Deplorable, diplôrəb’l, betreurenswaard, jammerlijk; subst. —ness;

Deplore, diplö, betreuren, beweenen.

Deploy, diplôi, (doen) ontplooien, ontwikkelen: The troops —ed into

line = kwamen in bataille; subst. —ment.

Deplume, diplûm, van vederen berooven.

Depone, dipoun, onder eede bevestigen; —nt, dipoun’nt, subst. getuige;

werkwoord met passieven vorm en actieve beteekenis; adj passief van

vorm en actief van beteekenis.

Depopulate, dipopjuleit, ontvolken; subst. Depopulation.

Deport, dipöt, deporteeren: To — oneself = zich gedragen; Deportation,

deportatie; Deportment = houding, gedrag.

Deposable, dipouzəb’l, afzetbaar; Deposal = afzetting; Depose, dipouz,

afzetten; onder eede bevestigen (verklaren, verhooren).

Deposit, dipozit, subst. neerslag, storting, pand, deposito; — verb.

leggen, neerleggen, bijzetten, storten, toevertrouwen, in bewaring

geven: — at call, — at notice (zonder, met opzegging); In (on) — = in

deposito (van gelden, etc.); —ary, dipozitəri, bewaarder; —ion,

depəziš’n, dîpəziš’n, neerslag, getuigenisaflegging, verklaring,

onttroning, afzetting, deposito; —or, hij die deponeert; —ory,

dipozitəri, bewaarplaats.

Depot, dîpou, depou, dipou, depot, bergplaats, stapelplaats; station

(Amer.): Coal and Cattle —.

Depravation, deprəveiš’n, verdorvenheid, bederf; Deprave, dipreiv,

bederven, demoraliseeren: —dness = Depravity, dipraviti, verdorvenheid.

Deprecate, deprikeit, door smeeken trachten af te wenden, krachtig

opkomen tegen, ernstig afkeuren; Deprecation; Deprecatory looks =

smeekende blikken.

Depreciate, diprîšieit, de waarde verminderen (Amer.); geringschatten,

onderschatten; Depreciation = waardevermindering; onderschatting,

geringschatting; Depreciative, diprîšiətiv, Depreciatory, diprîšiətəri,

minachtend, gering-, onderschattend.

Depredate, deprideit, (uit)plunderen, verwoesten, verslinden; subst.

Depredation; Depredator, plunderaar; Depredatory = verwoestend,

plunderend.

Depress, dipres, neerdrukken, neerslaan, buigen, vernederen, matigen,

verlagen, lager richten (van geschut), neerslachtig maken, in waarde

doen dalen; —ed = gedrukt, flauw; Depression, dipreš’n, (neer)drukking,

indruk, depressie, neerslachtigheid, uitputting, slapte (in zaken): —

of spirits = melancholie; —ist = pretbederver, vreugdeverstoorder;

Depressive = drukkend.

Deprivation, depriveiš’n, berooving, verlies, ontzetting uit een ambt;

Deprive, dipraiv, berooven, ontdoen, ontzetten: She was —d of her

membership = lidmaatschap.

Deptford, detfəd.

Depth, depth, diepte, hoogte, breedte, donkerheid (bij eene kleur),

afgrond, zee, hartje (van den winter), holle (van den nacht),

diepzinnigheid, onmetelijkheid: In the —(s) of winter; Ten feet in — =

tien voet diep; I am out of (within) my — here = ik voel hier geen

(nog) grond, kan hier (niet) staan (ook fig.); —less = ondiep;

onpeilbaar.

Depurate, depjureit, reinigen; subst. Depuration; Depurative =

bloedzuiverend (middel).

Deputation, depjuteiš’n, afvaardiging, deputatie: In, by — = bij

volmacht; Depute, dipjût, subst. gevolmachtigde (Schotsch); — verb.

afvaardigen; Deputy, depjuti, subst. afgevaardigde, gevolmachtigde,

plaatsvervanger, helper: —-chairman (—-judge) ondervoorzitter

(rechter-plaatsvervanger).

Deracinate, dirasineit, uitroeien, verdelgen.

