censor; censuur; Censorial, Censorious = berispend; Censoriousness =
vitzucht; Censurable = berispelijk, laakbaar; Censure, subst.
berisping, censuur, veroordeeling; — verb. berispen, bedillen,
aanmerkingen maken: Motion of — = motie van afkeuring.
Census, sensəs, volkstelling: —-paper; —-taker = teller.
Cent, sent, honderd, cent, 1⁄100 dollar: Per — = percent; They do not
count for a red — = zijn geen rooden duit waard; —-shop = goedkoope
bazaar.
Cental, sentəl, 100 pond avoirdupois.
Centaur, sentö. Centaur, sterrenbeeld.
Centenarian, sentənêrj’n, honderdjarige.
Centenary, sentənəri, Centennial, subst. honderd jaar, eeuwfeest; adj.
honderdjarig.
Centesimal, s’ntesim’l, subst. en adj. honderdste (gedeelte).
Centigrade, sentigreid, van honderd graden: Twelve degrees — = 12°
Celsius.
Centimetre, sentimîtə, centimeter.
Centiped, sentiped, —e, sentipîd, duizendpoot.
Centner, sentnə, centenaar; 100-deelig gewicht.
Cento, sentou, compilatie.
Central, sentr’l, centraal; Centralization = centralisatie; Centralize
= centraliseeren.
Centre, sentə, subst. middelpunt, centrum; — verb. in een middelpunt
vereenigen (rusten), concentreeren: —-bit = centerboor; —-board = schip
met kielzwaard; —-party = het Centrum; — of gravity = zwaartepunt;
Centric = middelpuntig; Centricity = centrale ligging.
Centrifugal, sentrifjug’l, middelpuntvliedend: — force; — machine =
centrifuge.
Centripetal, sentripət’l, middelpuntzoekend: — force.
Centuple, sentjup’l, subst. honderdvoud; — verb. verhonderdvoudigen.
Centurion, sentjûriən, centurio.
Century, sentjəri, eeuw: End-of-the-— product = fin de siècle,
hypermodern product.
Cephalic, səfalik, sefəlik, hoofd - -: — medicine, middel tegen
hoofdpijn.
Cephalitis, sefəlaitis, hersenontsteking.
Cephalonia, sefəlounjə, Cephalonië.
Cephalopod, sefələpod, sefaləpod, koppootig dier.
Cerago, sireigou, bijenbrood.
Ceramic, siramik: —s = ceramiek.
Cerate, sîrit, waszalf.
Cere, sîə, was(huid), verb. wassen, verzegelen: —cloth = wasdoek; in
was gedrenkt lijkkleed = —ment(s).
Cereal, sîrj’l, graan...: —s = graanvruchten; Non — crops =
aardappelen, knollen, etc.
Cerebellum, serəbel’m, kleine hersenen; Cerebral, serəbr’l, hersen...;
Cerebrum, serəbrɐm, groote hersenen.
Ceremonial, serəmounj’l, ceremonieel, ritueel, plechtig, vormelijk;
subst. ceremonieel; Ceremonious = plechtstatig, vormelijk: subst.
—ness; Ceremony, ceremonie, vormelijkheid, hoffelijkheid: No
Ceremonies! = geen complimenten! Master of Ceremonies =
ceremoniemeester.
Ceroon, sərûn, theebaal, van huiden gemaakt; korf thee (rozijnen).
Cerris, Cerrus, serəs, Turksche eik.
Certain, sɐ̂tin, zeker, verzekerd, onfeilbaar, zekere, eenige: I will
not be — = ik durf het niet zeker zeggen; —ty = zekerheid: For (of, to)
a —ty, (To a live —ty) = zéér zeker.
Certes, sɐ̂tis, zekerlijk = Cert.
Certificate, sɐ̂tifikit, subst. getuigschrift, diploma, akte; — verb.
sɐ̂tifikeit, een certificaat (attest) verleenen, diplomeeren: Do you
hold —s? = ben je gediplomeerd? Nautical — = stuurmansdiploma;
Certification = attest; Certifier = verklaarder; Certify, sɐ̂tifai,
attesteeren, betuigen, berichten, verklaren: This is to — = hiermede
verklaar ik; Certified copy = gewaarmerkt afschrift; This act certified
him the knave he was = toonde; Certitude, sɐ̂titjûd, zekerheid,
verzekering.
