Head, hed, subst. hoofd, kop, kruin, top, opperhoofd, haar, gewei,

persoon; eereplaats, hoofdeind, bron, de zijde v. munt of medaille met

den kop erop, verstand, doorzicht; getal, onderwerp, gelaat, pak vlas,

rijpe deel van eene zweer of puist, schuim op dranken, watermassa (voor

een molen), beschikbare stoom; adj. eerste, voornaamste, hoofdzakelijk,

hoofd...; — verb. van den kop berooven, bekappen, van een kop voorzien,

den kop vormen, aanvoeren, zich aan het hoofd stellen, aan het hoofd

zitten, zich stellen tegenover, tegenwerken, afsnijden, openen, het

eerst staan op, met het hoofd wegstooten, een kop vormen, ontspringen

(Amer.), een koers hebben, enz.: Five — of cattle = stuks vee; A fine —

of hair = kop met haar; The —s of a speech = onderafdeelingen; The —s

of an accusation = punten van aanklacht; The army is a serious — of

expenditure in Germany = een zware post van uitgaven; He fell —-first,

—-foremost into the water = hals over kop; —-on = —-first = recht

tegenover; I fell into it — and ears = heelemaal; He is in debt over —

and ears = tot over de ooren; He rose — and shoulders above them = stak

een heel eind boven uit; He came down — over heels from the tree = viel

holderdebolder; To carry a grey — on green shoulders = jong blijven;

Give him his — = laat hem zijn gang gaan; Give the horses their —s =

vier de teugels; To have a long — = ver vooruit zien; They laid their

—s together = overlegden, staken de hoofden bij elkaar; It is easy to

make — against that accusation = te weerleggen; He made — against the

enemy = hield stand tegen; I cannot make — or tail of it = kan er geen

touw aan vast maken; To take the — = de leiding nemen; steigeren,

koppig zijn; That seems to have turned your — completely = je hoofd

geheel op hol te hebben gebracht; Then things came to a — = bereikten

een crisis; The ulcer has come to a — = is rijp geworden; He did it of

his own — = uit eigen beweging; He hit the right nail on the — = sloeg

den spijker op den kop; It is on your —s to tell it me = ik bezweer

jullie; It keeps running in my — = maalt me door het hoofd, is me

steeds in de gedachten; The ship was running under a full — of steam =

stoomde met volle kracht; I see through the back of your — = ik doorzie

u geheel; The wine went into his — = steeg hem naar het hoofd; The

hedges and bushes must be —ed down = moeten gesnoeid worden; She tried

to — off the spider = te vangen, te pakken (door haar den pas af te

snijden); When I approached the subject, he would — me off = placht hij

mij er af te brengen; The boat was —ing towards the ship = stuurde in

de richting van; —ache = hoofdpijn; —-band = hoofdverband, kapitaalband

(boekb.); — verb. kapitalen; —-boy = primus; —-butler = eerste

huisbediende; —-cheese = hoofdkaas; —-clerk = chef, boekhouder; —-dress

= kapsel; —-fast = boegtouw; —-gear = hoofdtooisel, hoofdstel (v.

paarden); —-hunter = koppensneller; —-land = voorgebergte, kaap;

braakland; —-light = licht (vooraan de locomotief); —-line =

aanvangsregel, titel; horentouw; ratouw (scheepst.); —long = hals over

kop, met het hoofd vooruit, plotseling, roekeloos, gedachteloos, steil:

I always write —long = zoo maar weg; —man = hoofdman, onderbaas,

werkbaas, mandoer; —master = hoofd, directeur, rector; —mastership = de

betrekking van hoofd, directoraat, rectoraat; —mistress = directrice;