Derail, direil, (laten) derailleeren; uit den trein laden (van

troepen): The train got —ed = derailleerde; subst. —ment.

Derange, direinž, verstoren, krenken (van geest of lichaam); —d = gek;

—ment = storing, krenking.

Deray, direi, wanorde, tumult.

Derby, dɐ̂bi, dâbi, Derby; stijve, ronde hoed met smallen rand (Amer.):

—-day = de dag bestemd voor de — races = wedrennen te Epsom (in Mei).

Derelict, derəlikt, subst. onbeheerd goed, verlaten schip; aangeslibd

land; adj. onbeheerd, verlaten (Jur.); Dereliction = verzaking, het

onbeheerd laten, landaanwinning door aanslibben: A serious — of duty =

een ernstig plichtsverzuim.

Derham, derəm.

Deride, diraid, bespotten, uitlachen; Derision, diriž’n, spot, hoon;

Derisive, diraisiv, spottend: subst. —ness; Derisory, diraisəri,

spottend, hoonend.

Derivable, diraivəb’l, afleidbaar; Derivation, deriveiš’n, afleiding,

afwijking; Derivative, dirivətiv, afgeleid, voortkomend, bijkomend;

subst. afgeleid woord, afleiding; Derive, diraiv, afleiden, verkrijgen

(door schenking of overdracht), trekken uit, voortkomen uit.

Derm, dɐ̂m, Derma, dɐ̂mə, huid; —al, dɐ̂m’l, huid- -; —atology, —ətolədži,

leer der huidziekten.

Dermestes, dɐ̂mestîz, knotssprietigen.

Derogate, derəgeit, afbreuk doen (from one’s honour, dignity = aan),

benadeelen, schenden, verkleinen; subst. Derogation; Derogatory =

benadeelend, nadeelig, verslappend.

Derrick, derik, laadboom, kraan.

Derringer, derindžə, pistool met korten loop, doch van groot kaliber

(Amer.).

Dervis(e), dɐ̂vis, Dervish, dɐ̂viš, derwisch.

Descant, deskn’t, discant, meerstemmig lied; gedachtenwisseling.

Descant, deskant, sopraan zingen, vibreeren; breedvoerig van gedachten

wisselen over (on, upon).

Descend, dəsend, neerdalen (-vallen, -stroomen), dalen, afdalen,

invallen, neervallen, tendeelvallen, zich vernederen, afstammen, komen

aan: He —ed in his price = sloeg af; He —ed into particulars = daalde

af tot; —ant = afstammeling; —ent = afstammend, nederdalend;

Descension, dəsenš’n, neerdaling, vernedering; Descent, dəsent,

neerdaling, helling, val, vernedering, landing, aanval, afstamming:

—-theory = afstammingstheorie.

Describable, diskraibəb’l, beschrijfbaar; Describe, diskraib,

beschrijven; —r = beschrijver; —nt = beschrijvend: — surface (wisk.);

Description, diskripš’n, beschrijving, klasse, soort; Descriptive

geometry = beschrijvende meetkunde.

Descry, diskrai, bespieden, ontdekken.

Desecrate, desikreit, ontheiligen, ontwijden, profaneeren; subst.

Desecration.

Desert, dezət, subst. woestijn, woestenij; adj. woest, onbewoond;

—-bird = pelikaan.

Desert, dizɐ̂t, subst. verdienste, verdiende loon (gew. Meerv.): He got

(was brought to) his —s = hij kreeg zijn verdiende loon.

Desert, dizɐ̂t, verlaten, deserteeren, afvallig worden van; —er =

deserteur, afvallige; Desertion, dizɐ̂š’n, verlatenheid, wanhoop,

desertie.

Deserve, dizɐ̂v, verdienen, waardig zijn: He has deserved well of his

country = heeft zich verdienstelijk gemaakt jegens; —dly = terecht; The

deserving poor man = fatsoenlijke arme; Deserving of a better cause =

eene betere zaak waardig.

Deshabille, dezəbîl = Dishabille.

Desiccant, disik’nt, desik’nt, subst. en adj. opdrogend (geneesmiddel);

Desiccate, desikeit, disikeit, opdrogen; subst. Desiccation;

Desiccative, disikətiv = Desiccant.

