= rhapsode (rondtrekk. Grieksch volkszanger), reciteerder van verzen;
Rhapsodize = rhapsodieën opzeggen, zingen of voordragen; Rhapsody,
rapsədi, rhapsodie.
Rhea, rîə, Rhea; Amerik. struis.
Rheims, rîmz.
Rhenish, reniš, subst. Rijnwijn = — wine; — Prussia.
Rhetia, rîšiə, Rhetië.
Rhetoric, retərik, declamatie, welsprekendheid; —al, rətorik’l,
oratorisch: —al art; —ian, retəriš’n, redekunstenaar, declamator.
Rheum, rûm, abnormale afscheiding van de slijmvliezen, tranen, slijm;
—y eyes = druipoogen.
Rheumatic, rumatik, rheumatisch, jichtig: —s = rheumatiek; Rheumatism,
rûmətizm, rheumatisme.
Rhine, rain, Rijn: The Lower, Middle, Upper —.
Rhino, rainou, “duiten”, “moppen”: To sport the — = over de brug komen
(fig.).
Rhinoceros, rainosəros, neushoorndier.
Rhinoscope, rainəskoup, neusspiegel; Rhinoscopy, rainoskəpi, onderzoek
van den neus.
Rhode Island, roud-ail’nd; Rhodes, roudz, Rhodes (eiland); Rhodesia,
roudîziə; Rhodian, roudj’n, subst. en adj. (bewoner) van Rhodes.
Rhododendron, roudədendron, Rhododendron.
Rhomb, rom(b), ruit; —ic = ruitvormig.
Rhomboid, rombôid, scheefhoekig parallelogram; —al, rombôid’l,
ruitvormig.
Rhone, roun, Rhône.
Rhubarb, rûbâb, rabarber.
Rhumb, rɐm(b), kompas, windstreek; —-card = windroos; — line = lijn
welke alle meridianen onder denzelfden hoek snijdt.
Rhyme, raim, subst. rijm, poëzie, metrum; — verb. (be)rijmen,
harmonieeren: The plan has neither — nor reason = is hoogst ongerijmd
en roekeloos; He answered without — or reason = zijn antwoord had slot
noch val; Male, female — = mannelijk (staand), vrouwelijk (slepend)
rijm; —less = rijmloos; —r, —ster = rijmelaar, verzensmid.
Rhythm, rithm, ridhm, klankmaat, rhythmus; —ic(al) = rhythmisch,
welluidend; periodiek (v. ziekten).
Rial, rîəl, Spaansche reaal.
Rialto, rialtou.
Riancy, raiənsi, vroolijkheid; Riant = vroolijk.
Rib, rib, subst. rib, inhout (van een schip), hoofdnerf (van een blad),
vrouw (1 Mos. II. 21); — verb. met ribben omsluiten, van ribben
voorzien; —-roast = afranselen; —-roaster = ribbestoot; —bed = geribd;
—bing = geribd verwulf.
Ribald, ribəld, subst. en adj. liederlijk (mensch); —ry = liederlijke
en vuile taal, ontucht.
Rib(b)and, rib’n(d) = Ribbon: He took up the —s (ribbons) of the
conversation, and kept them in his own hand = hij nam de leiding van
het gesprek en behield die.
Ribbon, rib’n, lint, band(je): Blue —, Zie Blue; To handle the —s =
zelf mennen; To tear (in)to —s = in flarden scheuren; —-grass =
rietachtig kanariegras; —ism = beginselen der — Society = een geheim
Iersch genootschap (van —men), opgericht in 1808, die een groen bandje
als insigne dragen.
Ribston pippin, ribst’npipin, een fijne soort appel.
Rice, rais, rijst: The Duke and Duchess left for their honeymoon amid a
complete shower of — and throwing of the slipper = te midden van een
ware bui van rijst en het nawerpen van de pantoffel; —-bird =
rijstvogeltje; —-flour; —-milk = rijstepap; —-paper; —-plantation =
rijstveld; —-pudding = rijsttaart; —-starch; —-table = ind. rijsttafel;
—-weevil = rijstworm.