—-money = hoofdgeld; —most = voorste; —-mould = schedel, vorm van het

hoofd; —-moulding = lijstwerk (boven deur of venster); —-piece = hoofd,

kop, helm, stormhoed; oorijzer; kopstuk, knappe kop; verstand; —-post =

paal bij de ruif; —-quarters = hoofdkwartier; —-rest = steun voor het

hoofd (bij photographeeren); kussen; —-sail = vóórzeil; —-sea =

stortzee; —shake = beteekenisvol schudden met het hoofd; —-ship =

hoogste waardigheid; —sman = beul, scherprechter; mijnwerker, die de

kolen naar de plaats brengt vanwaar ze vervoerd worden; —-stall =

hoofdstel; wollen mutsje (Amer.); —-stone = hoeksteen, sluitsteen,

grafsteen (rechtopstaande aan het hoofdeinde van het graf); —strong =

koppig, onhandelbaar; —-voice = kopstem; —-waiter = oberkellner;

—-water = bovenloop; —-way = vaart, gang, vooruitgang: We have been

making —-way of late = wij zijn in den laatsten tijd goed opgeschoten;

—-wind = tegenwind; —-word = hoofdwoord; —-work = werk met het hoofd,

intellectueele arbeid; ornamenten op steenen; —-workman = vóórman,

werkbaas; —er = sprong of onderduiking met het hoofd voorover; steen

uit een koplaag, speldeknopmaker, kaker, kaakmachine; —iness =

koppigheid; —ing = titel, opschrift, eerste regel als voorbeeld,

schuim; —y = koppig (ook v. dranken), overijld.

Heal, hîl, gezond maken, heelen, genezen, van schuld vrijspreken,

bijleggen; —-all = geneesmiddel tegen alle kwalen; —able = geneesbaar;

The —ing art = geneeskunde.

Heald, hîld, weefhaak.

Health, helth, gezondheid, heil, welzijn: Bill (Certificate) of — =

gezondheidspas; Clean bill of — = schoone lei (fig.); Board of — =

gezondheidscommissie; Officer of — = inspecteur van de volksgezondheid;

The public —; He is out of — = ongesteld; Your — = santé! —-committee =

gezondheidscommissie; —-insurance = ziekte-, en

invaliditeitsverzekering; —-officer = ambtenaar van den

gezondheidsdienst; —-resort = badplaats, kurort; —ful = gezond,

heilzaam; subst. —fulness; —iness, subst. v. —y = gezond, krachtig,

heilzaam.

Heam, hîm, nageboorte bij vee.

Heap, hîp, subst. hoop, menigte: — verb. ophoopen, opstapelen: All of a

(on a) — = allemaal door elkaar; He was struck all of a — = stom van

verbazing; —s of = volop, een hoop.

Hear, hîə, hooren, luisteren, letten op; overhooren, verhooren; —, —,

cried some members = bravo (of hei, hei!) riepen sommige leden; Shall

we never — the last of it = houdt dat praatje dan nooit op? He —d us

our lessons = overhoorde; —say = praatjes, geruchten; I have it by

(from) —say, on —say evidence = van hooren zeggen; —er = hoorder;

Hearing = gehoor, gehoorsafstand, verhoor, onderzoek: Dullness of — =

hardhoorigheid; Hard (Thick) of —; Quick of — = fijn van gehoor;

Hardness of — = hardhoorigheid; He is within (out of) — = hij kan ons

wel (niet) hooren, wij kunnen hem wel (niet) beroepen; I promise you a

fair — = dat men u zal laten uitspreken, en billijk zal beoordeelen,

wat ge zegt.

Hearken, hâk’n, luisteren, letten op.

Hearne, hɐ̂n.

Hearse, hɐ̂s, subst. lijkwagen; — verb. kisten (van een lijk), naar het

graf brengen (in eene lijkkoets); —-cloth = baarkleed.

Heart, hât, hart, wil, moed, vuur, gloed, angst, verlangen, binnenste,

harten (in ’t kaartspel): What the — thinks the mouth speaks = waar het

hart vol van is, loopt de mond van over; After their own —s = naar

hartelust; He is brave at — = in den grond is hij dapper; — alive, how

we laughed = goeie hemel! I would not for my — do it = ik deed het om

den dood niet; In his — of —s = in het binnenste van zijn hart; The

grass was plentiful and in good — = uitstekend; To be — and mind

interested in = met hart en ziel; My — failed me = de moed ontzonk mij;

