Necromancer, nekrəmansə, toovenaar; Necromancy = zwarte- of

tooverkunst; Necromantic of Necromantic = toover - -.

Necropolis, nikropəlis, doodenstad, begraafplaats; Necroscopic = de

lijkschouwing betreffend; Necroscopy = lijkschouwing.

Necrose, nekrous, nekrous, door beeneter of koudvuur aangetast worden

of zijn; Necrosis, nikrousis = beeneter, koudvuur.

Nectar, nektə, nectar; honigsap; —eal, —ean, nəktêriəl, —ən, —eous,

nəktêriəs, nectarachtig, heerlijk als nectar; —iferous =

honigsaphoudend; —ine, nektərin, soort v. West-Ind. pruim; —ous,

nektərəs = —eous; —y, nektəri, honigkelk (v. eene bloem).

Ned(dy), ned(i) = Edward.

Neddy, nedi, ezel; ploertendooder.

Need, nîd, subst. nood, behoefte, ellende, nooddruft; — verb. behoeven,

noodig hebben, noodig zijn: At the hour of —; In time of —; A friend in

— is a friend in deed; He has — (stands in —) of a good scolding = moet

eens hebben; There is no — for crying = ge behoeft niet; About as gay a

thing as — be = als mogelijk is; If — be = zoo het noodig is; You — not

do it = gij behoeft het niet te doen; He —ed to go there = moest er

noodzakelijk naar toe; —ful = noodig, vereischt; ook subst.; We do the

—ful with these bills to your credit; = wij brengen deze wissels op uw

credit; —fulness = noodzakelijkheid; —iness = nooddruft, ellende;

—less(ness) = noodeloos(heid); It is —less to discuss the point; —s =

noodzakelijk, noodwendig, onvermijdelijk: He must —s go whom the devil

drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen; —y =

behoeftig, armoedig.

Needle, nîd’l, subst. naald, magneetnaald, wijzer, spits, obelisk;

ergernis, zenuwachtigheid; — verb. doorboren; prikkelen, ergeren;

naaldvormige kristallen schieten: As sharp as a — = zeer slim; zoo

scherp als een vlijm; Dip of the — = helling van de magneetnaald; To

get, have the — = geprikkeld, zenuwachtig worden (zijn); —-book =

naaldenboekje; —-case = naaldenkoker; —-furze = kattendoorn; —-gun =

naaldgeweer; —-leaved trees = naaldboomen; —-point = punt, prik (fig.);

—-woman = naaister; —-work = naaldwerk, naaiwerk, handwerken,

borduurwerk (Fancy —-work = fraaie handwerken); —ful = een draad

naaigaren.

Ne’er, nêə, verk. v. never: He is a —-do-good (—well) = hij is een

onverbeterlijke deugniet.

Nefarious, nifêriəs, afschuwelijk, schandelijk: — practices, means;

subst. —ness.

Negation, nigeiš’n, ontkenning; leegte; Negative, negətiv, ontkennend,

negatief; subst. ontkenning, weigering, negatief (photogr.), negatieve

pool; — verb. ontkennen, verwerpen, weerleggen: —-electricity; He

answered in the — = ontkennend; I —d his arguments = ik bewees de

onjuistheid van; To — a motion = verwerpen; Negatory = ontkennend.

Neglect, niglekt, subst. verzuim, verwaarloozing, zorgeloosheid; —

verb. verzuimen, verwaarloozen, over het hoofd zien: I did it in — =

uit achteloosheid; He studied literature, to the — of his other work =

met veronachtzaming van; To — one’s duty, an opportunity; —edness =

verwaarloozing; —ful = achteloos, nalatig, onverschillig; subst.

—fulness.

Negligée, negližî, ochtendjapon, négligé; negližei, halssnoer v.

ongeslepen koralen.

Negligence, neglidžens, nalatigheid, verzuim, achteloosheid,

geringschatting; adj. Negligent.

Negotiability, nigoušəbiliti, subst. v. Negotiable, nigoušəb’l,

verhandelbaar; Negotiate, nigoušieit, handelen, verhandelen,

onderhandelen, in omloop brengen, sluiten (v. leeningen); subst.