Rich, ritš, rijk, kostelijk, voortreffelijk, overvloedig, vruchtbaar,
sterk, voedzaam, zoet, saprijk, klankrijk, gepeperd: The — = de rijken;
The New — = parvenus; Such food is too — for me = mij te machtig; She
has a — voice = heerlijke, klankrijke; He is — beyond the dreams of
avarice = rijker dan een vrek het zich durft droomen; — in silver =
rijk aan zilver; —es = rijkdom(men), pracht; —ness = rijkheid,
overvloed(igheid), voedzaamheid, volheid.
Richard, ritšəd, Richard; Richardson, ritšəds’n; Richmond, ritšm’nd.
Rick, rik, subst. hooimijt, hoop koren; — verb. ophoopen, tot een mijt
vormen.
Ricketiness, rikətinəs, subst. v. Rickety.
Rickets, rikəts, Engelsche ziekte.
Rickety, rikəti, aan de Engelsche ziekte lijdend, zwak in de
gewrichten, wankel, waggelend: — stairs = wrak.
Rickshaw, rikšô, tweewielig karretje door een man getrokken (Indië,
China, Japan) = Jinricksha.
Ricochet, rikəšet, rikəšei, rikəšet, subst. terugstuiting, opstuit,
afkaatsing; ricochetschot; — verb. ricochet schieten, terugstuiten,
even aanraken.
Rid, rid, adj. bevrijd; — verb. bevrijden, afhelpen, reinigen,
zuiveren: He could not get — of his toothache = van zijne kiespijn niet
afkomen; He — me of my pain = hielp mij van de pijn af; To — of
caterpillars, from moss; Riddance, rid’ns, bevrijding, verlossing: He
made a clear — = hij zette alles aan kant; He is gone, and it’s a good
— = wij zijn gelukkig van hem af; A gentle — = daar zijn we netjes
afgekomen.
Ridden, rid’n, part. perf. van to ride.
Riddle, rid’l, subst. raadsel; groote zeef; — verb. oplossen, in
raadsels spreken, in de war brengen, ziften, besnoeien, met kogels
doorboren: To propose, to solve a — = opgeven, raden; The fence was —d
with bullets = doorboord van geweerkogels; Don’t — your plans before
they are ripe = breng niet in de war; —r = raadselachtig spreker.
Ride, raid, subst. rit, toertje, rijweg; — verb. rijden, voor anker
rijden: To give a — = laten rijden (ook kinderen op den rug); To go
long bicycle —s = fietstochten maken; The young ladies have gone for a
— = zijn uit toeren; To have a — = To take a — = een ritje doen; To
have donkey —s = ezeltje rijden; It’s a two hours’ — = twee uur
sporens; Within a few minutes’ railroad — = binnen een paar minuten
sporens; To — a bicycle, a horse; She can’t — an ounce under sixteen
stone = zij weegt bepaald geen ons minder dan 224 Eng. ponden; The ship
—s easy, hard = het schip rijdt gemakkelijk, zwaar op zijn anker; The
ship was riding at anchor = het schip reed op zijn anker; To — in a
railway-carriage (in a coach) = rijden in; He attempted to — off under
cover of a mistake = hij trachtte zich schoon te wasschen door te
beweren, dat het een vergissing was; The steamer will — out the storm =
de stoomboot zal den storm wel afrijden (voor anker); I rode outside an
omnibus = boven op; He rode roughshod over me = tiranniseerde mij; He
—s well to hounds = hij blijft (bij de vossenjacht) steeds achter en
zoo dicht mogelijk bij de honden; He rode to cover = reed ter jacht
(Zie Cover); Rider = rijder, ruiter, pikeur, temmer; bijblad,
toegevoegde clausule: I have been a — in cabs, on omnibuses = heb
gereden in; To add, To put, To move as a — = als clausule toevoegen,
voorstellen; The — was an old gentleman = passagier; He selected the
hardest — from my book = het moeilijkste vraagstuk; —less.
