bosch bedekken, in bosch veranderen, hout innemen: It was drawn from
the — = van het vat getapt; In a — = verward, verlegen; The ale is in
the — = in het vat: The Palace in The — = Het Huis ten Bosch; I shall
soon be out of the — = buiten gevaar of de moeilijkheid te boven zijn;
She is out of the — again = is weer bij (kennis); Have you taken in
your stock of — yet? = al hout opgedaan; He doesn’t see the — for trees
= hij ziet wegens de boomen het bosch niet; —-ant = boschmier; —-ashes
= houtasch; —-band = houtorkest, de blaasinstrumenten, “het hout”;
—bine = wilde kamperfoelie; —-bird = boschvogel; —-bound = ingesloten
door hooge en zware heggen; —-carver = houtsnijder; —-carving =
houtsnijwerk; —chuck = soort v. marmot; — coal = bruinkool; —cock =
houtsnip; sukkel; —craft = bedrevenheid in boschcultuur of jacht;
jachtvermaak; —cut = houtsnee(plaat); —-cutter = houthakker, maker van
houtsneden; —-drink = afkooksel van medicinale planten; —-engraver =
houtgraveur; —-engraving = houtgraveerkunst, houtgravure; —-fretter =
houtworm; —-gear = raderwerk van hout; —-grouse = auerhaan; —-hole =
—-house = houtloods; —-knife = hertsvanger; —land, subst. boschland,
adj. bosch.., woud.., boschachtig; —lark = boomleeuwerik; —-lot = stuk
land waarop brandhout wordt verbouwd (Amer.); —-louse = houtluis; —man
= boschwachter, boschbewoner, houthakker; —-mite = houtworm; —-mouse =
boschmuis; —-nymph = boschnimf; —-paper = papier uit hout vervaardigd;
—-pavement = houten bestrating; —pecker = specht; —-pigeon = houtduif;
—-pile = houtmijt; —reeve = houtvester; —-rick = —-pile; —-rock =
bergvlas, soort v. asbest; —-ruff = Lieve Vrouwe Bedstroo; —-sare =
koekoekspog; —-screw = houtschroef; —shed = houtloods; —-skin = boot of
kano van boombast (Guyana); —-soot = houtroet (bemesting); —-sorrel =
boschklaverzuring; —-spite = groene specht; —-tar = houtteer; —-vetch =
soort lathyrus; —-wale = —pecker; —-wax(en) = verfbrem; —work =
houtwerk; —-worm = —-mite; —ed = bedekt met bosch; Wooden = van hout,
houterig, dom, suf: What are you so — about? = hoe ben je zoo suf; —
horse = paard (gymn.); ook strafmiddel (To ride the — horse); — shoes =
klompen, armoede, oude spotnaam voor de Fransche natie; —ness =
houterigheid, stijfheid: That particular —ness which has in all ages
been characteristic of mere philologists; Woodiness, subst. v. Woody =
houtachtig, boschrijk: — fibre (tissue) = houtvezels (weefsel).
Woof, wûf, inslag, weefsel.
Wool, wul, wol, bont: Great (Much) cry and little — = veel geschreeuw
en weinig wol = More squeak than —; To draw (pull) the — over a
person’s eyes = iemand zand in de oogen strooien; —-ball = wolbal (in
magen van dieren); —-bearing = woldragend; —-comber, wolkammer;
—-combing = het wolkammen; —-cotton = boomwol; —-dyed = in de wol
geverfd; —-gathering, subst. het vergaren van pluisjes wol;
verstrooidheid; adj. verstrooid: His wits are a-—-gathering = zijn
verstand is op den loop, hij suft; —-grower = schapenfokker; —-man =
wolkooper; —-market; —-merchant; —-mill = wolspinnerij; —pack = baal
wol (± 108,826 K.G.); —sack = zitplaats van den Lord Chancellor in het
House of Lords; —sorter = wolsorteerder = —-stapler, dit laatste ook
wolhandelaar; —-staple = wolmarkt; lengte der wolharen; —-trade =
wolhandel; Woollen = van wol, grof, lomp, boersch: —s = wollen stoffen,
wollen goederen = — articles of — goods; — trade = wolhandel; —-draper
= lakenkooper, handelaar in wollen goederen; —-printer = woldrukker;
—-scribbler = machine om wol te kaarden; Woolliness = wolligheid;
Woolly = wollig, wolachtig, gedempt, dof, onduidelijk, prikkelbaar,
knorrig; —-haired; —-head = neger; —-minded men = suffers.
