klein, gering, weinig, kort: A — money = eenig (nog al wat) geld; —
money = weinig (haast geen) geld; By — and — = langzamerhand = — by —
(soms: By —s); — one(s) = kleintje(s), jong(en): Sleep, my — one =
slaap, lieve kleine; I forgot my sorrow for a — = voor een poosje,
tijdje; Upon a — = met weinig, met geringe middelen; He had been within
a very — of falling in love with her = was bijna verliefd geworden;
When you were — = toen je klein waart; He caught the whip by the — end
= dunne eind; Is that your — game? = is datje plannetje, bedoeling?
—-go; Zie Responsions; —-minded = kleinzielig; —ness = kleinheid: His
—ness of mind = kleinzieligheid; Littlish = vrij klein.
Littoral, litər’l, oever - -, kust - -, strand - -; subst. kustland.
Liturgic(al), litɐ̂džik(’l), liturgisch; Liturgist, litədžist,
voorstander van het gebruik eener liturgie; Liturgy, litədži, liturgie.
Livadia, livədîə, Livadië.
Live, liv, leven, wonen, bestaan, uithouden: They could not go on
living at this rate = op dezen voet konden zij niet blijven leven;
There is no living with him = het is niet met hem uit te houden; No
boat could — in such a sea = kon het uithouden; To — in clover = een
lekker leventje leiden; — and learn = al doende leert men; — and let —;
To — to see = beleven, dat; As I — = zoowaar ik leef; If I — I shall do
it = als ik het beleef ...; To — away = er op los leven; To — by
oneself = op zich zelf, alleen; Lawyers — by our quarrels = leven van;
It is almost impossible to — such a sorrow down = te vergeten, te boven
te komen; He —d that calumny down = door zijn verder leven logenstrafte
hij dien laster; A toy-merchant —s on children = leeft van; He —s on
his wife = van haar geld; I cannot — on 50 £ a year = leven van; She —d
out = diende als dagmeisje; To — to a great age = bereiken; To — up to
= in overeenstemming met; He —d up to his promise = voldeed aan; The
servant has —d with us for six years = diende bij ons; —able =
bewoonbaar, dragelijk; —d, laivd: Long-lived = langlevend; —-long day,
livloŋ-dei = lievelange, godgansche dag; —r = levende, bewoner (Amer.):
The longest —r = de langstlevende; —lihood, laivlihud, levensonderhoud:
To earn one’s (gain, make a) —lihood = den kost verdienen. Zie Living.
Live, laiv, levend, brandend, gloeiend, glimmend, in leven; levendig,
druk (Amer.), frisch, nieuw, nog ongebruikt, scherp (van patronen),
geladen (electr.): The —st-looking street I ever saw = de levendigste,
vroolijkste; — coals = gloeiende kolen; — cartridge = scherpe patroon;
— cattle = levend vee; — feathers = veeren uit een levenden vogel
gerukt; — hair = haar van een levend dier genomen; — shell = niet
ontplofte granaat; —stock = levende have; —liness, subst. v. —ly =
levendig, opgewekt, natuurgetrouw, treffend, frisch, schuimend.
Liver, livə, lever: —-coloured = leverkleurig; —-oil = levertraan;
—-spot = levervlek; —wort = leverkruid; The Mounted — Brigade =
degenen, die voor hun leverkwaal in Hydepark wandelritten maken.
Liverpolitan, livəpolitən, Liverpoolsch; inwoner van Liverpool;
Liverpool, livəpûl.
Livery, livəri, livrei, ambtskleeding, onderhoud van paarden (meest van
vreemde eigenaren), acte van inbezitstelling; al de —men van Londen: To
receive in — = in bezit overnemen; —man = lid van een der —-Companies
of City gilden, dat bij feestel. gelegenheden de liveries (= furs and
gowns) van zijn gilde mag dragen; —-servant = livreibediende (=
Liveried —); —-stable = stal waar paarden (—-horses) verhuurd en voor
andere eigenaars gestald worden.
Livid, livid, loodkleurig, lijkkleurig, doodsbleek; subst. Lividity =
—ness.