Her — leaped to her mouth = ze ontroerde hevig; His — sank low (into

his boots) = zonk hem in de schoenen; It broke his mother’s — = zijne

moeder het hart; He could not find it in his — to go there = hij kon

het niet van zich verkrijgen; Try to get (learn) this lesson by — = van

buiten te leeren; To have the — = het hart, den moed hebben; To have a

— of gold; To have at — = beoogen; I had it in my — to tell you so =

was van plan; On seeing this I had (felt) my — in my mouth = toen ik

dat zag, was ik bijna buiten mijzelf van schrik; Keep a good —, man! =

houd moed; If it were not so serious I could laugh my — out = me

doodlachen; To lay to — = ter harte nemen; He put some — into me =

sprak mij moed in; Set your — at rest about that = wees daaromtrent

maar gerust; He had set his — on seeing her = hij had er zijne zinnen

op gezet; It spoke to my — = het sprak tot mijn hart; To take to — =

zich aantrekken, ter harte nemen; Take this lesson to — = neem ter

harte; He took (summoned) — of grace, and did it (to do it) = hij vatte

moed; That man wears his — on his sleeve = draagt zijn hart op de tong;

—-ache = zielesmart; —-blood of —’s-blood = hartebloed (ook fig.);

—-break = hartzeer; —-breaker = wat het hart breekt, soort v. krul of

lok; —-broken = verpletterd; —-burn, subst. zuur (in de maag);

—-burning = ontevredenheid, ergernis, vijandschap; adj. ontevredenheid

of jaloerschheid veroorzakend; —-complaint, —-disease = hartziekte;

—-failure = hartverlamming; —-felt(ly) = diep, oprecht, innig;

—-rending = hartverscheurend; —’s ease = driekleurig viooltje; —-sick =

diep bedroefd, zwaarmoedig, hartzeer gevoelend; —-sickening =

bedroevend; —-sickness = zwaarmoedigheid; —-sore = hartzeer, groote

smart; —-string = hartzenuw; meest. mv. en fig.; —-struck = getroffen;

—-thrilling; —-touching = hartroerend; —-whole = met vrij, niet door de

liefde getroffen hart; —en = aanmoedigen, bezielen; —iness =

hartelijkheid, ijver, vuur, gezondheid; —less = harteloos, laf, flauw;

subst. —lessness; —y = hartelijk, oprecht, ijverend (for, in),

opgewekt, voedzaam, flink, stevig: Do it, that’s my —y = doe het, dan

ben je een bovenstbeste!

Hearth, hâth, haard, haardstede, huiselijke kring, familie; —-broom,

—-brush = haardstoffer; —-money = belasting op de stookplaatsen; —-rug

= haardkleedje; —-stone = haardplaat; schuursteen.

Heat, hît, subst. hitte, warmte, vuur, gloed, heftigheid, hooge kleur,

loop (in een wedstrijd), loopschheid, heete (bijtende) smaak; — verb.

verhitten, warm maken, opwekken, warm worden, broeien: You cannot

realise the white — of his wrath = zijne groote woede; His nature was

at white — = was in gloed; He wrote this novel almost at a — = “aus

einem Guss”, uit één stuk; —-wave; —er = verwarmer, verwarmingstoestel,

voorwarmer, ijzeren bout (in een strijkijzer).

Heath, hîth, heide, vlakte, Erica of heidebloempje; —-cock = korhaan;

—-game = korhoenders; —-hen = korhen; —-pout = korhaan; —en, hîdh’n,

subst. heiden, barbaar, afgodendienaar; adj. heidensch, onbeschaafd,

barbaarsch; —endom = heidendom; —enish = heidensch, ruw, wreed; —enism,

hîdhənizm, heidensche toestand, barbaarschheid, ruwheid.

Heather, hedhɐ, heide(kruid); —-bell = gewone dopheide; —-tuft =

heidetrosje; —y.

Heave, hîv, subst. rijzing, zwelling, deining, poging tot braking,

zucht, worsteling; — verb, opheffen, verheffen, deinen, slaken,

neerwerpen, ophijschen, hijgen, zwoegen, poging doen tot braken: —s =

dampigheid; To — the lead = looden (peilen); She —d a sigh = slaakte

een zucht; The ship hove in sight = kwam in ’t gezicht; To — about =

over stag gaan; To — down = kielhalen; — down the sails = strijk, haal

neer de zeilen; — out the sails = gooi de zeilen los; To — to =

bijdraaien; — up = vomeeren: Let us — up that design = laten we dat

plan laten varen; —r = hefboom; losser: Coal-—r.

