Start, stât, subst. plotselinge beweging (als van schrik of

ontsteltenis), sprong, voorsprong, (punt van) vertrek, begin; — verb.

opschrikken, opspringen, ontstellen, schichtig worden, ineenkrimpen,

vertrekken, afrijden, beginnen, oprichten, aan den gang brengen,

aanzetten, opjagen, losgaan, losspringen, gapen, losmaken, uitgieten,

ledigen: That’s a queer — = een rare manier van doen (van aanpakken);

By fits and —s = met horten en stooten, bij buien; He did it with a — =

plotseling, met een ruk; He gave a — = sprong ontsteld op; He gave me a

— (—ed me) in life = hielp mij aan den gang; To make a new — (in life)

= een ander leven beginnen; Don’t — such arguments on Sundays = werp

zulke kwesties niet op; We —ed a branch establishment = hebben een

filiaal opgericht; He may be dull at —ing game, he is unrivalled in

hunting it down = hij mag niet heel sterk zijn in het opjagen van wild;

The table was —ed at two guineas = de tafel werd ingezet voor; He

fairly —ed = schrok er bepaald van; I —ed at the sight = verschrikte,

ontstelde op het gezicht; We are —ing for America = gaan op reis naar

A.; He —ed from the hideous dream in time = hij ontwaakte verschrikt,

schrok wakker; He often talks and —s in his sleep = en schrikt op in

zijn slaap; Tears would — into her eyes = schoten haar in de oogen; To

— up steam = stoom opmaken; He was ugly to — with = om te beginnen: hij

was leelijk; Starter = opzichter, hij die bij wedrennen, enz. het

teeken van vertrek geeft; opdrijvende jachthond; Starting: —-hole =

sluipweg, uitvlucht; —-point = punt van vertrek of uitgang,

uitgangspunt; —-post = beginpaal (bij een wedren); —ly = met rukken en

horten; Startish = schuw, schichtig; Startle, subst. schrik, schok; —

verb. schrikken, ontstellen, doen ontstellen, onaangenaam verrassen: He

was —d at what he heard there = ontstelde van; Startling = hoogelijk

verbazend, schrik aanjagend, ontstellend: — news.

Starvation, stâveiš’n, hongerlijden, verhongering, gebrek: We were

reduced to a state of — = we verhongerden ten slotte; Starve, stâv, van

gebrek en honger (doen) omkomen, gebrek (doen) lijden: He tried to —

the garrison into surrendering = door honger tot overgave te dwingen;

(= To — out); They were starving with cold = kwamen om van koude;

Starveling, subst. hongerlijder; kwijnende plant; uitgehongerd dier;

adj. hongerig, ellendig, mager: His own threadbare and — condition =

armoedige en ellendige toestand; Starving system = hongerkuur.

Stash, staš, ophouden: — that grin = schei uit met dat gegrinnik; — the

glim! = ’t licht uit.

Statant, steit’nt, staande (herald.).

State, steit, subst. staat, toestand, stemming van de markt; rang,

stand, luister, rijk; adj. staats..., officieel, staatsie...; — verb.

vaststellen, de bijzonderheden mededeelen, verhalen: The queen appeared

in — = verscheen officieel, in allen luister; You need not get into a —

over it = je er niet zoo driftig over maken; To lie in — = op het

praalbed liggen; To live in (a) great — = op grooten voet; —s General =

de Staten-generaal (Frankr. in 1789; Nederland); I wish to — this first

of all = wensch te constateeren; Let us — the case lucidly = laat ons

het geval duidelijk stellen; —-affairs = staatszaken; —-ball = hofbal;

—-cabin = luxe hut; —-carriage = staatsierijtuig; —-craft = staatkunde;

—-criminal = politiek misdadiger; —-house = gebouw waarin de Staten

vergaderen (Amer.); —-paper = officieel stuk, staatscourant; —-prison =

staatsgevangenis; —-prisoner = staatsgevangene; —room = staatsiezaal,

kajuit; afdeeling van een slaapwagon; hut (= —-cabin); —-stroke =

staatsgreep; —-trial = politiek proces; —sman = staatsman, Amerikaan;

—smanlike, —smanly = als een staatsman; —smanship = staatkunde, beleid;

—d: You must keep —d hours for your work = bepaalde uren hebben; —less

= zonder praal of staatsie; —liness, subst. v. —ly = statig, prachtig,

grootsch; —ment = verhaal, stelling, opgave.