Living, liviŋ, levend, stroomend, gloeiend; subst. leven, levenswijze,
levensonderhoud, woonplaats; prebende, ambt van den Anglik.
geestelijke, inkomsten van dat ambt: Within — memory = bij
menschenheugenis; — wage = loon waarvan men fatsoenlijk kan leven; High
— = weelderige levenswijze; No man — = geen mensch ter wereld; In the
land of the — = in het land der levenden; To earn (get) one’s — = zijn
kost verdienen; To make a — = zijn brood hebben, de kost verdienen met
(at). Zie To live.
Livingstone, liviŋst’n; Livonia(n), livounjə(n), Lijfland(er),
Lijfland(sch); Livy, livi, Livius.
Lixiviate, liksivieit, loogen; subst. Lixiviation; Lixivium = loog.
Lizard, lizəd, hagedis; Lizard Point = Kaap L.
Lizzy, lizi, verk. van Elisabeth.
Llama, lâmə, ljâmə, lama, lamawol.
Llandaff, landaf; Llanelly, lanethli; Llangollen, langothlən.
Llanos, l(j)ânouz, steppen in het N. van Z.-Amerika.
Llanrwst, lan-rust; Llewelyn, luelin.
Lloyd’s, lôidz = — offices (rooms) = de kantoren en het instituut voor
zee-assurantie, classificatie van schepen, etc.; de dagelijks
verschijnende scheepstijdingen (= — list); de jaarlijks gepubliceerde
internationale lijst van schepen (= — Register for British and Foreign
Shipping).
Lo, lou, zie, aanschouw!
Loach, loutž, bermpje; kwabaal; meun.
Load, loud, subst. last, lading, vracht, belasting (van een
veiligheidsklep), draagkracht, capaciteit; — verb. laden, beladen,
belasten, bezwaren, dik opleggen; sterk koopen: It would be —s of fun =
dat zou ijselijk grappig zijn: To take a — off = verlichten, opluchten;
—-draught = diepgang van een geladen schip; —-water-line = ladinglijn
(Plimsoll-merk); —ed: —ed cane = stok met looden knop; —ed dice =
valsche dobbelsteenen; —ed tongue = beslagen; —ed wine = vervalschte,
aangezette wijn; —er = lader; —ing = het laden, lading, vracht; aandeel
der premie in de bedrijfsonkosten.
Loadstar, loudstɐ̂, leidster, poolster; Loadstone, loudstoun,
magneet(steen).
Loaf, louf, subst. brood: To look after the loaves and fishes = op
eigen belang bedacht zijn (Mark. VI. 38); —-sugar, broodsuiker (Vergel.
Sugar-— = suikerbrood).
Loaf, louf, omloopen, rondboemelen; verboemelen (away): —ing on Mondays
= Maandag houden; —er = leeglooper, luilak, landlooper.
Loam, loum, subst. leem; — verb. met leem bedekken; —y = leemig, leem
...
Loan, loun, subst. het leenen, leening, geleend geld; — verb. uitleenen
(out): I begged him for a — of five pounds = vroeg hem ter leen; To
lend the — of = uitleenen; I put it out to — = heb het uitgeleend;
—-office = leenbank, bank van leening; —word = ontleend woord.
Loath, louth, ongeneigd, afkeerig, onwillig: To be — to do a thing =
ongeneigd zijn; Nothing — = gansch niet ongeneigd.
Loathe, loudh, walgen, verfoeien: Even hunger —d such bad food =
ofschoon hongerlijdend walgde men van zulk slecht voedsel; Loathing,
subst. walging, afkeer = —ness; Loathsome, loudhs’m, walgelijk: subst.
—ness.
Lob, lob, subst. iets diks en zwaars, lobbes, lummel, domkop; geldlade;
bovenslag bij Lawn-Tennis; — verb. gooien, rollen, een bovenslag maken;
zich log bewegen; —-cock = botterik, lomperd.
Lobate, loubit, Lobed, loubd, in lobben verdeeld, uit lobben bestaande;
Lobation = lobbenvorming.
Lobby, lobi, subst. kleine voorzaal; wachtkamer, couloir (in ’t
Parlementsgebouw); foyer; — verb. de lobby herhaald bezoeken om steun
te vragen van de leden; —-member, —ist = couloirlooper (om invloed op
de leden van het Congres (Parlement) uit te oefenen).