Desiderate, dəsidəreit, wenschen, noodig hebben, missen: I could have

—d a fuller treatment of that subject = eene vollediger behandeling

ware wenschelijk geweest; A —d reform = gewenscht, maar niet verkregen;

Desiderative, dəsidərətiv, subst. en adj. gewenscht(e zaak);

Desideratum, desideratum.

Design, dizain, disain, subst. schets, plan, ontwerp, voornemen,

bedoeling, aanslag, dessin; — verb. schetsen, ontwerpen, bedoelen,

aanwijzen: Industrial — = vakteekenen; A school of — =

ambachtsteekenschool; Through — = opzettelijk; —edly = opzettelijk; —er

= ontwerper, intrigant; —ing, subst. het ontwerpen van dessins, etc.;

adj. intrigeerend, listig.

Designate, designeit, aanwijzen, onderscheiden, noemen, bestemmen voor;

subst. Designation.

Desilver(ize), disilvə(raiz), ontzilveren; subst. Desilverization.

Desirable, dizairəb’l, wenschelijk; subst. —ness = Desirability;

Desire, dizaiə, subst. begeerte, wensch, verlangen; — verb. verlangen,

begeeren, verzoeken: He is not all that can be —d = hij kon wel beter

zijn; I —d him to walk upstairs = verzocht hem; Desirous = begeerig: —

of praise = begeerig naar lof.

Desist, disist, dizist, ophouden, nalaten, afzien van (from); subst.

—ance.

Desk, desk, subst. lessenaar, lezenaar: —-work = schrijfwerk, zittend

werk.

Desolate, desəlit, adj. verlaten, droevig, somber, eenzaam, woest; —

verb. (desəleit), verwoesten, eenzaam maken, ontvolken, vernietigen;

subst. —ness; Desolater, Desolator, deseleitə, verwoester; Desolation =

verwoesting, eenzaamheid, troosteloosheid.

Despair, dispêə, subst. wanhoop; — verb. wanhopen: In — = wanhopig; His

life was —ed of = er werd gewanhoopt aan.

Despatch, dispatš, subst. verzending, wegzending, afdoening, spoed,

bericht; — verb. afzenden, afmaken, volbrengen, afdoen, dooden: Happy —

= de Jap. Harakiri; —-box = portefeuille, schrijfmap; —-goods =

ijlgoederen; —-money = premie op vlug laden of lossen; —er =

dispacheur.

Desperado, despəreidou, dolle waaghals, wanhopige schurk, woesteling.

Desperate, despərit, adj. vertwijfeld, wanhopig, verloren, hopeloos,

roekeloos, geweldig: — of = wanhopend aan; subst. —ness =

vertwijfeling, razernij; Desperation = vertwijfeling.

Despicable, despikəb’l, verachtelijk, laag, gemeen, waardeloos; subst.

—ness; Despise, dispaiz, verachten, versmaden.

Despite, dispait, subst. boosaardigheid, spijt, verachting; He did it

(in) — of warning = trots alle; —ful = boosaardig; subst. —fulness.

Despoil, dispôil, berooven, plunderen; Despoliation, despoulieiš’n,

dispoulieiš’n, plundering, berooving.

Despond, dispond, moedeloos of hopeloos worden, wanhopen; —ency =

moedeloosheid; adj. —ent = —ing.

Despot, despot, alleenheerscher, tiran; adj. Despotic(al); Despotism =

despotisme.

Despumation, despjumeiš’n, afschuiming.

Dessert, dəzɐ̂t, dəsɐ̂t, dessert; —-dish; —-spoon.

Destination, destineiš’n, bestemming; Destine, destin, bestemmen (to,

for); Destiny, destini, bestemming, lot, noodlot: The Destinies = de

drie Parcae of Schikgodinnen.

Destitute, destitjût, ontbloot van, behoeftig, verlaten, hulpeloos; ook

subst.; —ness = verlatenheid; Destitution = groote armoede.

Destroy, distrôi, vernietigen, verwoesten, afbreken, dooden, verdelgen:

Never — anything = doe nooit iets weg; —ing angel = worgengel.