Woolwich, wulidž.
Woom, wûm, beverbont.
Wootz, wûts, fijn Indisch gietstaal.
Worcester, wustə.
Word, wɐ̂d, subst. woord, uitdrukking, mededeeling, bericht, bevel,
wachtwoord, parool, motto; — verb. onder woorden brengen: The — = de H.
Schrift; Money is the — = geld is de boodschap; He is as good as his —
= houdt zijn woord = He has not been worse than his —; There were angry
—s between us = we hadden hooge woorden; At a — = met één woord; By
good — = met goedheid; He communicated it to me by — of mouth =
mondeling; I repeated it to him — for — = woord voor woord; In a (one)
— = in één woord, kort en goed; There you have it in a — = met dat ééne
woord is alles gezegd; He is a hero in —(s) = een held met den mond; To
a — = woordelijk; Upon my — = op mijn woord; To come to —s = woorden
krijgen; He tried to get away from his — = van zijne belofte af te
komen; I could not get in a — edgeways = er geen woord tusschen
krijgen; To stick to one’s — = zijn woord houden; I take you at your —
= houd je aan; To take up the — again = weer opvatten; To understand at
half a — = met een half woord verstaan; To bring — = bericht brengen;
You shall eat your —s = terugnemen; He gave me many kind —s = sprak
zeer vriendelijk; I must have a — with you = u even spreken; To have a
few —s = woorden (ruzie) hebben; To have the final — = het laatste
woord hebben; I have your — = uw woord, verzekering; I won’t have any
—s about it = ik wil er niet van hooren; She hasn’t a good — to say of
(for) anybody = zij heeft op iedereen wat te zeggen; To keep one’s — =
houden; To leave — with the servant = boodschap achterlaten; I should
like a — with you = je gaarne even spreken; To put in a good — for =
een goed woordje doen voor = To say a good — for; He has not said his
last — = zijn laatste woord nog niet gezegd (fig.); I’ll send you — =
ik zal u eene boodschap zenden; To speak a good — for, Zie Put in; You
may take my — for it = gij kunt erop aan; To take the — = het woord
nemen; To write — = bericht zenden; —-book = woordenlijst; —-building =
woordvorming; —-catcher = woordenzifter, woordenvitter; —-catching;
—-painter = woordkunstenaar; —-painting = woordkunst; —-picture = beeld
of beschrijving; —-spin = met woorden schermen: Journalists can —-spin
on occasion = verstaan de kunst om met veel woorden niets te zeggen;
—-spinner = redekunstenaar; —-square = reeks v. woorden (in een
vierkant) die hetzelfde woord opleveren hetzij naar beneden of van
rechts naar links gelezen; Cautiously —ed = voorzichtig gesteld; A
well-—ed letter = een goed gestelde brief; —ing = redactie,
bewoordingen; —iness, subst. v. —y; —less = sprakeloos, niet
uitgesproken; —y = woordenrijk, langdradig: —y warfare = woordentwist.
Wordsworth, wɐ̂dzwəth.
Wore, wö, imperf. van to wear.
