Sight, sait, subst. gezicht, visioen, de oogen, aanblik, schouwspel,

merkwaardig iets, korrel (op het geweer), hoop; — verb. zien, in het

gezicht krijgen, richten: Impaired — = verzwakt gezichtsvermogen; Short

— = bijziendheid; Payable at — = op zicht; To play, to read at — = van

’t blad, voor de vuist weg; At first — = op het eerste gezicht; The

steamer is in —; In (the) — of the harbour = in ’t gezicht van; On — =

te kijk, op keur; Out of — out of mind = uit het oog, uit het hart; She

is a — more sensible than you = oneindig verstandiger; He got through a

— of work = deed heel wat; He has a — of money = een “bom” geld; My

cheeks and nose are so swollen, I look a perfect — = zie er uit om van

te schrikken; That is a — to see = de moeite waard om te zien; To catch

— of = in ’t oog krijgen; I gained (lost) — of it = kreeg in (verloor

uit) het oog; I hate the — of the fellow = mag niet zien; To know by —

= van aanzien; He lost, recovered his (eye-)— = hij is kwijt, hij kreeg

terug; These repeaters were —ed up to a thousand yards = tot op duizend

yards kan men juist schieten met; We —ed an island, but we did not

touch at it = kregen in het gezicht; —-hole = kijkgat; —-seeing = het

bezien van merkwaardige dingen; —-seer; —ed = van een vizier voorzien:

Long-—ed, Short-—ed = ver-, bijziend; —less = blind; subst. —lessness;

—ly = aangenaam voor het oog, vrij.

Sigismund, sidžism’nd.

Sign, sain, subst. teeken, aanwijzing, gedenkteeken, zinnebeeld,

voorteeken, uithangbord, sterrenbeeld; — verb. teekenen, een teeken

geven: We have put up a new (business) — = nieuw uithangbord

opgehangen; Of course, all —s fail in dry weather = natuurlijk, dan kan

men er niet op rekenen; We stayed at the — of the ship = hebben

gelogeerd in (het logement) “Het Schip”; —-board = uithangbord;

—-manual = handteekening; —-post = handwijzer, uithangbord; —er.

Signal, sign’l, subst. sein, teeken; adj. uitstekend, in het oog

vallend; — verb. seinen, signalen geven, wenken, aankondigen: — of

distress = noodsein; A — victory = een glansrijke overwinning; —-box =

seinhuisje; —-code = signaal code; —-flag; —-gun = seinschot; —-lamp,

—-light; —-man = seinwachter; The new periodical has long been —led =

is al geruimen tijd aangekondigd; —ize = zich onderscheiden.

Signatory, signətəri, subst. onderteekenaar; adj. onderteekenend: The

signatories to this protest; Signature, signətjə, onderteekening,

teeken, signatuur, kruis of mol (muz.): He affixed his — to the deed =

zette zijn naam onder.

Signet, signət, zegel(ring); —-office; —-ring.

Significance, Significancy, signifik’ns(i), beteekenis, nadruk,

gewicht; Significant, signifik’nt = beteekenisvol, gewichtig,

beteekenend, aanduidend: To be — of = aanduiden; Signification,

signifikeiš’n, beteekenis; Significative = aanduidend, beteekenend;

Signify, signifai, beteekenen, te verstaan geven, van gewicht zijn: He

signified his wishes = gaf te kennen; That doesn’t — = zegt niets, doet

er niets toe.

Signor, sî-njə, Mijnheer (Ital.); —a, sî-njôrə, Mevrouw (Ital.); —ina,

sî-njərînə, Mejuffrouw.

Sikh, sîk, Sikh, soldaat van een krijgshaftigen stam in Brit. Ind.

Silas, sailəs, Silas.

Silence, sail’ns, subst. stilte, stilzwijgen, geheimhouding,

stilzwijgendheid; — verb. tot zwijgen brengen, den mond snoeren,

kalmeeren; interj. Stil! Zwijg! To break the —; — gives consent = wie

zwijgt stemt toe; To keep (observe) — = bewaren; We pass this over in —

= gaan dit met stilzwijgen voorbij; To put (reduce) to — = brengen tot;

Silent, sail’nt, zwijgend, stil: To be — of = zwijgen van; William the

— = Willem de Zwijger; — partner = stille vennoot; — system = stelsel

van eenzame opsluiting; subst. —ness.

