-heroisch vers; — moon =
bijmaan; —-nightingale = zwartkop; —-orange = (boeren)jasmijn; — sun =
bijzon; —-turtle = nagemaakte schildpadsoep; —-velvet = katoenfluweel;
—er; —ery = spotternij, bespotting, bedriegelijke nabootsing; —ing:
—-bird = spotlijster.
Modal, moud’l, modaal; Modality, mədaliti, modaliteit, wijze van zijn,
wijze van voorstellen met betrekk. tot de werkelijkh.; Mode, moud,
wijze, manier, vorm, gewoonte, gebruik, mode, schaal (muz.): All the —
= naar de nieuwste mode; —-book = modejournaal.
Model, mod’l, subst. model (ook van kunstenaars), patroon, model
arbeiderswoning, toonbeeld, evenbeeld; adj. model..; — verb. naar een
bepaald model vormen, modelleeren: — dwelling; — gown; To — oneself
upon; —ler = modelleur; —ling: —-board = modelleerplank, schabloon;
—-clay = boetseerklei.
Modena, modənə, Modena; modənə, modînə, karmozijnachtige kleur.
Moderate, modərit, gematigd, zacht, middelmatig, matig, bezadigd;
subst. gematigde; — verb. (modəreit), matigen, doen bedaren, stillen;
voorzitten; subst. —ness; Moderation, modəreiš’n, matiging, matigheid,
gematigdheid, zelfbeheersching: —s, verkort tot Mods: He took a first
in Mods = hij kreeg “summa cum laude” in M. i.e. het 2de examen aan de
hoogeschool te Oxford; Moderato, modərâtou, matig snel (muz.);
Moderator, modəreitə, iemand die of iets dat matigt; voorzitter (vooral
van eene vergadering der Presbyteriaansche kerk); examinator bij het
Mods-examen (Oxf.); dwarskijker bij examens (Camb.): —-lamp =
moderateurlamp; —ship.
Modern, modən, nieuw, modern; ook subst: — authors (English, history);
A poet of the — = van onzen tijd; A —; The —s = de modernen; —ism =
nieuwe uitdrukking; zucht tot het moderne; —ization, subst. v. —ize =
moderniseeren; —izer; —ness = nieuwheid, nieuwerwetschheid.
Modest, modəst, bescheiden, zedig, ingetogen, kuisch, fatsoenlijk;
subst. —y.
Modicum, modikɐm, kleinigheid, beetje.
Modification, modifikeiš’n, wijziging; — verb. Modify, modifai.
Modish, moudiš, naar de mode, fatterig; subst. —ness; Modist = fat.
Modiste, mədîst, modiste.
Mods, modž; Zie Moderate.
Modulate, modjuleit, moduleeren (muz.); subst. Modulation.
Modwall, modwôl, bijenvreter (vogel).
Moe, mou, oude dichterl. vorm voor more.
Moesogothic, mîsəgothik, subst. en adj. Moesogothisch(e taal).
Mogul, məgɐl, Mongool: The Great (Grand) — = de groote Mogol
(1526–1857).
Mohair, mouhêə, haar van de geit van Angora.
Mohammed, məhaməd, Mahomed; Mohammedan, subst. en adj. Mahomedaan(sch);
—ism; —ize = tot de leer van Mahomed bekeeren.
Mohawks, mouhôks, stam van Indianen; 18-eeuwsche nachtelijke
straatschenders.
Mohican, məhîk’n.
Mohocks = Mohawks.
Mohur, mouhə, Brit.-Ind. munt van 15 zilver ropijen.
Moidore, môidö, Portug. munt (ƒ 16,20).
Moiety, môiəti, helft, aandeel.
Moil, môil, subst. vlek, smet; — verb. bekladden, afbeulen, zwoegen: To
— and toil = zwoegen en sloven.
Moist, môist, vochtig, nattig; —en, môis’n, vochtig worden,
bevochtigen: To — one’s throat = er eentje pakken; —ness, —ure,
môistjə, vochtigheid.
Moither, môidhə, zwoegen, sloven.
Moke, mouk, ezel (ook fig.), clown, neger.
Molar, moulə, malend; maal(tand) = —-tooth.
Molasses, məlasiz, melasse.
Moldavia, moldeiviə.
Moldwarp, mouldwöp, mol.