Static(al), statik(’l), tot het evenwicht behoorende; Statics =

statica, leer van het evenwicht.

Station, steiš’n, subst. stand, het staan, standplaats, post, rang,

(politie)bureau, station, fokkerij, fokstation; — verb. plaatsen,

stationneeren: His — in life was exalted = rang in de maatschappij; I

take (up) my — there = plaats mij daar; Policemen are —ed at

streetcorners = staan op post; —-clerk; —-house = politiebureau;

station; —-master (-mistress) = stationschef; —ary = stilstaand, vast:

—ary engine = vaststaande machine; To remain —ary = op dezelfde hoogte

blijven; Stationer = handelaar in schrijf behoeften: Fancy — =

handelaar in luxepapier, fantasieartikelen, enz.; Flying — =

colporteur; Registered at —s’ Hall = copierecht verzekerd door

inschrijving in de registers van deze Hall (gilde); —y =

schrijfbehoeften.

Statistical, stətistik(’l), de statistiek betreffende; Statistician,

statistiš’n, statisticus; Statistics, statistiek(en).

Statuary, statjuəri, de beeldhouwkunst betreffend; subst.

beeldhouwkunst, beeldhouwer, standbeelden; Statue, statju, subst.

standbeeld: A — was erected (raised) to him = er werd een standbeeld

voor hem opgericht; Equestrian — = ruiterstandbeeld; —-like =

Statuesque, statjuesk, standbeeldachtig, onbewegelijk; Statuette,

statjuet, beeldje.

Stature, statjə, gestalte, lengte.

Status, steitəs, toestand, stand.

Statutable, statjutəb’l, volgens de wet, wettelijk, normaal: He was not

statutably eligible = volgens de wet verkiesbaar; Statute, statjut,

wet, keur, instelling: — law = de geschreven wet; — of limitations =

wet omtrent schuldverjaring; —-cap = wollen muts, die onder Koningin

Eliz. de burgers Zondags moesten dragen; —-labour = verplichte arbeid

door het rijk geëischt voor het maken van bruggen, wegen, enz. in

Schotl.; Statutory, statjutəri, volgens de wet, wettelijk

voorgeschreven: — declaration = schriftelijk gegeven eerewoord in

plaats v. een eed.

Staunch, stânš, stônš, adj. sterk, krachtig, hecht, waterdicht; trouw,

betrouwbaar: — verb. stelpen, tegenhouden: He is a — Catholic = een

oprecht Katholiek; To — a wound; —er = wie of wat stelpt; —less = wat

niet te stelpen is; subst. —ness.

Staunton, stânt’n.

Stave, steiv, subst. duig; zang van een gedicht; — verb. in duigen

slaan, indrukken, barsten, duwen, afweren, verschuiven: The fore

compartment is stove right in = geheel ingedrukt; He contrived to — off

actual bankruptcy = faillietverklaring af te wenden; He tried to — off

his perplexities = al wat hem hinderde van zich af te zetten; —s =

Meerv. van Staff.

Stavesacre, steivzeikə, staverzaad.

Stay, stei, subst. steun, stut, verblijf, stilstand, hinderpaal,

uitstel, stag (scheepsterm); (—s = keurslijf, korset, etc.); — verb.

blijven, steunen, verhinderen, uitstellen, laten liggen, wachten,

logeeren, weerhouden: Will you — (for) supper? = blijven soupeeren; We

are —ing at the sign of the Ship = logeeren in het logement “Het

Schip”; You are —ed for = men wacht op u; To — in = binnenblijven,

nablijven (op school); If you — out beyond eleven, you shall — in

to-morrow = uitblijft, blijft ge morgen thuis; To — up at the

University = niet met vacantie gaan; I will — up for you = voor je

opblijven; The ship was in —s, was hove in —s = lag in de wending; The

vessel missed —s = weigerde te wenden; He is a sad —-at-home (man) =

een echte huishen; —lace = korsetveter; —-maker = korsetmaker; —-sail =

stagzeil; —er = fietser met veel —ing-power (= uithoudingsvermogen).