Ridge, ridž, subst. hoogte, rug of keten, nok, vorst (van het dak); —
verb. in voren ploegen: The sea was ridging roughly eastward, and
almost overwhelmed the vessel = de golven vormden hooge kammen van west
naar oost; —-pole, —-piece, —-plate = nokstuk (timmerwerk aan den nok);
—-tile = vorstpan; Ridgy = zich in ruggen of hoogten verheffend.
Ridicule, ridikjûl, subst. belachelijkheid, hoon, spot; — verb.
belachelijk maken, bespotten: To cover (treat) with, To turn into — =
belachelijk maken; He is a past master of killing — = volleerd in
vernietigenden (bijtenden) spot; His proposal was —d by the whole
meeting = werd bespot; —r; Ridiculous, ridikjuləs, belachelijk,
bespottelijk; subst. —ness.
Riding, raidiŋ, rij - -; subst. rijden, rijweg; eene der drie
afdeelingen van Yorkshire: They were playing the game of “spy for —s” =
ze speelden “vangertje”, waarbij de gevangen jongen den vanger op zijn
rug moet laten rijden; —-academy = —-school; —-breeches; —-crock,
(-crop, -rod, -whip) = karwats; —-habit = rijkleed voor dames; —-hall =
rijschool; —-lights = ankerlichten; —-master = pikeur, stalmeester;
—-rimes (rhymes) = rijmen in twee-regelige versjes; —-school =
rijschool; Little Red-—-Hood = Roodkapje.
Ridotto, ridotou, bal masqué.
Rife, raif, overvloedig, algemeen heerschend, vol van (with): Bribery
was — = omkooperij kwam veel voor; subst. —ness.
Riffler, riflə, raspvijl.
Riffraff, rifraf, gepeupel, uitvaagsel; uitschot.
Rifle, raif’l, subst. geweer met getrokken loop; — verb. wegvoeren,
rooven, leegplunderen, een getrokken loop maken (—s = fuseliers,
jagers); —-barrel = getrokken loop; —-barrelled = met getrokken loop;
—-brigade, —-corps; —man = jager, scherpschutter; —-pit = kuil voor
scherpschutters; —-range = schietbaan; —-shot = geweerschot: He lived
within —-shot of my retreat = op geweerschotsafstand; —r = roover,
plunderaar.
Rift, rift, subst. kloof, spleet, scheur, gebrek, misverstand,
oneenigheid; — verb. scheuren, splijten, kerven.
Rig, rig, subst. tuigage, want, opschik, voertuig, vischgerei, grap,
streek; — verb. optuigen (ook fig.), uitdossen; voor den mal houden: I
am up to your —s = ik weet wat je in ’t schild voert; I never thought
of running such a — = dat me zoo iets gebeuren zou; To run the — upon =
voor den mal houden; He gets a new —-out = een nieuw pak; He was —ged
out in a pair of new trousers = uitgedost in; He —ged the market = hij
beheerschte de markt (Am.); —ger = scheepstuiger; riemschijf;
speculant; —ging = tuigage, want: Running, Standing —ging = loopend,
staand want; —gish = verpierewaaid.
Riga, raigə, rîgə.