Mole, moul, moedervlek; havendam; mol, maankalf; —-catcher; —-cricket =
molkever; —-eyed = bijziende, blind; —-hill = molshoop: To make a
mountain out of a —-hill; —-rat = blindmuis; —skin = mollevel; soort
fustein, broek hiervan gemaakt; —-track = molsgang; —warp = mol.
Molecular, məlekjulə, moleculair; subst. Molecularity; Molecule,
moləkjûl.
Molest, məlest, lastig vallen, plagen, kwellen; subst. —ation,
moləsteiš’n; —er.
Molinism, moulinizm, leer van den Jezuït Molina; Molinist.
Molla(h), molə, eeretitel van Turksche priesters of geleerden,
opperrechter.
Moll, mol, meid (naam voor alle vrouwen in vulgair Londensch), Mietje.
Mollient, moliənt, verzachtend, verteederend; Mollification =
verzachting, verteedering; Mollifier = verzachter, verzachtend middel;
Mollify, molifai, verzachten, verteederen.
Mollusc, moləsk, weekdier; —a, molɐskə, klassen der weekdieren; —an,
molɐsk’n, tot de weekd. behoorende; weekdier.
Molly-coddle, molikod’l, Mollycuddle, molikɐd’l, verwijfd persoon; —
verb. verweekelijken; — little lads = moederskindjes.
Moloch, moulok, Moloch.
Molten, moult’n, part. perf. van to melt.
Moluccas, molɐkəz, de Molukken.
Moly, mouli, soort look.
Moment, moum’nt, oogenblik, belang; statisch moment: Enterprises of
great — = van groot gewicht; At a —’s notice = in minder dan geen tijd;
In a — = On the — = oogenblikkelijk; —ariness, subst. v. —ary = voor
een oogenblik, vluchtig; —ous, məmentəs, gewichtig; subst. —ousness;
—um, məment’m, aandrang, prikkel, moment (= product v. massa en
snelheid).
Momma, momə, Amer. voor Mama.
Momus, mouməs.
Monachal, monəkal, monniks—; Monachism, monnikengeest (-staat, -stand).
Monaco, monəkou, Monaco.
Monad, monad, monade, ééncellig organisme; soort infusiediertje.
Monagasque, monəgask, van Monaco.
Monarch, monək, subst. monarch; —al, = —ic(al), mənâkik(’l),
monarchaal; —ism = éénhoofdige regeering; —ist; —y = monarchie.
Monasterial, monəstîriəl, kloosterachtig, klooster..; Monastery
(monniken)klooster; Monastic(al) = klooster..; monnik; Monasticism =
kloosterleven, monnikenstand.
Moncrieff, monkrîf.
Monday, mɐnd(e)i, Maandag: Black — Zie Black.
Monetary, mɐnətəri, geld betreffend, geldelijk: — difficulties;
Monətization, subst. v. Monetize, mɐnətaiz, munten, tot betaalmiddel
maken, eene standaard waarde geven.
Money, mɐni, munt, geld, betaalmiddel, rijkdom: — down, — out of hand =
baar geld, contant; — of account = rekenpenning (niet in werkelijkheid
bestaande, zooals onze daalder van ƒ 1,50); Current — = gangbare munt;
Earnest — = godspenning; Ready — = baar geld, contant; Small — =
kleingeld; Spare — = geld dat over is; I am out of — at present = niet
bij kas; — makes the man; — makes the mare (to) go = geld is de ziel v.
de negotie; To convert (turn) into — = te gelde maken, verzilveren; It
is like eating — = het verslindt geld; To fling good — after bad; To
keep a person in — = van geld voorzien; To keep a person out of his — =
laten wachten op; I laid out my — in a necklace = besteedde aan; It
looks like — = het is peperduur; To make — = geld verdienen; He made my
— spin = liet rollen; To roll in — = zich baden in; What’s the —? = wat
kost het; That’s not my — = dat is niets voor mij; That is the man for
my — = dàt is m’n man: —-agent = geldwisselaar; —-bag; —-bill =
wetsontwerp tot het toestaan van gelden: —-box = spaarpot; —-broker,
—-changer = geldwisselaar; —-dropper = kwartjesvinder; —-grabber =
—-grubber = geldwolf; —-lender = geldschieter; He has a —-making
business = verdient geld als water; —-market = fondsen-, geldmarkt;
—-matters = geldzaken; —-order = postbewijs (ook Post-office —-order
genaamd en waarbij de naam van den geadresseerde per letter of advice
afzonderlijk door het eene postkantoor naar het andere wordt
verzonden); He is —-proof = laat zich niet omkoopen; —-spider =
geluksspinnetje; —-spinner = geluksspinnetje; iemand, die geld als
water verdient; —-wort = penningkruid; —’s-worth = volle waarde,
geldswaarde: He wanted his —’s worth = eischte waar voor zijn geld; —ed
= rijk, vermogend; gemunt; —er = geldmunter; —less.