Cerulean, sərûlj’n, hemelsblauw.
Ceruse, sîrûs, sirûs, loodwit.
Cervical, sɐ̂vik’l, nek-, hals ...
Cesar = Caesar.
Cess, ses, subst. belasting; — verb. belasten.
Cessation, seseiš’n, ophouding, stilstand: — of (from) arms =
wapenstilstand.
Cessio bonorum, sešoubənôr’m, afstand door een insolvent verklaarde van
al wat hij bezit aan zijne schuldeischers.
Cession, seš’n, afstand, cessie; —ary = afstand doende; cessionaris.
Cesspool, sespûl, riool, zinkput.
Cestus, sestəs, cestus.
Cetacea, siteišə, walvisschen; Cetacean, walvisch; Cetaceous =
walvischachtig.
Cevennes, səven, (De) Cevennen.
Ceylon, silon, siloun, sîlən, Ceylon; —ese, sîlənîz, Ceylonees(ch).
Chab(o)uk, tšâbuk, tšəbuk, zweep.
Chafe, tšeif, warm wrijven, schuren, breken tegen; afslijten, sarren,
boos maken, in toorn ontsteken: The horse —d upon the rein (bit) =
schuimde in het gebit; —r = komfoor = Chafing-dish = komfoor.
Chafer, tšeifə, kever, meikever.
Chaff, tšäf, subst. kaf, haksel, kleinigheid; plagerij, scherts; —
verb. gekheid maken, in ’t ootje nemen: To divide the wheat from the —;
Take your — to the goslings. No gammon with me = Doe jij zoo met kleine
kinderen. Ik laat niet met me spelen; —y = vol kaf; onbeduidend.
Chaffer, tšafə, handelen, marchandeeren, dingen; —er.
Chaffinch, tšafinš, boekvink.
Chagrin, šəgrîn, subst. kwelling, verdriet, slechte luim; — verb.
verdrieten, plagen.
Chain, tšein, subst. keten, ketting, reeks; —s = gevangenschap; — verb.
ketenen; aan een ketting leggen: To do the ladies’ — = een dansfiguur;
—-bolt = deurketting; —-bridge = kettingbrug; —-gang = afdeeling
kettinggangers; —-mail = maliënkolder; —-shot, kettingkogel; —-stitch =
kettingsteek; —let = kettinkje.
Chair, tšêə, subst. stoel, zetel, voorzittersstoel, leerstoel,
voorzitterschap, draagstoel; — verb. in een stoel in triomf ronddragen:
To be in the (Vice-) —; This alderman has passed the — = is Lord Mayor
van de City geweest; He took the (was called to the) — = presideerde,
werd tot president verkozen; —-bottom = zitting; —-bottomer =
stoelenmatter; —man = voorzitter; drager van een draagstoel; —manship =
presidium.
Chaise, šeiz, sjees, rijtuig.
Chalcedony, kalsedəni, kalsədoni, chalcedoon.
Chalcograph, kalkəgraf, kopergravure. Chalcographer = graveur;
Chalcography = graveerkunst.
Chaldaic(al), kaldeiik(’l), Chaldeeuwsch; Chaldea(n), kaldîə(n),
Chaldea (Chaldeeuwsch, Chaldeeër).
Chaldron, tšôldr’n, koren- en kolenmaat (1163,157 L. koren; 2888,9752
L. kolen).
Chalet, šale, Zwitsersch landhuisje.
Chalice, tšalis, kelk, avondmaalsbeker; —d = kelkachtig.
Chalk, tšôk, subst. krijt, krijtstreep; — verb. met krijt mengen
(schrijven, teekenen), aankalken, schetsen: French — =
kleermakerskrijt; He is better than you by a long —, by long —s =
oneindig beter; Not by a long — = op verre na niet; These things are as
different as — from cheese, as — and cheese = verschillen hemelsbreed;
I found my way —ed out for me = aangewezen; I will — it down =
aankalken; To — down a scheme = schetsen; —-stone = jichtknobbels;
—-Sunday = de eerste Zondag van den Vastentijd (Ierland), waarop de
meisjes de vrijgezellen krijt op hun jas smeerden; —iness =
krijtachtigheid; —y = krijtachtig; jichtknobbelachtig.