Work, wɐ̂k, subst. werk, arbeid, bezigheid, bewerking, behandeling,
etc.; —s = industrieele inrichting, fabriek, (uur)werk; goede werken,
zedelijke plichten (tegenover “genade”), muren, loopgraven,
versterkingen, vestingwerken; — verb. werken, arbeiden, zich inspannen,
gisten, stampen (v. een schip), werken op, zich laten bewerken, laten
werken, afbeulen, sturen, leiden, oplossen, bedienen, afvisschen,
dresseeren, etc.: That is a good day’s — = eene flinke dagtaak; It’s
hard and slow — = moeilijk en langzaam vorderend werk; Bicycling is
warm — = warm werk; At —! = aan het werk! They were at — on the map =
aan het werk; A maid of all — = meid alléén; To be out of — = zonder
werk, stilstaand; You’ll have all your — cut out for you = er de handen
vol aan hebben; To find a person — = werk verschaffen; I must try to
get through all this — to-day = al dit werk zien af te krijgen; You are
going the right (wrong) way to — = legt het goed (verkeerd) aan; To go
(fall) to — with a will = met ijver aan het werk gaan; To go out to — =
uit werken gaan; To make sad — of = verknoeien; To make short — of =
korte metten maken met; To set to — = aan het werk gaan, aan het werk
zetten; Take up the — you dropped last week = vat het werk weer op; To
be thrown out of — = buiten werk (geraakt) zijn; Gas-—s = gasfabriek;
An iron-—s = ijzergieterij; The Board of —s = een lichaam, dat de
secular functions van de Vestries in de meeste parishes heeft
overgenomen (Zie Vestry); To — guns = bedienen; He —ed his men fewer
hours = liet werken; To — a mill = aan den gang brengen, drijven; To —
arithmetical problems = oplossen; To — a railway = exploiteeren; If I
could — my will = mijn zin kon doorzetten (Vergel. To — with a will =
flink aanpakken); —ed in iron, gold, etc. = van ijzer, goud bewerkt; He
is a hard —ed man = hij moet hard werken; Stocks are —ing down = de
effecten gaan naar beneden; The ship is —ing to windward = kruist naar
loevert op; I have been —ing at my grammar = heb gewerkt; He —ed
himself into the king’s favour = drong zich in; I had a headache but I
have —ed it off = maar ze is met werken overgegaan; That did not — on
him = had geen invloed; It has —ed out something good = heeft
uitgewerkt; I left these things to — out their own problems = om
vanzelf tot oplossing te komen; To — out one’s dinner, passage = zijn
middagmaal, overtocht verdienen met daarvoor te werken; We have
steadily —ed through all the exhibits = hebben alle uitstallingen
geregeld nagegaan; He —ed up his rage = hij werd al woedender; It was
—ed up into something quite different = er kwam geheel iets anders van;
He —ed himself up into a passion = maakte zich driftig; —aday = —-a-day
= daagsch, alledaagsch; —-bag = werktaschje; —-basket = mandje; —-box =
werkdoos, naaikistje; —-day = werkdag; —-folk(s) = werklui; —-girl =
fabriekarbeidster; —house = werkhuis (waarin de armen worden opgenomen,
en de voor werk geschikten tot arbeid gedwongen worden); soort
tuchtschool of werkinrichting; —man = arbeider, werkman; —manlike =
knap, handig, vaardig; —manship = wijze van uitvoering, bewerking,
arbeid, bekwaamheid, handigheid: This is a box of excellent —manship =
een fraai bewerkte; —-people; —-room = werkkamer (voor vrouwen) in huis
of fabriek; —-season = campagne; —shop = werkplaats; —-shy = afkeerig
van werken; subst. leeglooper; —-table = werktafel(tje); —woman =
werkvrouw, werkster; —able = wat bewerkt, in beweging of gang gebracht,
geëxploiteerd kan worden, uitvoerbaar, praktisch: That is not a —able
theory, proposal = practisch; —er = werker, werkman, arbeider; werkbij
(-mier): He was my fellow —er for a time = wij hebben een tijdlang
samengewerkt; Working, subst. werk, gisting, beweging, gang, bedrijf,
exploitatie; adj. werkend, arbeidzaam, werkzaam, bruikbaar: —-account =
exploitatierekening; —-beam = drijfstang; —-class(es) = arbeidende
klasse; —-day, subst. werkdag; adj. als v. een werkdag, zwoegend,
gewoon; —-drawing = plan of teekening, constructieteekening; —-expenses
= exploitatiekosten; —-man = werkman, arbeider; —-party = troep
soldaten voor eene korvee bestemd; —-point = deel der machine waarop
het vereischte effect wordt teweeggebracht; Workless = zonder werk,
werk(e)loos: The —, the Thriftless and the Worthless, a book by Francis
Peek.
World, wɐ̂ld, wereld (ook fig.), aardsch bestaan, levensloop, de
menschen, het publiek, maatschappij, menigte: A — of pains = ontzettend
veel moeite; — without end = eeuwig; The next (other, future) — = The —
to be (— to come) = het hiernamaals; The fashionable (great) — = de
groote wereld; It’s him, for all the — = hij is het waarachtig; I
wouldn’t part with you for (all) the — = voor niets ter wereld; What in
the — do you mean by it? = wat ter wereld; History (Knowledge) of the
—; He is a man of the — = een man van de wereld; He is of the — worldly
= een echte wereldling, wereldschgezinde; We have travelled all over
the —, all the — over = de geheele wereld door- of rondgereisd; All the
— say so = alle menschen; All the — and his wife go(es) there = Jan en
alleman; She was beginning the — = trad de wereld in; I wish I could
begin the — over again = dat ik nog eens weer van voren af aan kon
beginnen: I would have given —s = alles; He has renounced the — = heeft
van de wereld afstand gedaan; He thinks (all) the — of his nephew =
heeft een hoog idée van; As the — goes = zooals het gaat in de wereld;
That is how the — wags (Such is the —, This is the way of the —) = is
’s werelds beloop; —-English = phonetisch internationaal spelstelsel v.