Monger, mɐŋgə, koopman (in samenst.).
Mongolia, moŋgouliə, —n, mongoulj’n, subst. en adj. Mongool(sch).
Mongoose, moŋgûs, mɐŋgûs, Brit.-Ind. ichneumon of spoorwezel.
Mongrel, mɐŋgrəl, subst. en adj. bastaard; —ize = tot een mongrəl
maken.
Monition, məniš’n, vermaning, waarschuwing, dagvaarding; Monitive =
vermanend; Monitor, monitə, vermaner, monitor of klassevoogd (oudere
leerling in scholen, die op de jongeren toeziet); monitor
(oorlogsschip); Monitorial, monitôriəl, waarschuwend, gedaan door
monitors; Monitory, monitəri, vermanend; Monitress = vrouwelijke
monitor.
Monk, mɐŋk, monnik; vlek (bij het drukken); —’s-hood = monnikskap; —’s
Latin = middeleeuwsch Latijn; —ery = monnikenstaat; —hood =
monnikschap; —ish = monnikachtig.
Monkey, mɐŋki, aap, heiblok, rumkan, som van £500 (in Amer. 500
dollar): To have (get) one’s — up = den duivel in krijgen, nijdig
worden; To suck the — = met behulp van een strootje drank opzuigen uit
een vat waarin men een gaatje heeft geboord; —-bread = apenbrood(boom);
—-jacket = dik jekkertje.
Monmouth, mɐnməth.
Monochord, monəköd, monochordium.
Monochromatic, monəkrəmatik, in één kleur; Monochrome, monəkroum, in
één kleur geschilderde schilderij.
Monocle, monok’l, monocle; éénoogig dier; Monocular, Monoculous =
éénoogig.
Monodrama, monədrâmə, dramatische alleenspraak; adj. Monodramatic.
Monody, monədi, éénstemmig (klaag)lied, eentonigheid.
Monogamist, mənogəmist, monogamist; Monogamous = monogamistisch;
Monogamy = monogamie.
Monogram, monəgram, naamcijfer.
Monograph, monəgraf, verhandeling over één onderwerp; —er, mənogrəfə;
adj. —ic(al), monəgrafik(’l).
Monologue, monəlog, alléénspraak; Monologuize, monəlogaiz, eene
alléénspraak houden; Monologuizer.
Monomania, monəmeinjə, idée fixe, monomanie; Monomaniac = monomaan.
Monometalism, monəmetəlizm, het gebruik van den enkelen (gouden of
zilveren) standaard; Monometalist = voorstander daarvan.
Monopetalous, monəpetəlɐs, met vergroeidbladige bloemkroon.
Monophthong, monofthoŋ, monopthoŋ, monopthoŋ, monofthoŋ, éénklank; adj.
Monophthongal.
Monoplane, monəplein, ééndekker.
Monopolist, mənopəlist, hij die zich van het monopolie heeft verzekerd;
Monopolize, mənopəlaiz, monopoliseeren; —r; Monopoly = monopolie.
Monospermal, monəspɐ̂m’l, Monospermous, monəspɐ̂məs, éénzadig.
Monosyllabic, monəsilabic, éénlettergrepig.
Monosyllable, monəsiləb’l, éénlettergrepig woord.
Monotheism, monəthîizm, monotheïsme; Monotheist; adj. Monotheistic.
Monotone, monətoun, eentonigheid; Monotonous, mənotənɐs, eentonig,
vervelend, saai; Monotony, mənotəni, eentonigheid.
Monroe doctrine, mɐnroudoktrin, de leer van Pres. James Monroe
(1758–1831) dat geen Europ. mogendheid zich met Amer. aangelegenheden
mag bemoeien.