Heaven, hev’n, hemel, lucht: To be in the (a) seventh — = in den

zevenden hemel; He moved — and earth to get it = wendde alles aan; It

smells to — = schreit; The — may fall, and we may have larkpie for

supper; Zie Lark; — of —s = de hemel der hemelen; —-born = van den

hemel gedaald, hemelsch; —-bred = van goddelijken oorsprong; —-directed

= door den hemel bestuurd, ten hemel wijzend; —-gate = hemelpoort;

—-gifted = door den hemel geschonken; —high = hemelhoog; —liness,

subst. v. —ly = hemelsch, goddelijk, uitstekend, voortreffelijk; van

den hemel; —ly-minded = hemelschgezind, vroom; subst. —ly-mindedness;

—-sent = door den hemel gezonden; —ward(s) = hemelwaarts.

Heaviness, hevinəs, subst. v. Heavy, hevi, zwaar, gedrukt, droevig,

zwaarmoedig, slaperig, suf, vervelend, dreigend, niet behoorlijk

gerezen (van brood), vol (van wijnen), hevig, groot, hoogstaand,

slecht, dampig: The officers of the heavies = de officieren der zware

cavalerie; —-armed = zwaar gewapend; He did the — business, i.e. van

den —man = speelde de père noble rollen; — cavalry = zware ruiterij; A

— father kind of man = iemand met het gewichtige van een père noble;

—-gaited = met moeielijken, langzamen gang; —-handed = lomp,

despotisch; —-laden = zwaargeladen; —-lidded = met zware, hangende

oogleden; A — loss; —-spar = zwaarspaath; — type = vette letter;

—-weight = zwaargebouwd bokser, of renpaard; jockey voor dat paard;

gewichtig persoon (fig.); His life hangs — (up)on his hands = valt hem

zwaar.

Hebdomadal, hebdoməd’l, wekelijksch; Hebdomadary, hebdoməd’ri, subst.

lid van een kapittel of klooster, die den weekdienst in het koor heeft;

adj. wekelijksch.

Hebe, hîbî, Hebe.

Hebetude, hebitjûd, stompheid, sufheid.

Hebraic(al), hîbreiik(’l), Hebreeuwsch; Hebraism, hîbrəizm,

Hebreeuwsche spreekwijze of gewoonte; Hebrew, hîbrû, subst. en adj.

Hebreeër, Hebreeuwsche taal; —-wise = in tegengestelden zin.

Hebridean, Hebridian, hibridj’n, tot de Hebriden behoorende; Hebrides

(The), dhəhebridîz.

Hecate, hekətî, Grieksche godin.

Hecatomb, hekətom, hekətûm, offerande van honderd ossen of andere

beesten, groote offerande.

Heck, hek, ruif, boven en onderdeur, klink, bocht of kromming in een

stroom.

Heckle, hek’l (Zie Hackle), een verkiezingscandidaat scherp

ondervragen; Heckling meeting = meeting met debat, waarin een candidaat

onder het mes genomen wordt (Schotl.).

Hecla, heklə.

Hectare, hektêə, hectare, ongeveer 2,471 acres.

Hectic, hektik, teringachtig; subst. = —-fever = teringkoorts,

teringblos.

Hectogram(me), hektəgram, hectogram.

Hectolitre, Hectoliter, hecktəlîtə, hektolitə, hectoliter.

Hectometre, Hectometer, hektəmîtə, hektomitə, hectometer (328 feet).

Hector, hektə, subst. snoever, vechtersbaas; — verb. snoeven, bluffen,

onbeschaamd behandelen: He —ed it out of me = hij kreeg het uit mij

door brutaliteit (Vergel. He —ed me out of it = kreeg het van mij door

br.); He —ed over me = negerde, donderde mij.

Hectostere, hektəstîə, 100 kubieke meters (ruim 3531,4 cubic feet).