Stead, sted, subst. plaats, plek, stede, nut, voordeel; — verb. van

dienst zijn, te stade komen: It has done me —, stood me in good — =

heeft mij dienst gedaan, is me goed te pas gekomen; In — of = in plaats

van; Steadfast, stedfast, standvastig, vastberaden, onwrikbaar; subst.

—ness.

Steadiness, stedinəs, subst. v. Steady.

Steading, stediŋ, hofstede (Schotl.).

Steady, stedi, vast, onveranderlijk, geregeld, oppassend; — verb.

geregeld of bestendig maken (houden, loopen, gaan): A — young man =

soliede jonge man; —-going = kalm, bedaard; The prices were —ing =

werden vast.

Steak, steik, runder- of varkenslapje, etc.

Steal, stîl, stelen, wegnemen, steelswijze verkrijgen, sluipen: He

stole a look at her = wierp een steelschen blik op; We have stolen a

march upon you = zijn u vóór geweest, hebben u de loef afgestoken; To —

a marriage (match) = (schaken, om) in ’t geheim (te) trouwen; He stole

into the house = sloop het huis binnen; He stole upon us = besloop ons;

—er; Stealth, stelth: By — = ter sluiks, steelswijze; —iness, subst. v.

—y, stelthi, sluipend, heimelijk.

Steam, stîm, subst. stoom, uitwaseming; — verb. stoomen, dampen, door

stoom bewegen, aan de werking van stoom blootstellen, razen: Within a

day’s — of Madeira = stoomens; At full — = With all the — on = met

vollen stoom; To blow off the — = laten vliegen, laten uitrazen; You

must try to get — up = stoom zien te maken; op gang zien te komen; I

have got (the) — up = ik ben klaar, bereid; To have the — on = stoom op

hebben; To put (turn) on — = toelaten; zich inspannen; The potatoes

were —ed instead of boiled = werden gaar gestoomd; —-bath; —boat =

stoomboot; —-boiler = stoomketel; —-carriage = stoomwagen; —-cylinder;

—-dome = stoomhouder; —-engine = stoommachine; —-gauge = manometer;

—-hammer = stoomhamer; —-heat = verwarming door stoom: He intends to

put in —-heat = zijn huis centraal te verwarmen; —-heating = centrale

verwarming; —-launch = stoombarkas; —-navigation = stoomvaart; —-packet

= mailboot; —-plough; —-press; —ship = stoomschip; —-tug = sleepboot;

—-valve = stoomklep; —-vessel = groot stoomschip; —-whistle =

stoomfluit; —er = stoomboot, stoomkoker, stoombrandspuit: Horse (Motor)

—er = door paarden getrokken (motor) stoombrandspuit; —y = vol stoom,

mistig.

Stearin, stîərin, stearine: — candle.

Steatite, stîətait, speksteen.

Steed, stîd, (strijd)ros: While the grass grows the — starves = al

pratende gaat de gelegenheid voorbij; Iron (Steel) — = rijwiel.

Steel, stîl, subst. staal, zwaard, groote hardheid, wetstaal,

vuurstaal; adj. stalen, als staal; — verb. stalen, (ver)harden: I am

—ed against adversity = gehard tegen; — your heart with courage = staal

uw hart met moed; —-clad = gepantserd; — engraving = staalgravure, het

graveeren op staal; —-headed = met stalen hoofd (kop); —-pen = stalen

pen; rok; —-plated = met platen van staal bedekt; —-spring = stalen

veer; —-trap = val met stalen veeren; —-wire = staaldraad; —works =

staalfabriek; —-yard = unster; —y = van staal gemaakt, als staal, hard,

onbuigzaam.