Negotiation: To carry on (To enter into) —s with = onderhandelingen

voeren (treden in); Negotiator = onderhandelaar; makelaar; Negotiatory

= handelend, onderhandelend.

Negress, nîgrəs, negerin; Negrillo, nigrilou, dwergneger

(Midden-Afrika); Negrito, nigrîtou, Negrito (op de Philippijnen);

Negro, nîgrou, neger: — minstrels = (meest nagebootste) negerzangers;

—-driver = blankofficier; —-head = pruimtabak in reepen geperst; —land

= Afrika ten Z. van de Sahara; Negroid, nîgrôid, negerachtig.

Negus, nîgəs, Negus; warme gekruide wijn.

Nehemiah, nîhimaiə, Nehemia.

Neigh, nei, hinniken; subst. gehinnik.

Neighbour, neibə, subst. buur(man), concurrent, naaste; adj.

aangrenzend, naast; — verb. nabij wonen, vriendschappelijk verkeeren,

aangrenzen; —hood = nabijheid, nabuurschap, omtrek: It was somewhere in

the —hood of 50 dollars = het was zoowat om en bij de 50 d. (Am.);

—liness, subst. v. —ly = als goede buren, gezellig, vriendelijk.

Neill, nîl; Neilson, nîls’n.

Neither, naidhə, nîdhə, geen van beiden, noch, en ... ook niet: — ...

nor = noch ... noch; He does not like her, — do I = en ik ook niet; He

is not so bad — (in plaats van either) = nog niet zoo kwaad.

Nell(y), nel(i); Nelson, nels’n; Nemean, nimîən, nîmiən; Nemesis,

neməsis, Nemesis, ook fig.; Nenagh, neinə.

Nenuphar, nenjufâ.

Neolithic, nîəlithik, tot de latere steenperiode behoorende.

Neologian, nîəloudž’n, neologisch; neoloog; Neological = neologisch;

nieuw gevormd; Neologism, niolədžizm, nieuw woord, nieuwe beteekenis,

nieuwe leerstelling; Neologist = neoloog; Neologize = nieuwe woorden,

beteekenissen of leerstellingen invoeren; Neology = neologie, invoering

van nieuwe woorden of moderne godsdienstbegrippen.

Neophyte, nîəfait, subst. novice, nieuweling, beginner; adj. pas

toegelaten.

Neoplatonic, nîəplətonik, Nieuw-Platonisch; Neoplatonism =

Nieuw-Platonische wijsbegeerte; Neoplatonist.

Neoteric, nîəterik, nieuw, modern; ook subst.

Nepaul, nəpôl, stad: — paper = sterk ongelijmd schrijfpapier: —ese,

nepôlîz, subst. en adj. (bewoner) van N.

Nepenthe, nipenthî, tooverdrank, die alle leed doet vergeten = —s; dit

ook = kannekenskruid.

Nephew, nevjû, neef (oomzegger).

Nephralgia, nifraldžə, nierpijn; Nephritic = nier - -; subst. middel

tegen nierziekte; Nephritis, nifraitis, nierontsteking; Nephrotomy,

nifrotəmi, nieroperatie.

Nepotic, nipotik, adj. van Nepotism, nepətizm, nîpətizm, nepotisme.

Neptune, neptjûn, Neptunus; Neptunian, nəptjûnj’n, tot N. of de zee

behoorende.

Nereid, nîri-id, zeenimf; borstelworm.

Nero, nîrou; adj. Neronian.

Neroli, Neroly, nerəli, nîrəli, oranjebloesemolie.

Nerve, nɐ̂v, subst. zenuw, nerf, pees, spierkracht, geestkracht, moed,

durf; — verb. versterken, bemoedigen; zijn moed bijeenrapen, moed

vatten (oneself, one’s mind): He has not got the — to do it = durft

niet; She was —s and nothing else = door en door zenuwachtig; To be (to

get) on one’s —s = zenuwachtig zijn; zenuwachtig maken; He recovered

his — = herkreeg zijne zelfbeheersching, kracht: He —d himself = vatte

moed, vermande zich; —d = met nerven; —less = zwak, zonder kracht;

subst. —lessness; Nervine, nɐ̂v(a)in, zenuw ..., kalmeerend middel;

Nervose, nɐ̂vous, nɐ̂vous, zenuw ...; geribd, geaderd; Nervosity =

zenuwachtigheid; Nervous, nɐ̂vəs, zenuwachtig, zenuw ...; gespierd,

krachtig: — English = gespierd Engelsch; — fever = zenuwziekte; — force

= innerlijke kracht, spierkracht; subst. —ness; Nervure, nâvjə,

vertakking d. nerven (in een blad), ribben in de vleugels der insecten;

Nervy, nɐ̂vi, krachtig, moedig, driest, moed vereischend.