Lobe, loub, lob, lel (van het oor).
Loblolly, lobloli, haver (grutten)pap, soep, geneesmiddelen, lekkerbek;
adj. vertroeteld; —-boy = adsistent van den scheepsdokter.
Lobscouse, lobskcaus, gerecht bestaande uit pekelvleesch,
scheepsbeschuit, uien en aardappelen.
Lobster, lobstə, zeekreeft: He has boiled his — = is van geestelijke
soldaat geworden (omdat de donkere kreeft bij het koken rood wordt, dus
eene roode soldatenjas aan krijgt); Raw (Unboiled) — = politieagent;
—-box = kazerne.
Lobular, lobjulə, gelobd; Lobule, lobjûl, kleine lob.
Local, louk’l, plaatselijk; subst. plaatselijk nieuwtje, lokaaltrein,
inwoner: — colour = lokale kleur, waarheid en juistheid van
beschrijving; — option = het stelsel waarbij over “vergunningen” door
stemgerechtigde inwoners wordt beslist; — organ = plaatselijk blad; —
time = plaatselijke tijd; —ism = eigenaardigheid van (voorliefde voor)
een plaats; Locality = ligging, localiteit (Amer.), plaatselijkheid;
Localization = localisatie; —ize = de plaats bepalen, localiseeren.
Locate, loukeit, op eene bepaalde plaats zetten of leggen, opstellen,
naar een plaats verleggen, (doel) vinden, toewijzen; mijnen (gronden)
in bezit nemen, thuisbrengen, een plaats aanwijzen, gelegen zijn, wonen
(Amer.); zich vestigen; Location = plaats, woonplaats; veefokkerij,
boerderij (Austr.); verhuring, verpachting; aangewezen terrein;
Locative of Locative, (woord of naamval) plaats aanduidende; Locator =
iemand, die bezit neemt van een location, rechtmatig bezitter (Amer.).
Loch, lok, meer, zeearm; Lochaber, lokabə, lokâbə, district in het
graafschap Inverness: —-axe = strijdbijl der Hooglanders; Lochleven,
loklev’n, loklîv’n; Lochmaben, lokmeibən; Lochnagar, loknəgâ.
Lock, lok, subst. slot, haak, kluister, rem, belemmering, versperring,
omknelling (bij het kampvechten), slot (van een geweer), sluis (in een
kanaal); lok, krul, bosje, handvol; — verb. sluiten (met een sleutel),
omsluiten, dicht in de armen sluiten, remmen, stijf maken, bevestigen,
vastzetten (up), koppelen, stijf worden, zich (laten) sluiten, grijpen
in: He is under — and key = achter slot en grendel; —, stock and barrel
= in zijn geheel; The ships were passed through the — = werden
doorgeschut; The door was closed but not —ed = de deur was dicht maar
niet op slot; —ed from without = van buiten gesl.; —ed water =
stilstaand water (eig. tusschen sluisdeuren); To — away = wegsluiten;
To — in = opsluiten; To — out = buitensluiten; gedaan geven;
uitsluiten; ook subst.; To — up = opsluiten (milit.); vastzetten,
steken in; subst. huis van bewaring; —-box = partic. brievenbus aan een
postkantoor; —-chain = remketting; —-chamber = sluiskolk; —-dues =
sluisgeld; —-gate = sluisdeur; —-jaw = klem (in den mond); —-keeper =
sluiswachter; —-paddle = schuif (in een sluisdeur); —-smith =
slotenmaker; —-step = marcheeren in dicht gesloten gelederen; —-stitch
= kettingsteek; —age = sluiswerken; schutgeld; —er = lade, kist; Not a
shot in the —er = geen geld in den buidel; Zie Davy Jones.
Locket, lokət, medaillon.
Lockian, lokiən, adj. van Locke, lok.
Locofoco, loukəfoukou, subst. zwavelstok, ultraradicaal; adj. zeer
radicaal (Amer.).
Locomotion, loukəmouš’n, beweging, plaatsverandering; Locomotive,
loukəmoutiv, plaatsveranderend, bewegings - -; subst. locomotief
(Amer.): — engine = locomotief; — organs = bewegingsorganen.