Steep, stîp, subst. steilte, afgrond; loog, vloeibare mest; adj. steil,

moeilijk, onwaarschijnlijk; — verb. indoopen, bevochtigen, doorweken,

roten: To put the clothes in — = in de week; That sounds very —; —ed in

blood = in bloed gedoopt; met bloed doorweekt; —en = steil(er) worden;

—ness = steilheid.

Steeple, stîp’l, toren met spits; —chase = wedren met hindernissen;

—chaser = paard of ruiter voor dien wedren; —-jack = iemand die torens

of schoorsteenen repareert.

Steer, stîə, subst. jonge os; —s = runderen (Amer.); — verb.

castreeren.

Steer, stîə, verb. sturen, richten, naar het roer luisteren: It will be

wellnigh impossible to — clear of all these vessels = om al deze

schepen vrij te loopen; He —ed his course for Scotland = zette koers

naar; Steerage, stîridž, stuurmanskunst, het sturen, tusschendek;

—-passenger = tusschendekspassagier; —-way = voldoende snelheid om te

kunnen sturen; Steerer = stuurman, stuur, klantenlokker (Amer.);

Steering = het sturen: —-chain, —-gear = stuurketting, stuurtoestel;

—-handle = stuur; —-wheel = stuurrad; Steersman = roerganger.

Steeve, stîv, hellen (van den boegspriet), stouwen; Steeving = hoek van

den boegspriet met den horizon.

Stellar, stelə, vol sterren, met sterren bezaaid, stervormig,

sterren.... = —y; Stellate, stelit, stervormig, gestraald: — aniseed =

steranijs; Stelliferous = vol sterren; Stelliform = stervormig;

Stellular, steljulə, met sterretjes bezet, stervormig.

Stem, stem, subst. stam, stengel, steel, geslacht, tak, loot, buis,

boeg, voorsteven; — verb. tegenhouden, zich verzetten, strippen: A

stream of moonlight, no thicker than the — of an arrow = de schacht van

een pijl; From — to stern = van vóór- tot achtersteven; To — tobacco =

strippen; To — the tide = zeilen tegen tij of stroom; —-leaf =

stengelblad; —-winder = remontoir-horloge; —less.

Stench, stenš, stank; —y = stinkend.

Stencil, stensil, schabloon; — verb. met behulp van een schabloon

merken of verven.

Stenograph, stenəgraf, stenogram, stenograph, teeken; —er, stənogrəfə,

stenograaf; —ic, stenəgrafik, stenografisch; —y, stənogrəfi,

stenographie.

Stentor, stentö, Stentor; adj. —ian, stentôriən: — voice.

Step, step, subst. stap, trede, trap, sport, tred, pas, graad (—s =

stoep, huistrap); — verb. stappen, voortschrijden, uitsnijden (it),

afstappen, afleggen, inzetten: To follow (walk) in the —s of a person =

iemands voetstappen drukken; To keep — = in den pas blijven; I cannot

keep — with him = hem niet bijblijven; With these allies ministers have

to keep — in the line of march they have chosen = rekening te houden;

To make a false —; To take the necessary —s = stappen doen (fig.); — by

— = voetje voor voetje; Flight of —s = bordes, stoep; She could wash —s

= de stoep “doen”; I —ped after him = ging hem achterna; Here my

brother —ped in = kwam tusschenbeide, sprak een woordje mee; He —ped

into his property = aanvaardde; —brother = stiefbroer; —child; —-dance

= horlepijp, klompendans; —father; —-girl = dienstmeisje voor ruw werk,

om b.v. de stoep schoon te houden; —mother = stiefmoeder; —sister;

—son; —ped: —ped gables = trapgevels; —ping: —ping-stone = steenen in

beek of moeras om op te stappen; middel ter bereiking v. een doel: This

post became a —ping-stone to greater honour = baande den weg tot

grootere eer.

Stephano, stefənou. Stephen, stîv’n; Stephenson, stîv’ns’n.

