Bent, bent, gebogen, krom, geneigd, gesteld, belust, besloten; subst.

neiging, drang, trek, grootste (in)spanning, helling: He has fooled me

to the top of my — = tot het uiterste; — (= —-grass) = struisgras; To

take (to) the — = ontsnappen, vluchten.

Benumb, binɐm, verstijven: —ed with cold; subst. —edness.

Benzine, benzin, benzîn, benzine; Benzol(e), benzol, benzoul, benzol =

Benzoline, benzəlîn.

Beowulf, beiəwulf, bîəwulf.

Bepraise, bipreiz, buitensporig prijzen.

Bepuff, bipɐf, vreeselijk in de hoogte steken.

Bequeath, bikwîth, bikwîdh, nalaten, vermaken; subst. —al = —ment;

Bequest, bikwest, legaat.

Berate, bireit, doorhalen of hekelen.

Berber, bɐ̂bə, Barbarijsche taal (of bewoner); adj. Barbarijsch.

Bereave, birîv, berooven, wegnemen; —ment = zwaar verlies.

Bereft, bireft, imperf. en part. perf. van to bereave.

Berenice, berinais; Beresford, berəsfəd.

Bergamot, bɐ̂gəmot, bergamotcitroen, bergamotolie, bergamotpeer; soort

grof tapijtwerk.

Bergander, bɐ̂gandə, bergeend.

Berlin, bɐ̂lin, Berlijn, berline, garen handschoen (= — glove); adj.

Berlijnsch: — blue = Pruisisch blauw; — shop = tapisseriewinkel; — wool

= fijne breiwol.

Berm(e), bɐ̂m, berm, walrand.

Bernard, bɐ̂nəd, Bernardus; —ine, bɐ̂nədin, Bernardijn; adj.

Bernardijnsch.

Berne, bɐ̂n, Bern: The —se (bɐ̂nîz) Highlands = Berner Oberland.

Bernoose, bɐ̂nûs, bɐ̂nûs, burnous.

Berre(t)ta, bəretə, baret (zwart voor priesters, violet voor

bisschoppen (te Rome meest zwart), rood voor kardinalen.)

Berry, beri, subst. bes, boon, eitje van visch of kreeft; — verb.

bessen voortbrengen, of plukken.

Berserk (—ar, —er, —ir), bɐ̂sɐ̂k(ə), subst. Berserker, woesteling; adj.

woest: —er rage; His —er forefathers = woeste.

Berth, bɐ̂th, subst. ruimte tusschen zeilende schepen, ankerplaats,

ligplaats, kooi, hut, post, (goed) baantje; — verb. een slaapplaats

aanwijzen; eene ankerplaats aanwijzen: He has got a good — = baantje;

To give a man (the coast) a wide — = uit den weg (de kust) blijven;

—age, bɐ̂thidž, ankerplaats, liggeld.

Berwick, berik, bɐ̂wik (Amer.).

Beryl, beril, beril; adj. lichtgroen = Berylline.

Besant (W.), bəzânt.

Beseech, bisîtš, smeeken, dringend verzoeken.

Beseem, bisîm, passen, voegen; subst. —ingness.

Beset, biset, omringen, insluiten, belegeren, in ’t nauw brengen,

bestormen: — with enemies = omringd en bestookt door; —ment: That was

his great —ment = daarvan was hij de slaaf; —ting-sins = zonden,

waartoe men lichtelijk vervalt (Hebr. XII, 1.).

Beshrew, bišru, vervloeken, verwenschen: — me, my heart = waarachtig! —

the hour! = vervloekt zij.

Beside, bisaid, naast, nabij, buiten, afgescheiden van: He was —

himself with rage = buiten zichzelven; He is — the mark = de plank mis;

That’s — the present point = dat doet hier niet ter zake; —s, bisaidz,

bovendien, behalve.

Besiege, bisîdž, belegeren, bestormen; subst. —ment; —r, belegeraar.

Beslaver, bislavə, bekwijlen; likken (fig.).

Beslime, bislaim, met slijm bevuilen.

Beslobber, bislobə, bekwijlen; likken (fig.).

Beslubber, bislɐbə, bekwijlen.

Besmear, bismîə, besmeren, bevuilen.

Besmirch, bismɐ̂tš, bevuilen, bezoedelen.

Besmut, bismɐt, (met roet) bevuilen.

Besom, bîz’m, bezem, bezemkruid.

Besot, bisot, dronken voeren, verdwazen; —ted = dronken, aan den drank,

dwaas (verliefd).

Besought, bisôt, imp. en p.p. van to beseech.

Bespangle, bispaŋg’l, versieren (bezaaien) met loovertjes.

Bespatter, bispatə, bespatten, bekladden.

Bespeak, bispîk, subst. benefiet; — verb. vooraf bespreken, bestellen,

beteekenen, verzoeken om, aanspreken, aankondigen, boeien: We were at a

play last night: it was a —; The — party occupied two boxes = de dames

en heeren die het stuk lieten spelen; I — the attention of every man

for our foreign affairs = vraag ieders aandacht; His language —s him a

scholar = bewijst dat hij is; — bootmaker = op maat; — tailoring at

ready-made prices = op maat doch tegen confectie prijzen; Imperf. en

P.P. = Bespoke, Bespoken.

Besprinkle, bispriŋk’l, besprenkelen.

Bess, bes, verkorting van Elizabeth.

Bessemer, besəmə: — process = bessemeren, gietijzer onder hooge

temperatuur smelten en er in gesmolten toestand lucht doorheen voeren;

— steel.