Locust, loukəst, sprinkhaan; krekel, cicade (Amer.).
Locution, ləkjûš’n, spreekwijze, uitdrukking.
Lode, loud, sloot of waterafvoerkanaal; metaalader.
Lodestar, Lodestone, Zie Loadstar, etc.
Lodge, lodž, subst. portiershuis (bij een buiten), hut, optrekje, hol,
schuilplaats, loge, de leden eener loge, Indianenfamilie in één wigwam;
— verb. plaatsen, leggen, tijdelijk huisvesten, herbergen, plaats
verschaffen, indienen, ingraven, zich nestelen, deponeeren, bevatten,
blijven zitten (steken), logeeren: The —s of the beaver = holen; To — a
complaint (at, against, with) = een aanklacht indienen (te, tegen,
bij); To — information (against) = aangeven; Certificates must be —d
with the committee = ingeleverd bij; I have —d it in my memory =
opgenomen; —-keeper = portier bij een landgoed; —able = bewoonbaar; —r
= bewoner (vooral van gehuurde kamers); Lodging = logies: —s = gehuurde
kamer: Furnished —s; Unfurnished —s; To live in (To stay at), To take
—s; —-allowance = toelage voor huishuur; A —-bill was stuck up in the
window = verhuurbiljet; —-house = huis waar men kamers verhuurt, hotel
garni; Lodgement = huisvesting, deponeering, ophooping: The enemies
secured a — = kregen vasten voet.
Loft, loft, zolder, galerij of kraak, koor, verdieping, duiventil.
Loftiness, loftinəs, hoogte, verhevenheid, hoogmoed; Lofty = hoog,
verheven, voornaam, trotsch.
Log, log, subst. blok hout; log, scheepsjournaal; — verb. in blokken
zagen (Amer.); opschrijven in het —-book = scheepsjournaal;
schoolregister; —-cabin = blokhuis; —-canoe = boot van een uitgeholden
boomstam gemaakt; —-headed = dom; —-hut (—-house) = blokhuis; —-line =
loglijn; —man = houthakker, knecht op een zagerij; —-reel = logrol;
—-roller = machine voor het laden van hout op de schabels; iemand, die,
in vereeniging met anderen, de politiek tot bevordering der
gemeenschappelijke belangen aanwendt; Influential —-rollers tried to
impose that nobody upon the public = invloedrijke voorspraak trachtte
het publiek dien “nul” op te dringen; —-rolling = wederzijdsche hulp
(in de politiek), wederzijdsche bewondering en aanprijzing (van
letterkundigen en kunstenaars); —wood = campèche-hout; —ged = met
blokken bevestigd; vol water; stilstaand (van water); —ger =
houthakker.
Logarithm, logərithm, logəridhm, logarithme; adj. —ic(al),
logərithmik(’l).
Loggerhead, logəhed, domkop: They are at —s = zij hebben standjes; To
come (get, fall) to —s together = elkaar bij den kop krijgen.
Loggia, lodžiə, loggia, soort vóórgalerij.
Logic, lodžik, redeneerkunde, logica; —-chopper = pedante disputant;
—al = logisch; Logician = logicus.
Logography, ləgogrəfi, wijze van drukken, waarbij korte woorden of
lettergrepen uit één type (logotype) bestaan en dus niet als
afzonderlijke letters gezet worden.
Logomachist, ləgoməkist, haarkloover; Logomachy = haarklooverij.
Logos, logos, “Het Woord”, Christus.
Loin, lôin, lende(stuk): To gird up the —s = de lendenen omgorden;
—-cloth = lendendoek; —-steak = lendestuk.
Loiter, lôitə, dralen, treuzelen, talmen: To — about = rondslenteren;
He —ed away his time = verbeuzelde; —er = treuzelaar.
Loll, lol, lusteloos (lui, gemakkelijk) liggen, lummelen, (laten)
hangen uit (den bek): They —ed back in the carriage.
Lollard, loləd, lid eener sekte (14e eeuw); spotnaam van de volgelingen
van Wiclif; ketter.
Lollipop, lolipop, een snoeperij; lekkerbek.
Lollop, loləp, lui liggen; zich log bewegen, heen en weer geslingerd
worden.