Steppe, step, steppe.

Stercoraceous, stɐ̂kəreišəs, als mest, van mest, mest ...

Stere, stêə, stîə, stère.

Stereo, steriou, stîriou, verk. van Stereotype; Steriometer,

steriomətə, stiriomətə, stereometer; adj. Stereometric(al);

Stereometry, steriomətri, stîriomətri, stereometrie; Stereoscope,

steriəskoup, stîrəskoup, stereoscoop; adj. Stereoscopic; Stereotype,

steriətaip, stîriətaip, subst. steriotiepplaat; — verb. stereotiep

drukken: Here a man gets soon —d = begint te vegeteeren.

Sterile, ster(a)il, onvruchtbaar, dor, hol, leeg, steriel; Sterility =

onvruchtbaarheid, armoede van geest, steriliteit; Sterilization, subst.

v. Sterilize, sterilaiz, onvruchtbaar maken, uitputten van land,

steriliseeren.

Sterlet, stɐ̂let, kleine steur (Rusland).

Sterling, stɐ̂liŋ, adj. echt, onvervalscht, zuiver, degelijk: A pound —

= 20 shillings.

Stern, stɐ̂n, subst. achtersteven, spiegel, hek, achterschip, achterste

en staart (van dieren): To sit at the — of state = aan het roer van

staat; —-board = achterwaartsche beweging van een schip; —-chase =

jacht waarbij twee schepen denzelfden koers volgen; —-chaser = kanon op

het achterschip; —-fast = meertouw aan den achtersteven; —-port =

spiegelpoort; —-post = achtersteven; —-sheets = stuurstoel; —-way =

achterwaartsche beweging van een schip; —-wheel = enkel scheprad aan

den achtersteven eener stoomboot; —-wheeler = stoomboot met —-wheel;

—most = geheel achteraan, het dichtst bij den achtersteven.

Stern, stɐ̂n, ernstig, streng, onstuimig, hardvochtig: To repress with a

— arm = met den sterken arm (fig.); — necessity; subst. —ness.

Sternal, stɐ̂n’l, behoorende tot het Sternum, stɐ̂n’m, borstbeen.

Sternutation, stɐ̂njuteiš’n, het niezen; Sternutatory, stɐ̂njûtətəri, het

niezen opwekkend; niesmiddel.

Stethoscope, stethəskoup, stethoscoop; adj. Stethoscopic(al).

Stevens, stîvənz; Stevenson, stîvəns’n.

Steve, stîv, stuwen, stouwen; Stevedore, stîv’dö, stuwadoor: Dockers

and —s = dokwerkers en stuwadoors.

Stew, stjû, subst. dampbad, verlegenheid, oesterbank (Amer.), gestoofd

vleesch of eten, brouwsel (—s = bordeel); — verb. stoven, braden (het

warm hebben), blokken: All that — of calumny and envy = al dat brouwsel

van laster en nijd; Everything is in a — = in beroering; You have made

a — of it = den boel verknoeid, er een “potje” van gemaakt; —-pan;

—-pot.

Steward, stjûəd, rentmeester, opzichter, hofmeester, bottelier,

ceremoniemeester: Lord High — of England = hoog ambtenaar voor

bijzondere gelegenheden (kroning bijv.) benoemd; —ess = hofmeesteres;

—ship = betrekking van —.

Steyne, stain.

Stibium, stibiəm, antimonium, spiesglans.

Stick, stik, subst. stok, pijp, hark (fig.), roede, rijsje,

viool(trommel)stok, haak, stoot, stilstand; — verb. doorsteken, steken,

vaststeken, prikken, kleven, blijven steken, stokken; plakken, blijven,

getrouw blijven: Rather a — of a girl = nogal een houterige meid; A —

of sealing-wax = pijp lak; Composing — = zethaak; She was as cross as

two —s = zoo boos als een spin; To have hold of the — = het heft in

handen hebben; To cut one’s — = er uit snijden; It is easy to find a —

to beat a dog; To leave neither — nor stone standing = geen twee

steenen op elkaar laten; — no bills = verboden hier iets aan te

plakken; He —s the bits together = lijmt de stukken aan elkander; They

stuck their heads (wigs) together = staken de koppen bij elkaar; — a

pin there! = steek daar een speldje bij, onthoud dat; To — pins upon a

person’s sleeves = iemand likken (fig.); To — placards on a wall =

biljetten op een muur plakken; We will “— it”, come what may = ten

einde toe volhouden; He is as clever as he can — = door en door helder;