Destructibility, distrɐktibiliti, vernietigbaarheid; adj. Destructible;

Destruction, distrɐkš’n, vernieling, verdelging, verwoesting,

ondergang; Destructive, distrɐktiv, subst. radicale hervormer; adj.

vernietigend, verderfelijk; subst. —ness.

Desudation, desjudeiš’n, overmatig zweeten.

Desuetude, deswitjûd, (in) onbruik (raken).

Desulphurate, disɐlfjureit, ontzwavelen = Desulphurize.

Desultoriness, desəltərinəs, subst. v. Desultory, des’ltəri,

onsamenhangend, vluchtig, oppervlakkig, van den hak op den tak.

Detach, ditatš, scheiden, losmaken, afkeerig maken, detacheeren: The

Free Staters will not be —ed from their alliance = zich niet losmaken;

—able = scheidbaar; —ed house = vrijstaand; —ment = scheiding,

onbevangenheid, detachement.

Detail, diteil, dîteil, subst. omstandig verhaal, omstandigheid,

bijzonderheid, afdeeling manschappen (voor speciale diensten): In — =

omstandig, stuk voor stuk; He entered into —s = trad in bijzonderheden;

Further —s = nadere bijzonderheden, details.

Detail, diteil, omstandig verhalen, in bijzonderheden mededeelen; voor

speciale diensten aanwijzen: A —ed account = omstandig verslag.

Detain, ditein, afhouden, ophouden, terughouden, onthouden, gevangen

houden: A writ of —er was issued against them = bevel tot verlengde

gevangenhouding werd tegen hen uitgevaardigd; Forcible —er =

gewelddadige inbezithouding.

Detect, ditekt, ontdekken, betrappen, aan ’t licht brengen; —able of

—ible = ontdekbaar; —er (—or) = indicateur; —ion = ontdekking,

betrapping; —ive = subst. geheime agent; ook adj.: The —ive force =

geheime politie.

Detent, ditent, lichter, drukker, trekker.

Detention, ditenš’n, terughouding, uitstel, opsluiting; het nablijven:

—-colony = strafkolonie; —-work = strafwerk; House of — = huis van

bewaring.

Deter, ditɐ̂, afschrikken, afhouden; —rent = afschrikkend (middel of

voorbeeld).

Deterge, ditɐ̂dž, eene wond zuiveren; —nt = reinigend (middel).

Deteriorate, ditîriəreit, ontaarden, verergeren; subst. Deterioration.

Determinability, ditɐ̂minəbiliti, subst. v. Determinable, ditɐ̂minəb’l,

bepaalbaar, beslisbaar; Determinate, ditɐ̂minit, bepaald, beperkt,

beslist; Determination, ditɐ̂mineiš’n, einde, beslissing, bepaling,

besluit, vaststelling, beslistheid, vastberadenheid; Determinative =

bepalend; Determine, ditɐ̂min, bepalen, beperken, besluiten, beslissen,

vergewissen; Determinism, ditɐ̂minizm, determinisme.

Detest, ditest, verfoeien; —ability = —ableness = verfoeielijkheid;

—ation, dîtəsteiš’n, verfoeiing, walging.

Dethrone, dithroun, onttronen; subst. —ment.

Detinue, detinjû: Action of — = actie tot teruggave van onwettig

onthouden goederen.

Detonate, detəneit, (doen) ontploffen: Detonating cap, gas, powder =

slaghoedje, knalgas, donderpoeder; Detonation = explosie; Detonator,

slaghoedje, knalsignaal (= Detonating fog-signal), donderbus.

Detour, ditûə, kromming, omweg, omhaal, wijking.

Detract, ditrakt, wegnemen, smaden, verkleinen, belasteren: That does

not — from my wish to serve you = dit belet niet, dat ik wensch; subst.

—ion; adj. —ive = —ory; —or, smaler, lasteraar; aftrekspier.

Detrain, ditrein, uit een spoortrein laden, uitstijgen.

Detriment, detriment, schade, nadeel; Detrimental; adj. nadeelig,

schadelijk; subst. jongmensch, dat meisjes het hof maakt, en ernstige

aspiranten daardoor afschrikt.