Lombard, lombəd, lɐmbəd, Lombarde; adj. Lombardisch: It’s all — street
to a China orange = tien tegen één; Lombardic = Lombardisch; Lombardy =
Lombardije.
Lomond, loumənd: Lake —.
London, lɐnd’n, Londen; ook adj.: To carry to — = op handen dragen
(kinderspel); —-pride = porseleinbloempje; —er = Londenaar; —ese =
Cockney dialect; —ism = typisch Londensche uitdrukking; —ize = de
eigenaardigheden van Londen navolgen, Londensch maken.
Lone, loun, eenzaam, verlaten; —liness, subst. v. —ly = alléén,
eenzaam, akelig, somber; —some = eenzaam; subst. —someness.
Long, loŋ, adj. lang, gerekt, langdurig, vervelend: He is cleverer than
you by a — chalk = heel wat knapper; He cannot work a sum in — division
= kan geen lange deelsom maken; — dozen = dertien; — figure = lang
getal; — firm = flesschentrekkersfirma; — hand = gewoon schrift; —
hundred = 120 stuks (haringen); I will accept — odds against him = durf
veel op hem wedden; It is — odds = het is honderd tegen één; — premium
= hooge premie; — price = brutoprijs; hooge prijs; — primer = klein
romein (drukletter); You got a — pull = meer bier dan je besteld of
betaald hebt; He will have to give it up in the — run = eindelijk, op
den duur, ten lange leste; To dress, to travel by — stages = op z’n
dooie gemak; It is a — way = een heel eind; I shan’t be — = ik blijf
niet lang weg; He is — saying what he intends = het duurt lang voor hij
zegt; The opportunity was not — in coming = liet zich niet lang
wachten; To take — = langen tijd noodig hebben; The — and short of it
is, that he went away = om kort te gaan; —-boat = pinas; —-bow: He
draws (pulls) the —-bow = schiet met spek; —-breathed, —bretht = lang
van adem; —-headed = vooruitziend, uitgeslapen; —legged = langbeenig;
—-lived, —laivd, langdurig: Ours is not a —-lived family = onze familie
wordt niet oud; —-necked; —-nosed; —-shoreman = baliekluiver; The
—-shore fraternity = baliekluivers; —-sighted = vèrziend, sluw, slim:
—-sighted bill = wissel op langen tijd; subst. —-sightedness; —-staple
= langdradig katoen; —-suffering, subst. lankmoedigheid, geduld; adj.
lankmoedig, geduldig; —-tail, subst. langstaart (van jachthonden); —s,
fijne of adellijke lui; Chineezen, fazanten; adj. met ongekorten
staart; —-tongued = praatziek, babbelachtig; —-winded: A —-winded
speech = lange, vervelend gerekte redevoering; —ish = wat lang: —ish
bills = al lang staande rekeningen.
Long, loŋ, verlangen, hunkeren; —ing = verlangend, hunkerend; ook
subst.
Longevity, londževiti, lange levensduur, hooge ouderdom.
Longfellow, loŋfelou.
Longipennate, lonžipenit, met lange vleugels (zwemvogels).
Longirostral, lonžirostr’l, met langen snavel.
Long Island, loŋail’nd.
Longitude, lonžitjûd, geographische lengte; Longitudinal,
lonžitjûdin’l, lengte...
Loo, lû, subst. gezelschapskaartspel; — verb. elken trek winnen bij dit
spel: I am —ed = ik heb geen enkelen trek; —-table = speeltafel,
elegante ronde tafel.
Looby, lûbi, lummel.
Loof, lûf, loef (van een schip).
