Life —s heavy (hard) on my hands = is mij tot last; To — low = ziek,
dood liggen; zich verbergen, zich koest houden; To — open to = bloot
staan aan; To — waste = braak liggen; It —s at your door = wordt u
toegerekend; It —s at my heart = ligt mij aan ’t hart, is een voorwerp
van mijne zorg of begeerte; I — at your mercy = hang af van uwe genade;
That place —s in your gift = hebt gij te vergeven; To — in wait for =
op de loer liggen; It —s in my way = in den weg; Many articles are
lying on hand still = zijn nog onverkocht; That guilt —s on his head =
hij wordt er van beschuldigd; They were lying under difficulties =
hadden te kampen met; The occasion —s under our hands = biedt zich aan,
is er; — about = in ’t rond liggen; — along = languit liggen; To — by =
rusten, ongebruikt liggen; That —s by (with) you = staat aan u; The sum
lay by at compound interest = stond uit tegen; To — down = gaan liggen;
The woman is lying in = is in ’t kraambed; I can — out of that sum for
some days yet = kan het nog buiten die som stellen; To — out in the
open air = slapen; Many advertisements must — over till next week =
moeten tot de volgende week blijven liggen; The ship lay to = lag
bijgedraaid; To — under a mistake = in dwaling verkeeren; To — under
the necessity = in de noodzakelijkheid verkeeren; To — under an
obligation = de verplichting hebben; To — up = (uit)rusten; Let the
little boy — with me = maar bij mij slapen; The future —s with the
young = de jeugd heeft de toekomst in handen; He is a —-a-bed = luilak.
Lief, lîf, geliefd, lief, gaarne: I had as — not go there = ik zou er
even graag niet heen gaan.
Liege, lîdž, subst. leenman, leenheer; adj. leenplichtig; — lord =
leenheer; —man = vasal.
Liège, lîdz, Luik.
Lien, lîən, lîn, laiən, pandrecht, retentierecht: These bonds are prior
— and take precedence of all others = eerste verband en gaan vóór;
—-holder.
Lientery, laiənteri, spijsloop.
Lieu, l(i)û: In — of = in plaats van.
Lieutenancy, leften’nsi, levten’nsi; l(j)uten’nsi (Amer.),
stadhouderschap, luitenantsrang; Lieutenant, leften’nt, levten’nt;
l(j)uten’nt (Amer.), luitenant: —-colonel; —-general; —-governor =
plaatsvervangend gouverneur.
Life, laif, leven, levenswijze, levensbeschrijving; —-and-death = op
leven en dood, vertwijfeld, kritiek; He had been the — (and soul) of
the Hague = de ziel van den Haag geweest; For — = levenslang; Studies
from — = naar het leven; I cannot for the — of me understand = met den
besten wil ter wereld; My — long; Long — to him! = lang zal hij leven!
Whole in — and limb = gezond van lijf en leden; At his time of — =
leeftijd; As large as — = levensgroot; Such officers carry their lives
in their hands = zulke ambtenaren zijn hun leven geen oogenblik zeker;
He departed this — on the 20th = overleed; We had not enough to keep —
(body) and soul together = om ons te voeden; They ran for their lives =
zij zochten veiligheid in de vlucht; liepen zoo hard ze konden; To draw
(To paint) from (the) — = naar de natuur; Taken from the — = naar het
leven genomen; Taken from — = uit het leven gegrepen; To bring to — =
bijbrengen; To come to — = ter wereld komen; To come to — again = weer
opleven; —-annuity, lijfrente; —-assurance = levensverzekering; —-belt
= zwemgordel; —-blood = hartebloed, het wezenlijke; —-boat =
reddingboot; —-buoy = reddingboei; —-giving = bezielend, krachtgevend;
—-guard = lijfwacht; —-insurance = levensverzekering; —-interest =
lijfrente, vruchtgebruik: A —-interest in a sum of 5000 £ =
vruchtgebruik van; —-long = levenslang; —-office =
levensverzekeringsbureau; —-peer = peer, wiens titel niet erfelijk is;
—-preserver = reddingstoestel, zwemgordel, etc.; “ploertendooder”;
—rent = lijfrente, levenslang vruchtgebruik; —renter = iemand in het
bezit van lijfrente of vruchtgebruik; —-table = sterftetafel; —time =
levensduur; —-tired (-weary) = levensmoede; —less = levenloos,
krachteloos; subst. —lessness; —-like = alsof het leeft, levensgetrouw;
—r = gevangene voor zijn leven.