Hecuba, hekjuba.

Hederal, hederel, klimopachtig; Hederiferous, hedərifərɐs,

klimopdragend, voortbrengend.

Hedge, hedž, subst. heg; adj. slecht, gemeen, heimelijk; — verb. met

een heg omgeven, insluiten, omheinen, op verschillende kansen tegelijk

wedden, zich koest houden: Over — and ditch = over heg en steg; You are

on the wrong side of the — = gij hebt het mis, zijt verkeerd; —-berry =

vogelkers; —-bill = snoeimes; —-born = van lage geboorte; onecht;

—-creeper = landlooper; —hog = egel; —hog thistle = nopal; vijgdistel;

—-hyssop = genadekruid; —-marriage = geheim huwelijk; —-parson,

—-priest = hageprediker; —-row = haag; —-school = hageschool

(boerenschool, vroeger in Ierland in de open lucht gehouden);

—-schoolmaster = meester van die school; —-sparrow =

bastaard-nachtegaal; —-stake = heiningpaal, stut; —-writer =

prulschrijver; —r = haagmaker, haagsnoeier.

Hedonism, hîdənizm, hedənizm, de leer, dat genot het levensdoel is: You

are right from a hedonistic point of view = als het leven slechts genot

is hebt gij gelijk; Hedonist = aanhanger van die leer.

Heed, hîd, verb. zorgvuldig letten op, gadeslaan; subst. zorg,

oplettendheid, omzichtigheid: Take — = pas op; He —ed my words = lette

op en deed naar; —ful = opmerkzaam, behoedzaam; subst. —fulness; —less

= achteloos, onbezonnen, onverschillig; subst. —lessness.

Hee-haw, hî-hô, balken.

Heel, hîl, subst. hiel, hak, knobbel, korst, knop, laatste stuk,

overhelling naar eene zijde; — verb. een hak of hiel zetten aan, van

een hiel of spoor voorzien, overhellen, op de hielen zitten; van geld

voorzien (Amer.); krengen (scheepst.): He went at it —s over head =

hals over kop, onbezonnen, roekeloos; Neck and —s = in de volle

(lichaams)lengte; The police are at (upon) his —s = zit hem op de

hielen; His shoes are down at —s, out at —s = afgetrapt, versleten; To

cool one’s —s = lang (moeten) wachten; To fling up one’s —s = achteruit

slaan, uit den band springen, dansen; To keep to — = achter zijn

meester aanloopen (v. honden); To kick up one’s —s (Zie Fling up); To

kick one’s —s = wachten; They were laid by the —s = zij werden geboeid,

gevangen genomen; The enemies showed their —s, took to their —s =

lieten de hielen zien, zetten het op een loopen; To stick to — = achter

blijven loopen; He always treads upon a man’s —s = volgt een mensch

gelijk zijne schaduw; To turn up the —s = doodgaan; —-ball = mengsel

van harde was en lampzwart, om de hielen glad, of afdrukken van koperen

gedenkplaten te maken; —-piece, subst. achterlap, hakstuk; —-tap,

subst. staartje (in een glas); een der laagjes leer waaruit de hak

bestaat: No —-taps! = uitdrinken!

Heft, heft, gewicht, handvat, poging, grootste deel (Amer.); woning,

verblijf (Schotl.); — verb. optillen om het gewicht te bepalen; gewoon

worden aan (Schotl.): A Part-—er = acteur, die de beteekenis van zijn

rol afmeet naar de lengte; —y = zwaar.

Hegemony, hədžeməni, hedžmoni, hîdzəmoni, hegəmoni, hîgəmoni,

hegemonie.

Hegira, hedžərə, Hegira of Hedjra, vlucht van Mahomed uit Mekka (622).

Heifer, hefə, vaars.

Heigh, hei, hai, hei! holà! —-ho = ha, och, o wee!

Height, hait, hoogte, verhevenheid, toppunt, gestalte, lengte: In the —

of fashion = naar de laatste mode; We were in London at the — of the

season = toen de “season” in vollen gang was; The — of summer = het

hartje; Heighten = verhoogen, verheffen, vermeerderen, versterken.

