Bear, bêə, torsen; dragen, verdragen, bezitten, overbrengen, afleggen,

wegdragen, liggen, baren, etc.: Atlas —s the world; The ice —s; To —

the bell = belhamel zijn; To — children = baren; To — company = houden;

To — date = gedateerd zijn; To — fruit; To — a grudge (ill-will) = een

wrok hebben tegen; To — a hand = een handje helpen; To — inspection =

gezien mogen worden; To — likeness (resemblance to) = gelijkenis

vertoonen; To — a loss; To — this meaning (sense) = deze beteekenis

hebben; To — a part = een rol spelen in, deel hebben aan; To — a

proportion to = in verhouding staan tot; To — reference to = betrekking

hebben op; To — the repute = den naam hebben; To — a share in = aandeel

hebben in; To — sway (rule) = heerschen; To — testimony (witness) =

getuigen; To — one’s years well = er flink uitzien voor zijn leeftijd;

The land —s North by East = ligt; — Verb. met voorzetsels en

bijwoorden: To — against = leunen tegen, zich richten tegen; To — away

= weggaan, (snellen, zeilen), wegdragen (— away a prize); To — down

(up)on = losstormen op, aanhouden op, met volle zeilen aankomen op; To

— in mind = zich herinneren (It was borne in upon me = het werd me

bewust); To — off = wegdragen; To — on = betrekking hebben op, gericht

zijn op; To — out = steunen, bevestigen; I will — you out = je

getuigenis bevestigen; To — up = dragen, steunen, uithouden, zich goed

houden; To — up against misfortunes = moedig dragen; To — with =

verdragen; To bring to — = doen gevoelen, laten gelden, laten inwerken

op: We shall bring this gun to — on the battery = deze batterij onder

vuur nemen; I brought the lesson to — = in toepassing; She brought the

scheme to — = voerde uit; — back there! = achteruit! —able = te dragen;

Bearer = drager, brenger, toonder, bode, lijkdrager; een boom, die

vrucht draagt: Pay to — = te betalen aan toonder; Please send answer by

— (= — waits) = antwoord verzocht met brenger dezes; Bearing = het

dragen, dracht; houding, optreden; vizierlijn, richting, betrekking,

verhouding, invloed: Past — = niet meer vruchtdragend; onvruchtbaar;

Beyond — = onverdragelijk; —s = ligging, peiling; wapenschild; The

trees are all in full — = bloei; The — of the cape was N. E. = de kaap

lag N. O. van ons; This argument has no — on the case = betreft het

geval niet; To discuss a question in all its —s = van alle zijden; To

bring a person to his —s = zijn positie doen begrijpen; To find one’s

—s = zich orienteeren; To lose one’s —s = de kluts kwijt zijn; To take

—s = peilingen doen; poolshoogte nemen (fig.); Armorial —s =

wapenschild; —-rein = opzetteugel.

Beard, biəd, subst. baard; weerhaak; —ed, gebaard, met een staart

(astron.); — verb. bij den baard trekken, trotseeren, brutaliseeren;

—less, baardeloos, jeugdig; —lessness, baardeloosheid, etc.

Beast, bîst, (viervoetig) dier; redeloos dier; ruw mensch, beest: The —

= de Antichrist (Openbaring XIII, 1); Mark of the —; — verb. beest

maken; —like (= —ly) = dierlijk, beestachtig, buitengewoon; subst.

—liness.

Beastings, bîstiŋz, biest.