Challenge, tšal’nž, subst. uitdaging, aanroeping (van een schildwacht),
wraken (van een lid der jury of een getuige), aanslaan der jachthonden;
— verb. uitdagen, bestrijden, inroepen, eischen, wraken: I —
contradiction = ik tart iedereen mij tegen te spreken; —r = uitdager,
etc.
Chalybeate, kəlibi-it, adj. ijzerhoudend: — spring.
Chamade, šəmeid, chamade.
Chamber, tšeimbə, subst. vertrek, kamer (in verschillende
beteekenissen); — verb. sluiten in (voorzien van) een kamer: —s = een
reeks deftig gemeubileerde kamers, zittingzaal, privaat-bureau van een
barrister in een Inn: He had been toiling at —s all day = op zijn
bureau; — of Commerce = Kamer van Koophandel; — of a lock = schutkolk;
—-council = —-counsel = advocaat, die slechts Chamber-practice
uitoefent; diens advies; geheim advies (gedachte); —-maid =
kamermeisje; —-master = schoenmaker, die thuis voor magazijnen werkt;
—-music; —-pot; —-stool = nachtstoel; —ed: A six-—ed revolver.
Chamberlain, tšeimbəlin, kamerheer: Lord — = een der 14 dignitarissen
van His Majesty’s Household.
Chambers, tšeimbəz.
Chameleon, kəmîl’n, chameleon.
Chamfer, tšamfə, subst. groef; — verb. canneleeren.
Chamois, šami, šamwô, gems, gemsleder; adj. geelbruin.
Chamomile, kaməmail, kamille.
Champ, tšamp, bijten (van een paard op zijn gebit), kauwen, stuk
bijten: To — the bit = mokken (fig.).
Champagne, šampein, champagne.
Champaign, tšampein, (t)šsampein, subst. open, vlak land; adj. open,
vlak.
Champerty, tšampəti, afspraak van den solicitor met zijn client om de
eventueele voordeelen van het proces te deelen.
Champignon, (t)šəmpinjən, eetbare paddestoel.
Champion, tšampj’n, subst. kampioen; adj. kampioen..., uitstekend; —
verb. verdedigen; —ship, kampioenschap.
Champop = Champagne = ‘panje’, ‘sjampie’.
Chance, tšâns, subst. toeval, kans, uitzicht, mogelijkheid; — verb.
wagen, gebeuren: By — = toevallig; Main — = persoonlijk voordeel; On
the off — = met ’t oog op de mogelijkheid; To stand a — = kans hebben;
To take one’s — = het er op wagen; I —d to meet him = ik ontmoette hem
toevallig; To — it = het er op aan laten komen; —-comer = een toevallig
binnenkomende; —-games; —-medley = manslag uit noodweer.
Chancel, tšâns’l, koor (waar het altaar is, gewoonlijk met een hek
afgesloten).
Chancellor, tšâns’lə, kanselier: Lord (High) — = Lord keeper = Minister
van Justitie, Groot Zegelbewaarder, President van het House of Lords en
voorzitter van de Chancery Division van het Hooggerechtshof; — of the
Exchequer = hoofdambtenaar van de Treasury aan ’t hoofd waarvan The
First Lord staat; —ship = kanselierschap.
Chancery, tšânsəri, kanselarij: — Division = afdeeling van het hoogste
gerechtshof; To be in — = failliet zijn; in de klem zitten.
Chandelier, šandəlîə, kroonluchter; blindeeringsfascine.
Chandler, tšândlə, kaarsenmaker (verkooper): Corn — = factor; Ship — =
winkelier in victualiën; —y = kleinhandel, winkel.
Change, tšeinž, subst. verandering, wijziging, overgang, afwisseling,
nieuwigheid, variatie, modulatie, klein geld, pasmunt, geld dat men
terugkrijgt, verschooning, de Beurs; — verb. veranderen, verwisselen,
verruilen, (geld) wisselen, overstappen, zuur worden: To get (give) one
his — = geld terug geven; iemand dienen (fig.); He won’t get much — out
of me = hij zal van mij niet veel halen, krijgt bij mij den wind van
voren; To have no —; They won’t have any — = behoeven niet over te
stappen; To ring the —s = op allerlei manieren herhalen; valsch geld
uitgeven, een winkelier in de war brengen zoodat hij te veel terug
geeft; A complete — of linen = verschooning; The wind —d; To — trams; —
here for Velp = Velp overstappen; He —d his dress (linen) = trok andere
kleeren aan, verschoonde zich; To — to a steamer = overstappen op; He
—d to the diplomatic service = ging over in; —ability =
veranderlijkheid; —able, veranderlijk; subst. —ableness; —ful =
veranderlijk; —less = onveranderlijk; —ling = wisselkind; weifelaar,
wankelmoedige.