Right, rait, subst. recht, aanspraak, rechterhand, rechterkant,
rechterzijde (in eene wetgevende vergadering); stuk land, aandeel in
fabriek of mijn (Amer.); adj. en adv. recht, billijk, rechtvaardig,
juist, rechter of rechts(ch); — verb. recht zetten, oprichten, recht
laten wedervaren, zich oprichten: The — = Rechterzijde (Parl.); Mr. —
is not yet come = de rechte Jozef is nog niet verschenen; Bill
(Declaration) of —s = het Eng. charter van 1689; It would not come — =
het wou niet goed komen; We shall soon put (set) this to —s = dat
spoedig in orde brengen; I’ll send him to the —-about very soon = hem
gauw wegzenden, rechtsomkeert doen maken; To have a (no) — to = recht
(geen recht) hebben op; He did not hear, know the —s of it = hoorde,
wist er het fijne niet van; They killed a — and left of rabbits =
schoten konijnen rechts en links neer; Good shooting does not guarantee
—s and lefts at partridges = is nog geen waarborg voor eene goede
patrijzenjacht; By —s = eigenlijk; You are in the — = hebt gelijk; She
had a fortune in her own — = zij had zelf fortuin; A duchess in her own
— = eene hertogin die zelf de rechten heeft, aan dien rang verbonden
(behalve een zetel in The House of Lords); He was standing on the — =
hij stond aan den rechterkant; To the — = naar rechts; He was strictly
within his —s = in zijn recht; — about face (turn) = rechtsomkeert; All
—, my boy = in orde, baasje; You are — = hebt gelijk; That is —, set
him — = goed zoo, help hem op weg; It is not — for you to say so = het
past u niet; I am on the — side of fifty = nog geen vijftig; On the —
side of five guilders = over de; On the — side of fortune = schatrijk;
To put — = in orde brengen, verbeteren; We’ll soon set it — = het gauw
in orde brengen; — across = dwars over; — away = terstond (Amer.); A —
down Londoner = oprechte, echte; — down to the bottom = loodrecht naar
de diepte; — opposite = vlak hier tegenover; To tell — out = zonder
omwegen; To read — through = in één stuk door; — to the point = recht
op het doel af; I am — glad that I went — up to the top of the building
= erg blij, ... heelemaal naar; I must be —ed, or I will — myself = er
zal mij recht geschieden, of ik zal mij zelven recht verschaffen;
Things will — themselves = zullen wel van zelf in orde komen; To — the
helm = het roer midscheeps leggen; To — a pole = een paal rechtop
zetten; — angle = rechte hoek; —-angled = met rechte(n) hoek(en);
—-hand = rechtsch; subst. rechterhand, ook fig. = —-hand man = rechter
nevenman; —-handed = rechtsch, handig; —-hearted = rechtschapen;
—-honourable = titel voor al de pairs in Engeland, voor de zoons en
dochters van Dukes en Marquesses, en de dochters en oudste zoons van
Earls, voor leden van den Privy Council, den Speaker van het House of
Commons, den Lord Chancellor, de Lord Chief Justices, en den Lord Chief
Baron; voor de Lord-mayors van London, Dublin en York, en voor den
Lord-Provost van Edinburgh, zoolang zij in functie zijn; —-lined =
rechtlijnig; —-minded(ness) = rechtgeaard(heid); —eous, raitšəs,
rechtvaardig, rechtschapen, heilig, billijk; —eousness =
rechtschapenheid, reinheid des harten, volkomen gehoorzaamheid aan
Christus; —er: Women’s —er = kampioen voor vrouwenrechten; —ful =
rechtvaardig, rechtmatig: He is the —ful heir = de rechtmatige
erfgenaam; subst. —fulness; —ly = terecht, precies: You —ly refused to
accompany him = hebt terecht geweigerd.
Rigid, ridžid, (ge)streng, stijf, onbuigzaam, hard: — dirigible =
bestuurbare ballon van het stijve stelsel; — examinations = strenge;
subst. —idity = —ness.
Riglet, riglət, lijstje; filet.
Rigmarole, rigməroul, subst. onzin, gewauwel; verhaal door één
begonnen, en achtereenvolgens door de anderen van het gezelschap
voortgezet; adj. dwaas, onzinnig, vervelend.
Rigorism, rigərizm, (ge)strengheid, stiptheid; Rigorist, subst. iemand
van strenge beginselen; adj. streng, stipt; Rigorous, rigərəs,
(ge)streng; straf, stipt, onbuigzaam, hard; subst. —ness; Rigour, rigə,
strengheid, hardheid, nauwkeurigheid.
Rig Veda, rigveidə, het eerste der 4 Veda’s.
Rile, rail, “het land” opjagen.
Rill, ril, subst. beekje; — verb. vlieten; —et = klein beekje.
Rily, raili, uit zijn humeur, boos.
Rim, rim, subst. rand, invatsel, garnituur (v. een bril, b.v.); — verb.
van een rand, etc. voorzien: Her eyes were —med round with weeping =
zij had randen om de oogen van.