Melville Bell; —-famous; —-pain = wereldsmart (“Weltschmerz”);
—-wearied = de wereld moede, levensmoede; —-wide = oneindig, zeer
groot; —-wise = ervaren; Worldliness = wereldsch-gezindheid; Worldling
= wereldling; Worldly = wereldsch, menschelijk, aardsch, verachtelijk;
—-minded = wereldsgezind; subst. —-mindedness; —-wise = wijs naar de
wereld (gew. in afkeurenden zin).
Worm, wɐ̂m, subst. worm, made, larve, stumper, klabak, gewetenswroeging,
schroefdraad, krasser op den laadstok, koelslang; — verb. kruipende
vooruitkomen, in het geheim en langzaam werken, op slinksche wijze
bewerkstelligen, de lading uit geweer of kanon halen, touw
spiraalsgewijs omwikkelen, van wormen zuiveren: Even the trodden — will
turn = zelfs het wormpje laat zich niet zoo maar trappen; He —ed
himself into the king’s confidence = drong zich kruiperig in; He tried
to — that secret out of me = van mij los te krijgen; —-cake =
wormkoekje; —-eaten = wormstekig; subst. —-eatenness; —-fever =
wormkoorts; —-grass = muurpeper; —-hole = wormgaatje; —-powder =
wormpoeder, wormkruid; —-seed = alsem, welriekende ganzevoet,
boerenkers; —-shaped = wormvormig; —’s meat = voedsel voor wormen,
lijk; —-wheel = schroefrad, snek; —y = vol wormen, wormstekig, aardsch,
kruipend.
Wormwood, wɐ̂mwud, bittere alsem: It is (gall and) — to him = hij wormt
er over, het grieft hem.
Worn, wön, p.p. van to wear, versleten, uitgeput, verweerd, uitgeteerd.
Worrier, wɐriə: He is a — = een kwelgeest, onaangenaam mensch; It has
caused me much worriment = me veel last en verdriet veroorzaakt;
Worrit, wɐrit (= Worry): Don’t — yourself = plaag jezelf toch niet, zit
toch niet (zoo) te kniezen.
Worry, wɐri, subst. kwelling, angst, zorg, drukte, “soesa”; — verb.
kwellen, tobben, plagen, afworgen (zooals de honden doen), rukken,
uitputten: You have no worries = niets dat u hindert; Don’t be uneasy,
my dear old — = lieve tobber (bezorgde moeder); The dog worried the old
gentleman’s gaiters = rukte en scheurde aan de slobkousen van den ouden
heer; To be worried at = zich ergeren over, verdrietig zijn over; The
chief had been —ing for her for two hours = naar haar gevraagd, overal
gezocht.
Worse, wɐ̂s, erger, slechter; ook subst.: From bad to — = van kwaad tot
erger; — luck = ongelukkigerwijze; To be — = erger, zieker zijn; To be
¼ — = ¼ procent lager staan; I am no — = I am none the — for it = dat
heeft me niets gehinderd; To be the — for = minder waard zijn, schade
lijden, er slecht aan toe zijn; To be the — for drink = aangeschoten
zijn; The — for wear = versleten; To change for the — = minder worden;
To get — and — = al erger worden; He is — off than his brother =
slechter af; And, to make things —, one of the horses fell down dead =
en tot overmaat van ramp; Worsen = verergeren, ontaarden; een voordeel
behalen op; His betters or his worsers = zijne meerderen of zijne
minderen (schertsend).
Worship, wɐ̂šip, subst. waardigheid, aanzien, eerbied, eerbewijzen,
aanbidding, godsdienst, eeredienst, titel (vooral van
magistraatspersonen); — verb. aanbidden, vol eerbied behandelen,
vereeren, hoogachten, zich toewijden: Yes, your — = ja, edelachtbare;
—ful = grootachtbaar (titel): —ful Master; subst. —fulness; —per =
aanbidder: —per of idols = afgodendienaar.