The window —s a bit = klemt; He —s like a bur = hangt (aan iemand) als

een klis; He —s at nothing = hij staat voor niets = He is a

—-at-nothing fellow; He —s at no scruples = gewetensbezwaren kent hij

niet; He —s by us = hij steunt ons getrouw; To — in the mire = in den

modder blijven zitten, in de klem zitten; —-in-the-mud = treuzel; You —

it on rather too stiff = overvraagt wel wat erg; He —s out to the last

= hij houdt vol, weigert; I have stuck out an excellent plan =

ontworpen; He stuck out his legs = stak uit; They — out their stomachs

= zetten eene hooge borst op; His ears — out = staan ver van het hoofd;

He —s to his work, and —s to his friends = volhardt in zijn werk, en

blijft zijnen vrienden getrouw; To — up = rechtop of overeind staan: I

will — up for you as long as I possibly can = het voor u opnemen; —-up

collar = vadermoorder; — and groove = middel om vuur te maken door een

puntigen stok in een gegroefd stuk hout snel op en neer te bewegen;

—-fast = soort lijm; plakker, klis; —-jaw = kleverige lekkernijen; —er

= incourant artikel (Amer.); Sticking: —-plaster = hechtpleister. Zie

Sticky.

Stickle, stik’l, de partij opnemen van, hardnekkig op kleinigheden

staan, aarzelen: Why should you — to going to them = waarom zoudt ge

bezwaren maken; You should not be stickling about the rights of others

= bezwaren opwerpen omtrent; —r = ijveraar, vormelijk mensch: He was a

—r for the dignity of the church = hij ijverde voor; She is a —r for

old-fashioned gallantry = zij is erg gehecht aan.

Stickleback, stik’lbak, stekelbaarsje.

Sticky, stiki, kleverig: Hints for the — season = wenken voor het

natte, vochtige seizoen.

Stiff, stif, stijf, onbuigzaam, vasthoudend, hoog, vast, sterk, flink,

moeielijk, zwaar; subst. papier, wissel, geld: That is — at first =

valt eerst niet mee; The arithmetic was pretty — = vrij moeilijk; I

gave it him pretty — = heb hem duchtig geraakt; He was — in such points

= stond hardnekkig op; This is the last glass of grog, but it shall be

a — one = maar het zal een sterke grog zijn; They made their — in

America = hun geld; — country = taaie, voor paarden zware bodem; — pace

= flinke gang; We sold them at — prices = voor hooge prijzen; — and

stark = stijf en strak; He is as — as a poker = zoo stijf als een stuk

hout; —-necked = eigenzinnig; subst. —-neckedness; Stiffen =

verstijven, hard worden; aanwakkeren, vast worden; stijgen, stijf

(hardnekkig) maken, stijven: To — cloth with starch = stijven; To —

one’s neck = halsstarrig worden; —er = wie of wat stijf maakt; Stiffish

= eenigszins stijf; Stiffness = stijfheid, etc.

Stifle, staif’l, subst. kniegewricht van een paard, gal aan de

knieschijf van paarden.

Stifle, staif’l, verstikken, smoren, uitblusschen, dooden: The air was

stifling = het was om te stikken.

Stigma, stigmə, brandmerk, schandvlek, moedervlek, stigma (bij

insecten); adj. —tic, stigmatik; —tization, subst. v. —tize, —taiz,

brandmerken, schandvlekken.

Stile, stail, subst. naald (van den zonnewijzer), opstap (om over

hekken etc. te klimmen): To help a lame dog over the — = een zetje

geven, een handje helpen.

