Wrote, rout, imperf. van to write.

Wroth, rôth, roth, verbitterd, toornig.

Wrought, rôt, gewrocht, bewerkt, gevormd, gesmeed, geslagen: He was —

on by his relations = werd bewerkt door zijne familie; — up to great

fury = tot groote woede gebracht; — upon = bewerkt (fig.); High-—

expectations = hooggespannen verwachtingen; —-iron = gesmeed ijzer,

staafijzer.

Wroxeter, roksitə.

Wrung, rɐŋ, imp. en p.p. van to wring; — heads = kim (scheepst.).

Wry, rai, scheef, verdraaid, verkeerd: To make a — face = een leelijk

gezicht trekken; To make — faces = gezichten trekken; —-neck = scheeve

nek (hals); draaihals (vogel); —ness = scheefheid, verdraaidheid.

Wunner, wɐnə, kranige vent = Oner.

Wuther, wɐdhə, huilen, bulderen: —ing heights = onherbergzame hoogten.

Wyandotte, waiəndot, waiəndot.

Wyat(t), waiət.

Wych-elm, witšelm = bergiep; Wych-hazel (Z. Witch).

Wycherley, witšəli; Wyclif(fe), wiklif; Wyclif(f)ite, wiklifait,

volgeling van W. (1324–1384); Wycombe, wikəm; Wye, wai; Wykeham, wikəm;

Wykehamist, wikəmist, naam van de leerlingen van Winchester College,

door Wykeham, Bisschop van Winchester, te Oxford gesticht; Wyndham,

wind’m; Wyoming, waioumiŋ.

Wyvern, waiv’n, gevleugelde draak (Herald.).

X.

X, eks; X. = Christ; Xm., Xmas = Christmas; Xn. = Christian; Xnty. =

Christianity; Xpher, Xr. = Christopher; Xt = Christ; Xtian = Christian;

X-legged = met x-beenen; X-rays = x-stralen.

Xanthian, zanthiən, van Xanthus: —-marbles = marmeren beeldhouwwerken

nabij Xanthus, zanthəs, in 1838 ontdekt (thans in het British Museum).

Xanthic, zanthik: — acid; Xanthin, zanth(a)in, zanthin, xanthine.

Xanthippe, zanthipî.

Xanthium, zanthiəm, stekelnoot.

Xanthophyl(l), zanthəfil, bladgeel.

Xanthous, zanthəs, geel; Xanthoxylum, geelhout.

Xebec, zîbek, kleine driemaster (Middell. Zee).

Xenophon, zenəfon.

Xeres, zerəs, zerîz, soort v. wijn.

Xerophagy, zirofədži, dieet van droge spijzen.

Xerxes, zɐ̂ksîz.

Xiphias, zifias, zwaardvisch, zuidelijk sterrenbeeld, zwaardvormige

komeet; Xiphoid, z(a)ifôid, zwaardvormig.

Xylograph, zailəgraf, houtsnede; —er, zailogrəfə, houtgraveur; adj.

—ic(al), zailəgrafik(’l); —y, zailogrəfi, houtsnijkunst.

Xylonite, zailənait, een soort kunstivoor.

Xylophagan, zailofəg’n, houtkever.

Xylophone, zailəfoun, houten blaasinstrument.

Xyst(os), zist(os), lange overdekte zuilengang voor athletische spelen.

Xystarch, zistâk, leider der athletische oefeningen.

Y.

Y, oeai; Y(ear); Y(ar)d; Y(ar)ds; Ye = The of Thee; Y(oung) M(en’s)

C(hristian) A(ssociation) = Christelijke Jongelingsvereeniging; Yr. =

Year, Younger, Your; Ys. = Years, Yours; Y(oung) W(omen’s) C(hristian)

A(ssociation) = Christelijke Jonge-dochtersvereeniging; Y-level =

waterpas; Y-moth = gamma-uil (insect).

Yacca, jakə, podocarpus, kostbare houtsoort (W.-Indië).

Yacht, jot, subst. jacht; — verb. met een jacht zeilen; —er; —ing = het

varen met een jacht, hardzeilen; —(s)man = bezitter van (zeiler met)

een jacht; —(s)manship = de kunst een jacht te besturen; —swoman.

Yah, jâ, interj. Och kom! Bah!

Yahoo, jahû, naam door Swift (in Gulliver’s Travels) aan een aapachtig

menschenras gegeven; ruwe kerel, gemeen sujet; groen of sukkel (Amer.).

Yahveh, jawei, Jehova.

Yak, jak, buffel met paardestaart (Thibet).

Yaksha, jakšə, Hindoesche halfgod.