Worst, wɐ̂st, subst. en adj. slechtst(e), ergst(e), minst(e),
snoodst(e); — verb. verslaan, overwinnen: At the — = op zijn minst, in
’t ergste geval; In the event of the — = If the — comes to the — = als
het op het ergst loopt; The — of the thing was = het ergste van de zaak
was; Let him do his — = het ergste doen wat hij kan; He had (got) the —
of it = hij verloor het, trok aan het kortste eind; Why should you
suppose the —? = het ergste onderstellen; They were —ed in the battle =
zij werden in den strijd totaal verslagen.
Worsted, wustid, subst. en adj. (van) sajet: A ball of — = een kluwen
sajet.
Wort, wɐ̂t, kruid (in samenstellingen).
Worth, wɐ̂th, worden of zijn (alléén) in: “Woe —” met volgenden datief:
Woe — the chase, woe — the day, That costs thy life, my gallant grey =
wee de jacht en wee den dag.
Worth, wɐ̂th, subst. waarde, waardij, verdienste, uitstekendheid; adj.
waard: To be — = gelden, waard zijn; What’s that man —? = hoeveel bezit
die man; Take all I’m — = neem alles wat ik bezit; It is hardly —
looking at = haast geen aankijken waard; It is as much as my place is —
to let him see it = het zou me mijn betrekking kunnen kosten, als hij
het zag; He gave the last shilling he was — = dien hij bezat; He liked
to think that he was — his salt = dat hij den kost waard was; You are
not — a two-penny rope = je bent het ophangen niet waard; He danced for
all he was — = zooveel en zoo goed hij kon; —iness, wɐ̂dhinəs,
waardigheid, deugd, uitstekendheid; —less = waardeloos, verachtelijk;
subst. —lessness; Worthy, wɐ̂dhi, subst. held, beroemdheid, persoon;
adj. waardig, edel, verdienstelijk: The Nine —ies = de negen helden der
Oudheid (Hector, Alexander, Julius Caesar, Jozua, David, Judas
Maccabaeus, Arthur, Karel de Groote, Godfried v. Bouillon); I am — to
be scorned = verdien veracht te worden; This work is not — of your
talents = is uwe talenten en gaven onwaardig; The labourer is — of his
hire = zijn loon waard.
Would, wud, imperf. van will: — to God = God gave; He — often go there
= placht te gaan; — you have me go there? = woudt ge, dat ik daarheen
ging? What — you have me do? = wat woudt ge (dan) dat ik deed; I — have
you know = ik moet je zeggen; Would-be, subst. bluffer; adj.
zoogenaamd: A — friend = valsche, zoogenaamde vriend; A — sportsman =
Zondagsjager.
Wound, wûnd, subst. wonde, smart; — verb. wonden, kwetsen: To give
(inflict) a — = eene wonde toebrengen; To — to death; To — to the quick
= pijnlijk verwonden of grieven; —-fever; —-wort = andoorn.
Wound, waund, imp. en p.p. van to wind.
Wove, wouv, Woven, wouv’n, imperf. en p.p. van to weave: —(n) paper =
velijnpapier.
Wow-wow, wauwau, woef (= hond in de kindertaal); langarmige apensoort
(Sumatra).
Wrack, rak, zeewier; wrak; lichte, dunne wolk (Zie Rack): Let the world
go to — = ten onder gaan.
Wrain-bolt, reinboult; Zie Wring-bolt.
Wraith, reith, geest(verschijning) van iemand vóór zijn dood of even na
zijn dood, schim, spook: His friendship for me was henceforth a hollow
— = niets dan eene schim, eene holle klank.
Wrangle, raŋg’l, subst. gekijf, ruzie; — verb. kijven, rumoerig
twisten: The birds were wrangling for the seed = vochten om; Wrangler =
twister, ruziemaker; aan de universiteit te Cambridge een van hen, die
in het Honours examen voor B.A. in de wiskunde hooge punten hebben
behaald; de beste heette Senior — (afgeschaft in 1909); —ship;
Wrangling = twist, ruzie.
Wrap, rap, subst. omhulsel, overtrek, omslagdoek, sjaal, mantel,
morgenjapon; — verb. samenwikkelen, bedekken, inwikkelen, oprollen,
hullen, opgaan in: The world was —ped in silence, darkness = in stilte
duisternis gehuld; I don’t understand why you are so —ped up in your
country = hoe gij zoo geheel in uw land opgaat, er zoo mee zijt
ingenomen; —page = omhulsel; Wrapper = emballage, sjaal, morgenjapon,
doek, dekblad, kruisband: Sumatra —s = sigaren met S. dekblad;
Wrapping-paper = pakpapier; Wrapt = P. Imp. en P.P. v. To wrap.