Beat, bît, subst. klap, slag, tred, ronde, wijk, dikwijls bezochte

plaats; het maatslaan, slag (bij het laveeren); — verb. (herhaaldelijk)

slaan, kneuzen, beuken, kloppen, stampen, verslaan, opdrijven,

doorzoeken, doorkruisen, inspannen, vermoeien, uitputten, laveeren,

vallen; klotsen, betreden: — of drum = trommelslag; — of the heart (the

pulse); The heart makes from 70 to 80 —s a minute; A policeman’s —,

postman’s —, sentry’s — = wijk, post; I am not on your — = heb uw wijk

niet; Out of one’s — = niet geschikt voor, onbereikbaar; Out of — = uit

de maat; To — one’s brains (head) about = zich het hoofd breken over,

zich inspannen; One —s the bush, and another gets the hare = de

paarden, die de haver verdienen, krijgen ze niet; To — the charge = het

sein tot den aanval geven; To — the general (alarm) = te wapen

trommelen; To — hemp = braken; To — (pad) the hoof; Zie Hoof; To — a

parley = het sein geven tot mondelinge onderhandeling tusschen

vijandelijke aanvoerders; To — a retreat = den aftocht blazen; To —

time = de maat slaan; Dead-— = doodop; —en, geslagen, gesmeed,

verslagen, veel betreden, alledaagsch: —en gold = bladgoud; —en hemp;

—en path = gewone weg (ook fig.); Hand-—en silver = gedreven; —ing =

slaan, pak slaag, nederlaag: To get a sound —ing; To give a sound —ing

= afranselen, slaan (sport); — verb. met voorzetsels en bijwoorden: To

— about the bush = er om heen praten; To — at billiards, etc. =

verslaan; To — back = terugslaan; To — down = neerslaan, afdingen (They

— down the price), drukken van prijzen; To — hollow (= badly) = geheel

verslaan; To — in = inslaan; To — a thing into one’s head (= in upon

one) = inprenten; To — off = afslaan, terugslaan; To — out =

uitdrijven, uitslaan; To — out of = afbrengen van: The teacher tried to

— him out of lying = door slaan af te leeren; To — out of countenance =

van zijn stuk brengen; To — up = alarmeeren, aanvallen, werven,

kloppen, aanmaken, opkruisen; To — up and down = op en neer loopen.

Beatific, bîətifik, zaligmakend, gelukzalig; subst. Beatification;

Beatify, biatifai, zalig maken, zalig verklaren; Beatitude, biatitjûd,

hemelsche zaligheid, zaligspreking.

Beatrice, bîətris; Beattie, bîti of beiti.

Beau, bou (Meerv. —s of —x, bouz), fat, galant; — verb. ’t hof maken;

—pot (Bough —, Bow —) = bloempot voor het raam (veroud.).

Beauchamp, bîtš’m; Beaufort, bjûfət; Beaumont, boum’nt.

Beauteous, bjûtiəs, schoon; subst. —ness; Beautifier, bjûtifaiə =

verfraaier, schoonheidsmiddel; Beautiful, bjûtiful, schoon,

voortreffelijk; subst. —ness; Beautify, bjûtifai, verfraaien, fraai

(schoon) worden; Beauty, bjûti, schoonheid, schoone: She is an heiress

and a — = een rijk en schoon meisje; — is but skin deep = schoonheid is

vergankelijk; —-sleep = de slaap vóór middernacht; —-spots = moesjes;

—-wash (—-water) = cosmetisch huidwatertje.

Beaver, bîvə, bever, vilt, vilten hoed; vizier, helm; —teen = soort van

duffel.

Becalm, bikâm, stillen, bedaren: The fleet was —ed off Lisbon = werd

door windstilte overvallen op de hoogte van L.

Became, bikeim, imperf. van to become.

Because, bikôz, bikoz, omdat, dewijl: — of = van wege, wegens.

Beccafico, bekəfikou, vijgeneter (vogel).

Bechance, bitšâns, gebeuren, overkomen.

Bechuanaland, bekuânəland.

Beck, bek, subst. knik, wenk met vinger of hand (als bevel of groet);

beekje, riviertje: To be at one’s — = To be at the — and call of a

person = tot iemands dienst zijn; iemand op zijn wenken bedienen;

Beckon, bek’n, een wenk geven (met hand of hoofd), wenken.

Becloud, biklaud, bewolken, verduisteren.