Nescience, nešiəns, nîšiəns, onwetendheid.

Ness, nes, voorgebergte, landtong.

Nest, nest, nest, verblijf(plaats), schuilhoek, haard (pathol.), bende;

— verb. nestelen, een nest bouwen of uithalen, in een nest leggen, of

liggen: — of boxes; To build (make) a —; He has feathered his — = is

binnen; —-chicken; —-egg = nestei, potpenning(-geld); —ling =

nestvogel; adj. jong.

Nestle, nes’l, zich nestelen, (zich) verschuilen, aankruipen, verborgen

liggen: The little girl —d close to her mother = kroop dicht aan; He —d

himself to her = vlijde zich tegen haar aan; His head —d itself on my

shoulder = hij lei zijn hoofd op mijn schouder.

Nestor, nestə, Nestor.

Net, net, subst. net (val)strik (fig.), soort mousseline, netwerk; —

verb, tot een net maken, haken; in een net vangen, verstrikken: —maker;

—-work = netwerk; —-work of railway-lines = spoorwegnet; —ting = het

netten maken, netwerk (op schepen, enz.); —ting-needle = haaknaald,

haakpen; —ting-pin.

Net, net, netto; — verb. netto opbrengen: — amount, — gain, — profits,

— price, — proceeds, — weight.

Nether, nedhə, lager, beneden: — lip = onderlip; — millstone (Job.);

—most = laagste, onderste; —land = Nederlandsch; The —lands =

Nederland(sch); —lander, —landish.

Nettle, net’l, subst. brandnetel (= Common —, Stinging —); — verb. boos

maken, prikkelen: — in, dock out (In dock, out —) van den hak op den

tak; To be —d at = geprikkeld, geërgerd; —-cloth = neteldoek; —-rash =

netelroos.

Neufchatel, nɐ̂šatel.

Neural, njûr’l, de zenuwen betreffend; —gia, njuraldžə, zenuwpijn;

Neuralgic = neuralgisch; Neurasthenia, njurasthənaiə, neurastenie;

Neurasthenic = neurastenisch; neurastenicus; Neuritis, njuraitis,

zenuwontsteking; Neurology = zenuwleer; Neuropathy, Neurosis,

njurousis, zenuwlijden; Neurotic, njurotik, zenuw- -, zenuwlijdend,

zenuwsterkend; subst. zenuwlijder, zenuwmiddel.

Neuter, njûtə, adj. onzijdig, onovergankelijk; geslachtloos; subst.

onzijdig geslacht, geslachtloos dier (plant); Neutral, njûtr’l, adj.

onzijdig, onverschillig, neutraal, onpartijdig; subst. onzijdig

persoon; Neutrality = onzijdigheid; Neutralization, subst. v.

Neutralize = neutraliseeren, neutraal verklaren, onschadelijk maken: To

— each other = tegen elkaar opwegen.

Nevada, nəvâdə.

Never, nevə, nooit, geenszins, nimmer, volstrekt niet, toch niet: He’s

— the one to pay = hij betaalt nooit; He is — the better for it = hij

is er daarom niet beter aan toe; — a word = geen stom woord; Well, I —!

= heb ik ooit van mijn leven; — so much as = niet eens, zelfs niet; Be

he — so rich = al is hij nog zoo rijk; That problem is — so simple =

vraagstuk is doodeenvoudig; —-do-well lad = deugniet; —-dying =

onsterfelijk; —-failing = onfeilbaar; — fear = heb geen zorg; — mind =

dat doet er niet toe, dat behoef jij niet te weten; — say die = je moet

nooit den moed opgeven; —more = nimmermeer; —theless, nevədhəles,

niettemin, niettegenstaande.

Nevil(le), nevil.