Heinous, heinəs, afschuwelijk, snood, misdadig; subst. —ness.

Heir, êə, subst. erfgenaam, nakomeling; — verb. erven; —-at-law,

—-apparent = rechtm. erfgen. of troonopv.; —-general = universeele

erfgen.; —-presumptive = vermoedelijke erfgenaam (wiens rechten

ophouden, zoo er nog een ander erfgenaam, den bezitter nauwer verwant,

geboren wordt); Joint — = mede-erfgenaam; —ess = erfgename; —less =

zonder erfgenamen; —loom = erfstuk; —ship = erfrecht.

Held, held, imp. en part. perf. van to hold.

Helen, hel’n, Helena (St.), helənə, həlînə.

Heliac, hîliək, Heliacal, hilaiək’l, met de zon opkomende en

ondergaande,

Helianthus, hîlianthəs, zonnebloem.

Helical, helik’l, spiraalvormig; —-spring = spiraalveer.

Helicon, helikon; Heliconian, helikounj’n, tot den Helicon behoorende.

Heligoland, heligəland, Helgoland.

Heliocentric, hîliousentrik, met de zon als middelpunt.

Heliochromy, hîliəkroumi, hîliokrəmi, kleurenphotographie.

Heliograph, hîliəgraf, heliograaf; — verb. heliographeeren; adj.

Heliographic(al); Heliography = heliographeeren, heliographie;

Heliogravure, hîliəgreivjə, heliəgravûə, heliogravure; Heliometer,

hîliomətə, toestel aan kijker om den schijnb. diameter van de zon te

bepalen; Helioscope, hîliəskoup, helioscoop.

Heliotrope, hîliətroup, heliotroop (plant, gesteente, astron.

instrument).

Helium, hîliəm, helium.

Helix, heliks, hîliks (Meerv. —es, hîliksiz, Helices, helisîz),

spiraal, schroeflijn; slakkenhuis of buitenste zoom van het oor;

huisjesslak; schelpslak.

Hell, hel, hel, speelhuis: What the — do you want? Where the — are you

driving at? To play — and Tommy = de beest spelen; —-cat = feeks =

—-hag; —-hated = verfoeid en veracht als de hel; —-hound = helhond,

cerberus; —ish.

Hellebore, heləbö, Helleborus, nieskruid.

Hellene, helîn, helîn, Helleen; Hellenian, helînj’n = Hellenic,

helînik, Helleensch; Hellenism, helinizm, Hellenisme; Hellenists,

helinists, Grieksche joden in Egypte gevestigd, die het Hellenisme tot

bloei brachten, Hellenisten; adj. Hellenistic(al); Hellenize, helinaiz,

Grieksche gewoonten aannemen, Grieksche idiomen nabootsen.

Hellespont, heləspont.

Helm, helm, subst. roer, helmstok, roer van staat; helm; — verb.

besturen: At the — (of) = aan ’t roer (ook fig.); —less = zonder roer

of helm; —sman = roerganger.

Helmet, helmət, helm; —ed.

Helminthagogue, həlminthəgog, wormkoekje; Helminthic, həlminthik,

wormen verdrijvend (middel).

Helot, helət, hîlət, heloot, slaaf (in het oude Sparta), lijfeigene;

—ism = toestand van een heloot; —ry = staat van een heloot; de

gezamenlijke heloten.

Help, help, subst. hulp, bijstand, steun, ondersteuning, helper; —

verb. helpen, bijstaan, ondersteunen, voorkomen, nalaten, bedienen:

