— rent = een zeer geringe huur; —ism = de leer, dat aan onze begrippen
geene werkelijkheid beantwoordt, en zij slechts als namen bestaan; —ist
= aanhanger van deze leer; Nominate, nomineit, benoemen, candidaat
stellen, op de voordracht zetten; Nomination = benoeming,
candidaatstelling: To be in — for = voorgedragen worden; Nominative,
nominətiv, subst. eerste naamval = — case; adj. daarop betrekkelijk;
Nominator = noemer, benoemer; Nominee, nominî, benoemde.
Non, non (in samenst.) niet, b.v. —-ability = onbekwaamheid;
—-acceptance = non-acceptatie; —-appearance = niet verschijning;
—-arrival = uitblijven (van een trein b.v.); —-attendance = niet
verschijning; —com = non compos mentis, non-commissioned officer; A
—-commissioned officer (zie Warrant-officer); A —-committal answer =
antwoord, waarbij men zich tot niets verbindt, zich niet bloot geeft;
—con, verkort voor —conformist = Dissenter, of voor —-content (=
tegenstemmer of stem tegen in het Huis der Lords); —-conformist =
afgescheidene; —-conformity = afgescheidenheid van de Anglikaansche
kerk; —-delivery = niet bestelling, onbestelbaarheid; —descript =
abnormaal, onmogelijk, vreemd, zonderling; ook subst.; —entity = nul;
—intoxicants = niet alcoholische dranken; —juring, nondžûriŋ, tot de
Nonjurors behoorende; —juror, nondžûrə, Jacobite, die bij de revolutie
van 1688 niet trouw wilde zweren aan de nieuwe regeering; —-pareil,
nonpərel, nonpərel, weergaloos; subst. iets weergaloos; nonpareille
drukletter; soort zijden lint, soort appel; —-payment = niet betaling;
That is a — sequitur (sekwitə) = eene onjuiste gevolgtrekking; —-sexual
= geslachtloos; —-stop = doorgaand; —suit, nonsiût, subst. het opgeven
of royeeren v. eene aanklacht wegens een gepleegd verzuim; — verb.
aanleiding geven tot het opgeven of royeeren.
Nonage, noneidž, minderjarigheid; —d.
Nonagenarian, nonədžənêriən, 90-jarig(e).
Nonagon, nonəgon, negenhoek.
Nonce, nons, alléén in: For the — = voor dezen keer; —-word =
gelegenheidswoord.
None, nɐn, subst. en pron. niemand, niets; adj. geen: — of your cheek
here = hou je brutalen mond thuis; — the less = niettemin; He is — so
young either = ook zoo jong niet meer; — too soon = geen oogenblik te
vroeg; I am — the wiser = geen haar wijzer.
Nones, nounz, negende dag vóór de Ides.
Nonplus, nonplɐs, subst. verlegenheid; moeilijkheid; — verb.
overbluffen, verlegen maken: To be at a —; To catch on the — =
verrassen.
Nonsense, nons’ns, onzin, dwaasheid: I will stand no — = oppassen
asjeblieft! Nonsensical(ness) = ongerijmd(heid), onzinnig(heid).
Non(e)such, nɐnsɐtš, subst. weergaloos persoon of zaak; soort van
appel.
Noodle, nûd’l, uilskuiken, dwaas; —s = deeg van tarwemeel, dun gerold
en aan reepen gesneden (Amer.).
Nook, nuk, hoek, gezellig plekje.
Noon, nûn, subst. middag, toppunt; adj. middag..: —day = middag; —house
= herberg; —tide = middag; hoogtepunt; middag..; —ing =
namiddagslaapje, -rust, -maal.
Noose, nûs, nûz, subst. lus, strik, schuifknoop; — verb. knoopen, in
een strik vangen, verstrikken: To run oneself into a — = in de val
loopen.
Nopal, noup’l, vijgendistel.
Nor, nö, noch, en ook niet: — I either = en ik ook niet; — is this all
= en dat is nog niet alles; Much better — I = dan ik (plat).
Nora(h), norə; The Nore, dhə nö; Norfolk, nöfək.
Norm, nöm, norm; —al, nöm’l, naar den regel, normaal, loodrecht; subst.
loodlijn: —al school = normaalschool; —ality, nömaliti = normaliteit,
etc.; —alize, normaliseeren.
Norman, nöm’n, Normandiër: — architecture; —dy = Normandië.