Channel, tšan’l, subst. kanaal, bedding, vaarwater, groef, voor; —
verb. groeven maken: The (British) — = Het Kanaal.
Chant, tšânt, subst. lied, melodie, kerkgezang; — verb. zingen,
bezingen, opdreunen: To — a horse = bedriegelijk verkoopen (door
gebreken te verbergen); To — the praises of = (iemands) lof zingen;
—er, zanger; melodiepijp; paardekooper; —icleer, tšantiklîə, kraaiende
haan; —ry = kapel, waar dagelijks eene mis voor afgestorvenen gezongen
wordt.
Chaos, keios, chaos; adj. Chaotic.
Chap, tšap, tšop, subst. kloof, spleet, reet; — verb. splijten,
scheuren, doen barsten; —ped = opengesprongen, gebarsten; —py =
gebarsten, open.
Chap, tšap, kerel, vent, klant; —pie = kereltje.
Chap, tšop, kaak; —s, snuit, muil; —-fallen = ontmoedigd.
Chap-book, tšap-buk, volksboekje waarmee vroeger gevent werd door
—-men.
Chape, tšeip, knip, haak, schoen eener sabelscheede.
Chapel, tšap’l, kapel, godshuis (der van de Staatskerk afgescheidenen);
— verb. een uil vangen (zeeterm): — of ease = hulp- of bijkerk.
Chapelet, tšapəlet, stijgbeugelriemen.
Chapelry, tšapəlri, kerkelijke gemeente tot ééne kapel behoorende.
Chaperon, šapəron, šapəroun, baret; oudere dame, die eene jongere
vergezelt in het publiek; — verb. vergezellen, beschermen.
Chaplain, tšaplin, geestelijke op een schip, (bij het leger, in een
gevangenis); huiskapelaan; —cy = —ship, waardigheid van een chaplain.
Chaplet, tšaplət, subst. krans, rozenkrans, eierstaaf (-lijst); kuif.
Chapter, tšaptə, subst. hoofdstuk, kapittel; — verb. in hoofdstukken
verdeelen: — and verse = tekst en uitleg (fig.); You will be persecuted
to the end of the — = altijd door, ten einde toe; The — of accidents =
het toeval; —-house = kerkeraadskamer; vertrek waar het kapittel
samenkomt.
Char, tšâ subst. appelforel.
Char, tšâ, verkolen.
Character, karəktə, subst. merk- of kenteeken, letter, karakter,
gedrag, aard; getuigschrift, reputatie, origineel, persoon, naam, rol;
— verb., kəraktə, inprenten, graveeren; kenschetsen: To act out of — =
uit zijn rol vallen; To be in (out of) — = in, uit de rol; I gave him a
good — = ik heb goede getuigen van hem gegeven; To go by the — of =
doorgaan onder den naam; He has a — for hospitality = staat bekend als
gastvrij; He took away my — = goeden naam; Characteristic =
kenschetsend, eigenaardig; subst. kenmerk: To be — of =
karakteriseeren; Characterization, karəktər(a)izeiš’n, kenschetsing;
—ize = kenmerken, stempelen, karakteriseeren.
Charade, šərâd, šəreid, charade.
Charcoal, tšâkoul, houtskool; — verb. met houtskool zwart maken, door
kolendamp bedwelmen.
Chare, tšêə, tšâ, uit werken gaan, huiswerk verrichten; subst.
huiswerk.