Become, bikɐm, worden; passen, goed staan, betamen: I do not know what

has — of him = waar hij gebleven is; It does not — you (= It ill

becomes you) to speak like that = het past u niet; Her dress —s her =

staat haar goed; She —s her dress = zij doet haar japon geen oneer aan;

That’s very becoming = gepast.

Bed, bed, subst. bed, leger, huwelijk(sbed), bloembed, onderbouw,

bedding, laag; — verb. in bed leggen, in een bed planten (out); in

orde, in eene laag leggen, ondermetselen, te bed (ruste) gaan,

overnachten: Early to — and early to rise, makes a man healthy and

wealthy and wise = de morgenstond heeft goud in den mond; To be in —;

To be brought to (= To have one’s) —; = bevallen: To get out of — with

the wrong foot foremost = met het verkeerde been; To go to —; He keeps

his — = houdt het bed; I have made your — = opgemaakt; As you make your

— so you must lie in it = wat ge zaait zult ge oogsten; I have made up

a — for you = in orde gebracht; To put to — = naar bed brengen; He took

to his — and died = ging liggen; — of roses (fig.); Separation from —

and board = scheiding van tafel en bed; —-chair = ziekenstoel;

—-chamber = slaapkamer: Lords, Ladies (Women) of the (King’s) Queen’s

—-chamber = kamerheeren, hofdames (kamervrouwen); —-clothes =

bedlinnen, beddegoed; —-curtains; —ding = beddegoed, stroo, lagen

(geol.); —fast = bedlegerig (Schotl.); —fellow (mate) = slaapkameraad;

—gown = nachtjapon; kort jak (Schotl.); —-hangings = bedgordijnen;

—-linen; —-maker = kamermeisje (aan Eng. universiteiten); —-pan =

beddepan; —-post = stijl van een ledikant: In the twinkling of a —-post

= in een oogwenk; —-quilt = gewatteerde overdeken; —-rest = toestel om

patienten bij het opzitten te steunen; —ridden = bedlegerig; —-rock =

vast gesteente; grond(slag): The family is almost down to —rock = ze

hebben nagenoeg niets meer; —-room = slaapkamer; —-sore, bedsö,

doorgelegen plek (wegens lange bedlegerigheid); —-spread = bedsprei;

—-stead = ledikant (Chair-— = opvouwbaar ledikant); —-table =

nachttafeltje; —tick = beddetijk; —time = bedtijd.

Bedash, bidaš, bespatten.

Bedaub, bidôb, besmeren, bekladden.

Bedazzle, bidaz’l, door glans verblinden.

Bedeck, bidek, tooien, versieren, opschikken.

Bedehouse, bîdhaus, godshuis, gasthuis; Bede(s)man, Zie Beadsman.

Bedel, bîd’l, Bedell, bîdel, pedel (Oxford en Cambridge).

Bedevil, bidev’l, folteren, beheksen, in verwarring brengen, in ’t

verderf storten; —ment = bezetenheid, verwarring, helsch lawaai.

Bedew, bidjû, bedauwen, bevochtigen.

Bedight, bidait, versierd.

Bedizen, bidaiz’n, bidiz’n, optooien; —ment, optooi.

Bedim, bidim, verduisteren.

Bedlam, bedl’m, subst. gekkenhuis; dolle boel; adj. gek; dolhuis ...;

—ite = krankzinnige.

Bedouin; beduîn, bedouïn, zwerver.

Bedraggle, bidrag’l, nat en vuil maken.

Bedrench, bidrenš, doorweeken, drenken.

Bedwarf, bidwöf, den groei belemmeren, verkleinen, laten verworden.

Bee, bî, bij, wesp, hommel; vereeniging of bijeenkomst van buurlieden

tot het gezamenlijk verrichten van arbeid of uitoefenen van

liefdadigheid: Husking-— = voor maïs pellen; Sewing-— = naaikransje;

Spelling-— = wedstrijd in het spellen, etc.; He has a — in his bonnet,

hears a — humming in his head = hij is niet recht snik (rusteloos,

opvliegend); —-bread = bijenbrood; —-dress = pak van den ijmker;

—-eater = bijeneter; —-farmer = ijmker; —-garden = plaats waar de

korven staan; —-glue (—swax) = raat of was; —hive = korf; —-keeper =

bijenhouder; —-line = kortste weg tusschen twee plaatsen; —s-wing = dun

vliesje op oude portwijn.