Norn(a), nön(ə), Norne, Noorsche schikgodin.
Norse, nös, subst. en adj. (Oud-)Noorsch(e taal); —man = Noorman.
North, Nöth, subst. Noorden; adj. noordelijk; —-east = noordoosten,
noordoostelijk; —-eastern = noordoostelijk; — by East = noord ten
oosten; — America; — Pole; —-star = noord(pool)ster; —-west =
noordwesten, noordwestelijk; —-western = noordwestelijk,
noordwestelijke wind; —er, nödhə, harde, ijzige noordenwind; —erly,
nödhəli, noordelijk; —ern, nödhən, noordelijk, uit het noorden:
—ern-lights = Noorderlicht; —erner, nödhənə, bewoner van het noorden,
van de Noord. Staten van Amer.; —ernmost, nödhənmoust, het meest
noordelijk gelegen; —ing, nöthiŋ, noordelijke declinatie, afstand naar
het noorden; —man = Noorman; —ward = naar het noorden: To the —ward =
benoorden.
Northampton, nöthamt’n; Northumberland, nöthɐmbəland; Norway, nöwei,
Noorwegen; Norwegian, nöwîdž’n, Noorsch; subst. (bewoner of taal) van
Noorwegen; Norwich, noridž.
Nose, nouz, neus, reuk, snavel; spion; — verb. ruiken, in den neus
krijgen, beruiken, trotseeren, door den neus spreken: Bridge (Point) of
the —; — of wax = meegaand persoon; You had best follow your — =
rechtuit te gaan; As plain as the — on one’s face = zoo klaar als een
klontje; To cut the — off one’s own face = zijn aangezicht schenden
(fig.); All my life my — was kept to the grindstone = heb ik hard
moeten werken; You can lead them by the — = blindelings leiden of doen
volgen; To pay through the — = duur betalen, duur te staan komen; That
has put his — out of joint = hem den voet gelicht; When the baby came
the little boy’s — was put out of joint = was de kleine jongen
“Benjamin-af”; To snap a person’s — off = afsnauwen; He speaks in the —
= spreekt door den neus; He thrusts (puts, shoves) his — into
everything = steekt zijn neus in alles, bemoeit zich met alles; He
turned up his — at it = hij trok er zijn neus voor op; He put his thumb
to his — = bracht ... aan (ook als teeken van minachting); He did it
under my very — = hij deed het waar ik bij was; —-bag = voederzak (van
een paard); in kellner’s slang: bezoeker die zijn eigen mondvoorraad
meebrengt: The British Museum reading-room is made a —-bag of by many =
velen gaan naar de leeszaal van het B. M. om warm onder dak te zijn;
—-band = neusriem; —-bleed = gemeen duizendblad; —-gay = ruiker; —hole
= neusgat; —-piece = neusriem; mondstuk; objectief uiteinde van een
microsc.; —-ring = ring door den neus; —d: Flat —d = met een platten
neus; —less = zonder neus; Nosing = vooruitstekende rand van lijstwerk.
Nostalgia, nostaldžə, heimwee (naar = for); Nostalgic = heimwee
hebbend.
Nostril, nostril, neusgat.
Nostrum, nostr’m, kwakzalversmiddel.
Nosy, nouzi, met grooten neus.
Not, not, niet: — at all = geenszins, integendeel; — by a very long way
= geenszins; — in the least = in het minst niet; — if I know it = ik
denk er niet aan, het komt niet bij mij op; Will they do it? — they =
’t mocht wat, dat kun je begrijpen.
Notabene, nouta bînî.
Notability, noutəbiliti, merkwaardigheid, gewichtigheid; notabele;
Notable, noutəb’l, merkwaardig, aanzienlijk, groot, uitstekend, bekend,
berucht, flink (v. huisvr. = notable); subst. kopstuk, notabele:
Assembly of —s = afgevaardigden van Frankrijk (1787); subst. —ness.
Notalgia, nətaldžə, pijn in den rug.
Notarial, nətêriəl, notariëel; Notary, noutəri, notaris = — public =
Public —.
Notation, nouteiš’n, aanteekening, opschrijving, notatie.
Notch, notš, subst. kerf, inkeping, keep, gergel; bergpas (Amer.); —
verb. kerven, inkepen, opschrijven: The stick was —ed across at regular
distances = over den stok waren op gelijken afstand inkepingen gemaakt;
—-board = wang van een trap.