Charge, tšâdž, subst. zorg, bewaking, opzicht, bevel, plicht, opdracht,
ambt, pupil, toevertrouwd persoon (zaak), toespraak, aanval(signaal),
last, beschuldiging, lading, prijs, kosten (—s), vergoeding: — verb.
aanvallen, een charge doen, (be)laden, belasten, opdragen, bevelen,
debiteeren, vermanend toespreken, beschuldigen, toevertrouwen,
aanwijzen: A first — = preferente schuld; No — for delivery = franco
huis; To be at (To bear) the — of = de kosten dragen; To sound the — =
het signaal tot den aanval blazen; To give in — = toevertrouwen; laten
arresteeren; The officer in — = dienstdoend; This minister is in — of
the bill = zal het wetsontwerp verdedigen; To go into the —s =
aanklacht erkennen; He laid it to my — = legde het mij ten laste; He
grew up under my — = onder mijne hoede; — your glasses = vult; The
judge —d the jury at great length = sprak breedvoerig toe; What do you
— for these cigars? = hoeveel kosten? To — to one’s account (debit) =
iemand debiteeren; To be —ed with a crime = beschuldigd; —-room =
verhoorkamer (in een politiebureau); —-sheet = rol der arrestanten;
—ability = toerekenbaarheid, belastbaarheid; —able = te belasten,
verantwoordelijk: That was —able to me = dat kwam mij ten laste; —r =
strijdros; groote schotel.
Chariot, tšariət, rijtuig, triomfwagen; Charioteer = wagenmenner,
voerman.
Charitable, tšaritəb’l, liefdadig, barmhartig; —ness = liefdadigheid.
Charity, tšariti, menschenmin, naastenliefde, barmhartigheid,
zachtheid, milddadigheid, gave, aalmoes, liefdadigheidsstichting:
Sister of — = liefdezuster; In — = barmhartigheidshalve, voor niets; —
begins at home = het hemd is nader dan de rok; To ask (beg) — =
bedelen; To dispense — = gaven uitdeelen; It would be a — to help her =
een goed werk; We parted in — = scheidden in vriendschap; —-boy
(—-child) = kind uit een gesticht; —-school = armenschool, kostelooze
school.
Charivari, šarivari, ketelmuziek, charivari.
Charlatan, šâlətan, kwakzalver, charlatan; —ism = marktgeschreeuw.
Charlemagne, šâl(i)mein.
Charles, tšâlz, (Charley, tšâli,) Karel; King —(’s) dog = Bologneesch
hondje; —(’s) Wain = Wagen, Groote Beer.
Charlock, tšâlok, krodde, wilde mosterd.
Charlotte, šâlot
Charm, tšâm, subst. toovermiddel(-woord, -formule), amulet, bekoring; —
verb. betooveren, verrukken, bekoren: A pig-— = gelukzwijntje aan een
horlogeketting; Three is the — = alle goede dingen bestaan in drieën;
To bear a —ed life = onkwetsbaar zijn; —er = charmeur, betooverend
schepsel: To listen to the voice of the —er = naar het gefluit van den
vogelaar; —ing = bekoorlijk; subst. —ingness; —less = zonder bekoring.
Charnel, tšân’l, lijken..., knekel...: —-house = knekelhuis.
Charon, kêr’n, Charon, veerman.
Charpie, šâpi, pluksel.
Charpoy, tšâpôi, veldbed (Brit. Ind.).
Chart, tšât, zeekaart, kaart, tabel, kompaskaart; — verb. (op een kaart
aan)teekenen.
Charter, tšâtə, subst. charter, privilege, patent, (voor)recht; — verb.
bevrachten, charteren, huren: —-house = Karthuizerklooster; een school
en gasthuis in Londen; —-land = cijnsvrije bezitting; —-party =
chertepartij, scheepsvrachtbrief.
Chartism, tšâtizm, de leer van F. O’Connor’s Radic. arbeiderspartij,
geformuleerd in hun People’s Charter i.e. algemeen stemrecht,
jaarlijksche parlementen, geheime stemming, kiesdistricten, en de
betaling van de afgevaardigden der natie (1838–1848); Chartist =
aanhanger van die leer.
Chartographer, kâtogrəfə, cartograaf; Chartography = cartographie.
Charwoman, tšêəwum’n, tšâwum’n, werkster; Charwork = huiswerk.
Chary, tšêri, zorgvuldig, karig, zuinig: — of praise = karig met lof.
Chase, tšeis, subst. jachtveld, vervolging, jachtstoet, het gejaagde
wild, vervolgd schip; groef, voor; — verb. jagen, jacht maken op,
nazetten, drijven: To send on a wild-goose — = voor den gek houden, van
Pontius naar Pilatus zenden; To be in — (of), To give — = vervolgen; To
— away (off) = wegjagen; —d work = gedreven metaal; —r = jager,
drijver, springpaard, soort kanon, ciseleur.