Detroit, ditrôit.

Detruncate, ditrɐŋkeit, knotten, afsnijden; subst. Detruncation.

Deuce, djûs, twee (op dobbelsteenen of kaarten), beide spelers 3 slagen

(Lawntennis); duivel, droes, drommel: I had the —’s own trouble with

him = drommels veel moeite met; The — is in it = daar speelt de duivel

mee; He is the — to talk = hij is een vervelende babbelaar; Deuced

difficult = verduiveld moeilijk; —-ace = de één en twéé bij het

dobbelen.

Deus ex machina, dîəseksmeikinə.

Deuteronomy, djûteronəmi, Deuteronomium.

Deuxponts, djûpoŋ, Tweebruggen.

Devastate, devəsteit, verwoesten; subst. Devastation; Devastator =

verwoester.

Develop, diveləp, (zich) ontwikkelen, verduidelijken, ontvouwen; —er =

ontwikkelaar; —ment = ontwikkeling, ontvouwing.

De Vere, də vîə; Devereux, devərû.

Devest, divest, vervreemden (van recht of titel); verloren gaan: Zie

Divest. He —ed himself of his power = hij legde af.

Deviate, dîvieit, afwijken, afdwalen; subst. Deviation.

Device, divais, subst. plan, oogmerk, devies, motto, list, vinding;

Full of —s = vindingrijk, slim.

Devil, dev’l, subst. duivel, drukkersloopjongen, scheurmachine (in

lompenfabrieken); sterk gekruid vleeschgerecht; — verb. aan flarden

scheuren (van lompen), sterk kruiden of peperen; handlangen: What comes

over the —’s back, goes under his belly = onrechtvaardig verkregen goed

gedijt niet; —’s bones = dobbelsteenen; —’s books = speelkaarten; —’s

dirt = duivelsdrek; —’s Own = het 88e linie-regiment; —’s tattoo = het

trommelen met de vingers op eene tafel, etc.; Between (the) — and (the)

deep sea = tusschen Scylla en Charybdis; He must needs go whom the —

drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen; — take the

hindmost = loope wie loopen kan; He gave the — his due = hij heeft hem

recht laten wedervaren; The boy plays the — with his teachers = plaagt

verschrikkelijk; It is enough to kill the — = je zou er des duivels van

worden; That is the — of it = dat is het beroerde van de zaak; What the

— do you want? = wat duivel moet je; — a bit I care = het kan me geen

zier schelen; A —-may-care fellow = onverschillig, roekeloos; —ish =

duivelsch, verduiveld; —ment = schurkerij: There’s — in him = hij heeft

leelijke streken; —(t)ry = duivelsche slechtheid, streken.

Devious, dîvjəs, afwijkend, afdwalend: — path (way) = omweg; — step =

misstap; subst. —ness.

Devisable, divaizəb’l, bedenkbaar; vermaakbaar; Devise, divaiz, subst.

erflating; testament; — verb, verzinnen, overleggen, overwegen, nalaten

(by will); Devisee, devizî, wien de grondbezittingen worden vermaakt;

—r = plannenmaker; Devisor = erflater.

Devitrification, dəvitrifikeiš’n, subst. v. Devitrify, divitrifai, tot

matglas maken.

Devocalize, divoukəlaiz, stemloos maken.

Devoid, divôid, ontbloot (of).

Devoir, Fr. uitspr., plichtpleging.

Devolution, devəl(j)ûš’n, toevallen bij erfenis; verwijzing naar eene

commissie (Parl.).

Devolve, divolv, overdragen, overgaan, toevallen, tebeurtvallen,

neerkomen op: It —s on you = komt op u neer; subst. —ment.

Devon, dev’n = —shire; Devonian = uit D.; Devonport; Devonshire: —

colic = loodkoliek.

Devote, divout, verb. wijden, offeren, doemen; —d = gewijd, gedoemd;

innig verknocht; subst. —ness; Devotee, devətî, aanbidder, enthousiast;

bekrompen dweper, kwezel; Devotion, divouš’n, toewijding, opoffering,

godsvrucht, godsdienstoefening, gebed, gehechtheid, vurige liefde: —s =

gebeden, godsdienstige plichten, godsdienstoefening; Devotional =

godvruchtig, vroom, stichtelijk.