Note, nout, subst. opmerking, bekendheid, beteekenis, belang,
(verklarende) aanteekening, uitlegging, briefje, mededeeling, nota,
rekening, orderbriefje, promesse (ook: — of hand), toon, noot; — verb.
aanteekenen, letten op, nota of notitie nemen van, aanteekeningen
maken, laten protesteeren: — of charges = onkosten-nota; — of
exclamation (interrogation); A thing worthy of — = merkwaardig iets; He
is a man of — = man van aanzien en gewicht; As per — = volgens nota; We
compared —s together = wij vergeleken onze bevindingen; To make a — of
= aanteekenen; To take —s = aanteekeningen maken; To take no — (of it)
= geen nota nemen van, niet letten op; —-book = aanteekenboek; —-paper
= klein formaat schrijfpapier; —-shaver = iemand, die tegen
buitensporige rente wissels disconteert, enz.; maker van valsche
bankbiljetten; —worthiness, subst. v. —worthy, noutwɐ̂dhi, merkwaardig;
He is a —d general = vermaard; —dness = vermaardheid.
Nothing, nɐthiŋ, subst. niets, kleinigheid, nul, prul: For — = te
vergeefs; Next to — = zoo goed als niets; — at all = in ’t geheel
niets; The piece was — like so witty as I expected = het leek er niet
op, dat; There was — for it but to get out = er zat niets anders op
dan; To have — on = niets aan hebben; That’s — to me = dat kan mij niet
schelen; He is — to us = we hebben niets met hem te maken; There’s — in
it = dat beteekent niets, is van geen belang; I will have — to say to
you = niets met u te maken hebben; It is — to be inquired into = het is
de moeite niet waard, er onderzoek naar te doen; Things have come to —
= er is niets van gekomen; I can make — of it = kan er niet uit wijs
worden; — venture, — have = wie niet waagt, die niet wint; —ness =
waardeloosheid.
Notice, noutis, subst. opmerking, aandacht, acht, hoede, kennisgeving,
waarschuwing, aankondiging, recensie; — verb. opmerken, waarnemen,
notitie nemen van, vermelden, bespreken, recenseeren, eerbied bewijzen:
To escape — = onbekend (onopgemerkt) blijven; He gave me — (to leave,
to quit) = hij heeft me de huur (den dienst) opgezegd; Have you given —
as yet? = hebt ge u al (voor ’t examen) aangegeven; The child takes —
in a wonderful way = krijgt al merkwaardig veel “weet”; At a moment’s —
= onmiddellijk; At (a) short — = op korten termijn; We —d the work in
last week’s issue = hebben in ons nummer van de vorige week besproken;
Do not — me = doe maar alsof ik er niet ben, let niet op mij; I had no
opportunity of noticing this to you = u hierop opmerkzaam te maken;
—-board = aanplakbord; —-paper = agenda; —able = opvallend,
opmerkenswaard: Actresses generally go about with —able dress = zijn
nogal dikwijls opzichtig gekleed.
Notification, noutifikeiš’n, kennisgeving, verwittiging, mededeeling,
het beteekenen (van een vonnis); Notify, noutifai, bekend maken,
verwittigen, kond doen.
Notion, nouš’n, begrip, denkbeeld, neiging (—s = kleinigheden,
snuisterijen) (Amer.): He hasn’t a — of doing it = denkt er niet aan; I
had no — of it = ik had er geen flauw idee van; —al = denkbeeldig,
droomerig, begrips...: —al words = begripsnamen.
Notoriety, noutəraiiti, algemeene bekendheid, beruchtheid,
onloochenbare zekerheid; bekende persoonlijkheid; Notorious, nətôriəs,
bekend, berucht: A — burglar = berucht inbreker; subst. —ness.
Notturno, notɐ̂nou, nocturne (muz.).
Notus, noutəs, Zuiden (of Z. W.) wind.
Not-wheat, notwît, ongebaarde tarwe.
Notwithstanding, notwidhstandiŋ, niettegenstaande: — that = ofschoon.
Nougat, nûgâ, noga.
Nought, nôt. Zie Naught.
Noun, naun, zelfstandig naamwoord: Proper — = eigennaam.
Nourish, nɐriš, voeden, grootbrengen, koesteren; —able = wat gekweekt
of gevoed kan worden; —er; —ing = voedzaam; —ment = voeding, voedsel.