Chasm, kazm, kloof, afgrond; —ed = —y = met kloven.
Chasse, šas: A cup of coffee and a — = ‘pousse’.
Chasseur, šasɐ̂, jager, chasseur.
Chassis, šasî, šasis, chassis, (inleg)raam, onderstel.
Chaste, tšeist, kuisch, rein; —n, tšeis’n, straffen, reinigen,
zuiveren, matigen, verootmoedigen.
Chastise, tšəstaiz, kastijden, straffen, beteugelen, zuiveren; —r =
kastijder; Chastisement = kastijding; Chastity, tšastiti, kuischheid,
reinheid.
Chasuble, tšažub’l, kazuifel.
Chat, tšat, subst. gekeuvel; katje, rijsje, aar; naam voor
verschillende vogels; aardappel (voor veevoer); — verb. keuvelen: To
have a — together = keuvelen; —ty = praatziek.
Chatelaine, šatəlein, chatelaine.
Chatham, tšat’m.
Chatoyant, šətôj’nt, katoog; adj. glinsterend met verschillende
kleuren; Chatoyment = kleurenspel.
Chatta(h), tšatə, tšâtə, parasol (Brit. Ind.).
Chattel, tšat’l: Goods and —s = have en goed.
Chatter, tšatə, subst. gesnap, gesnater; — verb. snappen, kakelen,
klappertanden: —-box, —-basket = babbelkous; —-pie = klapekster (ook
fig.); —er = babbelaar.
Chattiness, tšatinəs, babbelzucht; Chatty, Zie Chat.
Chaucer, tšôsə; adj. Chaucerian.
Chauffer, tšôfə, klein draagbaar fornuis.
Chauvinism, šouvinizm, chauvinisme.
Chaw, tšô, kauwen; (— up) afwijzen, zijn vet geven (Amer.).
Chaw-bacon, tšôbeik’n, pummel.
Chaworth, tšôwəth.
Cheap, tšîp, goedkoop, van weinig waarde; onlekker: Dog-(Dirt-)— = As —
as dirt = spotgoedkoop; A man feels — in such a case = ellendig,
nietswaardig; To get (come) off —(ly) = er blauw afkomen; To hold — =
geringschatten; To make (render) oneself — = zich weggooien; —jack =
marktschreeuwer; —-trippers = reizigers met pleiziertreinen; —en =
afdingen, goedkoop worden, bekladden.
Cheat, tšît, bedriegen, beetnemen; subst. bedrieger, valsche speler: To
— fatigue = verdrijven; To — one into the belief = wijsmaken; To — one
out of = afzetten; To — at cards = valsch spelen.
Check, tšek, subst. schaak, belemmering, beteugeling, échec, cheque
(Amer.), fiche (Amer.), berisping, verwijt, teleurstelling; controle,
contremarque; geruite stof; schaak; — verb. schaakmat zetten (fig.),
tegenhouden, beteugelen, berispen, afstempelen, inschrijven (Amer.),
laten schrikken (scheepst.); collationneeren, controleeren: He was
dressed in a summer — = geruit pak; He handed in his —s = stierf; To
keep a — upon = in toom houden; To put a — upon = beteugelen, intoomen;
— to the queen = schaak koningin; The king is —ed (is in —) = is
schaak; He —ed himself = hield zich in; —-book = controleboek,
chequeboekje; —mate = subst. schaakmat, nederlaag; — verb. schaakmat
zetten = To give —mate; —-rail = rail, waardoor een trein op een ander
spoor wordt gebracht; —-rein = trens; —-string = trekriem; —-taker =
controleur; —ed = geruit; —er, subst. damsteen (—s = damspel), geruit
uithangbord, herberg, controleur; — verb. = Chequer; —er-board =
schaak(dam)bord; —y = in kleine vierkantjes verdeeld.
Cheechee, tšîtšî = Eurasian.
Cheek, tšîk, subst. wang, kaak; brutaliteit; driestheid; — verb.
brutaliseeren: With the coolest — = zoo brutaal mogelijk; He has plenty
of — = hij is zoo brutaal als de beul; — by jowl (jole) = wang aan
wang, zij aan zij, gemeenzaam; —-bone = kaakbeen; —y = brutaal.
Cheela, tšîla, Hindoesch leerling.