Silenus, sailînəs. Silesia, silîšə, Silezië: — lawn = een soort batist;

—n = Silezisch; Sileziër.

Silex, saileks = Silica.

Silhouette, siluet, silu-et, silhouet; ook verb.: To take a — =

silhouetteeren; The elephant’s form was —d against the rock = teekende

zich af op de rots.

Silica, silikə, kiezelaarde; Silicate, silicaat: — cotton = slakkenwol;

Siliceous varnish = waterglas.

Silicle, sîlik’l, dopje; Silique, silîk, sîlik, hauw.

Silk, silk, subst. zijde, zijden stof, zijden japon; adj. zijden,

zijdeachtig: He wears (has taken) — = hij is King’s (Queen’s) Counsel

(geworden); He is a learned — = een knap advocaat; A — dress = zijden

japon; — gown = zijden toga van een King’s Counsel; —-man, —-mercer =

zijdehandelaar; —-mill = zijdefabriek; —-thrower, —-throwster =

zijdetwijnder; —-weaver = zijdewever; —-worm = zijdeworm; —-worm-gut =

fijn hengelsnoer; Silken = zijdeachtig, zacht als zijde: — hair = zacht

haar; — speech; —iness, subst. v. Silky = van zijde, glanzig, zacht.

Sill, sil, drempel, steunbalk, kozijn.

Sillabub, siləbɐb, gerecht, gemaakt van wijn of cider met room of melk:

Mere — = gewoon zwendelarij.

Silliness, silinəs, subst. v. Silly, sili, onnoozel, sullig, dwaas; ook

subst.: He had been knocked — for a time = was bewusteloos geslagen; A

— notion = dwaas idee; The — season = komkommertijd; — Suffolk (een

Parish ekename).

Silo, sailou, kuil voor groen voeder, inkuiling: To put green in —s =

inkuilen.

Silt, silt, subst. slik, slib; — verb. verzanden (up), sijpelen,

aanslibben.

Silvan, silv’n = Sylvan.

Silver, silvə, subst. zilver(geld), zilverwerk; adj. zilveren,

zilverachtig; — verb. verzilveren, foeliën: Hand-beaten — = gedreven;

He was born with a — spoon in his mouth = als kind van rijke ouders,

als gelukskind; It is only copper —ed over = verzilverd koper; —-fir =

zilverspar; — fleet; —-fork School = de school, die slechts ’t leven

der hoogere standen in hare romans behandelt; —-fox = zilvervos;

—-haired = met witte of zilverachtige haren; —-leaf = bladzilver;

—-paper; —-side = de onderkant van een runderbout; —-smith =

zilversmid; —-stick = officier (van de lijfwacht), die dienst doet bij

hoffeesten; — wire = zilverdraad; Silverite, silvərait, voorstander van

den dubbelen muntstandaard; adv. Silverly; Speech is silvern, but

silence golden; Silvery = met zilver bedekt, schitterend, rein.

Silvester, silvestə.

Simarre, simâ, vrouwenkleed, wijde japon.

Simeonites, simjənaits, Simeonieten; aanhangers van Charles Simeon,

leider der Low Church party (1759–1836).

Simian, simj’n, aapachtig, aap...

Similar, similə, subst. gelijke; adj. gelijk, dergelijk; —ity,

similariti, overeenkomst, gelijksoortigheid; Simile, simili,

vergelijking; Similitude, similitjûd, gelijkenis, overeenkomst,

evenbeeld.

Similor, similö, spinsbek.

Simioid, simiôid, Simious, simiəs = Simian.

Simitar. Z. Scimitar.

Simmer, simə, zacht (laten) pruttelen of koken: The plan is —ing

already = het plannetje staat al te vuur.

Simon, saim’n, Simon, sukkel: The real —, Pure — = de ware naam, de

ware man.

Simoniac, simouniak, die zich schuldig maakt aan Simony; —al,

simənaiək’l, schuldig aan Simony, siməni, simonie, het verkoopen van

geestelijke ambten.

Simoom, simûm, Simoon, simûn, samoem, heete verstikkende woestijnwind.

Simper, simpə, subst. gemaakte glimlach; domme lach; — verb. gemaakt

lachen, meesmuilen; —er.