Monsoon, monsûn, moesson.
Monster, monstə, subst. monster, gedrocht; adj. buitengewoon groot,
monsterachtig; — verb. monsterachtig maken; Monstrosity, monstrositi,
monster(achtigheid), wangedrocht; Monstrous = monsterachtig,
tegennatuurlijk; subst. —ness.
Monstrance, monstr’ns, monstrans, toonvat, dat dient om kleine
reliquieën of het Hoogheilig Sacrament ter vereering zichtbaar uit te
stellen.
Montacute, montəkjût; Montague, montəgjû; Montana, montânə; Montano,
monteinou; Montcalm, montkâm; Montefiore, montifiö; Monteith, montîth;
Montenegrine, montənegrin; Montenegro, montəneigrou; Montgomery,
məntgɐməri; Montevideo, montəvidjou.
Month, mɐnth, maand: Lunar — = maanmaand; This day — = vandaag over
eene maand; This last — = For this — past = sedert vier weken; At three
—s’ date = 3 maanden na dato; —ly, subst. maandelijksch tijdschrift;
adj. en adv. maandelijks(ch): —ly-nurse = baker; —ly-periods.
Montpellier, monpîljə; Montmorency, montmərensi; Montreal, montriôl;
Montrose, məntrouz.
Monument, monjument, monument, gedenkteeken: The — = zuil (200 voet)
ter herinnering aan den brand in Londen (1666); —al, monjument’l, tot
gedenkteeken dienende, indrukwekkend, reusachtig.
Moo, mû, loeien.
Moocher, mûtšə, spijbelaar.
Mood, mûd, (gemoeds)stemming, luim, humeur; wijze, manier: To be in
one’s —s = uit zijn humeur zijn, verstrooid zijn; To be in the — = in
de stemming zijn, lust hebben aan; —iness, subst. v. —y = gemelijk,
knorrig, humeurig, ontstemd, zwaarmoedig.
Moon, mûn, subst. maan; — verb, doelloos rondzwerven, droomen,
droomerig rondkijken: The — was at the full (near her full, within two
nights of the full, in its first quarter); At (Till) the blue — = met
St. Jutmis; To cry for the — = het onmogelijke begeeren; I wished him
over the — = op de Mookerhei; —-beam = manestraal; —-calf = maankalf,
misgeboorte; —-eye = maanoog (bij paard.); —-eyed = maanoogig; —-face =
vollemaansgezicht; —-fish = maanvisch; —-glade = maneschijn op het
water; —light, subst. maanlicht; —lighter = bedrijver van nachtelijke
wandaden tegen landheeren, of pachters, die de hoeven van uitgezette
boeren hebben ingenomen (Ierl.); —-lit = door de maan beschenen;
—-raker = uilskuiken; —-shine = maneschijn; gesmokkelde drank (Amer.);
onzin; ook adj.: It is the merest —shine; It’s all —shine = niets dan
onzin, vertoon; —shiner = stille brouwer, dranksmokkelaar (Amer.);
—shiny = door de maan beschenen; onzinnig; —stricken, —struck =
maanziek, sentimenteel, halfwijs; —-year = maanjaar; —less; —y = maan -
-, (halve)maanvormig, maanziek; aangeschoten; sukkel.
Moor, mûə, Moor; —ish, Moorsch.
Moor, mûə, vastmeeren; —age = ankerplaats; —ing; —ing-buoy = meerboei;
—ing-ring; She is at her —ings = ligt vastgemeerd, vertuid; She was
driven from her —ings = sloeg los.
Moor, mûə, veengrond, heide, moeras; —-cock = mannetje, en —-hen =
vrouwtje van —-fowl, —-game = Schotsche korhoenders; —land = heide,
veengrond; —ish = drassig.
Moore, mö, muə; Moorfields, mûəfîldz; Moorgate, mûəgit, mögit.
Moose-(deer), mûs(dîə), eland.
Moot, mût, subst. vergadering, debat, discussie; adj. betwistbaar; —
verb, debatteeren, bediscussieeren; ter sprake brengen: The project was
first —ed in 1880 = voor het eerst ter sprake gebracht; —-case,
(—-point) = open vraag, geschilpunt; —-court = soort van debatingclub
voor juristen; —er = iemand, die aan een —-court een geschilpunt
inleidt.