Stiletto, stiletou, kleine dolk, stilet: The man was all — and mask =

was in geen enkel opzicht te vertrouwen.

Still, stil, subst. kalmte, stilte; distilleerketel, branderij; adj.

stil, zacht, kalm, rustig, niet mousseerend (v. wijnen enz.); — verb.

stillen, kalmeeren, inhouden, doen bedaren, distilleeren: To lie (sit,

stand) —; I sat as — as — = doodstil; — waters run deep = stille waters

hebben diepe gronden; —-born = doodgeboren, ontijdig, zonder succes;

—-life = stilleven; —-room = distilleerkamer; provisiekamer,

dienkeuken; —iform = druppelvormig; —ness = kalmte, stilte.

Still, stil, nog, steeds; conj. toch, intusschen: Is not he a child —?

= is hij niet nog een kind? He was — not coming = hij kwam nog maar

niet.

Stillage, stilidž, stellage, schraag: A bar with counter and — =

buffet, met toonbank en stellage.

Stilt, stilt, subst. stelt, steltlooper (= —-bird); — verb. op stelten

zetten, kunstmatig opheffen: On —s = op stelten; hoogdravend; To go

(walk) on —s; —-walker = steltlooper; —edness = hoogdravendheid.

Stilton, stilt’n: It’s not the — = dat past niet; — cheese, een te St.

bereide kaassoort.

Stimulant, stimjul’nt, prikkelend; opwekkend; subst. opwekkend middel,

prikkel; Stimulate, stimjuleit, aansporen, aanzetten, prikkelen; subst.

Stimulation; Stimulative = prikkelend, etc.; subst. prikkel, etc.;

Stimulator = aanzetter, aanspoorder; Stimulus, stimjuləs, prikkel,

opwekkend middel, stekel: To give a — to = aansporen, opfleuren.

Sting, stiŋ, subst. angel, stekel, prikkel, steek, wroeging of knaging

(= —s of conscience); — verb. steken, prikkelen, pijn doen, pijnlijk

treffen: Your narrative —s me to the heart = is me een steek door het

hart; Stung with remorse = vol gewetenswroeging; Stung with sorrow =

smartelijk getroffen; —er = stekel, steek, pijnlijke slag, vorstig

weer: He received a —er in his face = een harden slag; —-bull =

pieterman; —-fish = kleine pieterman of steekvischje; —ray = —tail =

stekelrog = —aree, stiŋgərî; —ing: —ing-nettle = brandnetel; —less.

Stinginess, stindžinəs, subst. v. Stingy, stinži, vrekkig, gierig.

Stink, stiŋk, subst. stank, ruzie; — verb. stinken, in slechten reuk

staan: It —s in the people’s nostrils = het is het volk een walg; —-pot

= stinkpot; Stinkard = stinkdier.

Stint, stint, subst. grens, perk, maat; zeeleeuwerik, bepaalde

hoeveelheid, toebedeelde taak; — verb. beperken, eene bepaalde taak

aanwijzen, stukwerk geven; zich bekrimpen: They — themselves =

bekrimpen zich; He does not — his confidence = is niet karig met; —ed

in growth = in den groei belemmerd; They were —ed to a certain number

of dishes = mochten niet gaan boven, waren beperkt tot; —edness =

beperking; —less = overvloedig.

Stipe, staip, (Meerv. Stipes, staipîz), stengel, stronk, stam.

Stipend, staip’nd, jaarwedde, bezoldiging; inkomsten van een geestelijk

ambt (Schotl.); Stipendiary, staipendjəri, subst. bezoldigd

politierechter; bezoldigde, loontrekkende; adj. bezoldigd.

Stipple, stip’l, punteeren, stippelen; ook subst.: A bold sketch

without stippling or varnish; —r = punteerpenseel.

Stipulate, stipjuleit, stipuleeren, vaststellen, bedingen; adj.

(stipjulit) van steunblaadjes voorzien; subst. Stipulation; Stipulator.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 115 / 141 段