Simple, simp’l, eenvoudig, enkel, niet samengesteld, onnoozel, naïef,

argeloos; subst. geneeskrachtige plant: Gentle and — = hoog en laag (v.

personen): — Simon = onnoozele hals; —-hearted, —-minded = naïef,

argeloos; subst. —-mindedness; —ness = Simplicity; Simpleton = sukkel,

onnoozele bloed; Simplicity, simplisiti, eenvoud, natuurlijkheid,

duidelijkheid, onnoozelheid; Simplify = vereenvoudigen; Simply =

eenvoudig, slechts, geheel en al; Simplification, subst. v. Simplify,

simplifai, vereenvoudigen.

Simulacrum, simjuleikr’m, schijnbeeld.

Simulate, simjuleit, veinzen, fingeeren, voorwenden, simuleeren,

nabootsen; adj. simjulit; subst. Simulation; Simulator.

Simultaneity, sim’ltənîiti, subst. v. Simultaneous, sim’lteiniəs,

gelijktijdig; subst. —ness.

Sin, sin, subst. zonde, overtreding; verb. zondigen, overtreden: It is

a — and a shame = zonde en schande; Deadly (Mortal) — = doodzonde;

Original — = erfzonde; Venial — = vergeeflijke zonde; To commit a —;

—-offering = zoenoffer; —ful = zondig, verdorven; subst. —fulness;

—less = onschuldig; subst. —lessness; —ner = zondaar.

Sinai, sainiai, sainai, sainei; Sinaitic, sainiitik, Sinaï betreffend.

Sinapis, sineipis, mosterdplant; —m, sinəpizm, mosterdpleister.

Since, sins, adv. en prep. sedert; conj. omdat, dewijl, vermits: Ever —

= van toen af; Long — = lang geleden; A short time — = kort geleden; —

ever = vanaf ’t oogenblik; — you cannot get there, you had better not

complain = aangezien gij daar niet kunt komen.

Sincere, sinsîə, oprecht, zuiver: Yours —ly = je toegenegen; subst.

—ness = Sincerity, sinseriti.

Sincipital, sinsipit’l, voorhoofds...; Sinciput, sinsipɐt, kruin,

voorhoofd.

Sind, sind; Sindbad, sindbad.

Sine, sain, sinus.

Sine, sainî: To adjourn — die (dai-î) = voor onbepaalden tijd

uitstellen.

Sinecure, s(a)inəkjuə, sinecure; Sinecurism; Sinecurist.

Sinew, sinjû, subst. pees, zenuw, spier, ziel; — verb. stalen, sterken:

The —s of war = (het noodige) geld; —ed = gespierd, krachtig; —less =

zonder kracht; —y = —ed.

Sing, siŋ, zingen, bezingen: He —s out of tune, out of time = hij is

van de wijs, is uit de maat; To — small = zoete broodjes bakken; I —

the glories of summer = bezing de heerlijkheden; To — another song

(tune) = een anderen toon aanslaan (fig.); To — the same song = één

lijn trekken; My head is —ing = ik heb suizing in de ooren; To — out =

luid zingen (roepen); —-song = deun, vervelend gezang; —er = zinger,

zangvogel. Zie Singing.

Singalese, siŋgəlîz, siŋgəlîs; Singapore, siŋgəpö.

Singe, sinž, zengen, schroeien (off); ook subst.

Singing, siŋiŋ: — in the ears = suizen; —-bird = zangvogel; —-book;

—-boy = koorknaap; —-club = zanggezelschap; —-festival; —-master =

zangonderwijzer; —-mistress; —-school = zangschool.

Single, siŋg’l, adj. enkel, alleen, ongetrouwd; — verb. uitkiezen

(out): First — = eerste klasse, enkele reis; He continued — = bleef

ongetrouwd (= Stuck to the — ticket); He was killed in — combat (fight)

= in een tweegevecht; Book-keeping by — entry = enkel boekhounen; —

fare return bookings = kaartjes enkele reis voor heen en terug; In —

file = achter elkaar, in ganzenorde; subst. —s = spelen voor één

persoon; soort zijde; enkel garen; Some of them had been —d out for

destruction = waren ten doode opschreven; —-blessedness = ongetrouwde

staat (iron.); A —-breasted coat = met één rij knoopen; —-handed =

alleen, zelfstandig; —-hearted = oprecht, eerlijk, rond; —-line = enkel

spoor; —-minded = —-hearted; —-stick = baton met gevest; —ness of heart

= eenvoudige oprechtheid; With great —ness of purpose = steeds met één

doel voor oogen; I undertake to fight you singly = ik neem het tegen

ieder van jullie afzonderlijk op.