Yakut, jakût; Yale, jeil: — University (te New Haven).

Yam, jam, yamwortel, broodwortel, broodplant.

Yangtze-Kiang, jaŋtsə-kiaŋ.

Yank, jaŋk, subst. ruk, draai, stoot; — verb. rukken, gappen, snateren,

ratelen.

Yank(ee), jaŋk(î), subst. Amerikaan; glas whiskey met stroop (Amer.);

ook adj. —-clock = koekoeksklok; —ee-doodle = Amerikaansch volkslied;

—eefied, jaŋkifaid, veramerikaanscht; —eeism = idioom of gewoonte der

—ees.

Yap, jap, subst. geblaf, gekef; — verb. keffen.

Yard, jɐ̂d, subst. Engelsche en Amer. lengtestandaard (3 feet of 36

inches = ± 91,44 cM.); ra, plaats, rangeerterrein, erf; werf (=

Ship-building —); — verb. vee op het erf opsluiten: Government —;

Private —; Naval —; He writes by the — = is een veelschrijver; —-arm =

nok der ra; —-arm and —-arm = nok aan nok; —-man = spoorwegarbeider;

—-measure, —-stick, —-wand = (Engelsche-)ellestok of ellemaat; —-tackle

= noktakel.

Yarkand, jâkand; Yarmouth, jârməth.

Yarn, jân, subst. garen, draad; matrozenverhaal, lang (ongelooflijk)

verhaal; — verb. een (langdradig) verhaal vertellen: Shall I (pitch)

spin you a —? = zal ik jullie een verhaal vertellen?

Yarrow, jarou, gemeen duizendblad.

Yataghan, jatəgan, kromme Turksche dolk.

Yates, jeits; Yaughan, jôn.

Yaup, jôp = Yelp.

Yaw, jô, subst. het gieren van een schip; — verb. gieren; schuimen: To

make —s = gieren.

Yawl, jôl, subst. jol; — verb. Zie Yowl.

Yawn, jôn, subst. wijde opening, gaping; — verb. gapen, geeuwen, wijd

openen: —ing is catching = geeuwen is aanstekelijk.

Yaw-yaw, jôjô, geaffecteerd, lijmerig spreken.

Ycleped, Yclept, iklept, genaamd.

Ye, jî, gijlieden.

Yea, jei, jî, subst. vóórstemmer; adv. jazelfs, zeker, voorwaar: — and

more = ja zelfs; The —s have it = de meerderheid is er voor.

Yeames, jeimz.

Yean, jîn, lammeren werpen; — kid = geitje, bokje; Yeanling, subst.

lam.

Year, jîə, jaar: Civil, Solar, Tropical — = het burgerlijk jaar of het

zonnejaar; The — of Grace = het jaar onzes Heeren = The — of our Lord;

New —’s day = Nieuwjaarsdag: New —’s Eve = Oudejaarsavond(dag); Next —

= aanstaande jaar; Last — = verleden jaar; — by — = jaar op jaar; In —s

= op jaren; — in — out; One — with another = het eene jaar door het

andere; It may be —s first before that happens = daar kunnen nog jaren

over verloopen; You bear your —s well = houdt u goed voor uw leeftijd;

To come to (the) —s of discretion = tot (de) jaren des onderscheids

komen; To get into (grow in) —s = op jaren komen; He has a good thirty

—s before him = kan nog wel een dikke 30 jaar leven; —-book = jaarboek;

—ling, subst. dier van één jaar; adj. éénjarig; —ly = jaarlijks(ch),

een jaar durend.

Yearn, jɐ̂n, vurig verlangen, reikhalzen; bedroeven, diep medelijden

voelen met (upon, towards, Bijb.).

Yeast, jîst, gist, schuim; —-bitten = naar de gist smakend (v. bier);

—-powder = zelfrijzend bakmeel; —iness, subst. v. —y = gistend,

schuimend, luchtig.

Yeat(e)s, jeits.

Yelk, jelk; Zie Yolk.

Yell, jel, subst. gil, krijgskreet; — verb. gillen, huilen.

Yellow, jelou, subst. het geel, geel van een ei; adj. geel, gouden,

ijverzuchtig, jaloersch; — verb. geel maken of worden (—s = geelzucht;

ijverzucht): He has a — streak in him = hij is in zijn hart een

lafaard; — bachelor’s buttons = scherpe boterbloem; — boy = goudstuk; —

earth = aardgeel, oker; He opened the — envelope = telegram; — fever =

gele koorts; — Jack = gele quarantainevlag; gele koorts; — peril = het

gele gevaar; — press = de Jingo bladen; — River; — Sea; —-ammer =

geelgors, haverkneu (= —hammer); —-bird = wielewaal; distelvink

(Amer.); —-golds = goudsbloem; —-rocket = barbarakruid; —-seed =

veld-kruidkers; —stone National Park = een in 1872 tot Nationaal Park

bestemd gebied van 5500 □ Mijl in Wyoming, Montana en Idaho; —ish =

geelachtig; subst. —ishness; —ness = geelheid; —y = geelachtig.