Cheep, tšîp, tsjilpen, piepen: —er = jonge patrijs (veldhoen).
Cheer, tšîə, subst. stemming, blijdschap, onthaal, spijs, troost,
gejuich, bijval; — verb. aanmoedigen, opmonteren, (toe)juichen, moed
vatten, opfleuren: The table was filled with good — = lekkere spijzen;
Be of good — = wees goedsmoeds; What —? = hoe gaat het? To receive with
—s = met gejuich ontvangen; Three —s for = driemaal “hoera” voor; The
speech was —ed to the echo = werd daverend toegejuicht; — up = schep
moed; —ful = vroolijk; —fulness = vroolijkheid; —iness = opgeruimdheid;
—less = droevig, somber; —y = opgeruimd.
Cheese, tšîz, kaas; overdreven diepe buiging: She dropped him a —;
Making —s = een meisjesspel; He would make me believe that the moon is
made of green — = hij wilde mij knollen voor citroenen verkoopen; That
is the — = dat is je ware; Nip —s = krenterige lui; —-hopper, —-mite =
kaasmijt; —-monger = kaaskooper; —-paring = kaaskorst: Financial
—-paring = krenterigheid; —-press = kaaspers; —-rennet =
Lieve-vrouwe-bedstroo; Cheesy = kaasachtig; schoon, mooi.
Cheeta(h). tšîta, jachtluipaard (Brit. Ind.).
Cheetal, tšîtəl, gevlekt hert (Brit. Ind.).
Chela, kîlə, schaar van krabben of kreeften; Cheliferous, kilifərɐs,
van scharen voorzien; Cheliform, kîliföm, schaarvormig.
Chelmsford, tše(l)mzfəd; Chelsea, tšelsî.
Cheltenham, tšeltən’m.
Chemical, kemik’l, scheikundig: —s = chemicaliën; Chemico = scheikundig
- -.
Chemise, šəmîz, (vrouwen)hemd; —tte, šemizet, chemiset.
Chemist, kemist, scheikundige, apotheker: Assistant in a —’s shop =
apothekersbediende; Chemistry = scheikunde.
Chenille, šənîl, chenille.
Cheque, tšek, cheque: To give one a blank — = “Carte blanche” geven;
—-book = chequeboekje.
Chequer, tšekə, met ruitjes versieren, schakeeren: His has been a —ed
life = veel bewogen leven.
Cherish, tšeriš, liefhebben, liefkoozen, koesteren, voeden: To — a
secret = een geheim trouw bewaren.
Cheroot, (t)šərût, soort v. sigaar (manilla model).
Cherry, tšeri, subst. kers; adj. kerskleurig; van kersehout: Bob — =
spelletje waarbij men een kers, waarvan men den steel tusschen de
lippen neemt, zonder er met de handen aan te komen in zijn mond werkt;
—-cheeked apples = appels met roode wangen; —-stone = kersepit.
Cherson, kɐ̂soun.
Chersonese, kɐ̂sənîz, kɐ̂sənîz, schiereiland.
Chert, tšɐ̂t, vuursteen, hoornsteen.
Cherub, tšerəb, cherubijn; —ic(al), tšərûbik(’l), engelachtig.
Chervil, tšɐ̂vil, kervel.
Cheshire, tšešə.
Chess, tšes, schaakspel: To play at — = schaken; A game of — = spel
schaak; —-board; —-man = stuk; —-tournament = schaakwedstrijd.
Chest, tšest, subst. koffer, kist, kas, borstkas; — verb. opsluiten;
met de borst tegenaan loopen: There was something on his — = hij had
iets op het hart; She heaved her — = slaakte een zucht; — of drawers =
latafel; —-foundered = dampig; Flat (feeble) —ed.
Chestnut, tšesnət, subst. kastanje(boom); adj. kastanjekleurig: That is
a — = ouwe mop; To pull the —s out of the fire for another.
Cheval, šəval: — glass = toiletspiegel; Chevaux-de-frise = Spaansche
ruiters, rij spijkers op een muur.
Chevalier, ševəlîə, ridder, cavalier, ruiter.
Cheverel, Cheveril, šev’ril, subst. bokje; zeemleer; adj. rekbaar
(fig.).
Cheville, šəvil, vioolschroef; stopwoord.
Cheviot, tšiviət, tšîviət, tševiət, Cheviot-(schaap).