Rime, raim, subst. rijm, rijp (zie Rhyme); — verb. tot rijp doen
bevriezen; —-frosted = berijpt.
Rimose, raimous, raimous, vol barsten en spleten; subst. Rimosity,
raimositi; Rimous, raiməs = Rimose.
Rimple, rimp’l, subst. rimpel; — verb. rimpelen.
Rimy, raimi, berijpt, koud en nevelig.
Rind, raind, subst. schors, huid, schil; — verb. schillen: Cheese —,
Pork —s; —less.
Rinderpest, rindəpest, longziekte (vee).
Ring, riŋ, subst. ring, kring, circus, renperk, krijt, kliek; klank,
stel harmonische klokken; — verb. omringen, van een ring voorzien, een
kring van schors van een boom snijden; klinken, luiden, doen klinken of
weergalmen: The — = onafgebroken keten van rijtuigen in Hydepark;
kringvormig opgesteld publiek bij een bokspartij, bokspartij; There is
a — in his voice which gains your sympathy = eigenaardige toon of
klank; There’s a — = er wordt gebeld; To blow —s = kringetjes (rook)
blazen; To be trained to the — = voor het circus opgeleid; Swinging-—s
= ringen (gymn.); He rang the changes on her praise = prees haar op
alle manieren; The bells rang out the old year and rang in the new =
luidden het oude jaar uit en het nieuwe in; I rang up the chemist =
belde op (per telefoon); The curtain was rung up for the second act =
de bel voor het tweede bedrijf luidde; To — up a (forgotten) letter =
in herinnering brengen; The house rang with merriment = vroolijkheid
weerklonk door het huis; —-bolt = ringbout; —-dove = ringduif;
—-dropper = kwartjesvinder; —-finger = ringvinger; —-formed =
ringvormig; —-leader = belhamel; —-mail = maliënkolder; —-master =
pikeur (van een circus); —-streaked = met ringen gestreept; —-tailed =
met kringen op den staart; —-worm = soort duizendpoot, dauwworm (Med.);
—er = klokkenluider; —ing, subst. het luiden, gelui; adj. klinkend,
welluidend: It is still —ing in my ears = het tuit me nog in de ooren;
—let = ringetje, krulletje.
Rink, riŋk, subst. ijsbaan, baan voor kunstrijders, lokaal voor het
rijden op rolschaatsen; — verb. rijden in een Rink: Skating-—.
Rinse, rins, spoelen, omwasschen (away, off, out); Rinsing-tub.
Riot, raiət, subst. oproer, muiterij, drinkgelag, burengerucht; — verb.
oproer maken, muiten, zwelgen, rumoerig zijn, snel slaan (pols): The —
Act was read = de oproerige menigte werd gesommeerd (met verwijzing
naar de Riot Act van 1714) uiteen te gaan; To kick up a — = herrie
schoppen; To run — (Zie Run); —er = zwelger, oproermaker; —ous,
raiətɐs, oproerig, ongebonden; subst. —ousness = —ry.
Rip, rip, subst. scheur, teenen vischmand, bedrieger, deugniet,
waardeloos iets, knol, snoepreisje; — verb. openrijten, lostornen,
losscheuren (up), onthullen, uitstooten: A six months’ — to America =
uitstapje; Don’t — up old sores (half-scarred wounds) = rijt geen oude
wonden open; —per = tornmesje; iets uitstekends: She is a —per = eene
aardige, kranige meid; Jack the —per = een berucht vrouwenmoordenaar; A
—ping little girl = flinke, bovenste beste, kranige meid.
Riparian, raipêriən, aan een oever gelegen of wonende; ook subst.
Ripe, raip, rijp, ontwikkeld, dringend: — wants = dringende behoeften;
He is — for the madhouse = rijp voor; —n = rijp worden of maken; subst.
—ness.
Ripon, rip’n.
Ripost(e), ripoust, tegenstoot, vlug en vinnig antwoord.