Yelp, jelp, subst. gekef, geblaf; — verb. keffen, blaffen; —er =

keffer.

Yen, jen, Japansche munt (± ƒ 1,25).

Yenisei, jenisei-î.

Yeoman, joum’n, vroegere eigengeërfde (een kleine grondbezitter,

volgend op de Gentry), thans ook huurboer, bootsmans-, kanonniers-,

timmermansmaat aan boord van een schip, bereden vrijwilliger: —’s

service = krachtige steun, goede dienst; He has done his party

—-service; — of the wine-cellar = keldermeester; Yeomen of the guard =

lijfwacht der E. koningen in 16de eeuwsche uniformen, die aan het hof

en bij plechtige gelegenheden dienst doen; hun hoofdkwartier is in den

Tower of London; —ry = alle Yeomen; ook een bereden landmilitie (met

eigen paarden en uniformen, terwijl het gouvernement de wapens en de

munitie verschaft; ze kunnen niet zonder eigen toestemming buitenslands

worden gezonden, doch wel opgeroepen worden voor het dempen van

oproer).

Yeovil, jouvil.

Yerk, jɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag; — verb. rukken, stooten, aanhalen,

slaan met beide achterpooten.

Yes, jes, ja.

Yest, jest, gist = Yeast.

Yester, jestə, gister of vorige (alléén nog in samenstellingen, als:

—day; —eve, —even, —evening; —morn; —night; —noon; —week; —year): The

day before —day = eergister; I was not born —day = ik ben niet van

gisteren; —n = van gisteren.

Yet, jet, nog, bovendien, verder, thans, reeds, vooralsnog, nochtans,

al, echter: — again = nog eens; — a moment = nog een oogenblik; I have

not seen him as — = ik heb hem tot nu toe nog niet gezien; Never — =

nog nooit; Shall I go now? Not — = nog niet; Do you know your lesson —?

= kent ge uwe les al? I do not mean to die — awhile = vooreerst; The

Parliament that will — sit on College Green = toch nog ééns; He is —

only 20 = nu nog maar; — time serves = nog is het tijd.

Yew, jû, taxis, taxishout, boog (van dit hout gemaakt); —-tree; adj.

—en.

Yew, jû, komen (v. schuim op kokend zout).

Yid, jid, jood, jodin (mv. —den); Yiddish = Joodsch(e taal); Yiddism.

Yield, jîld, subst. opbrengst, productie, winst, oogst; — verb.

voortbrengen, opbrengen, afwerpen, opleveren, vieren, loslaten,

overgeven, toegeven, zwichten, zich onderwerpen (overgeven), wijken:

His courage never —s = hij verliest den moed nooit; Such days would —

much pleasure = plachten veel genot te schenken; To — to conditions =

genoegen nemen met; To — to despair = zich overgeven aan; To — to

superior force = wijken voor; I will not — to such sentimental

reasonings = ik luister niet naar, bezwijk niet voor; You must — to the

times = je schikken in; To — up the ghost (the breath of life) = den

geest geven; —ance = toestemming, concessie; —ing = tot toegeven

geneigd, buigzaam, meegaande; subst. —ingness.

Yodel, Yodle, joud’l, subst. gejoedel; — verb. joedelen; Jodeller =

iemand die joedelt.

Yoga, jouga, een vorm van Hindoesch ascetisme; Yogi, Hindoesch asceet.

Yo-ho, jouhou, hola!

Yoick(s), jôik(s), subst. oude jachtkreet bij de vossenjacht.

Yoke, jouk, subst. juk, jok, span, band, stuk lands dat twee ossen in

één dag kunnen omploegen, juk van het roer, stuurtalie; — verb. onder

het juk brengen, het juk aandoen, aanspannen, zich verbinden: To bring

under the — = To put to the — = het juk opleggen; To shake (To throw)

off the —; These two are ill —d together = passen niet bij elkaar;

—-fellow = mede-lijder, levensgezel(lin); —-line, —-rope = stuurtouw;

—-toed birds = klimvogels.

Yokel, jouk’l, boerenkinkel, pummel.

Yolk, jouk, dooier; zweet of afscheiding der schapenhuid; —-bag, —-sack

= dooiervlies; —y = vettig.