Look, luk, subst. blik, gelaat, uitdrukking; — verb. zien, kijken,
zoeken, toezien, zorgen, er uit zien, ’t uitzicht hebben, verwachten,
etc.: I don’t like the — of him = ik mag zijn oogopslag niet; He does
not belie his —s = hij is zooals hij er uit ziet; No one can help his
—s = kan het helpen, dat hij niet mooi is; Judging from his —s = te
oordeelen naar zijn uiterlijk; It —s like you = dat is net wat voor u,
’k had niet anders van u verwacht; het lijkt sprekend; — alive! = vlug
wat; — at home = bemoei je met je eigen zaken; To — one’s best = op
zijn voordeeligst; He —ed black as thunder = zeer dreigend; Things —ed
black against her = het zag er donker voor haar uit; You — pale = ziet
er bleek uit; — sharp = maak wat voort; He —ed daggers at me =
doorboorde mij met zijne blikken; He —ed his wish = men kon op zijn
gezicht lezen wat hij wou; To — all wonder = een en al verbazing zijn;
You must — about you = gij moet goed om u heen zien, uw oogen den kost
geven; Will you — after the children = letten op, zorgen voor; I — at
it in that light = beschouw het als zoodanig; To — back = terugzien,
omzien; To — beyond = verder zien (dan), overheen zien; To — down =
naar beneden kijken, de oogen neerslaan; To — down on a person =
neerzien op; He —ed me down = hij deed mij door zijn blik de oogen
neerslaan; To — downwards = achteruitgaan in prijs; To — for = wachten
op, verwachten; zoeken naar: Not —ed for = onverwacht; I — forward to a
pleasant evening = ik verwacht (hoop op) een prettig avondje; To — in
at = even gaan kijken; To — in upon a person = even bezoeken, aanloopen
bij; I —ed him in the face = flink onder de oogen; To have a —-in =
kans hebben; Let me — into it = eens onderzoeken; I — on him with a
kind eye = zie hem met gunstig oog aan; I merely —ed on = ik heb niets
gedaan dan toekijken; To — out = uitkijken; To — out at (of) the
window; My rooms — out upon a beautiful landscape = zien uit op; You
may — out for a thorough scolding = kunt verwachten; I have —ed it out
= ontdekt, gevonden, uitgezocht; Is that your —-out = zoo! dat is jou
plan? That’s your —-out = dat moet jij weten, is jou zaak, belang; He
was on the —-out = stond op den uitkijk; On the —-out for a job =
uitziende naar; He established a sharp —-out all round the bed = met
scherpen blik keek hij om het geheele bed heen; — out there = pas op!
voorzichtig! I will just — over it = doorloopen, nagaan; We will — over
(= over—) your neglect = uw verzuim over het hoofd zien; My room —s
over a pretty meadow = geeft uitzicht op; He —ed over my book = hij
keek bij mij in; To — round = To take a —-round; He seems to — through
things = geheel te doorzien, grondig te kennen; I — to you for support
= reken op uw steun; I — to your prudence = vertrouw op; You should —
to a rich woman = uitzien naar; I have not been able to — it up = het
niet kunnen vinden; The weather is —ing up = knapt op; Things are —ing
up = beginnen er beter uit te zien; I will — you up to-morrow = ik kom
morgen eens aan, ik kom eens zien waar je woont; Eggs have —ed up 3 d.
per dozen = zijn in prijs gerezen; I was a mere —er-on = slechts
toeschouwer; —ing: Good-—ing = knap; —ing-glass = spiegel;
nachtspiegel.
Loom, lûm, subst. weefgetouw; gedeelte van een roeiriem binnen de
dollen, handvat; roodhalzige zeeduiker, groote zeekoet; —ery =
broedplaats van looms.
Loom, lûm, schijnen, zichtbaar worden, boven den horizon of de
oppervlakte verschijnen, opdoemen (als in een mist): It —ed upon my
mind = doemde op voor mijn geest; —ing = zichtbaar worden,
luchtspiegeling.
Loon, lûn, lummel, domkop, vent, kerel, deugniet; ijsduiker, fuut,
dodaars: He is a lazy — = luie vlegel; As crazy as a —, As wild as a —
= zoo gek als eene windvaan, zoo wild als een springhaas; —y = dwaas,
krankzinnig.
Loop, lûp, subst. lus, lis, strop, bocht, hengsel, kijkgat; — verb.
eene lus maken, met lussen vastmaken, opnemen, opschorten, bochten: To
form an ‘h’ without a —; The curtains were —ed back = met een embrasse
opgenomen; —hole = kijkgat, sluipgat, uitvlucht; —-line = zij- of
verbindingslijn (bij spoorwegen); —y = vol bochten.