New, njû, adj. nieuw, onbekend, onervaren, versch, frisch: — bread =

versch; — man = parvenu; — moon; The — woman = de geëmancipeerde, de

moderne vrouw; The — World = de Nieuwe Wereld; That’s nothing — to me =

dat is niet nieuw voor mij; He is — to the business = er nog niet mede

op de hoogte; —-birth = wedergeboorte; —-born = pasgeboren; —-comer =

pas(aan)gekomene; —fangled, njûfaŋgld, njûfaŋgld, nieuwerwetsch; subst.

—fangledness; —-fashioned = nieuwmodisch; —-laid eggs = versche eieren;

—(ly) married = pasgetrouwd; —-model = nieuw modelleeren; —-painted =

pas geverfd; —-year = Nieuwjaar; —-year’s Eve = Oudejaarsdag; —ish =

eenigszins nieuw; —ly = kortgeleden, op nieuwe wijze, opnieuw: —ness =

nieuwheid, onervarenheid.

New Britain (—brit’n); New Brunswick; Newbury, njûbəri; New Caledonia;

Newcastle, njûkâs’l; Newcomen, njûkom’n; New England (= Maine, New

Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode Island, Connecticut);

Newfoundland, njûfaundland, njûfôndland, njûfôndland, het eiland en de

N. hond; Newfoundlander, bewoner, vaartuig, hond; New France, oude naam

voor Canada; New Guinea (—gini); Newhaven, njûheiv’n; New Hebrides (—

hebridîz); New Holland; Newmarket, njûmâkit; New Orleans, njû öliənz,

njû ölînz; New South Wales; New York, njûjök; New Zealand.

Newel, njûəl, stijl van eene wenteltrap.

Newgate, njûgit, gevangenis in Londen: A — fringe beard = baard onder

de kin.

News, njûz, nieuws, tijding, bericht: An item (A piece) of — =

nieuwtje; No — is good —; I had news that = ik hoorde; What’s the —? =

wat voor nieuws is er? —-agent = agent voor dagbladen, etc.; —-boy =

courantenjongen = —-man; —-monger = nieuwtjesverspreider; —-paper =

courant: Some of these essays are too obviously —paperish = dragen al

te zeer den stempel couranten-artikelen te zijn: —-room = tijdingzaal,

leeszaal: —-vender, —-vendor = courantenverkooper; —-walk = buurt of

wijk van een —-boy.

Newt, njût, watersalamander.

Newton, njût’n, Newton: —ian, njûtounj’n, subst. en adj. (volgeling)

van N.

Next, nekst, naastbij, naast, volgende op, daarna: Wear flannel — your

skin = op je bloote lijf; This — Thursday = den eerstvolgenden; — time

= de volgende keer: — after you = dadelijk na u; I am the — in blood, —

of kin = ik volg in graad van bloedverwantschap; He has — to nothing =

zoo goed als niets; —-door to poverty = de armoede nabij; He is —-door

to an idiot = driekwart idioot; He lives —-door = hiernaast; — eldest

to = in leeftijd volgende op; — M. in age = volgt op M.: What —? = wat

zullen we nu nog hebben? dat is àl te gek; Nog iets?

Nexus, neksəs, band, verbinding.

Niagara, naiagərə: Falls of —.

Nib, nib, snavel, mand, spits, punt, pen, koffieboon, cacaoboon; —

verb. van een nib voorzien, spitsen: A soft — = zachte pen; Hard —bed =

met harde punt.

Nibble, nib’l, — verb. knabbelen, bijten, visschen, vitten, gappen; ook

subst.: A glorious day for a — = prachtige dag om te hengelen; To —

bare = kaal vreten; To — off; —r = vitter.

Niblick, niblik, een zware ijzeren kolf met kleinen voet, gebruikt

wanneer de bal in wagensporen, struiken, etc. ligt (Golfspel).

Nicaea, naisîə: —n councils; Nicaragua, nîkarâguə, nikərâguə; Nice,

nîs, Nizza; nais, Nicea.