Singular, siŋgjulə, subst. enkelvoud; adj. apart, zonderling,

bijzonder, zeldzaam, enkelvoudig: He is — in his kind = éénig in zijn

soort; In this notion he was not — = stond hij niet alléén;

Singularity, siŋgjulariti, bijzonderheid, zonderlingheid, zeldzaamheid,

eigenaardigheid.

Sinic, sinik, Chineesch.

Sinister, sinistə, linker (Herald.); ongelukkig, onheilspellend,

oneerlijk, slecht.

Sinistral, sinistr’l, naar links gewonden (van schelpen).

Sink, siŋk, subst. riool, zinkput, gootsteen, poel; — verb. zinken,

zakken, bezwijken, achteruitgaan, vervallen, afnemen, inzakken,

ondergaan, vermageren, hol worden, ruineeren, laten zinken; steken,

beleggen, afdragen, amortiseeren (van geld), bijleggen, achterhouden,

graven: He was —ing fast = ging hard achteruit; Her heart (spirits)

sank = de moed begaf haar; I have sunk a capital of £ 400 in this

undertaking = gestoken; A mine was sunk there = werd gegraven; He sank

much money on his stock in trade = stak veel geld in; They had sunk

ships where the river was deepest = laten zinken; He has sunk his

personal views for the good of the country = laten varen; He sank down

under fatigue = bezweek onder; That has sunk into my mind = is diep

doorgedrongen; Let him — into his unhonoured grave = ongeëerd ten grave

dalen; This —s into insignificance besides that = verdwijnt daarnaast

in ’t niet; To — into oblivion; —-hole = zinkput, riool; —er = zwaar

gewicht om te doen zinken; —ing-fund = amortisatiefonds.

Sinologist, sinolədžist; Sinologue, sinəlog, kenner v. China, enz.;

Sinology, sinolədži, kennis van Chineesche taal, letterkunde, enz.

Sinuate, sinjuit, adj. gegolfd, ingesneden; — verb. sinjueit, winden,

slingeren; Sinuation = slangvormige kromming, kronkeling; Sinuosity,

sinjuositi, kromming, kronkeling; Sinuous, sinjuəs, gebogen, bochtig,

draaierig.

Sinus, sainəs, baai, bocht, holte, kronkeling, sinus.

Sion, saion; Sioux, s(i)û.

Sip, sip, subst. teugje; verb. met kleine teugen drinken of opslorpen,

een teugje nemen: To take a — too much = te diep in ’t glaasje kijken;

—per.

Sipe, saip, sijpelen, trekken.

Siphon, saif’n, subst. hevel, siphon; — verb. overhevelen: A — of

soda-water; —-bottle.

Sippet, sipət, teugje, geweekt brood.

Sir, sɐ̂, Mijnheer; vóór den doopnaam is het de titel v. een baronet of

knight: — to you = tot uw dienst; Dear —s = waarde Heeren (in brieven);

You would have to “—” me = met mijnheer moeten aanspreken.

Sirdar, sɐ̂dâ, sɐ̂da, Hindoesch (opper)hoofd; opperbevelhebber.

Sire, saiə, subst. voorvader, vader (bij dieren); Sire; — verb.

verwekken (bij dieren).

Siren, sair’n, subst. sirene (ook Sirene, sairîn); misthoorn; adj.

betooverend, bekorend: — song.

Sirene, sairîn, meter van geluidstrillingen.

Sirius, siriəs, hondsster.

Sirkar, sɐ̂ka, het gouvernement, chef, Hindoesch ambtenaar.

Sirloin, sɐ̂lôin, lendestuk v. een rund.

Siroc(co), sirok(ou), sirocco, heete Z.O. wind.

Sirrah, sirə, vent, kerel, schavuit, meid.

Sirup, sirəp, stroop. Zie Syrup.