Beech, bîtš, beuk, beukeboom; —-gall = galnoot; —-mast, —-nut =

beukenoot; —-wheat (Zie Buckwheat): —en = beuken.

Beef, bîf, rundvleesch, spierkracht; (geslachte) os; meest Mv. beeves

of —s = rundvee (Amer.); Hung —, Smoked — = rookvleesch; —-eater =

spotnaam voor de Yeomen of the Guard; —-tea = bouillon; —-steak =

runderlapje; —-witted = stom als een os; —y = vleezig; gespierd.

Been, bîn, part. perf. van to be.

Beer, bîə, bier: Strong, small — = zwaar, dun (licht) bier: You talk

small — = je wauwelt; He thinks no small — of himself = heelt een

hoogen dunk; There would be more — and skittles about my little jaunt =

ik zou er meer lol van willen hebben; That man’s lot is not all — and

skittles = niet alles rozengeur en maneschijn; Native —s = binnenl.

biersoorten; —-barrel = biervat; —-engine (= —-pump) = bierpomp;

—-house (= —-shop) = bierhuis; —-money = geld aan meid of knecht in

plaats van bier; —y = vol bier, beneveld.

Beest, bîst, = Beestings = Beastings.

Beet, bît, biet, kroot: —-radish, —-rave = beetwortel; —-root = biet:

To blush like a —-root; — sugar = beetwortelsuiker.

Beetle, bît’l, subst. tor, kever.

Beetle, bît’l, zware houten hamer, stamper; — verb. stampen, figuren

indrukken; —-head = heiblok, ram; domkop.

Beetle, bît’l, uitsteken, overhangen; —-browed = met vooruitstekende

ruige wenkbrauwen, norsch.

Befall, bifôl, overkomen, gebeuren.

Befit, bifit, passen, betamen.

Befog, bifog, in mist hullen, verwarren.

Befool, bifûl, voor den gek houden, bedotten.

Before, bifö, voor, tevoren, voorheen, vooraf, boven (bij eene keus):

To sail — the wind; I love her — any other woman = boven; —-cited

(—-mentioned) = vroeger vermeld; —-going = voorafgaand; —hand,

biföhand, vooraf, van tevoren, vooruit: He will be —hand with you = u

vóór zijn; She was anxious to be —hand with his lightest wish = te

voorkomen; I am —hand with the world = ik kan mij goed redden, heb

goede vooruitzichten; — time = in vroeger tijd.

Befoul, bifaul, bevuilen, bemorsen.

Befriend, bifrend, als vriend handelen jegens, beschermen, bijstaan.

Beg, beg, smeeken, ernstig vragen, bedelen, verzoeken: Miss N., may I —

a dance of you = u verzoeken om; I — your pardon = vraag u excuus; I —

your pardon? = wat blieft u? To — the question = het punt in kwestie

voor uitgemaakt of bewezen aannemen; I — to inform (send) you = ik ben

zoo vrij, heb de eer; He —ged for bread; He tried to — me off, but my

father would hear of no pardon = hij trachtte gedaan te krijgen, dat de

straf mij werd kwijtgescholden; —ging friars = bedelmonniken;

Mayoralties that go a-begging for lack of men = waarvoor zich niemand

aanmeldt.

Begad, bigad = Bij God.

Began, bigan, imperf. van to begin.

Begaum, bîgôm = Begum.

Beget, biget, voortbrengen, kweeken: Kindness —s kindness; —ter, vader,

bewerker.