Lift, lift, subst. opheffen, optillen, verheffing, last, hulp,
hijschtoestel, “ascenseur”; — verb. opheffen, optillen, verheffen,
verhoogen, stelen, optrekken (van mist, etc.); I’ll give you a — in
coming back = ik zal u op mijn terugweg laten meerijden; Give us a — =
help een handje; The woman was a dead — (weight) = de vrouw gaf niets
mee (bij het tillen of dragen); The darkness would not — = bleef
hangen; He —ed his eye-brows in remonstrance = trok op; When the fog of
admiration —s from the biography, we see that the hero had his faults =
optrekt; We — up our eyes to Thee, O Lord = heffen de oogen op; — up
your face, and look like a man = het hoofd omhoog; — up your hand(s) =
hef uwe hand(en) op; He —ed up his hand against me = verzette zich; —
up your head = het hoofd omhoog! They —ed up their heels against the
measure = zij hieven hunne verzenen op tegen (Joh. XIII, 18); — up your
voices = verheft uwe stemmen; —er = lichter, opheffer; gauwdief (in
samenst. als: Shop— = ladelichter); —-bridge = ophaalbrug; —-lock =
soort sluis; —-van = meubelwagen, die per trein wordt verzonden; The
—ing of potatoes = rooien.
Ligament, ligəment, band, verbinding, ligament; adj. Ligamentous.
Ligan, laig’n, in zee geworpen goederen aan een boei vastgemaakt om ze
zoo terug te kunnen vinden.
Ligate, laigeit, verbinden, afbinden; subst. Ligation; Ligature,
ligətjuə, verband, band, draad (tot afbinden van aderen), ligament.
Light, lait, subst. licht, helderheid, lichtschepping, opheldering,
belichting, lucifer; adj. licht, blond; licht van gewicht, licht te
verteren, los, ledig, lichtgewapend, onbeduidend, gering, zwak,
gemakkelijk, luchthartig, duizelig, vluchtig, lichtzinnig; — verb.
aansteken, verlichten, bijlichten, licht zijn of worden, schitteren,
ontvlammen; opheffen, oplichten; aantreffen, toevallig vinden,
neerstrijken (on): He’s no great — = geen groot licht; The —s of our
days = de groote mannen; He was honest according to his —s, so far as
his —s extended = voor zoover zijn inzicht ging; —s = longen; Between
the —s = in de schemering; —s out = taptoe; The Northern —(s) = het
Noorderlicht; — of the countenance (Bijb.) — het lichten of de
vriendelijkheid van het aanschijn; The deed was brought to — = werd aan
’t licht gebracht; To come to — = aan ’t licht komen; To lay on —s =
licht en schaduw aanbrengen (in een schilderij); He let in — upon his
business = gaf eenig licht omtrent; To see the — = het licht zien; He
stood in his own light = hij stond zichzelf in het licht, in den weg;
He stood to me in the — of a father = was voor mij een vader; His eyes
—ed pleasantly = schitterden; May no harm — on you = u treffen; To —
out = er uit snijden (Amer.); To — (up) = aansteken; —ing-up time for
cyclists = tijd waarop de fietslantaarn opgestoken moet worden; —-ball
= lichtkogel; —-bearer = fakkeldrager; —-dues = rechten geheven ten
behoeve der kustverlichting; —-house = vuurtoren; —-(house-)keeper =
vuurtorenwachter; —-ship = vuurschip; — in hand = gemakkelijk te
regeeren; He made — of my warnings = sloeg in den wind; He sets — by
this circumstance = onderschat, veracht; —ly said, —ly answered = zoo
vraag, zoo antwoord; —ly come, —ly go = zoo gewonnen, zoo geronnen;
—-armed; — blue = lichtblauw, kleur van de Stud. v. Cambridge in de
boat-race; jenever; —-bob = lichte infanterist; — cavalry, (— horse) =
lichte cavalerie; —-fingered = met vlugge en lange vingers; The
—-fingered gentry (folk) = de heeren gauwdieven, zakkenrollers, etc.;
—-footed = vlug van voet; I am rather —-handed at present = ik heb
gebrek aan werkvolk; —-headed = luchthartig; —-hearted = luchthartig; —
horsemen = lichte cavalerie; bestelers van op stroom liggende schepen;
— infantry = licht voetvolk; A —-legged person = rap van voet; —-minded
= vluchtig, onbezonnen; subst. —-mindedness; —-spirited fellow =
opgewekte; —-timbered = zwak gebouwd, ziekelijk; —-weight = bokser met
weinig gewicht of jockey (niet meer dan 69,85 K.G.); paard voor zoo’n
jockey, onbeduidend mensch; —-winged = met snelle wieken, vluchtig; —en
en —er, Zie afzond. artik.; —less = donker; subst. —lessness; —ness =
helderheid; lichtheid, luchtigheid, vlugheid; —some = helder, klaar;
onbezorgd; subst. —someness.