There is no — for it = er is niets aan te doen; That is but my second —

= ik word pas voor de tweede maal bediend; You give large —(ing)s =

groote porties; He couldn’t — himself = kon er niets aan doen; He

shan’t go if I can — it = als ik er wat aan doen kan; I couldn’t —

attaching myself to him = ik moest me wel aan hem hechten; Thank you

for —ing me forward = dat je me zoo vooruit geholpen hebt; He —ed me

off with my cloak = hielp mij afdoen; Let me — you off time = laat ik u

den tijd helpen verdrijven; He —ed me on with my coat = hielp mij

aantrekken; Can’t you — me on = kunt gij mij niet voorthelpen? To — out

with = aanvullen met; He —ed me over the stile = hij heeft mij over het

hek geholpen; May I — you to a potato = mag ik u geven? He —ed me to my

coat = verschafte mij; —mate = helper, helpster, kameraad, echtgenoote

= —meet; —er; —ful = hulpvaardig, heilzaam; subst. —fulness; —ing =

portie voedsel: I have not yet finished my first —ing of veal = mijne

eerste portie kalfsvleesch; —less = hulpeloos, machteloos, radeloos,

ongeneeslijk: He was —lessly drunk = stomdronken; subst. —lessness.

Helter-skelter, heltəskeltə, holderdebolder, verward: A — young fellow

= onbesuisd.

Helve, helv, steel van een hakmes, bijl, enz.; — verb. van een steel

voorzien: That is throwing the — after the hatchet = dat is den steel

naar de bijl werpen; —r = handvat.

Helvellyn, helvelin.

Helvetia, helvîšə, Helvetië; —n, helvîš’n, subst. en adj. Zwitser(sch);

Helvetic, helvetik, subst. Zwitser; adj. tot Helvetië behoorende.

Hem, hem, subst. “H’m”, korte hoest; zoom, rand, boord; — verb. “h’m”

roepen, aarzelen; zoomen, insluiten, omsingelen: —med in with enemies,

I knew not what to do = door vijanden van alle kanten ingesloten; My

feelings —med in my speech = beletten mij te spreken; —-stitch =

zoomsteek.

Hemans, hemənz, hîmənz.

Hematite, hîmətait, hemətait, bloedsteen, rood en bruin ijzererts.

Hemi, hemi, (in samenstellingen) half...: —carp, hemikâp, vrucht

(zooals eene perzik) die zich vanzelf in tweeën deelt; —plegia,

hemipledža, verlamming aan de eene zijde van het lichaam; —sphere,

hemisfîə, halfrond; —tone, hemitoun, halve toon.

Hemlock, hemlok, dolle kervel; —-spruce = Canadeesche (Hemlock) spar.

Hemp, hemp, hennep, werk; —-nettle = hennepnetel; —-seed = hennepzaad:

To die of a —en fever = aan de galg sterven.

Hen, hen, kip, hen: Every — must sit on her own nest = ieder moet zijn

eigen zaakje opknappen; —-bane = bilzenkruid; —-coop = hoenderhok;

—-harm, —-harrier = blauwe kuikendief; —-hawk = kuikendief; —-house =

kippenhok; —-peck: He is a —-pecked husband = hij zit onder de plak van

zijne vrouw; —-roost = hoenderrek, kippenhok; —nery = kippenloop.

Hence, hens, adv. vanhier, hier vandaan, daardoor komt het dat; interj.

weg, ruk uit; A week — = over eene week; — I am sad = dat is de reden

mijner droefheid; (From) —forth, hensföth, — forward, hensföwəd,

hensföwəd, voortaan.

Henchman, henšm’n, vroeger een bediende of page; betaalde politieke

aanhanger, handlanger.

Hendecagon, hendekəgon, elf hoek.

Hendecasyllable, hendəkəsiləb’l (vers)regel van elf lettergrepen; adj.

Hendecasyllabic.

Henriette, henrietə. Henry, henri.

Hent, hent, grijpen, pakken.

Hepatic(al), hipatik(’l), lever..; Hepatite, hepətait, hîpətait,

leversteen; Hepatitis, leverontsteking; Hepatocele = leverbreuk.

Heptachord, heptəköd, reeks van zeven noten, zevensnarig instrument;

Heptagon, heptəgon, zevenhoek; Heptahedral, heptəhîdr’l, zevenzijdig;

Heptahedron, heptəhîdr’n, zevenzijdige figuur; Heptangular,

heptaŋgjulə, zevenhoekig; Heptarchy, heptâki, heptarchie; Heptastich,

heptəstik, zevenregelig vers; Heptateuch, heptətjûk, de eerste zeven

boeken van het O. Testament.

Her, hɐ̂, bez. en pers. voorn.w., haar.