Ripple, rip’l, subst. gekabbel, golving; groote kam om vlas te repelen;
— verb. rimpelen, kabbelen; repelen: Chestnut hair with a — in it; It
excited —s of interest = teekenen v. belangstelling; The rippling of
the waves = het kabbelen der golven; —-marks = indrukken van de
wijkende golven op het strand; The beach was —-marked = het strand had
overal de indrukken der golven.
Riprap, riprap, steenstorting (als fundament); ook verb.
Rise, raiz, subst. opstand, opkomst, opslag, verhooging, rijzing,
verheffing, bron, het opkomen, toeneming, verbetering, bevordering; —
verb. opstijgen, opstaan, opkomen, opzwellen, voortkomen, wassen,
toenemen: The — of the Dutch Republic = de opkomst der Nederl.
republiek; That gave — to many cordial greetings = gaf aanleiding tot;
The Rhine takes its — in Switzerland = ontspringt in; I took (got) a —
out of him = ik ben hem te slim af geweest, heb hem belachelijk
gemaakt; The water is on the — = aan het opkomen; Each epithet rose
above the other = elk volgend epitheton was steeds mooier; The House
rose at three in the morning = de zitting werd gesloten; The company
rose from table = stond van tafel op; The whole nation rose in arms =
vatte de wapenen op; The wind soon rose to a storm = verhief zich; The
colour rose to her cheeks = steeg haar naar de wangen; He rose to the
occasion, emergency = was tegen de moeilijkheid opgewassen; He would
not — to my scheme = hij wou mijn plan niet begrijpen, er niets van
weten; He rose to the suggestion = hij begreep den wenk; The words
Plenty, Abundance and Exuberance — upon each other in expressing the
idea of fulness = het begrip overvloed wordt telkens sterker uitgedrukt
door; —r: I am not an early —r = niet matineus; Rising, subst. opstaan,
opstand, opgang, gezwel; adj. opgaande, opkomend, toenemend,
aanzwellend: The — of Lazarus = de opwekking van L.; The — generation =
het opkomend geslacht; They adore (worship) the — (risen) sun = zij
aanbidden de opgaande zon.
Risibility, rizibiliti, subst. v. Risible, rizib’l, belachelijk,
lachwekkend; tot lachen geneigd.
Risk, risk, subst. gevaar, risico; — verb. wagen, in de waagschaal
stellen: He did it at the — of his life = met gevaar van eigen leven; I
won’t run the (a) — = wil mij daaraan niet blootstellen; You are
subject to the —s = moet de risico dragen; —er; —y = gevaarlijk,
gewaagd: A —y experiment = gewaagde proefneming.
Risorial, raisôriəl: — muscle = lachspier.
Rite, rait, godsdienstige plechtigheid, ritus; Ritual, ritjuəl, subst.
rituaal, liturgisch boek met formulieren; adj. ritueel: Is thy meat —ly
prepared? = koscher; Ritualism = ritus; Ritualist = voorstander van de
richting der High Church; kenner der kerkgebruiken; adj. Ritualistic.
Rivage, rividž, oever, kust.
Rival, raiv’l, subst. mededinger, medeminnaar; adj. mededingend,
concurreerend; — verb. mededingen, wedijveren: He was my — for that
place = mededinger; —ry = —ship = medeminnaarschap, wedijver.
Rive, raiv, scheuren, opensplijten: The tree was riven (riv’n) by
(with) lightning = door den bliksem gespleten; —r.
River, rivə, rivier, stroom: We sailed down, up the — = de rivier af,
op; In (On) the — = op de rivier; The —s = Delta van den Niger, het
Niger-coast Protectorate; —-basin = stroomgebied; —-bed, —-channel =
bedding eener rivier; —-craft = riviervaartuigen; —-driver = vlotter
(Amer.); —-god = stroomgod; —-hog = Z. Amer. waterzwijn; —-head = bron;
—-horse = nijlpaard; —-side = oever.
Rivers, rivəz.