Beggar, begə, subst. bedelaar, arme kerel, vent; — verb. tot den

bedelstaf brengen, berooven, overtreffen: —s cannot be choosers = nood

leert bidden; Set a — on horseback and he’ll ride to the devil = als

niet komt tot iet dan kent iet zichzelve niet; The scene —s description

= gaat alle beschrijving te boven; —-my-neighbour = een kaartspel voor

kinderen; —liness = armzaligheid; —ly = armzalig; —y = armoede: —y is

no vice = armoede is geen schande; Reduced to —y = tot den bedelstaf

gebracht; Zie Beg.

Begin, bigin, beginnen, ontstaan, aanvangen: Let us — at the beginning

= bij; To — with I must tell you = om te beginnen; —ner, beginneling;

In the —ning = in den beginne; Every —ning is difficult = alle begin

valt zwaar; Everything must have a —ning = een keer moet de eerste

zijn.

Begird, bigɐ̂d, omgorden, omringen, omsluiten.

Begone, bigon, scheer je weg, ruk uit!

Begonia, bigounjə, begonia.

Begotten, bigot’n, voortgebracht: God’s only — Son = de zoon Gods; Zie

Beget.

Begrime, bigraim, bezoedelen, bemorsen.

Begrudge, bigrɐdž, misgunnen.

Beguile, bigail, bedriegen, verschalken, korten, aangenaam doorbrengen:

The fairy voices —d me on = de feeënstemmen verlokten mij, om steeds

verder te gaan; He —d the difficult path with pleasant stories = door

zijne aangename verhalen merkten wij de moeilijkheden van ons pad niet;

That might have well beguiled, Even haughty Eblis of a sigh = kon zelfs

E. eene zucht ontlokt hebben; —ment = bedrog; —r = bedrieger.

Beguine, begin, Begijn.

Begum, bîg’m, eene Indische prinses, voorname dame.

Behalf, bihâf, behoeve, voordeel, belang: In (On) (the) — of = ten

behoeve van; in naam van, van wege.

Behave, biheiv, zich gedragen: To — oneself = zich (netjes) gedragen,

zoet zijn: If you are pretty —d = zoet bent; Behaviour, biheivjə,

gedrag, optreden: To put a person upon his good — = iemand

verantwoordelijk stellen voor zijn goed gedrag; vermanen zich goed te

gedragen.

Behead, bihed, onthoofden; —ing, onthoofding.

Beheld, biheld, imperf. van to behold.

Behemoth, bihîməth of bîhimoth, Behemoth (Job. XL. 15–24); kolossaal

dier.

Behest, bihest, bevel, opdracht.

Behind, bihaind, subst. achterkant, achterste; prep. achter, minder

dan, na: — before = achterste voren; To fall — = achterblijven; To

leave — = achterlaten; To look — = omkijken; To stay — = thuisblijven,

achterblijven; — your back = achter uw rug (ook fig.); — the scenes =

achter de schermen (ook fig.); You are — your time = over; The train is

— time = over zijn tijd; To be — the times = achterlijk; There was

something — his words = stak wat achter; —hand = achterlijk,

achterstallig, ten achteren: To be —hand in the world = in moeielijke

omstandigheden zijn, aan lager wal zijn geraakt; —ment(s) =

achterstallige schulden (Amer.).

Behn, ben.

Behold, bihould, aanschouwen, waarnemen, zien: —! = kijk! — me = daar

ben ik.

Beholden, bihould’n, verplicht, dankbaar (to, for).

Behoney, bihɐni, met honig besmeren (ook fig.).

Behoof, bihûf: In (On, For the) — of = On behalf of.

Beho(o)ve, bihouv, bihûv, passen, noodzakelijk zijn: It —s one to be =

men dient te zijn.

Behring, beriŋ, bîriŋ.

Beige, beiž, beige.

Being, bîiŋ, aanzijn, wezen, bestaan, verblijf: For the time — = voor

het oogenblik; toenmalig.

Beiram, Zie Bairam.

Beknown, binoun, bekend.

Belabour, bileibə, afrossen, ranselen.

Belate, bileit, ophouden, vertragen: —d = vertraagd, te laat, door den

nacht overvallen: A —d traveller; —d efforts; —d wild roses.