Loose, lûs, los, vrij, wijd, ruim, onsamenhangend, slordig, loszinnig,
dartel, loslijvig; ook subst.; — verb. losmaken, loslaten, ’t anker
lichten, wegzeilen, losdrukken, afgaan, enz.: — cash (change, money) =
kleingeld; — definition = onvolledige; Every — farthing = losse cent; —
fish = pierewaaier; — gown = peignoir; At — ends, At a — end =
verwaarloosd, zonder regelmatige bezigheid; To be on the — = aan den
rol; To be on the — for a job = werk zoeken; To break —; To come — =
losgaan; To give a — to = den teugel vieren; To let — = loslaten; He
was set — = in vrijheid gesteld; Afternoon church was just loosing =
ging juist uit; —-box = stalafdeeling, waarin het paard zich vrij
bewegen kan; —n = losmaken, loslaten, loslijvig maken; losgaan, los
worden; —ness = losheid, slapheid, liederlijkheid; loslijvigheid (=
—ness of the bowels); —ly = losjes: A —ly-hung boy of sixteen = lange
slappe lijs van een jongen; A loosish mouth = slap, flabberig.
Loot, lût, subst. buit, roof; — verb. rooven, buitmaken, plunderen: The
waggon had been —ed of its provisions.
Lop, lop, subst. afgesnoeide takken of hout; — verb. snoeien,
afsnijden, knotten; laten vallen, neerhangen, rondboemelen (about); A
—-eared dog = met hangende ooren; —-sided = scheef, eenzijdig; The
—-sidedness of such societies = de éénzijdigheid van zulke
genootschappen; —ping-shears = snoeischaar.
Lope, loup, subst. sukkeldraf, lange stap; — verb. lange stappen maken,
draven.
Loquacious, ləkweišəs, babbelziek, druk; subst. —ness = Loquacity,
ləkwasiti.
Lor, lö, heerejé.
Lord, löd, heer, meester, hoogste Wezen, echtgenoot, pair van het rijk,
zoon van hertog of markies, oudste zoon van een earl, eeretitel (als in
— Mayor); — verb. met macht bekleeden; heerschen over, bestrijken: The
— = de Heere, Jezus Christus; The Day of the — = dag des oordeels; —’s
= Lord’s Cricket Ground in Londen; The —’s Day = dag des Heeren; The
—’s Prayer = het Onze Vader; The —’s Supper = het Avondmaal; The —
Harry = de duivel; The House of —s = het Hoogerhuis (der Lords) in
Engeland; —-Advocate = Advocaat-Generaal (Schotl.); —-lieutenant =
Commissaris der Koningin (des Konings), Onderkoning (Ierland); — Mayor
= titel van sommige burgemeesters, bijv. v. Londen, Dublin en York (de
andere heeten eenvoudig Mayor); — of Misrule = leider der Kerstmispret
in vroegere dagen; —s spiritual = de geestelijke leden
(aartsbisschoppen en bisschoppen) van het House of Lords (tegenover de
wereldlijke leden, die —s temporal heeten); —s of (the) creation =
heeren der schepping, de mannen; First — of the Treasury, — High
Treasurer = hoofd van den Board of Treasury, bestaande uit dien First
Lord (doorgaans de premier), den Chancellor of the Exchequer en 3 Lords
Commissioners of Junior Lords; I won’t allow him to — it over me = om
mij te commandeeren; The hill —s it over the surrounding landscape =
steekt hoog uit boven; —like = —ly; —liness = hooge rang, trots,
aanmatiging; —ling = jonge lord, pseudo lord; —ly = voornaam,
heerschzuchtig, hoogmoedig; —olatry = lordvereering; —ship =
heerschappij, macht, heerschap, grondgebied van een lord, titel: His
(your) —ship.
Lore, lö, kennis, wetenschap, leer.
Lorenzo, lərentsou.
Lorgnette, lönjet, tooneelkijker, lorgnon.
Lorica, ləraikə, pantserhemd; schild.
Lorikeet, lorikît, soort papegaai.
Loriot, loriot, wielewaal (vogel).
Lorn, lön, verlaten, ongelukkig.
Lorraine, lorein: —r = bewoner van L.
Lorrie, Lorry, lori, lorrie (dienstwagentje).
Lory, lôri, soort van papegaai.