Yon(der), jondə, ginds(ch), ginder.

Yonge, jɐŋg.

Yoop, jûp, interj. huup! subst. schreeuw.

Yore, jö, alléén in: In days (times) of — = in vroeger dagen, lang

geleden.

Yorick, jorik; York, jök: —ist = aanhanger van het Huis York.

Yorker, jökə: Een yorker gooien, i.e. den bal bij ’t Cricketspel

zoodanig gooien, dat hij zonder den grond te raken den Batsman bereikt.

Yorkshire, jökšə, Yorkshire; ook adj. uit Y.; sluw: I am — too = ben

ook niet van gisteren; He came — over me = nam me beet; — man = iemand

uit Yorkshire geboortig, slimmerd; — pudding = soort van

vleeschpudding; — relish = eene bekende pikante saus; — woman.

You, jû, gij, u, gijlieden, ulieden.

Young, jɐŋ, subst. jong (van een dier); adj. jong, jeugdig, krachtig,

frisch, groen, onervaren: — man = jongmensch, bediende, vrijer; — Mr.

Smith = Smith, junior; He is a — one = nog niet droog achter de ooren;

The — ones cackle as the old cock crows = zooals de ouden zongen,

piepen de jongen; Your — hopeful = veelbelovend zoontje (Iron.); With —

= drachtig; —-eyed = met frisch, jeugdig uitzicht; —er, jɐŋgə, jonger;

—est, jɐŋgist, jongst; —ish, jɐŋgiš, vrij jong, jeugdig; —ling, subst.

jonge man, jong meisje; jong dier, nieuweling; adj. jong; —ness =

jonkheid, het jongzijn; Youngster = jongeling, jongen, knaap; Younker,

jɐŋkə, jonge man; lichtmatroos.

Your, jûə, uw(e): — man of business = je (ware) koopman; Yours, jûəz,

de of het uwe: — truly = hoogachtend; You and —s = gij en de uwen; This

servant of —s = van u; Yourself = gijzelf, uzelf, gijzelven, uzelven:

“Poor boy!” “Poor —” = loop heen met je Poor; Be — = kalmeer je; Tell

me —, whether that was right = zeg mij zelf; mv. Yourselves.

Youth, jûth, jeugd, jongeling, jonge man, de jongelui; Youthful =

jeugdig: A —-looking girl = een jeugdig uitziend meisje; subst. —ness.

Yowl, jaul, subst. gehuil; — verb. huilen.

Yucatan, jukətân; adj. Yucatecan.

Yucca, jɐkə, jucca, Adam’s naald.

Yuck, jɐk, subst. jeuk; — verb. jeuken, krabben.

Yuft(s), jɐft(s), juchtleder.

Yukon, jûkon.

Yule, jûl, kersttijd; —-block, —-log = groot blok hout voor het

kerstvuur; —tide = kersttijd.

Z.

Z, zed; Zach(ary), Zach(ariah); Zeph(aniah); Z(oological) G(ardens);

Zoochem(istry); Zoogeog(raphy); Zool(ogy).

Zach, zak; Zachariah, zakəraiə; Zachary, zakəri.

Zaim, zaim, zâ-im, Turksch leenman; —et = district van een Z.

Zain, zein, geheel zwart of bruin paard.

Zambezi, zambeizi.

Zambo, zambou, kind van een mulattin en een neger.

Zamouse, zəmûz, W. Afrikaansche buffel.

Zante, zanti: —-wood = Hongaarsch geelhout, fiset- of fustiekhout.

Zany, zeini, grappenmaker, hansworst; —ism.

Zare(e)ba, zərîbə, omheining, versterkt kamp.

Zayat, zeijat, zâjat, karavansera in Burmah.

Zea, zîə, maïs.

Zeal, zîl, vurige ijver, geestdrift, vuur, gloed; —less = lauw.

Zealand, zîland.

Zealot, zelət, ijveraar, drijver, dweper; —ism, —ry = zelotisme,

fanatisme; Zealous, zeləs, vurig, ijverig; —ness.

Zebec(k), zîbek; Zie Xebec.

Zebedee, zebədî, Zebedeus.

Zebra, zîbrə, zebra; —-wolf = buidelwolf; Zebrine, zîbr(a)in,

zebra-achtig.

Zebu, zîbjû, zeboe, Indische bultos.

Zechariah, zekəraiə; Zedekiah, zedəkaiə, Zedekia.

Zemindar, zemindâ, zemindâ, zəmindâ, Brit. Ind. erfelijk grondbezitter,

die belastingen kan heffen; —y, zemindəri, zemindəri, ambt of district

van een Z.