Lighten, lait’n, verlichten, verhelderen, opklaren, weerlichten,
flikkeren; in gewicht afnemen, verlichten, opbeuren, lichten: To — the
ship; A light(e)ning sense of relief = verlicht gevoel.
Lighter, laitə, verlichter, opsteker; lichter (boot of schuit): —age,
—ridž, het overladen in lichters, lichtergeld; The heavier part of the
cargo was —ed over the sand = met lichters gebracht; —man =
schuitenvoerder.
Lightning, laitniŋ, bliksem: ook adj. bliksemsnel: A flash of — =
bliksemschicht, -straal; — cartoon = teekening met een paar krassen of
streken; —-conductor = bliksemafleider; —-proof = beveiligd tegen:
—-rod = bliksemafleider; subst. —-swiftness; —-train = bliksemtrein.
Ligneous, ligniəs, van hout, houtachtig;
Lignite, lignait, bruinkool; Lignitiferous = bruinkoolhoudend;
bruinkool...; Lignum vitae, lign’mvaitî = guajakboom; pokhout.
Ligulate(d), ligjulit, ligjuleitid, band of riemvormig.
Liguria, ligjûriə, Ligurië; —n = Ligurisch.
Like, laik, subst. gelijke, wedergade; voorliefde; adj. en adv.
gelijksoortig, geneigd, waarschijnlijk, bijna; verb. houden van,
behagen scheppen in, gaarne willen: Every — is not the same = er is
meer gelijk dan eigen; — may, indeed, draw to — = soort zoekt soort; —
produces — = gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen; The elder son
was his father’s favourite and — = evenbeeld; It is good enough for the
—s of them = voor lui van hun slag; I never saw the — = zoo iets; —s
and dis—s = sympathieën en antipathieën; And the — = en dergelijke: Do
it — a good boy = dan ben je een beste jongen; — master, — man = zoo
heer zoo knecht; Those evils are nothing — as injurious in other cases
= het lijkt er niet op, dat de nadeelen zoo schadelijk zijn in andere
gevallen; He did not feel — seeing any friends that day = hij was niet
gestemd om, had geen lust; What is it —? = hoe ziet het er uit; Of a —
character = denzelfden aard; That photo is — you = dat portret lijkt
goed: That action is — you = die daad kon men van u verwachten; How — a
man to make such a fuss = net wat voor een man; He had — to have lost
the wager = had bijna verloren; As —(ly) as not = hoogstwaarschijnlijk;
It is — enough = het is heel waarschijnlijk; He was swearing away —
blazes = vloekte dat het een aard had; He seemed disappointed — =
eenigszins, wel wat; Just as you — my dear = zoo je verkiest, lieve;
The sort that —s him = hem past, lijkt; —able = aangenaam,
beminnenswaardig; subst. —ableness; —lihood, —liness =
waarschijnlijkheid; —ly = waarschijnlijk: He is not —ly to go there =
gaat er waarschijnlijk niet heen; A —ly man = knap van uiterlijk; A —ly
customer = goed, aardig; —n = vergelijken: To whom shall we —n him?