Belaud, bilôd, uitbundig prijzen.

Belay, bilei, vastzetten, vastjorren: —ing-pin = houten of ijzeren

nagel (scheepsterm); — there = houd op! maak vast!

Belch, belš, oprispen, uitspuwen, uitbraken (out, forth); subst.

oprisping, etc.

Belcher, beltšə, donkerblauwe halsdoek met witte stippen en donkerblauw

hart (waarschijnlijk genoemd naar Jim Belcher, een beroemd bokser in

zijn tijd): A — handkerchief = een zakdoek van die stof.

Beldam, beld’m, oude vrouw, heks.

Beleaguer, bilîgə, belegeren, insluiten, blokkeeren.

Belecture, bîlektšə, kapittelen.

Belfast, belfâst.

Belfry, belfri, klokketoren, klokkekamer.

Belgian, beldž’n, Belg(isch); Belgic = Belgisch; Belgium = België.

Belgrade, belgreid, Belgrado.

Belgravian, belgreivj’n, adj. tot Belgravia, een aristocratisch deel

van West-Londen, behoorende; aristocratisch, modisch; subst.

aristokraat, een van de Upper ten thousand.

Belial, bîliəl, Belial: Son (man) of — = slecht mensch.

Belibel, bilaib’l, in geschrifte belasteren.

Belie, bilai, belasteren, logenstraffen, teleurstellen: Your looks —

your words; Our hopes —d our fears = we misleidden onszelf met te

blijven hopen.

Belief, bilîf, geloof, weten, overtuiging: To the best of my — = naar

mijn beste weten; That is past all — = bepaald ongeloofelijk; My firm —

is = ik ben vast overtuigd.

Believable, bilîvəb’l, geloofelijk; Believe, bilîv, gelooven,

onderstellen: Nice weather, isn’t it? I — you = dàt zal wel waar wezen,

dàt beloof ik je; To — in = gelooven aan; That fellow —s, that the moon

is made of green cheese = die vent gelooft van alles; Come, let us make

—! = een kinderspelletje doen, waarbij men ’t een of ander voorstelt;

He made — to read = hij deed net of hij las; Believer, geloover,

geloovige.

Belike, bilaik, misschien, waarschijnlijk.

Belittle, bilit’l, verkleinen, kleineeren: To — noble deeds, a man;

—ment, kleineering.

Bell, bel, subst. bel, klok, schel (—s = glazen-, scheepst.), kelk;

verk. v. Arabelle of Isabella; — verb. de bel aanhangen; schreeuwen

(van herten in den bronsttijd); in den vorm van een kelk groeien: There

is the front-door — = er wordt gebeld; Funeral — = doodsklok; To answer

the — = komen als gebeld wordt, opendoen; To bear the — = de belhamel

zijn; To bear (carry) away the — = de overwinning behalen; To curse one

with —, book and candle = excommuniceeren; met verwenschingen

overladen; To pull (ring, touch) the — (the streetdoor bell) = bellen,

aanbellen; To toll the — = plechtig luiden, kleppen; Coral and —s =

rinkelbel; Who is going to — the cat? = wie zal de kat de bel

aanbinden? —-buoy = klokkeboei; —-button = electr. belknop; —-flower =

campanula of klokbloem; —-founder = klokkegieter; —-glass = glazen

stolp; —-harness = tuig met bellen; —man = omroeper; —-metal =

klokkespijs; —-pull (—-rope) = schellekoord; —-punch = instrument met

bel om kaartjes te knippen; Electric —-pushes = knoppen; —-ringer =

klokluider; —-shaped; —-wether = belhamel (ook fig.).

Belladonna, belədonə, belladonna.

Bellerophon, bəlerəfon.

Bellicose, belikous, belikous, oorlogzuchtig, strijdlustig.

Belligerence, bəlidžərens, Belligerency, oorlogvoeren, staat van

oorlog; Belligerent, oorlogvoerend(e natie).