Zenana, zənânə, vrouwenverblijf, harem.

Zend, zend, oude taal v. Zoroaster; —-Avesta = de heilige boeken aan

Zoroaster toegeschreven.

Zenith, zenith, zînith, zenith, toppunt: He was in the — of his glory =

had het toppunt van zijn roem bereikt.

Zephaniah, zefənaiə, Zephanja.

Zephyr, zefə, zachte zuidwestenwind, zefier; —us, zefirɐs, de w. wind

als god.

Zero, zîrou, nul, nulpunt: To be (down) at —; Below —.

Zest, zest, stuk sinaasappel- of citroenschil (of het sap dezer

schillen) om geur aan dranken te geven, noteschil, lekkere smaak of

geur, genot, welgevallen: Kindness gives a — to intercourse =

hartelijkheid is de ziel van den omgang; Not worth a — = geen cent

waard.

Zetetic, zətetik, adj. heuristisch; subst. onderzoeker.

Zeus, zjûs.

Zibeline, zibəl(a)in, sabelbont.

Zigzag, zigzag, subst. zigzag; — verb. zigzagvormig maken,

zigzagsgewijs loopen of afleggen: The path wound in —s up a steep,

rocky slope; adj. met scherpe hoeken en bochten; —gy = met scherpe

hoeken en bochten.

Zillah, zila, district (Brit. Ind.).

Zinc, ziŋk, subst. zink; — verb. met zink bedekken: Flowers of — =

zinkbloem; —-white = zinkwit; —-worker = zinkwerker; —ky = zinkachtig,

zink...; —ode, ziŋkoud, positieve pool eener galvanische batterij;

—ograph, ziŋkəgraf, zinkgravure; —ographer, ziŋkogrəfə, zinkgraveur;

—ography, ziŋkogrəfi, zincographie; —oid = zinkachtig; —ous = zink....

Zingaro, ziŋgərou, Zigeuner; mv. Zingari.

Zinky, ziŋki, zinkachtig, zink....

Zion, zaiən, Zion.

Zither(n), zithə(n), cither.

Zodiac, zoudiak, Dierenriem; Zodiacal, zədaiək’l: — light; — signs = de

twaalf teekenen van den Dierenriem.

Zoedone, zouədoun, een mousseerende alkoholvrije drank.

Zola, zoulə, Zola; —ism = naturalisme, realisme; —istic.

Zonal, zoun’l, als eene zone; Zonar, zounâ, gordel, die voorheen door

Christenen en Joden in Turkije moest worden gedragen, ter

onderscheiding van de Mahomedanen; Zone, zoun, subst. gordel,

luchtstreek, gebied: Frigid, Temperate, Torrid — = koude, gematigde,

heete luchtstreek; Zonule, zounjûl, kleine gordel = Zonulet, zounjulet.

Zoo, zû, verk. van Zoological Garden(s).

Zoochemistry, zouəkemistri, scheikunde der dierlijke stoffen.

Zoographer, zəogrəfə, dierenbeschrijver; adj. Zoographic(al); Zoography

= dierenbeschrijving.

Zooks, zuks, sapperloot!

Zoolatry, zəolətri, dieraanbidding.

Zoologer, zəolədžə, dierkundige: Zoological, zouəlodžik’l, dierkundig:

— Garden(s) = dierentuin; Zoologist, zəoledžist, dierkundige; Zoology,

zəolədži, dierkunde.

Zoomorphic, zouəmöfik, met of in dierenvorm; Zoomorphism = voorstellen

van een god in diervorm.

Zoons, zûnz = Zounds.

Zoophyte, zouəfait, plantdier.

Zoril, Zorille, zoril, Zorilla, zourilə, een soort bunzing.

Zoroaster, zourəastə; Zoroastrian, zourəastriən.

Zoster, zostə, gordelroos.

Zouave, zwâv, zuâv, zouaaf.

Zounds, zaundz, interj. donders, duivels!

Zoutch, zautš, zûtš, smoren van aal in weinig water.

Zuider Zee, zaidəzî.

Zuleika, siûlîkə.

Zulu, zûlû, Zoeloe; Zurich, zûrik.

Zuyder Zee, Zie Zuider Zee.

Zygodactyle, z(a)igədaktail, Zygodactylic, z(a)igədaktilik, met

klimpooten; Zygodactylous, z(a)igədaktilɐs.

Zymology, zaimolədži, leer der gisting; Zymometer, zaimomətə =

gistingsmeter.

Zymosis, z(a)imousis, gisting; infectieziekte; Zymotic, zaimotik,

gistings - -, infectie - -: — diseases = besmettelijke ziekten.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 141 / 141 段