Wrasse, ras, lipvisch.
Wrath, rôth, râth, woede, gramschap; —ful = vol toorn en gramschap;
subst. —fulness; —y = toornig, gramstorig.
Wreak, rîk, subst. wraak, woede; — verb. wreken, koelen: To — one’s
anger (rage) upon = zijn toorn (woede) koelen aan; I’ll — my vengeance
on you = zal mijne wraak aan u koelen.
Wreath, rîth, krans, ring, winding, kring: —s of smoke; Wreath(e),
ridh, omkransen, bekransen, kronkelen, strengelen; Wreathy, rîthi,
gewonden, etc.
Wreck, rek, subst. wrak, wrakhout, vergaan, verval, ondergang,
vernietiging; — verb. vernietigen, te gronde richten, stranden,
schipbreuk (doen) lijden, te gronde gaan: —s = overblijfselen,
wrakhout: Receiver of —s = strandvonder; Everything went to — and ruin
= ging te gronde; The ship was —ed off Kijkduin = verging; To — a train
= een spoorwegongeluk veroorzaken; The rebels —ed the bakers’ shops =
vernielden en plunderden; —-commissioner = strandvonder (Amer.); —-free
= niet onderworpen aan het strandrecht, zooals b.v. de Cinque Ports;
—-master = strandvonder (Engl.); Wreckage, rekidž, schipbreuk,
wrakhout, overblijfselen; Wrecker = stranddief, strandjutter,
strandwacht, bergingsschip; Wrecking-car = spoorwagen met materiaal om
na een spoorwegongeluk den weg vrij te maken (Amer.).
Wren, ren, tuinkoning: A — in the hand is better than a crane to be
caught = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht; —ning =
jacht op —s; de 26e Dec. heet in ’t Z. van Ierland —ning-day, omdat
oudtijds de —s op dien dag gevangen, en in triomf van huis tot huis
gedragen werden om geld voor een pretje op te halen; de deelnemers aan
de jacht heetten —-boys.
Wrench, renš, subst. ruk, verdraaiing, draaiing, verstuiking,
schroefsleutel; — verb. draaien, wringen, verdraaien, verrekken,
verstuiken: It was a hard (shocking) — to part with her = het was een
zeer hard gelag; Students have a fancy for —ing off knockers = mogen
graag kloppers (bellen) “moeren”; To — open = openbreken.
Wrest, rest, subst. draaiing, winding, list, verrekking; stemhamer; —
verb. verdraaien, verwringen, ontrukken.
Wrestle, res’l, subst. worsteling, worstelwedstrijd; — verb. worstelen,
strijden; —r = worstelaar, athleet; Wrestling-place = worstelplaats.
Wretch, retš, ellendeling, schelm: ongelukkige: Poor — = arme stakker:
That young — of a girl = dat nest; Wretched, retšid, ellendig,
ongelukkig, betreurenswaardig, armzalig; subst. —edness.
Wrexham, reks’m.
Wriggle, rig’l, subst. wriemelende beweging, draaiing; — verb.
wriemelen, zich kronkelend bewegen, draaien, wrikken (v. een boot): To
— oneself into a person’s favour = zich vleierig indringen; —r =
draaier, knoeier.
Wright, rait, bijna alléén in samenstellingen, als Cart— = wagenmaker;
Ship— = scheepstimmerman.
Wring, riŋ, wringen, draaien, persen, afpersen, uitknijpen, omdraaien,
buigen, martelen, pijnigen: He wrung the confession from me = perste
mij de bekentenis af; To — out clothes; These shrieks — my heart =
knijpen mij het hart toe; We listened with wrung hearts; —-bolt =
ringbout; —er = wringmachine; Wringing: —s of conscience =
gewetenswroeging; — of the guts = krampen (plat); —-machine =
wringmachine; —-wet = zóó nat dat men het kan wringen.
Wrinkle, riŋk’l, subst. rimpel, plooi, vouw, oneffenheid, gelukkige
gedachte of inval, wenk; — verb. rimpelen, plooien, vouwen; liegen,
opsnijden: I’ll put you up to a — (or two) = ik zal je eens op de
hoogte brengen; Shopping —s = kneepjes bij ’t koopen in acht te nemen;
He —d up his face, nose; —d = Wrinkly.