Bellona, bəlounə, Bellona.

Bellow, belou, verb. bulken, luid schreeuwen; subst. gebulk, etc; —er,

afroeper, omroeper.

Bellows, belouz, beləz, blaasbalg: —-blower = orgeltrapper.

Belly, beli, subst. buik, schoot; — verb. zwellen, dik worden,

uitzetten: Your eyes are too big for your — = je oogen zijn grooter dan

je maag; To eat the calf in the cow’s — = de kip slachten, die de

gouden eieren legt; A man given to (fond of) his — = die slechts zijn

buik dient; Hoof to — = ventre à terre; The bellied sails = bolle

zeilen; —-ache = buikpijn, koliek; —-band = buikriem; —ful = buikvol;

pak slaag; —-god (—-slave) = gulzigaard; —-pinched = uitgehongerd;

—-timber = voedsel; —-worm = spoelworm.

Belong, biloŋ, toebehooren, behooren bij (tot), betreffen, voegen,

geschikt zijn voor, wonen (Amerik.): Where do you —? = waar hoor jij

thuis? That word does not — here = is niet op zijn plaats; —ings =

eigendom, hebben en houden, toebehooren, aanhang.

Beloved, bilɐvid, dierbaar, geliefd: The — = de Zoon Gods.

Below, bilou, adv. en prep. onder, naar onderen, beneden, op aarde, in

de hel (onderwereld): The realms — = het schimmenrijk; It is — him =

beneden hem.

Belt, belt, Belt: The Great and the Little (Lesser) —.

Belt, belt, subst. gordel (ook als ridderattribuut), koppel, drijfriem,

ring (van Jupiter); kampioensgordel; — verb. omgeven, omringen:

—-railway = ceintuurbaan; To have the — = ‘de week’ hebben (van

officieren); To have too much wine under one’s — = achter de knoopen;

To hit below the — = een gemeenen slag toebrengen (bij het boksen), ook

fig.; To hold the — = kampioen zijn; —ed cruiser = kruiser met een

pantsergordel langs de waterlijn.

Beltane, Beltein, beltin, een Heidensch zonnefeest, in Ierland gehouden

op 21 Juni, in de Hooglanden van Schotland in Mei, waarbij, te midden

van allerlei plechtigheden, vuren werden gebrand op de heuvels.

Belvedere, belvidîə, belvedère, uitzichttoren, uitzichtkoepel.

Belvoir, bîvə.

Bemire, bimaiə, beslijken, bezoedelen.

Bemoan, bimoun, weeklagen, bejammeren: To — oneself = zijn lot

beklagen.

Ben, ben, berg(top) (Schotl.); binnenkamer, (Schotl.); adv. in, van

binnen; verkorting voor Benjamin en Benefit (night).

Bench, benš, subst. bank, schaaf- of draaibank; de rechters; — verb.

van banken voorzien; tot aanzien brengen: The — and the bar = de

rechters en de balie; Court of Queen’s (King’s) — = oud gerechtshof;

thans de Queen’s Bench Division van het High Court of Justice; The

Treasury — = bank der ministers in The House of Commons; He was raised

to the — = tot rechter benoemd; —er = vroeger bestuurslid van een Inn

of Court; thans lid van het uit de besturen der 4 Inns gevormde

college: Council of Legal Education, dat de examens voor Barrister

afneemt; —-warrant = bevel tot inhechtenisneming uitgevaardigd door een

Court of Judge.