Devour, divauə, verslinden, verteren, vernietigen.

Devout, divaut, vroom, innig, oprecht; subst. —ness.

Dew, djû, subst. dauw; — verb. bedauwen, bevochtigen; —-beater =

dauwtrapper; voet; —-berry = dauwbraam; —-dropping = dauwend, zacht

neervallend als dauw; —lap = kossem, halskwabbe; —-point = dauwpunt;

—-worm = aardworm, pier; —y = bedauwd.

D’Ewes, djûz.

Dexter, dekstə, rechtsch, ter rechter (Herald.); Dexterity, deksteriti,

handigheid, vaardigheid; Dext(e)rous, dekstrəs, (dekstərɐs), handig,

vaardig.

Dextrine, dekstrin, dextrine.

Dey, dei, (Turksche titel voor) stadhouder.

Dhobi(e), doubi, Brit. Ind. waschvrouw; Dhole, doul, wilde hond;

Dhotee, Dhoti, douti, lendendoek (Brit. Ind.).

Dhow, dau, Arabisch vaartuig.

Dhurra, dɐrə, Indisch en Egypt. gierst.

Diabetes, daiəbîtîz, suikerziekte; adj. Diabetic: — sugar =

druivensuiker.

Diablerie, Diablery, diabləri, diâbləri, = Devilry; Diabolic(al),

daiəbolik(’l), duivelsch, kwaadaardig; subst. —alness; Diabolism,

daiabəlizm, duivelachtigheid, bezetenheid.

Diaconal, daiakən’l, een deacon betreffend; Diaconate = decanaat.

Diacritic, daiəkritik, onderscheidend; subst. onderscheidingsteeken;

adj. —al.

Diadem, daiədem, diadeem; — spider = kruisspin.

Di(a)eresis, daiîrisis, daierisis, diaeresis.

Diagnose, daiəgnouz, daiəgnous, de diagnose bepalen; Diagnosis,

daiəgnousis, diagnose; Diagnostic = kenmerkend (teeken); Diagnostics =

diagnostiek.

Diagonal, daiagən’l, adj. en subst. diagonaal.

Diagram, daiəgram, subst. diagram; adj. Diagrammatic.

Diagraph, daiəgraf, een soort teekenaap; Diagraphic(al) = beschrijvend.

Dial, dai’l, zonnewijzer, wijzerplaat, draaibord: Arabic, Roman

—(-plate) = wijzerplaat met Arab. of Romeinsche cijfers.

Dialect, daiəlekt, dialekt, tongval; adj. Dialectal = Dialectical = de

dialectiek betreffend = Dialectic; Dialectician, dialecticus;

Dialectics, dialectiek; Dialectology = studie en kennis der dialecten.

Dialogic(al), daiəlodžik(’l), dialogisch; Dialogist; Dialogue, daiəlog,

subst. tweegesprek, tweespraak; verb. een d. houden.

Diameter, daiamətə, middellijn; Diametric(al) = diametraal.

Diamond, dai(ə)m’nd, subst. diamant, diamantletter, ruit; ook adj.: It

is — cut — = ze zijn aan elkaar gewaagd; Nine of —s = ruiten negen;

—-cutting = diamantslijpen; The windows were —-pane lattices = in lood

gevatte ruiten; A —-shaped figure = ruitvormige figuur; Diamondiferous

= diamanten bevattend.

Diana, daianə, daieinə, Diana.

Diapason, daiəpeiz’n, algemeene toonomvang van stem of instrument;

algemeen aangenomen toonhoogte, diapason.

Diaper, daiəpə, subst. soort van damast, servet; adj. gebloemd; — verb.

figuren of bloemen maken (in eene stof), schakeeren; —-pavement, —-work

= mozaïekvloer.

Diaphane, daiəfein, doorschijnende stof, zijden stof met doorschijnende

figuren.

Diaphanous, daiafənɐs, diaphaan.