Heracl(e)id, herəkl(a)id, Heraclide; Heracl(e)idan, herəklaid’n, subst.

afstammeling van Hercules; adj. tot de Heracliden behoorende.

Herald, her’ld, subst. heraut, wapenheraut, bode, voorlooper; — verb.

aankondigen, verkondigen: —s’ college = Hooge Raad van Adel, bestaande

uit den Earl Marshal, 3 kings-at-arms en 6 heralds; —ic, həraldik,

wapenkundig; —ry, her’ldri, wapenkunde, praal; ambt van heraut = —ship.

Herb, hɐ̂b, gras, kruid (éénjarig); —-woman = groentevrouw; —aceous,

hɐ̂beišəs, tot de kruiden behoorende, plantenetend; —age, hɐ̂bidž, de

gezamenlijke kruiden of grassen, gras, weide, weiderecht; —al = kruiden

- -, planten - -; subst. kruidenboek, herbarium; —alist =

kruidenkenner, plantenverzamelaar, handelaar in geneeskrachtige

kruiden; —arium, hɐ̂bêriəm, plantenverzameling, herbarium; —iferous,

hɐ̂bifərɐs, planten voortbrengend; —ivora, hɐ̂bivərə, plantenetende

dieren; enkelv. —ivore; —ivorous, hɐ̂bivərɐs, plantenetend; —orize =

botaniseeren.

Herculean, hɐ̂kjûlj’n, herculisch, buitengewoon sterk, groot, moeilijk

of gevaarlijk; Hercules, hɐ̂kjulîz, Hercules: — beetle = Herculeskever.

Hercynian, hɐ̂siniən: — forest = groot bergwoud.

Herd, hɐ̂d, subst. kudde, troep, zootje herder, hoeder; — verb. in

kudden leven zich vereenigen, hoeden, oppassen: To — cattle; —-book =

rundveestamboek; —’s-grass = weidegras; —’s-man = veehoeder = —er

(Amer.) ook (fig.).

Here, hîə, hier, bij deze gelegenheid: —’s to J.! = daar gaat (= ik

drink op) J.; It was Sir P. —, Sir P. there, Sir P. everywhere = vóór

en na; It’s Mr. D. —, and Mr. D. there; That is neither — nor there =

dat hoort er niet bij, doet niets tot de zaak af; — you are =

alstublieft; —about(s) = hieromtrent, hier in de buurt; —after = subst.

het hiernamaals; adj. aanstaande, toekomstig; adv. hierna, voortaan;

—at = hierbij; —by = dichtbij; —in = hierin; —of, hiervan, hier

vandaan; —on = hierop; —to = hiertoe, hierbij; in overeenstemming

hiermede; —tofore = eertijds, vóór dezen; —upon = hierop; —with, —widh,

hiermede, bij deze(n).

Hereditable, həreditəb’l, erfelijk; Hereditament, herəditəment,

həreditəment, erfgoed; Hereditary, həreditəri, erfelijk, overerfbaar

(van ziekte), erf..; Heredity, hərediti, erfelijkheid, overerving.

Hereford, herfəd.

Heresiarch, herəsiâk, hərîsiâk, aartsketter, ketterhoofd; Heresy,

herəsi, ketterij; Heretic, herətik, ketter; Heretical, həretik’l,

kettersch.

Heriot, heriət, schatting, aan den landheer te betalen bij den dood van

den pachter.

Herisson, heris’n, Spaansche of Friesche ruiter (Mil.); egel (Herald.).

Heritability, heritəbiliti, erfgerechtigdheid, erfelijkheid; adj.

Heritable; Heritage, heritidž, erfenis, erfdeel.

Hermaphrodite, hɐ̂mafrədait, subst. tweeslachtig dier of plant; adj.

tweeslachtig; adj. Hermaphroditic(al), hɐ̂mafrəditik(’l),

Hermaphroditism, hɐ̂mafrədaitizm.

Hermeneutic(al), hɐ̂mənjûtik(’l), uitleggend, verklarend; Hermeneutics,

hɐ̂mənjûtiks, uitlegkunde (vooral van de H. Schrift).

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 53 / 141 段