—ness = gelijkenis: To take a person’s —ness = afbeelden,
photographeeren; I had my —ness taken; —wise = eveneens, evenzoo;
Liking, welgevallen, lust: She has no — for him = geen zin in hem; It
is not to my — = niet naar mijn zin; To take a — to = lust krijgen in,
ingenomen zijn met.
Lilac, lailək, subst. sering; adj. lila.
Liliaceous, lilieišəs, tot de leliën behoorende.
Lilliput, lilipɐt, Lilliput; Lilliputian, lilipjûš’n, Lilliputter; adj.
lilliputachtig, klein.
Lille, lîl, Rijssel.
Lilt, lilt, subst. vroolijk wijsje of dans; rhythmische beweging; —
verb. lustig zingen; huppelen: A —ing tune = een vlug wijsje.
Lily, lilî, lelie: — of the valley = lelietje van dalen; —-livered =
laf; —-pad = blad van de waterroos (Amer.).
Lima, lîmə, Lima, vijl (schelp); —-wood = fernambuk-hout.
Limaceous, laimeišəs, slakachtig.
Limb, lim, lid, been, tak, arm, uitlooper; rand, graadboog: — of the
devil (of Satan) = satanskind; — of the law = advokaat (iron.); —less =
zonder ledematen.
Limber, limbə, buigzaam, meegaand; — verb. buigzaam maken; subst.
—ness.
Limber, limbə, dissel- of affuitboom; voorwagen; — verb. voorwagen en
affuit verbinden; —-axle = affuitboom; —-chest = affuitkist.
Limbo, limbou, vagevuur, hel, gevangenis = Limbus = — fatuorum = het
gekkenparadijs.
Lime, laim, subst. vogellijm; kalk; lindeboom (—-tree); citroen(boom);
— verb. met vogellijm bestrijken, lijmen, beetnemen; met kalk mesten of
verbinden: Quick — = ongebluschte kalk; Slaked — = gebluschte; —-burner
= kalkbrander; —-flower = lindebloesem: —-juice = citroensap; —-kiln =
kalkoven; —light = kalklicht; —-pit = kalkput; —-slaking = blusschen;
—stone = kalksteen; —-twig = lijmstang, lijmtak, lijmroede; —-wash =
witkalk; — verb. witten; —-water = kalkwater.
Limerick, limərik, Limerick; rijmelarijtje; een prijsrijmpje voor
reclame doeleinden, waarvan 4 regels zijn gegeven en waaraan een vijfde
moet worden toegevoegd. De inzender, die hierin ’t best slaagt,
ontvangt een prijs van uitgever of firma.
Limit, limit, subst. grens, uiterste punt, beperking; — verb.
begrenzen, vaststellen: There is a — to everything = alles heeft zijn
grenzen; To (Within) the — of = hoogstens tot; To give more — = meer
speelruimte; To set a — to = een grens bepalen; —able = begrensbaar,
beperkbaar; —arian = begrenzend, beperkend; —ary = grens..; —ation =
beperking, begrenzing, verjaring(stermijn); —ed = begrensd, beperkt:
London Omnibus Company, lim. = Londensche Omnibus Maatschappij met —ed
liability; —ed train = sneltrein met beperkt aantal wagons (Amer.);
—edness = begrensdheid; beperktheid; —er = beperker, grens; —less =
grenzenloos, onbegrensd.
Limmer, limə, bastaardhond; deugniet; lichtekooi, brutale meid; oud
wijf.
Limn, lim, schilderen, teekenen, illustreeren, afschilderen; —er,
limnə, schilder, artiest (veroud.).
Limoges, limouž, stad: — enamel = — porcelain-ware = geemailleerd
aardewerk van Limoges.
Limp, limp, slap, buigzaam; subst. —ness.
Limp, limp, kreupel loopen; ook subst.: He has a — in his walk = hij
loopt kreupel; —er = kreupele; —ing = kreupel, mank (ook fig.).
Limpet, limpət, napslak: He stuck on like a — = hij hing aan als een
klis (klit).
Limpid, limpid, helder, klaar, doorschijnend; subst. Limpidity = —ness.
Limpsy, lim(p)si, slap, onbeduidend (Am.).