Rivet, rivət, subst. klinknagel; — verb. vastklinken, strak richten op
(to, on), diep inprenten: It remains —ed in my mind for ever = staat in
mijne ziel gegrift; He was —ed to that post = hij zat er vast aan (kon
er nooit eens uit); The Eiffel Tower is the work of the —er = het werk
van den vastklinker, den klinkhamer.
Riviera, rivjêrə.
Rivose, raivous, rivous, gerimpeld.
Rivulet, rivjulet, beek, riviertje.
Rixdollar, riksdolə, rijksdaalder (ƒ 1,50 tot ƒ 2,50).
Roach, routš, (blank-)voorn: As sound as a — = zoo gezond als een
visch.
Road, roud, weg, reis, reede: To be in the —(s) = op de reede liggen; I
am off my — = verdwaald; He was on the — to Vienna = op reis naar;
There is no royal — to learning = de weg naar de wetenschap is vol
moeilijkheden; I have lost my — = ben verdwaald; To put a person on the
right — to = den weg wijzen naar; He has taken to the — = struikroover
geworden; —-agent = tolgaarder; roover (Am.); —-bed = grondlaag v. weg
of spoor; —-book = gids voor steden, wegen en afstanden; —-hog =
onbesuisd fietsrijder; —man = —-mender = wegwerker; —-metal = steenen
voor macadamwegen; He was sitting by (on) the —side = zat aan den weg;
—stead = reede; —ster = rijpaard, koetsier v. diligence, schip (op de
reede), soort fiets; —way = straatweg, bereden gedeelte van een brug.
Roam, roum, rondzwerven, omzwerven: I —ed the streets of the city
aimlessly = zwierf doelloos door; —er.
Roan, roun, subst. roode schimmel; roode kleur; adj. rood- of
ijzergrauw.
Roar, rö, subst. gebrul, geloei, gehuil, geschater, gebulder; — verb.
brullen, loeien, huilen, bulderen, schateren, bruisen, donderen: To
keep the company in a — = aan het schateren; He set the company in (on)
a — = deed schateren van lachen; The whole company set up a — = begon
te brullen van lachen; —er = bruisende golf, luid aanslaande hond,
aamborstig paard; He has a —ing business (trade) = eene woest-drukke
zaak.
Roast, roust, subst. gebraad; adj. gebraden; — verb. braden, branden;
voor het lapje houden, ongenadig plagen: He rules the — (roost) = hij
is de baas, beheerscht alles; — beef, goose, etc.; —er; —ing-jack =
toestel waarin het spit draait.
Rob, rob, rooven, bestelen, plunderen: He —bed me of my gold watch =
ontstal mij; —ber = roover, dief; —bery = rooverij, diefstal.
Rob, rob, gelei, conserf.
Robe, roub, subst. toga, tabberd, staatsiemantel; — verb. kleeden, in
een toga of tabberd kleeden: Gentlemen of the long — = advocaten of
getabberden; Master, Mistress of the — = titel van een hofbeambte, of
hofdame met de zorg voor de garderobe belast; They follow the — as a
profession = zijn bij de magistratuur; —s of office = ambtsgewaad; In —
and crown the king appeared; I have seen him in his —s in the House of
Lords = in zijn pairsmantel gezien.
Robert, robət, Robert; ook: kellner, “Jan”; Robertson, robəts’n;
Robinson, robins’n.
Robin, robin, Robert; roodborstje; —-Good-fellow = goedige kabouter;
—-redbreast = roodborstje; Round — = petitie met de handteek. in een
cirkel, zoodat men niet weet wie het eerst geteekend heeft: That beats
the round — = dat is wat al te erg, al te brutaal.
Roborant, robər’nt, subst. en adj. versterkend (middel).
Roburite, robjurait, roburiet.
Robust, rəbɐst, krachtig, sterk, gespierd; subst. —ness.
Roc, rok, fabelachtige vogel in Arabische sprookjes: —’s egg = iets
fabelachtigs.
Rocambole, rok’mboul, slangelook.
Rochdale, rotšdeil; Rochester, rotšəstə.
Rochet, rotšət, linnen toog; korte pairsmantel; voorn.