Siskin, siskin, sijsje.

Sister, sistə, zuster: Holy — = non; — of Charity (Mercy) =

liefdezuster; —-in-law = schoonzuster; —hood = alle zusters,

zusterschap; —ly = zusterlijk.

Sisyphean, sisifîən, Sisyphus - -; Sisyphus, sisifɐs, Sisyphus: Task

(Toil) of — = Sisyphus arbeid.

Sit, sit, zitten, zitting hebben, liggen, blijven, wonen, broeden,

passen; subst. het zitten: The faultless — of her hat = het

onberispelijk zitten; One’s clothes get the — by having them on some

time = zitten eerst goed als, etc.; He —s a horse very well = hij rijdt

goed; When the House is —ting; — down, Sir = ga zitten, mijnheer; To —

down at a meal; The French sat down before the town = legerden zien

voor; To — for one’s portrait = poseeren; He sat on me and ordered me

about = zat mij op den kop; These fineries — well on you = staan u goed

(ook fig.); He sat on and on = bleef maar zitten; We sat out the

concert = bleven tot het laatst; They sat out the dance = bleven onder

dien dans zitten; They were —ting out = zaten buiten; Did you ever —

under that clergyman? = gingt gij geregeld ter kerk bij; To — up =

opblijven, opzitten (ook om te vrijen), op (mogen) blijven: He sat up

in bed = ging overeind zitten; His productions made his friends “— up”

= deden verstomd staan; To — upon a committee = lid zijn van een

commissie; That sorrow —s heavily upon him = drukt hem ter neer; They

sat in judgment upon life and death = zij beraadslaagden en beslisten

over; He did not choose to be sat upon = wou zich niet op den kop laten

zitten; Boys always complain of being sat upon = dat ze op den kop

worden gezeten; A —-down supper = souper waarbij men aanzit; —-fast =

blijvend, stoelvast; —ter = zitter; broedende vogel. Zie Sitting.

Site, sait, ligging, bouwterrein: Plan of — = situatie-teekening.

Sitting, sitiŋ: I read the book at one — = in eens; adj.: —-place;

—-room = ruimte; woonkamer.

Situate, sitjuit = —d, sitjueitid, geplaatst, gelegen, vast geplaatst:

The palace is — on a height = ligt op; How are you —d? = hoe staat het

met u; Situation, sitjueiš’n, ligging, toestand, betrekking,

omstandigheden: In this — of things = stand van zaken; She was always

in a — = in gezegende omstandigheden; We are in a — to make this offer

= in staat; He is out of — = buiten betrekking.

Sitz-bath, sitsbâth, zitbad.

Siva, sîvə; Siward, sîwəd.

Six, siks, zes: Big — = banjer; Saucy — = ondeugende zesjarige(n); Long

—es = kaarsen van 6 in een pond; Things are at —es and sevens = liggen

overhoop, zijn in de war; It is — of one and half a dozen of the other

= lood om oud ijzer; —-chambered = met zes patronen; —fold = zesvoudig;

—-footer = persoon van zes voet; —pence = zesstuiverstuk =

—penny-piece; —teen = zestien: Boys under —teen and over ten; Sweet

—teen = lieve 16 jarige(n); He talks —teen to the dozen = praat honderd

uit; —teenth, subst. en adj. zestiende (deel); —th = zesde (deel),

hoogste klasse; —thly = ten zesde; —tieth, sikstiəth, subst. en adj.

zestigste (deel); —ty = zestig(tal).

Sizar, saizə, student te Cambridge en Dublin, die een beurs had en tot

sommige dienstverrichtingen verplicht was.

Sizable, saizəb’l, van aanzienlijke grootte, van redelijken of

behoorlijken omvang; Size, saiz, subst. grootte, nummer, formaat,

witkalk, pap, planeerwater, lijmwater; — verb. naar de grootte regelen,

schatten, taxeeren, sorteeren, ijken, vergrooten, calibreeren,

planeeren: That is about the — of it = daar komt het zoowat op neer;

Two —s too tight = 2 nummers te nauw (van schoenen bijv.); The book

appeared in octavo — = in octavoformaat; He —d up the new arrival = nam

den pasgekomene op, taxeerde hem; —able = Sizable; Sized: Large-— = van

groote afmeting, formaat; He is a middle-— person = van middelbare

grootte; Sizing = planeerwater, lijm; (extra) portie aan spijs, of

drank (Universit.): He had his —s stinted = zijn extraatjes werden hem

schraal toegemeten.