Nous, naus, nûs, verstand; helderheid: You need all your — for that =
daar mag je “de vijf” wel goed voor bij elkaar hebben; —-box = “kop”,
kersepit.
Nova Scotia, nouvəskoušə, Nieuw Schotland; Nova Zembla, nouvəzemblə.
Novel, nov’l, subst. roman, novelle (Jur.); adj. nieuw, ongewoon: The
purpose — = tendenzroman; A — point = een nieuw gezichtspunt; A
—-writer = romanschrijver; —ette, novəlet, novelle; —ist =
romanschrijver; —istic = roman..; —ty = nieuwigheid, nieuw artikel:
That is quite a —ty = dat is wat nieuws.
November, nəvembə, November.
Novice, novis, nieuweling, beginner, novice (klooster); Noviciate,
Novitiate, nəvišieit, leertijd, proeftijd (in een klooster), novitiaat.
Now, nau, nu, thans: — ... — ... = nu eens ... dan weer ...; — and
again = telkens; — and then = nu en dan; Every — and then = telkens;
Before — = reeds vroeger; By — = op dit oogenblik; But (Even) — = net
nog; Just — = zooeven; Till — = tot nu toe; Don’t spill oil on my
dress, — = zeg er eens, mors nu geen olie op mijne japon; —, the
weather being nice = aangezien het weer mooi was; He said so. Did he —?
= och kom! I shan’t tell you, So —! = basta! Sure —? = Heusch?
(Iersch); — for it! = nu moet het maar wezen; — for them! = laten ze nu
maar komen! — that = daar nu, omdat; —adays, nauədeiz, heden ten dage.
Noway(s), nouwei(z), geenszins.
Nowhere, nouwêə, nergens: Now that he has lost his property, he is — =
beteekent hij niets meer; My horse was — = verloor het royaal, viel
geheel uit; His new play is — = trekt geen publiek; It is — by
comparison = haalt er niet bij; Nowhither, nouwidhə, nergensheen;
Nowise, nouwaiz, op geenerlei wijze.
Noxious, nokšəs, schadelijk, verderfelijk, ongezond; subst. —ness.
Noyau, Fr. uitspr. persico.
Nozzle, noz’l, pijp, mondstuk, snuit; neus.
Nub, nɐb, knobbel; adj. —bly.
Nubia, njûbjə, Nubië; wollen netje (hoofdbedekking voor Amer. dames);
—n = Nubiër, negerslaaf.
Nubile, njûbil, huwbaar.
Nucleus, njûkliəs, kern, grondslag.
Nude, njûd, naakt, bloot, kaal; ongeldig: The — = het naakte (lichaam);
—ness = Nudity.
Nudge, nɐdž, subst. duwtje; — verb. eventjes aanstooten: He —d me (with
his elbow) = hij gaf me een duwtje (met den elleboog), stootte mij aan.
Nudity, njûditi, naaktheid.
Nugatory, njûgətəri, beuzelachtig, waardeloos.
Nugget, nɐgət, klomp edel metaal.
Nuisance, njûs’ns, plaag, last, burengerucht: What a — = dat is
vervelend; Don’t be a — = hinder me zoo niet; Commit no —! =
verontreiniging van deze plaats is verboden.
Null, nɐl, krachteloos, nietig, ongeldig; subst. nul: Some
voting-papers were — = van onwaarde; —ification = vernietiging,
nietigverklaring; -ify, nɐlifai, van nul en geener waarde maken; —ity =
ongeldigheid.
Nullah, nɐla, kanaal, droge stroom, bedding (Brit. Ind.).
Numb, nɐm, adj. verstijfd, verkleumd, verdoofd; — verb. verdooven,
verstijven; subst. —ness.
Number, nɐmbə, subst. getal, nummer, menigte, (vers)maat; — verb.
rekenen, nummeren, (op)tellen, bedragen: —s = verzen, poëzie; Numeri;
To look well after — one = voor zichzelf zorgen; Out of (Without) — =
talloos; To the — of 40 = ten getale; In great —s = in gr. getale; It’s
the —s that pay = slechts bij grooten omzet is winst te behalen; — off
= nummert u! (mil.); They can be —ed on the fingers of one hand = zij
zijn op de vingers te tellen; —er; —less = talloos.
Numbles, nɐmb’lz, ingewand van een hert.