Nice, nais, stipt, nauwkeurig, keurig, zedig, kieskeurig, preutsch,

teer, lastig, lekker, aangenaam, lief: That’s rather a — question =

lastige vraag; You must not be — about accepting it = u niet geneeren

om het aan te nemen; —ish, naisiš, lief, aardig: A —ish girl; —ness =

liefheid, keurigheid, aangenaamheid, enz.; Nicety = fijnheid (van

waarneming), nauwkeurigheid, kieschheid, kieskeurigheid; lekkernij: The

coat fits to a — = zit keurig; One must not stand upon niceties = men

moet de dingen niet al te nauw nemen; I can’t weigh niceties = rekening

houden met zulke bagatellen; Niceties of words = spitsvondigheden.

Niche, nitš, nis, plaats, schuilhoek; — verb. in een nis plaatsen,

verbergen.

Nicholas, nikəlas: The Festival of St. —: Nichol(l)s, nikəlz.

Nick, nik, kabouter, demon; kerf, kerfstok, rekening; juist oogenblik,

hooge worp (bij het dobbelen), centstuk (Amer.); — verb. kerven, eene

inkerving maken; op het juiste oogenblik treffen, overeenstemmen,

passen: gappen, zich vlug bewegen: Old — = de duivel; Speak of the Old

— and you’ll get an odour of brimstone = als je van den duivel spreekt,

trap je hem op zijn staart; In the very —, just in the — of time = te

juister tijd; That is out of all — = gaat buiten de schreef.

Nickel, nik’l, nikkel, 5 centstuk (Amer.): They spun a — = gooiden op;

—-plated = vernikkeld; —-silver; Nickelic, nikəlik, nikelik =

nikkelachtig, nikkel... = —iferous = nikkelhoudend.

Nicker, nikə, hinniken (N. E. en Schot.).

Nick-nack, niknak = knick-knack.

Nickname, nikneim, subst. bijnaam, scheldnaam: — verb. een bijnaam

geven.

Nicobar, nikəbâ: — Islands; Nicodemus, nikədîməs.

Nicotin(e), nikətin, nikətîn, nicotine; Nicotinism =

nicotinevergiftiging.

Niddle-noddle, nid’lnod’l, knikkend; — verb. knikkebollen, op en neer

gaan; The plumes —d on the horses’ heads.

Nidification, nidifikeiš’n, het maken van nesten: Nidify, nesten

bouwen.

Nidnod, nidnod, knikkebollen; —y = sukkel.

Nidus, naidəs, nest, broedplaats; infectiehaard.

Niece, nîs, nicht (oom- of tantezegster).

Niemen, nîm’n.

Nifty, nifti, goed, voldoende (Amer.).

Niger, naidžə.

Niggard, nigəd, subst. vrek; adj. vrekkig, gierig; —liness =

vrekkigheid; adj. —ly.

Nigger, nigə, nikker: He works like a — = als een ezel.

Niggle, nig’l, beuzelen, beknibbelen, kleingeestige aan- of opmerkingen

maken over (about), peuterig uit- of afwerken; ook subst.; Niggling =

peuterig, krenterig.

Nigh, nai, nabij, nauw verwant, bijna (poët.): Well — = bijna; To be —

at hand = nabij zijn; To draw — = naderen; subst. —ness.

Night, nait, nacht, avond, duisternis, onwetendheid, dood, tijd van

rouw en smart: At (By) — = ’s nachts = In the —; At dead of — = in ’t

holst van; Last — = gisteravond; (Late) at — = (laat) in den avond

(nacht); To-— = van avond; Taking — = avond waarop de jongens een

kermisvrijster kozen; A first —(er) = eerste opvoering; To bid (wish)

good —; We have made a — of it = wij hebben den geheelen nacht

doorgezwierd; To pass (spend) the —, To stay all — = overnachten;

—-bell = nachtbel; —-brawler = (nacht)rustverstoorder; —-cap =

slaapmuts, slaapmutsje(fig.); —-cart = kar van den reinigingsdienst;

—-clothes (—-dress) = nachtgoed; —fall = het vallen van den avond;

—-fly = avondvlinder, mot; —-gear = nachtgoed; —-gown = nachtjapon:

—-gown case = nachtzak; —-jar = geitenmelker (= —-hawk); —-light; —-man

= nachtwerker, man van den reinigingsdienst; —mare = nachtmerrie; —-pan

= ondersteek; —-piece = nachtstuk; —-porter = nachtportier; —-school =

avondschool; —shade = nachtschade (plant); —shirt = nachthemd; —-soil =

fæcaliën; —-stand = nachtkastje; —-stool = stilletje; —-train; —-walker

= slaapwandelaar, nachtelijk vagebond, prostituée; —-watch =

nachtwacht; wekker; —-watchman; —ly = nachtelijk, elken nacht; —y =

nachtpon.