Sizz(le), siz(’l), sissen.

Sjambo(c)k, šambok, subst. zweep van huidenreepjes (Z. Afr.); — verb.

slaan met een —.

Skate, skeit, subst. rog; schaats; — verb. schaatsenrijden: To put on,

To take off —s; —r: Are you a —r? = doet gij aan schaatsenrijden?

Skating: Figure, Speed —; —-pond (-rink); The roller—-rink =

rolschaatsenbaan.

Skean, skîn, dolk of kort zwaard.

Skeat, skît.

Skeary, skîri, schrikachtig, schrikwekkend (Amer.).

Skedaddle, skədad’l, zich uit de voeten maken; subst. overijlde vlucht.

Skee, skî = Ski.

Skeet, skît, schepvat.

Skeg, skeg, sleedoorn; gele lisch.

Skein, skein, streng; vlucht wilde ganzen.

Skeleton, skelət’n, geraamte (ook fig.), scharminkel, schets of eerste

ontwerp: There is a — in every house = ieder huis heeft zijn kruis; The

— in the closet (cupboard) = het verborgen huiselijk verdriet; To be

reduced to a — = broodmager geworden; —-corps (—-crew) = kader, kern,

vast gedeelte (mil.); —-key = looper; —-map = schetskaartje; —-skates =

ijzeren (schroef)schaatsen; —-suit (= —s) = soort jongenspakje met de

broek aan de blouse geknoopt; —ize, skelətənaiz, tot een geraamte

maken.

Skellum, skeləm, leelijkerd (Schotl.).

Skelp, skelp, subst. slag; — verb. slaan, voorthollen.

Skerry, skeri, klip (Schotl).

Sketch, sketš, subst. schets, omtrek, schema, begrooting; — verb.

schetsen, in ’t algem. aangeven of beschrijven; —-book = schetsboek;

—er; —iness, subst. v. —y onafgewerkt, vluchtig.

Skew, skjû, scheef zijn, scheel zien, achterdochtig gluren; verdraaien;

subst. verdraaiing, loensche blik; adj. schuin, scheef, met bruine en

witte vlekken = —bald.

Skewer, skjûə, subst. ijzeren of houten vleeschpen; — verb. met een

vleeschpen vaststeken.

Ski, skî, (in Noorwegen ši), sneeuwschoen; ook verb.; —-runner.

Skid, skid, subst. rem(ketting), schuinliggende planken (= —-ways),

wrijfhout, remschoen; — verb. remmen, schuin afglijden.

Skiff, skif, subst. bootje; — verb. in zulk een boot roeien.

Skilful, skilful, bekwaam, handig, ervaren: — at everything = handig

in; subst. —ness; Skill, skil, subst. bekwaamheid, ervarenheid,

geschiktheid: Game of — = bedrevenheidsspel; —ed labourers = volleerde

(in een vak bekwame) arbeiders.

Skillet, skilət, metalen pan met lang handvatsel; scheepskok.

Skilligolee, skiligəlî, gortwater, dunne soep, rats = Skilly.

Skim, skim, subst. schuim; — verb. afschuimen, scheren over, vluchtig

doorzien: He was —ming the pages of a missionary report = liep vluchtig

door; The swallows — the water = scheren over; —-milk = afgeroomde

melk, taptemelk; —mer = schuimspaan, oppervlakkig lezer; schaarbek;

—mings = het afgeschuimde of afgeroomde.

Skimp, skimp, beknibbelen; —er = vrek; —ing = schraal, krenterig; —y =

mager.