Numerable, njûmərəb’l, telbaar; Numeral, subst. telwoord, getalteeken;
adj. tot een telwoord behoorende, een getal aanduidend; Numerary = in
een zeker getal begrepen; Numeration = het tellen; Numerate, njûməreit,
tellen, rekenen; Numerator, njûməreitə, teller; Numerical, njumerik’l:
— difference = verschil in getal; — frame = rekenmachine; Numero =
nummer; Numerous = talrijk; subst. —ness.
Numidia, njumidjə, Numidië; —n = Numidiër, Numidisch.
Numismatic, njûmizmatik, penning - -, munt - -; —s = penningkunde;
Numismatist, njûmizmətist, penningkundige.
Numskull, nɐmskɐl, uilskuiken; —ed = dom.
Nun, nɐn, non; nonnetje (een zaagbek-eend): —’s veiling = soort
voile-stof; —nery = nonnenklooster.
Nuncheon, nɐnš’n; Zie Luncheon.
Nunciature, nɐnšiətjuə, ambt of woning van een Nuncio, nɐnšiou,
pauselijk gezant, nuntius.
Nuncle, nɐŋk’l = Uncle.
Nuncupative, nɐŋkjupətiv, Nuncupatory, nɐŋkjupətəri, mondeling: A —
will = mondeling gemaakt testament.
Nundinal, nɐndin’l, Nundinary, nɐndin’ri, jaarmarkt - -: — laws.
Nuneaton, nɐnîtən, nɐnətən.
Nuphar, njûfə, njûfâ, gele waterlelie of plomp.
Nuptial, nɐpš’l huwelijks....: — benediction = huwelijksinzegening; —
tie = huwelijksband; —s = huwelijk, bruiloft.
Nuremberg, njûr’mbɐ̂g, Neurenberg.
Nurse, nɐ̂s, subst. pleegzuster; baker (= Dry —, of Monthly —); min (=
Wet —); kindermeid, “juffrouw”; kweeker, verzorger; — verb. zoogen,
grootbrengen, oppassen, koesteren, streelen, strijken, sparen, dicht
blijven bij: The child was at —, was put out to — = het kind was, werd
bij eene min uitbesteed; He put out his income to — and accumulate =
zette op rente; He understands the art of nursing = om ze warm te
houden (bilj.); He —d his capital = was spaarzaam, leefde zuinig; You
must — your cold = wat doen tegen; To — one’s face = de handen voor het
gezicht houden; He —d his leg = hij zat met over elkaar geslagen of
hoog opgetrokken knieën; —-girl = kindermeisje; —-maid; —-pond = vijver
voor vischcultuur; —ry = kinderkamer; kweekerij (van planten);
wedstrijd voor 2 jarige paarden; —ry-cannon = kanonnetje uit de
speelgoeddoos; —ry-gardener = gardenier, kweeker; —ry-governess =
kinderjuffrouw; —ry-man = kweeker, gardenier; —ry-plant = stekje;
—ry-rhyme = kinderversje; —ry-tale = sprookje; Nursing-bottle =
zuigflesch; Nursling = voedsterling, lieveling.
Nurture, nɐ̂tšə, subst. het voeden of grootbrengen, voeding, voedsel,
opvoeding; — verb. voeden, grootbrengen, opvoeden.
Nustle, nɐs’l = Nuzzle.
Nut, nɐt, subst. noot, hazelnoot, moer, neut (van een anker), fat,
dandy, nootjeskool, kop; — verb. noten plukken: He is as close as a — =
zoo dicht als een pot; As sweet as a — = als uit een doosje; Hard —s to
crack (tackle); I have a — to crack with you = appeltje met je te
schillen; That is —s to me = een kolfje naar mijn hand; It is —s to
read that letter = het is een genot; She is dead —s on him = smoorlijk
verliefd op; Juggles, the policeman, is dead —s on poachers = is fel
op; You are always dead —s on that school = je geeft altijd af op die
inrichting; He is off his — = gek; —-brown = licht bruin; —-cracker(s)
= notenkraker; ingevallen mond; —-gall = galappel; —-hatch =
boomklever; —-hook = notenhaak; dievenvanger; —-key = schroevensleutel;
—meg = notenmuskaat; —meg-grater = notenmuskaat-raspje; —meg-oil =
muskaatolie; —shell = notedop (ook fig.): The world in a —shell = de
wereld in een doosje; The whole matter lies in a —shell = is
doodeenvoudig; —-tree; —-wood = notenboomhout; —ter = notenplukker;
—ting: To go a-—ting = gaan noten plukken; —ty = vol noten, als noten
smakende; lief.