Diaphoretic, daiəfəretik, subst. en adj. zweetverwekkend (middel).

Diaphragm, daiəfram, middenrif; diaphragma (microsc.).

Diarist, daiərist, houder v. een Diary.

Diarrhoea, daiərîə, buikloop; adj. Diarhoetic, daiəretik.

Diary, daiəri, dagboek.

Diastase, daiəsteis, diastase.

Diastole, daiastəlî, uitzetting van het hart na samentrekking;

verlenging van eene korte lettergreep.

Diatribe, daiətraib, schimprede, schotschrift.

Dib, dib, subst. bikkel; fiche; — verb. hengelen; —s = bikkelspel;

geld; —ber = hengelaar; pootijzer.

Dibble, dib’l, subst. pootijzer; — verb. planten met een pootijzer;

hengelen; —r.

Dice, dais, subst. dobbelsteenen, dobbelspel; — verb. dobbelen; —r =

dobbelaar; —-box = dobbelkoker; Dicing-house = dobbelhol.

Dicephalous, daisefəlɐs, tweekoppig.

Dick, dik, (verkorting voor) Richard; een soort pudding: —, Tom and

Harry = Jan, Piet en Klaas; The children were making —-duck-drakes in

the sea with flattish pebbles = keilden platte kiezelsteentjes over de

zeeoppervlakte.

Dickens, dik’nz, Dickens; duivel: What the — = wat drommel!

Dicker, dikə, subst. tiental, tien paar; ruilhandel (Amer.); — verb.

(ruil)handel drijven (Amer.).

Dick(e)y, diki, achterbok (van een rijtuig), voorhemdje, slabbetje,

ezel; adj. twijfelachtig, vreemd, onwel.

Dicotyledon, daikotilîd’n, plant met twee zaadlobben; adj. —ous.

Dictate, diktit, subst. voorschrift, inspraak; — verb. dikteit,

voorschrijven, gebieden, dicteeren; Dictation = dictee: voorschrift;

Dictator; Dictatorial = gebiedend, dictatoriaal; Dictatorship.

Diction, dikš’n, wijze van zeggen, uitdrukking, stijl; Dictionary,

dikš’nəri, woordenboek; Dictum, dikt’m (Meerv. Dicta, diktə),

uitspraak, bewering: Obiter Dicta = beweringen “in ’t voorbijgaan”.

Didactic(al), didaktik(’l), didactisch: Didactic poetry = didactische;

—s = didactiek.

Didder, didə, rillen (van koude).

Diddle, did’l, zwendel; — verb. bedotten; waggelen: He —d me out of it

= zette het mij af; —r = zwendelaar.

Dido, daidou, bokkesprong: He is cutting —s = hij maakt

bokke(kromme)sprongen.

Die, dai, subst. dobbelsteen (Meerv. Dice), muntstempel (Mv. Dies,

daiz); teerling, kubusvormig voetstuk: As straight as a — = zoo recht

als eene kaars; The — is cast = de teerling is geworpen; —-sinker =

graveur: Those —s are well sunk = goed gegraveerd.

Die, dai, sterven, vergaan, omkomen, achteruitgaan, verdwijnen,

verdorren, verwelken, uitgaan, gaan liggen, wegsterven, smachten naar:

To — hard = onbevreesd sterven, een taai leven hebben; Never say — =

geef het nooit op; He —d of hunger, for thirst, from poison, with

terror = van honger, dorst, aan vergif, van schrik; This man has —d to

the world = is der wereld afgestorven; I am dying to see you = brand

van verlangen.

Dies irae, daiîzairi, dag des toorns, aanvangswoorden van een ouden

boetpsalm; Per diem = per dag.

Diesis, daiisis, dubb. dolk: ‡ of ⌗.

Diet, daiit, subst. voedsel, dieet; rijks- of landdag; — verb. voeden,

eten; een dieet volgen of voorschrijven: I think I ought to — you = op

dieet zetten; —ary = het dieet betreffend, verplegings..., keuken...;

subst. dieet; Dietetic = tot — behoorende; Dietetics, daiətetiks, leer

der juiste voeding.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 30 / 141 段