Skin, skin, subst. huid, vel, pels, schaal, schil; — verb. villen,

afstroopen, pellen, met een huid of een roofje bedekken: I should not

like to be in his — = wou niet graag in zijn vel steken; To be in a bad

— = slecht gehumeurd zijn; To come through with a whole — = ergens

heelhuids afkomen; To fly (jump) out of one’s — = uit zijn vel

springen; He is but — and bones = is niets dan vel en been; He got

through by the — of his teeth = hij is er net door en meer ook niet;

The whole thing is a damned — = eene vervloekte beetnemerij; To have a

thick (thin) — (ook fig.); To wear next to the — = op het bloote lijf;

To — a flint = gierig zijn; He has —ned the lamb = alles gewonnen (bij

wedden); Keep your eyes —ned = open, pas op; —-deep = oppervlakkig:

Beauty is but —-deep = schoonheid is slechts iets uiterlijks; —flint =

vrek; —-wool = wol van een dood schaap; —ful = inhoud van een lederen

water- of wijnzak: I am —ful = ik kan niet meer eten; —-grafting = het

opbrengen van een nieuw stuk huid; —less = zonder huid; —ner = vilder,

huidekooper; —niness, subst. v. —ny = erg mager, niets dan vel en been.

Skink, skiŋk, subst. skink of stinkhagedis.

Skip, skip, subst. vlugge sprong; oppasser (Dublin Univers.); — verb.

springen, touwtje springen; huppelen, dartelen, overspringen,

overslaan, er van door gaan: To give (make) a —; Don’t you know you

—ped this passage? = dat je hebt overgeslagen; —-frog = haasjeover;

—-jack = parvenu; kniptor; —-rope = springtouw; To play at skipping =

touwtje springen.

Skipper, skipə, kapitein, schipper; springer, gedachteloos en vluchtig

persoon, kaasmijt: —’s daughters = hooge golven.

Skirmish, skɐ̂miš, subst. schermutseling; — verb. schermutselen; —er =

tirailleur.

Skirt, skɐ̂t, subst. pand, rand, zoom, slip, vrouwenrok, middenrif; —

verb. omzoomen, begrenzen, langs den zoom loopen: By this time they had

reached the —s of the town = de buitenste huizen van de stad; She held

on by her mother’s —s = hield hare moeder bij de rokken vast; Divided —

= rokbroek; —-dance = serpentine dans; —ing-board = plint langs den

vloer.

Skit, skit, scherts, schotschrift, parodie, steek: His performance is a

— on the right thing = zijn spel is een parodie op goed spelen; —tish =

schuw, schichtig, schalksch, uitgelaten, grillig; subst. —tishness.

Skittle, skit’l, kegel (—s = kegelspel): —-alley = kegelbaan (=

—-ground); —-ball; —-pin = kegel; Life is not all beer and —s = het

leven is niet enkel rozengeur en maneschijn = (—s and swipes); It is

all —s = fopperij; To play at —s.

Skulk, skɐlk, subst. gluiper; — verb. loeren, schuilen, gluipen,

sluipen; —er = iemand die zich achteraf houdt om niet te werken.

Skull, skɐl, schedel, hoofd: —-cap = kalotje, kap, mutsje; glidkruid;

stormhoed.

Skunk, skɐŋk; N.A. bunzing, vuilik, overlooper; —-bird, —-blackbird =

rijstvogeltje; —-skin.

Skurry, skɐri; Zie Scurry.

Sky, skai, subst. uitspansel, hemel, lucht; — verb. in de hoogte

gooien, hoog ophangen: To acclaim to the skies = hemelhoog prijzen;

Their cries rent the — = verscheurden de lucht; —-blue = hemelsblauw;

—-colour = azuur, hemelsblauw; To praise —-high = hemelhoog; —lark =

leeuwerik; —larking = grappen uithalen; We have been —larking = wij

hebben den boel opgeschept; —light = vallicht; —-line = horizont:

Silhouetted against the —-line; —-pilot = hemeldragonder; —-rocket =

vuurpijl; —-scape = luchtgezicht: The —-scapes in our country are

suggestive to painters = de luchten in ons land; —-scraper = maanreiker

(zeil), boonestaak (fig.), zéér hoog gebouw (Am.); —ward(s) =

hemelwaarts.

Slab, slab, subst. slik, modder; steen, plaat; adj. modderig, kleverig:

A marble —, — of marble = marmeren plaat; — of tin = bloktin; —-line =

gording (scheepst.); —-sided = met platte zijden, lang en mager (Am.);

—by = dik, kleverig, modderig, vuil.

Slabber, slabə, kwijlen, opslobberen; —er; —ing-bib = slabbetje; —y =

bespat, bekwijld.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 109 / 141 段