Limy, laimi, kleverig, kalkachtig, kalk - -.
Lin, lin, bron, plas, waterval, afgrond.
Linch-pin, linšpin, lunspen.
Lincoln, link’n, stad en graafschap; —-green = groen laken, vroeger
vooral door boogschutters gedragen; —shire = Lincs.
Linden, lind’n, linde.
Line, lain, subst. lijn, snoer, richtsnoer, spoorlijn, linie, tak,
geslacht, stuurreep, streep, rij, reeks, regel, vak, briefje of
lettertje, waren of goederen, streep = 1⁄12 van een inch; — verb.
linieeren, door lijnen verdeelen, doorhalen, teekenen, schetsen, in een
lijn opstellen, loopen langs, grenzen aan; voeren, bekleeden,
beschieten, vullen, spekken: Ascending (Descending —) = opgaande
(neergaande) linie; Collateral (Female, Male) — = zijdelingsche
(vrouwelijke, mannelijke) linie; — of battle = slagorde; — of business
= branche; — of conduct = gedragslijn; — of kings = dynastie; — of
mountains = bergketen; — of print = regel druks; All along the — =
langs de geheele linie; He was irreconcilable all along the — =
onverzoenlijk op alle punten, in alle opzichten; Ships of the — =
linieschepen; The picture was on the — = hing ter hoogte van het oog;
On this — = op deze wijze, volgens dit beginsel; You will be the
biggest — in the whole show = gij zult op de tentoonstelling het
grootste succes zijn; A shop in the general — = waar van alles te
krijgen is, koomenijswinkel; My friend is in the railway — = bij het
spoor; White — = regel wit, enz.; To bring a person (a thing) into — =
iemand (iets) weer laten meedoen, naast de anderen plaatsen; The
country was brought into — with the other countries = kreeg hetzelfde
stelsel; To cross the — = de linie passeeren; To draw the — = een grens
trekken; The — must be drawn somewhere = alles heeft zijn grenzen; To
drop a — = een lettertje schrijven; He follows the — his father
initiated = treedt in de voetstappen; It is rather hard —s on them =
nog al hard voor hen; To read between the —s = tusschen de regels
lezen; To stand in — = queue maken; To stick to the old —s = blijven
bij het oude; Marlborough turned the celebrated —s of Villars = brak
door de liniën; A soft —d face = met zachte trekken; The street was —d
with bayonets = afgezet (in de lengte); His purse was well —d with
money = was goed gespekt; The room was —d with books = langs alle
wanden stonden boeken; —-about dialogue = tweegesprek, waarbij om de
andere regel de andere persoon spreekt; —r = linieschip, stoomboot (van
eene bepaalde lijn), linieerder, broodschrijver; pakking: A
Transatlantic —r = stoomschip; His picture got a place among the —rs =
kreeg eene plaats onder de aangenomen werken op de tentoonstelling.
Lineage, liniidž, geslacht, afstamming, stamboom.
Lineal, liniəl, lijnrecht, direct; lengte...: — measure; My — race =
direkte afstammelingen.
Lineament, liniəment, gelaatstrek; —s = uiterlijk.
Linear, liniə, lengte..., draadvormig, lijnrecht: — perspective =
lijnperspektief; Lineate = gelijnd, overlangs geribd; Lineation =
linieering.
Linen, linən, subst. linnen, ondergoed; ook adj.: To change one’s — =
zich verschoonen; Soiled — should be washed at home (fig.); —-draper =
koopman in witte goederen; —-drapery; —-merchant = groothandelaar in
linnen; —-press = linnenkast; —-weaver = linnenwever.
Ling, liŋ, leng; struikheide, Chineesche waterkastanje; —y = met
heidekruid begroeid.
Linger, liŋgə, talmen, dralen, toeven, weifelen, voortkwijnen; —er;
—ing = langzaam, wijdloopig, sleepend; ook subst.
Linget, liŋgət. Zie Ingot.
Lin(g)hay, liŋhei, linhei, afdak, open schuur.
Lingo, liŋgou, bargoensch.
Lingot, liŋgət, Zie Linget.