Nightingale, naitingeil, nachtegaal.

Nigritia, nigrišə; adj. —n, ook subst. neger.

Nihilism, naihilizm, nihilisme; Nihilist = nihilist; adj. Nihilistic.

Nil, nil, niets, leeg: — desperandum! = ende désespereert niet!

Nile, nail, de Nijl; Nilgiri, nilgîrî: — Hills.

Nilly-willy, niliwili, goed- of kwaadschiks.

Nimble, nimb’l, vlug, lenig: The —-fingered gentry = de heeren met

lange vingers (dieven); —-footed = vlug ter been, rap v. voet; subst.

—ness.

Nimbus, nimbəs, stralenkrans.

Nimeguen, nimeig’n, Nijmegen.

Niminy-piminy, niminipimini, geaffecteerd, gekunsteld; ook subst.

Nincompoop, niŋk’mpûp, stommerik, sul = Nincom.

Nine, nain, negen: The (sacred) — = de muzen; Dressed up to the —s =

keurig, netjes, piekfijn gekleed; That’s a — days’ wonder = verbaast de

wereld eene week lang; — corns = een pijp vol; — winks = knippertje

(dutje); —pin = kegel: They were playing at —pins = zij waren aan het

kegelen; —fold = negenvoudig; —teen = negentien; She would chatter

—teen to the dozen = praatte honderd uit; —teenth = negentiende;

—tieth, naintiəth, negentigste; —ty = negentig; Ninth, nainth, negende;

—ly = ten negende,

Ninny, nini, sukkel.

Niobe, naiəbî, Niobe.

Nip, nip, verb. nijpen, knijpen, omsluiten, afknijpen, door vorst

beschadigen of vernielen, snijden (van koude), prikken, kwellen,

pijnigen, ergeren; subst. kneep(je), beschadiging (door vorst en

koude), slag, wippertje (borrel): —ped in the bud = in den knop gedood;

in de kiem gesmoord; —ped by the ice = ingesloten door; I’ll first take

my — and then my nap = eerst mijn wippertje en dan mijn knippertje; He

takes two —s a-day = hij gebruikt zijne twee borrels per dag; There was

an exhilarating — in the air = de vorstige lucht had iets opwekkends;

—per = knijper, voortand van een paard, schaar (van een kreeft),

vorstige dag, peuter, jongmaatje; —pers = (kleine) nijptang, schaar,

knijper(s), soort handboeien; —ping = knijpend, scherp, snijdend,

sarcastisch, stekelig; geaffecteerd (Amer.); —py = krachtig; scherp,

bijtend: You had to look very —py to see him = scherp en vlug kijken.

Nipple, nip’l, tepel.

Nirvana, nirvâna, Nirwana; Nisan, naisan, nîsân.

Nisi Prius, naisai praiəs, (= unless previously), bevelschrift den

Sheriff gelastend voor een Jury te zorgen aan het Court of Westminster,

tenzij de Judges of Assize eerder naar zijn County komen; bevoegdheid

aan deze writ ontleend; behandeling van een zaak krachtens dit bevel;

civiele zaken door de Judges of Assize behandeld.

Nit, nit, neet (van ongedierte).

Nitre, naitə, salpeter; Nitric: — acid; Nitrification =

salpetervorming; Nitrify = tot salpeter vormen (worden); Nitrogen,

stikstof; Nitro-glycerine; Nitrous: — acid = salpeterig zuur; Nitry =

salpeter...

Nix(ie), niks(i), watergeest.

Nizam, nizâm, nizam, titel van den vorst van Hyderabad.

No, nou, neen, niet; geen; subst. ontkenning, weigering, tegenstemmer,

stem tegen: — cards = algemeene kennisgeving; — such matter =

geenszins; It is — matter = het kan niets schelen; By — means = in geen

geval; Of — use = nutteloos; —! (als uitroep) = och kom! wat je zegt!