Nutrient, njûtriənt, voedend; subst. voedende stof; Nutriment,
njûtriment, voedsel: —al, njûtriment’l, voedend; Nutrition = voeding,
voedsel, voedingswaarde; Nutritious = voedzaam; subst. —ness; Nutritive
= voedzaam; subst. —ness.
Nuzzer, nɐzə, een geschenk aan een superieur (Brit. Ind.).
Nuzzle, nɐz’l, met den neus omwroeten (zooals een varken), met den neus
wrijven tegen, een ring door den neus trekken, liefkoozen, het hoofd
verbergen in moeders schoot (als een kind); met het hoofd voorover
loopen.
Nymph, nimf, nimf; jonge schoone; —-like of —ly = als eene nimf; —aea,
nimfîə, witte plomp; —ean, nimfîən, nimfachtig = —ical = —ish.
O.
O, ou; O(hio); O(fficial) A(ssignee); o/a = on account of = voor
rekening van; Ob(iit) = hij (of zij) is gestorven; Obad(iah);
Obj(ective); Obs(olete); Oct(ober); O(dd) F(ellows); O(ld) H(igh)
Ger(man); O(n) H(er) M(ajesty’s) S(ervice) = “Dienst” (op brieven); O.
K. = (Orl krekt) = allright; O. P. = Old pale = oude cognac;
Oakum, ouk’m, werk (om te breeuwen): To pick — = touw pluizen; He has
been picking — these three years = hij zit al drie jaar in ’t
tuchthuis.
Oar, ö, subst. (lange) roeiriem; — verb. roeien: To boat the —s = de
riemen innemen; To have an — in every man’s boat (barge) = zich overal
mee bemoeien; To lie on one’s —s = rusten op de horizontaal liggende,
uit het water opgeheven riemen, rusten van den arbeid; To put (shove)
in one’s —, To put one’s — in = zijn neus steken in, een woordje
meepraten; To rest (up)on one’s —s = op zijn lauweren rusten; To ship
(unship) the —s = inleggen (uitleggen); —ed: Four-—ed = vierriems...;
—sman, —swoman = roeier, roeister; —y = met riemen, riemvormig.
Oasis, oueisis, ouəsis, (Meerv. Oases, oueisîz), oase.
Oast, oust, mouteest.
Oat, out, haver (meest —s): He has sown his wild —s = zijne wilde haren
zijn uitgevallen, hij is uitgeraasd; —-cake = haverkoek; —-meal =
havermeel; —-malt = havermout; —en: —en pipe = herdersfluit; —en straws
= haverhalmen.
Oates, outs.
Oath, outh, eed, verwensching, vloek: By (Upon an) — = onder eede; Upon
my — = ik zweer het; False — = meineed; You are on — = onder eede; To
administer (To tender) an — to a person, To put a person to (on) his —
= iemand een eed afnemen; He took — on entering upon his office = werd
beëedigd; I have sworn an — = ik heb een eed gedaan; — of abjuration =
afzweringseed (waarbij de Stuarts na 1688 van den troon werden
uitgesloten); — of allegiance (— of fealty) = eed van trouw; — of
office = ambtseed; —-breaking = eedbreuk.
Obadiah, oubədaiə, obədaiə, Obadja, Kwaker.
Obduracy, obdjurəsi, obdjûrəsi, verstoktheid; Obdurate, obdjurit,
obdjûrit, verstokt; subst. —ness.
Obea(h), oubiə, toovermiddel.
Obedience, əbîdj’ns, gehoorzaamheid: Passive — = onvoorwaardelijke
gehoorzaamheid; To reduce to — = tot gehoorzaamheid dwingen; Obedient =
gehoorzaam: I am, —ly yours = hoogachtend, Uw dw. dr.
Obeisance, əbeis’ns, əbîs’ns, diepe buiging: To make an — (to).
Obelisk, obəlisk, obelisk, teeken (†); Obelize = van een
verwijzingsteeken: +, † (= Obelus, obəlɐs) voorzien.
Oberon, oubəron, obəron, Oberon.