Lingual, liŋgwəl, subst. tongletter; adj. tong...; Lingualize = als
tongletter uitspreken; Linguist, liŋgwist, taalkenner, taalkundige;
Linguister = tolk (Amer.); adj. Linguistic(al); Linguistics =
taalwetenschap; Lingulate = tongvormig.
Liniment, linim’nt, smeersel.
Lining, lainiŋ, voering, bekleeding: The darkest cloud has a silver — =
geen ongeluk zoo groot, of er is een geluk bij.
Link, liŋk, subst. schakel, bocht (in eene rivier); schakel van ± 20
cM.; toorts; — verb. verbinden, schakelen; verbonden zijn; —s = vlakke
zandige bodem aan de zeekust, “golf”-baan; manchetknoopen met
kettinkjes (= —-buttons); —-boy, —-man = toorts- of fakkeldrager (bij
avond of zwaren mist); With —ed arms = arm in arm.
Linlithgow, linlithgou.
Linn, lin, waterval, vijver, steile rotsspleet.
Linnaean, linîən, van Linnaeus (1707–1778): — system.
Linnet, linət, vlasvink.
Linoleum, linoulj’m, linoleum.
Linotype, lainətaip, soort v. zetmachine.
Linseed, linsîd, lijnzaad; —-cake manufacturer = fabrikant van
lijnkoeken; —-meal = lijnmeel; —-oil = lijnolie; —-tea = aftreksel van
lijnzaad.
Linsey-woolsey, linziwulzi, subst. halfwollen stof; goedkoope stof,
gebrabbel; adj. halfwollen, slecht.
Linstock, linstok, lontstok.
Lint, lint, pluksel.
Lintel, lint’l, kalf of bovendrempel van deur of venster.
Lintwhite, lint(h)wait. Zie Linnet.
Lion, laiən, leeuw, ‘lion’, modeheld, beroemdheid: There is a — in the
street = “de wolf komt”; To show the —s (and tombs) = een vreemdeling
de bezienswaardigheden rondleiden; —-dog = leeuwtje (hond); —-heart =
moedig man; —-hearted = manmoedig: Richard the —-hearted; —-hunter =
leeuwenjager, iemand, die de beroemdheden van den dag dolgraag op zijne
partijen ziet: The modern sport of —-hunting; —’s-den = leeuwenkuil;
—’s-provider = jakhals; lage vleier; —’s-share = leeuwendeel; —’s-tooth
= leeuwentand; —ize = als een beroemdheid behandelen of vereeren; de
merkw. van eene plaats bezien of rondleiden; den “Lion” spelen: I hate
being —ized = ik houd niet van die belangstelling in mij, en dat geloop
achter mij aan; —ess = leeuwin.
Lip, lip, subst. lip, rand, mond, taal; — verb. kussen, uiten: He bit
his —(s) = beet zich op de lippen; To cross one’s —s = over de lippen
komen; Don’t give me any of your — = geen praatjes; He gave me a lot of
— = gaf me een grooten mond; To hang the — (To make a —) = de lip laten
hangen; Prattle from the —s outwards = maar wat zeggen waar men niets
van meent; —-deep = onoprecht; —-devotion = schijnvroomheid; —-labour =
ijdele woorden; —reading = van de lippen lezen (van doofstommen);
—salve = lippenpommade, vleierij; —less; —let = lipje; —ped =
lipvormig.
Liquate, laikweit, smelten, verloopen; Liquation, laikweiš’n, smelting,
smeltbaarheid; Liquefacient, likwifeiš’nt, middel om te smelten of tot
vermeerdering van afscheiding; Liquefaction, likwifakš’n, smelten,
gesmolten zijn; Liquefiable = smeltbaar; Liquefier = smeltmiddel;
Liquefy, likwifai, smelten oplossen; vloeibaar worden, zich oplossen.
Liqueur, likɐ̂, likjûə, likeurtje.
Liquid, likwid, subst. vloeistof, vloeiletter; adj. vloeiend,
vloeibaar, zacht, los, beschikbaar, waterig, helder, doorzichtig.
Liquidate, likwideit, liquideeren, vereffenen, verzachten, afrekenen;
subst. Liquidation; Liquidator.
Liquidity, likwiditi, vloeibare toestand, vloeiendheid; Liquidize =
vloeibaar maken.