Wriothesley, rot(ə)sli.
Wrist, rist, handgewricht; —band = vaste manchet, boord van de
(over)hemdsmouw; —-drop = verlamming der hand; Wristlet = soort
polsmof, armband, handboei.
Writ, rit, geschrift, bevelschrift, oproeping, dagvaarding, aanklacht:
Holy — = de H. Schrift; —s were issued = bevelschriften werden
uitgevaardigd; A — was served upon him = er werd hem eene dagvaarding
beteekend.
Write, rait, schrijven, beschrijven, zich schrijven (teekenen): I have
written him word = hem geschreven, schriftelijk kennis gegeven; Will
you — this fair? = dit in ’t net schrijven; They wrote down what I
dictated = zij schreven op; She writes down too much in her books for
children = zij schrijft al te kinderachtig; The critic’s objections
were written down = werden afdoende weerlegd; The debt was written off
= werd doorgehaald, afgeschreven; The ship was written off as wrecked =
als vergaan van de lijst gevoerd; Will you — it out? = het copieeren;
He has written himself out = zijn schrijversvermogen uitgeput; To — up
= bijschrijven, bijhouden: The novel was written up = werd gunstig
gerecenseerd, in de hoogte gestoken (afgemaakt) door de critiek; He has
written to say that = heeft geschreven, dat; Writer = schrijver, klerk:
—’s cramp = schrijfkramp; — to the Signet = een Schotsch solicitor;
—ship = schrijversambt.
Writhe, raidh, verwringen, verdraaien, ineenkrimpen: He —d his features
as in pain = verwrong zijne gelaatstrekken.
Writing, raitiŋ, geschrift, handschrift, tekst, oorkonde: To commit
one’s thoughts to — = op schrift brengen = To draw up (put down, take
down in) — = op schrift zetten; In his own — = eigenhandig geschreven;
—-book = schrijfboek; —-case = map; —-desk = schrijflessenaar, schrijf
map; —-master = schrijfmeester; —-pad = sous-main; —-paper =
schrijfpapier; —-part = schriftelijk gedeelte van een examen; —-school
= schrijfschool; —-table = schrijftafel; Written = geschreven: It is —
= er staat geschreven (in de H. Schrift); — examination; — Law =
geschreven wet = Statute Law.
Wrong, roŋ, subst. onrecht, onrechtmatige daad, overtreding,
beleediging, nadeel, misvatting; adj. verkeerd, onbillijk,
onrechtmatig; — verb. verongelijken, onrecht aandoen, krenken,
beleedigen: Private (public) — = onrecht een persoon (de maatschappij)
aangedaan, inbreuk op de rechten van een persoon (v. de maatschappij);
To be — = verkeerd zijn, ongelijk hebben; That is altogether
(decidedly) — = heelemaal (bepaald) verkeerd; There is something —
somewhere = er is ergens iets niet in den haak; To do a person — = To
do — to a person = verongelijken, onrecht doen; He has done — =
verkeerd gedaan, slecht gehandeld; He has had — = is verongelijkt; To
get to —s = in de war raken; To get on (to) the — tack = op het
verkeerde spoor; To go — = verkeerd gaan, den verkeerden weg opgaan; My
watch goes — = loopt niet goed; To go the — way = in ’t verkeerde
keelgat komen; To rub the — way = boos maken, prikkelen; To swallow a
crumb the — way = in ’t verkeerde keelgat krijgen; To get hold of the —
end of the stick = iets bij het verkeerde eind hebben; He got out of
bed the — foot (leg) foremost = hij is met het verkeerde been uit het
bed gestapt; I am on the — side of sixty = over de zestig; The — side
uppermost (outward) = den verkeerden kant boven (buiten), ondersteboven
(binnenstebuiten); He —ed her by two years = dacht ten onrechte dat ze
twee jaar ouder was; He never —ed me of a penny = heeft mij nooit een
cent te kort gedaan; —-doer = overtreder; —-doing = onrecht,
overtreding; —-headed = verkeerd, eigenzinnig; subst. —-headedness; —er
= verongelijker; —ful = onbillijk, benadeelend, verkeerd; subst.
—fulness; —ly = verkeerdelijk, onrechtmatig; —ous = onwettig (Schotl.).