Obese, əbîs, dik, vet, vleezig; subst. —ness = Obesity, əbesiti,
zwaarlijvigheid.
Obey, əbei, (onderdanig) gehoorzamen; —er.
Obfuscate, obfɐskeit, obfəskeit, verduisteren, verwarren, benevelen; —d
= beneveld; verbluft; subst. Obfuscation.
Obit, obit, oubit, dood, zielmis, lijkdienst: Post — = na den dood;
Obitual = dood(en)..., begrafenis...; —uary, əbitjuəri, subst.
zielmissenboek; ook adj.: —uary notice = doodbericht.
Obiter, obitə, in het voorbijgaan, toevallig: — dicta = in het
voorbijgaan gemaakte opmerkingen.
Object, obdžəkt, voorwerp, doel, hoofdzaak: Salary no — = op salaris
zal minder worden gelet; To look an — = er uit zien als een
vogelverschrikker; To make oneself an — = zich bespottelijk optooien;
—-glass = objectief; —-lesson = illustratie, aanschouwelijke les;
—-matter = hoofdzaak, inhoud; —-teaching = aanschouwingsonderwijs;
—less = doelloos.
Object, əbdžekt, tegenwerpen, bezwaar maken: I — to your going there =
heb er bezwaar tegen; —ion = tegenwerping, bezwaar; —ionable =
laakbaar, onaangenaam: —ionable pictures = aanstootelijke; —ional =
—ionable; —or = opponent.
Objective, əbdžektiv, objectief, voorwerps..; subst. voorwerpsnv.,
einddoel: — case = 4de nv.; — point = doel; —ness = Objectivity.
Objurgate, əbdžɐ̂geit, obdžəgeit, berispen, verwijten; subst.
Objurgation.
Objurgatory, əbdžɐ̂gətəri, verwijtend, berispend.
Oblate, obleit, oblit, afgeplat aan de polen; subst. —ness.
Oblation, obleiš’n, offerande, avondmaal, gave.
Obligate, obligeit, verbinden, verplichten; Obligation, obligeiš’n,
verplichting, verbintenis, obligatie: To be (To lie) under an — =
verplicht zijn; To incur an — = een verplichting op zich nemen;
Obligatory, obligətəri, (ver)bindend: — personal military service =
persoonlijke dienstplicht.
Oblige, əblaidž, verplichten, een dienst of genoegen doen, eene gunst
bewijzen, vriendelijk zijn; bindende kracht hebben, wat voordragen:
Will you — me so far? = mij dat pleizier doen; Miss Jane will — = zal
het gezelschap het genoegen doen, iets te zingen, spelen, etc.;
Anything to — you = als ik je daar een pleizier mee kan doen; Full
particulars will — = nadere inlichtingen verzocht; An immediate reply
will — = er wordt om spoedig antwoord verzocht; Obligee, oblidžî,
obligatiehouder, schuldeischer; Obliger; Obliging, əblaidžiŋ, beleefd,
voorkomend; Obligor, obligö, obligö, schuldenaar.
Oblique, əblîk, əblaik, scheef, schuin, indirect, slinksch, onoprecht;
— verb. schuin of scheef staan; schuin afmarcheeren: — angle = scheeve
(stompe of scherpe) hoek; — case = verbogen naamval; — dealings =
indirecte of slinksche manier van doen; — plane = hellend vlak; —
speech = indirecte rede; —ness = Obliquity (əblikwiti) = scheeve
richting, afwijking, onregelmatigheid, onoprechtheid, verkeerdheid.
Obliterate, əblitəreit, uitwisschen, doorhalen, onbruikbaar maken
(postzegels), vernietigen: —d pulse = uiterst zwakke pols;
Obliteriation = uitwissching, etc. onduidelijkheid; adj. Obliterative.
Oblivion, əblivj’n, vergetelheid, achteloosheid: Act of — = amnestie;
To bury in —; To pass into —; Oblivious: — of a thing = iets vergetend;
subst. —ness.
Oblong, obloŋ, langwerpig; subst. rechthoek.
Obloquy, obləkwi, verwijt, laster, smaad: To cast — upon = belasteren;
To fall into — = in kwaad gerucht komen; To lie under — = in kwaad
gerucht staan.
Obnoxious, obnokšəs, onderhevig, blootgesteld; aanstootelijk, hatelijk,
afkeurenswaardig, onbemind: He is — to me = ik mag hem niet zien;
subst. —ness.