Liquor, likə, subst. vocht, drank, alcoholische drank, bouillon,
braadvet; — verb. bevochtigen, besmeren, dronken maken, zich bedrinken
(up): Addicted to — = aan den drank; In — = dronken.
Liquorice, likəris, zoethout: Sticks of — = pijpen zoethout.
Lira, lîrə, (Ital.) franc.
Lisbon, lisb’n, Lissabon; een witte Portugeesche wijn.
Lisle, lîl, lail, Rijssel; Lismore, lizmö.
Lisp, lisp, lispelen, gemaakt spreken, gebrekkig spreken; ook subst.
—er.
Lissom(e), lis’m; Zie Lithesome.
List, list, lijst, catalogus, rand of zelfkant van laken, slagzijde
(van een schip), verzakking, verlangen; — verb. op eene lijst plaatsen,
werven, een rand of zelfkant maken aan, krengen (scheepst.), slagzij
hebben, verzakken; behagen, lust hebben: (—s = tournooiveld: He entered
the —s = hij trad in het strijdperk); He made a black — of them = zij
stonden slecht bij hem aangeschreven; I am on your black — = ik kan
geen goed bij u doen; To put on the retired — = pensionneeren; — of
trains = spoorlijst; — of wines = wijnkaart; — shoes (slippers) =
lakensche schoenen (pantoffels); The securities will be —ed on the
Stock Exchange = in de officieele noteering worden opgenomen; The ship
—ed to one side (There was a — to one side) = helde over naar; It —s me
= Me —s = het lust mij; —less zorgeloos, onverschillig, lusteloos;
subst. —lessness.
List, list, hooren, luisteren.
Listen, lis’n, luisteren; ook subst. (Up)on the — = luisterend; —er =
luisteraar.
Lit, lit, imperf. en part. perf. van to light.
Litany, litəni, litanie.
Literacy, litərəsi, geletterdheid.
Literal, litər’l, letterlijk, door letters uitgedrukt, nauwkeurig,
prozaïsch, nuchter; subst. drukfout; —ism = letterlijke uitleg;
letterknechterij; —ist; Literality = —ness = —ism.
Literary, litərəri, letterkundig, geletterd.
Literate, litərit, geletterd, beschaafd; subst. geletterde, proponent
zonder universitaire opleiding; Literati, litəreitai, de geleerden of
geletterden; Literatum = letterlijk; Literature, litərətjə, de
letteren, letterkunde: Polite — = fraaie letteren.
Lithe, laidh, buigzaam, lenig: subst. —ness; —some = buigzaam, lenig;
subst. —someness.
Lithiasis, lithaiəsis, steenziekte.
Lithograph, lithəgraf, subst. steendrukplaat; — verb. op steen
graveeren, drukken of schrijven; —er, lithogrəfə, steendrukker; adj.
Lithographic(al); Lithography = lithographie, steendrukkunst.
Lithuania, lithjûeinjə, Littauen: —n = Littauer; Littausch.
Lithy, laidhi, lidhi = Lithe.
Litigant, litigənt, twistend, twistziek, procedeerend; subst. partij;
Litigate, litigeit, procedeeren, twisten; Litigation = proces: Embarked
in — = in proces gewikkeld; Litigator = partij; Litigious, litidžəs,
procesziek, ruzieachtig: subst. —ness.
Litmus, litməs: — paper = lakmoespapier.
Litotes, laitətîz, litətîz, litotes (een stijlfiguur).
Litre, lîtə, liter.
Litter, litə, subst. draagbaar, stroo(bed), stroobedekking (voor
planten), wanorde, rommel, worp (van varkens, honden, katten, enz.); —
verb. van stroo voorzien, met stroo bedekken, als stroo gebruiken;
rondstrooien, overhoop liggen of halen, op stroo liggen; jongen werpen:
Quite a — of children = een nest vol; To be in — = drachtig zijn; To be
in a — = overhoop liggen; To make a — = overhoop gooien; I kicked aside
the objects that —ed the floor = die over de vloer lagen verspreid; A
room untidy and —ed = eene rommelige kamer, waarin alles overhoop ligt;
—y = rommelig.