Bend, bend, subst. bocht, kromming, knoop, steek; — verb. buigen,

krommen, lichten, zich toeleggen, overhellen tot, besloten zijn,

onderwerpen, overhangen, aanslaan: —s = berghout; The — (Bar) sinister,

eene lijn in een wapenschild, van den linkerbovenhoek naar den

rechterbenedenhoek getrokken, en onechte geboorte aanduidend; We have

been on the — = wij zijn eens “uit” geweest; To go on a — =

bokkesprongen maken (fig.); He bent his brow = fronste zijn voorhoofd;

To — a sail = aanslaan; They — their way homewards = richten hunne

schreden; Bent on going, on pleasure, on mischief = besloten te gaan,

geneigd tot pret maken, kwaad doen; He was bent on his work =

ingespannen bezig met; As the twig is bent, the tree’s inclined = jong

gewend, oud gedaan; We must not — the bow till it breaks = de boog kan

niet altijd gespannen zijn; —-leather, zoolleer; —able, buigbaar; —er =

spanner; sixpence; been, fuif (Amer.).

Beneaped, binîpt, vastzittend (door ebbe).

Beneath, binîth, beneden, lager dan, onder, op aarde: It is — you (your

dignity); He thinks it — him; On the earth —.

Benedicite, benədisitî, of benədaisitî, God zegene u! subst. gebed vóór

den maaltijd; een danklied.

Benedick, benədik, Benedict, benədikt, Benedictus; een pas gehuwde;

bekeerde oude vrijer.

Benedictine, benədiktin, subst. Benedictijner monnik; Ben. likeur; adj.

Benedictijnsch.

Benediction, benidikš’n, benedictie, inwijding, inzegening, lofrede;

dankzegging; —al = zegenformulier boek; Benedictory, benədiktəri, —

prayers = heilbeden.

Benefaction, benifakš’n, weldaad, weldoen, schenking; Benefactor

(Benefactress), weldoener (weldoenster).

Benefice, benəfis, leen, prebende, de door den Patron te vergeven

predikantsplaats: The — was only open to = voor de prebende kwamen

slechts in aanmerking.

Beneficence, bənefisens, weldadigheid; Beneficent, weldadig;

Beneficial, benəfiš’l, voordeelig, nuttig, heilzaam; —ness:

Beneficiary, benəfišəri, subst. hij, die in ’t bezit is van een

benefice; een provenier, vasal; hij, die een beurs heeft (Amer.);

ontvanger van een geldelijk bedrag; beneficiant (van een leen of eene

beurs) adj. in betrekking tot een benefice; mild.

Benefit, benəfit, subst. weldaad, gunst, voordeel,

weldadigheidsvoorstelling of benefiet (= — night); — verb. nuttig zijn

voor, van dienst zijn, bevorderen, nut of voordeel trekken uit (by): —

of Clergy = een vroeger voorrecht om niet voor een wereldlijke

rechtbank terecht te staan; Maternity — = uitkeering (volgens de

ziektewet) bij bevalling; Medical — = genees-, en heelkundige hulp;

Sanatorium — = verpleging in sanatoria; Let us give him the — of the

doubt = laten we den bestaanden twijfel in zijn voordeel uitleggen; For

the — of his health = in het belang; The Egyptians never —ed by French

influence; —-society = verzekeringsgezelschap tegen ziekte en ouderdom;

— building-society = vereenig. voor het bouwen van arbeiderswoningen.

Benevolence, bənevəl’ens, welwillendheid, weldaad; bede; Benevolent,

welwillend, weldadig: — fund = ondersteuningsfonds.

Bengal, beŋgôl, Bengalen; een dunne uit zijde en haar vervaardigde

stof; adj. Bengaalsch: — cane = Spaansch riet; — light = Bengaalsch

vuur; — tiger = koningstijger; —ee, —i, beŋgôlî, —ese, beŋgôlîz,

Bengalees, Bengaleezen, het Bengaalsch.

Benighted, binaitid, door den nacht overvallen, achterlijk,

ouderwetsch, dom.

Benign, binain, liefderijk, weldadig, mild, goedaardig; —ant,

binign’nt, liefderijk, etc.; —ity, binigniti, liefderijkheid, goedheid,

welwillendheid.

Benjamin, benžəmin, Benjamin; benzoë; soort van overjas (in de mode in

het begin dezer eeuw); lage stroohoed met breeden rand.

Benjy, benži, verkorting van Benjamin.

Bennet, benət, nagelkruid.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 9 / 141 段