There is — avoiding it = dat is niet te vermijden; The —es have it =

het voorstel is verworpen; Twenty —es and five ayes = twintig stemmen

tegen en vijf vóór; The everlasting — = ontkenning van het

bovenzinnelijke, de sceptische geest.

Noah, nouə, Noach.

Nob, nob, knop, kop, hoofd; hooge (oome): Old —s = de oude heer; —by =

prachtig, piekfijn.

Nobble, nob’l, beetnemen, bepraten, gappen: To — the favourite = de

favourite door eenig gift ongeschikt maken om mee te loopen; —r = slag

op het hoofd; diefjesmaat.

Nobiliary, nəbiljəri, adellijk, adel...; subst. adelboek.

Nobility, nəbiliti, adel tot en met de Barons; grootheid: — of soul;

Noble, noub’l, edel, grootmoedig, doorluchtig, adellijk, prachtig,

statig; subst. edelman; rozenobel (oude munt van 6s.8p.): —man (—woman)

= adellijke (man, vrouw); — metals = edele metalen; —-minded; subst.

—-mindedness; —ness = edelheid, adel (fig.), grootschheid; Nobly-born =

van adellijke geboorte.

Nobody, noubədi, niemand, nul, proleet: He is a — = een nul; They are —

particular = zij zijn van gewone “kom-af”.

Nocake, noukeik, geroosterd maïpoeder.

Noctilionid, noktiljənid, Z.-Amer. vleermuis; Noctule, noktjul,

spekmuis of rosse vledermuis.

Noctograph, noktəgraf, schrijfraam voor blinden; contrôle-instrument

voor nachtwachten.

Nocturnal, noktɐ̂n’l, nachtelijk; Nocturne, noktɐ̂n, noktɐ̂n, nocturne

(muz.).

Nocuous, nokjuəs, schadelijk, giftig.

Nod, nod, knikken, knikkebollen, slapen, droomen, suffen, toeknikken;

subst. knik, wenk: A — is as good as a wink to a blind horse = een goed

verstaander heeft maar een half woord noodig; To give one a — =

toeknikken; He was a man to — to, not to speak with = hij was iemand om

op een afstand te kennen en te houden; He —ded approbation, an

affirmative, his assent = hij knikte goedkeurend, toestemmend; I had a

—ding acquaintance with him = kende hem eenigszins; —dy = wankel.

Noddy, nodi, domkop; ijseend; soort van zeezwaluw; zie Nod.

Noddle, nod’l, subst. kop: Cracked in the — = niet recht snik.

Nodal, noud’l, knoop...; Nodated, nouditid, geknoopt; Node, noud,

knoop, knoest, knobbel, spierverharding; verwikkeling, intrigue;

Nodose, nədous, noudous, met knoopen of knoesten; Nodosity, nədositi,

knoestigheid, knoop; Nodular, nodjulə, knoestig; Nodule, nodjûl,

klompje, knoestje, knobbeltje.

Nog, nog, houten nagel; — verb. met nagels bevestigen.

Noggin, nogin, kroes, maat (¼ pint), kop.

Nogoism, nougouizm, onmogelijkheid, wat niet gaat.

Nohow, nouhau, in geen geval: To look — = er verloopen, slordig

uitzien; —ish = onlekker.

Noise, nôiz, subst. geraas, getier, leven; — verb. tieren; verspreiden,

uitbazuinen: There is a — abroad = er loopt een gerucht; — in the ear =

oorsuizen; Hold your — = schei uit met je lawaai; He made a great — in

his time = deed veel van zich spreken; It was —d about = rondgebazuind;

—less = stil, zonder geraas of geluid; subst. —lessness; Noisiness,

subst. v. Noisy = druk, lawaaiig, luidruchtig.

Noisome, nôisəm, nadeelig, ongezond, walgelijk, stinkend; subst. —ness.

Noli me tangere, noulaimîtanžərə, kruidje-roermeniet, gewoon

springzaad, ezelskomkommer; een bepaalde huidziekte.

Noll, nol.

Nomad, nomad, noumad, subst. nomade; adj. nomadisch = Nomadic; —ism =

zwervend leven; —ize = een zwervend leven leiden.

Nombril, nombril, navel (Herald.).

Nomenclature, noum’nkleitjə, nomenclatuur, naamlijst.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 77 / 141 段