Best, best, subst. best; adj. best; — verb. overtreffen, beetnemen:

Sunday — = Zondagskleeren; The — part of the week = grootste gedeelte;

At (its) — = op zijn mooist, hoogstens; To see a person at his — = van

zijn besten kant; To the — of my ability (belief) = zoo goed ik kan

(naar mijn beste weten); To do one’s — = zijn best doen; To get (have)

the — of = er het best afkomen, de overhand hebben; To keep the —

(wine) to the end = het lekkerste (beste) voor het laatst bewaren; To

look one’s — = op zijn voordeeligst; To make the — of a bad bargain =

zich er zoo goed mogelijk doorheen slaan; To make the — of a chance =

zooveel mogelijk partij trekken van; To make the — of a bad husband =

zich schikken in, verzoenen met het idee; To make the — of one’s way

home = zich zoo snel mogelijk begeven; We had performed the — of our

way = het grootste gedeelte afgelegd; To play one’s —; To speak for the

— = om bestwil; To wear for — = voor best; Put your — foot forward;

—-maid = bruidsmeisje (Schotl.); —-man = bruidsjonker; —-pleased =

ingenomen.

Bestead, bisted, van dienst zijn, helpen; past part. en adj. omgeven,

geplaatst, gelegen: Hard — = in ’t nauw; Ill — = in moeielijken

toestand.

Bestial, bestj’l, beestachtig, zinnelijk; Bestiality = beestachtigheid,

etc.; Bestialize = verdierlijken.

Bestir, bisɐ̂, in vlugge en krachtige beweging brengen, roeren,

inspannen: You must — yourself = u inspannen, voortmaken.

Bestow, bistou, aanwenden, verleenen, werpen, schenken, besteden,

opbergen; —al = —ment = gave.

Bestraddle, bistrad’l = Bestride.

Bestrew, bistrû, bestrooien.

Bestride, bistraid, schrijlings zitten op of staan over; stappen over,

bestijgen; P.P. Bestridden; P. Imp. Bestrode.

Bestud, bistɐd, met studs of kno(o)pjes versieren.

Bet, bet, subst. weddenschap, inzet; — verb. wedden, eene weddenschap

aangaan; It is an even — = weddenschap met gelijken inzet; He made a —

of a bowl of punch = wedde om; I’ll — you ten pounds = ik wed met u om;

You —! (Amer.) = Zeker! Dat wed ik met je! —ter (—tor) = wedder;

—ting-book = boekje voor het noteeren van weddenschappen; —ting-man =

iemand, die wedrennen geregeld bezoekt om te wedden, gokker.

Betake, biteik: — oneself to = zich begeven naar, zijn toevlucht nemen

tot, zich bedienen van, aanvatten.

Betel, bît’l, betel; —nut = betelnoot.

Bethel, beth’l, heilige plek, kerk voor dissenters of zeelui.

Bethink, bithiŋk, (zich) herinneren, overwegen: I bethought myself of

it at the right moment; He bethought of him = herinnerde zich zijner.

Betide, bitaid, overkomen, geschieden: Woe — you = wee u.

Betime(s), bitaim(z), in tijds, weldra.

Betoken, bitouk’n, aanduiden, voorspellen: That dark cloud —s a storm.

Beton, bet’n, beton.

Betony, betəni, betonie.

Betook, bituk, imperf. van to betake.

Betray, bitrei, verraden, misleiden, bedriegen: He —ed his ignorance =

liet blijken; My head is all right, but my legs — me = geven het op (ik

kan niet meer loopen of staan); —al = verraad; —er, verrader.

Betroth, bitroudh of bitroth, verloven, beloven te huwen; tot bisschop

aanstellen; —al (—ment) = verloving; —ed, verloofde.

Better, betə, adj. en adv. beter; — verb. overtreffen, verbeteren,

beter worden: — and — = al beter en beter; —s = meerderen; All (so

much) the — = des te beter; As long again and — = meer dan eens zoo

lang; Two heads are — than one = twee weten meer dan een; To be — =

beter zijn, zich beter bevinden; Is my father any —? Is your foot —?

She would be — married = ’t was beter, dat zij getrouwd ware; Being —

at stairs than her husband = beter kunnende trappen klimmen; To be —

off = zich in betere, gunstiger omstandigheden bevinden; To be the —

for = in beteren toestand zijn; He was the — for the sea-air; To

become, get, grow — = beter worden; To change for the — = ten goede; To

get, gain the — of a person = iemand de baas, te slim af zijn; To go

one — = overtreffen; To have the — of a person = iemand overtreffen,

overwinnen; You had — go = deedt beter; To marry for — for worse = of

het geluk of ongeluk moge brengen; To think — of it = zich bedenken,

zich bezinnen; The — half = de grootste helft; wederhelft (fig.); —most

= beste, voornaamste; — part = grootste deel; The — opinion is = we

weten niet beter of; To — oneself = zich verbeteren; een betere positie

verwerven; —ing, subst. verbetering; adj. verbeterend; —ment =

verbetering; —ness = voortreffelijkheid, verbetering.

Betty, beti, Betty; Jan Hen.

Between, bitwîn, tusschen: They bought the house — them = met hun

beiden; — ourselves (you and me) = onder ons gezegd; — this and then =

tot zoolang; In — = in den tusschentijd; — ... and = zoowel door ...

als door; (Few and) far — = zeldzaam; —-deck(s), subst. en adj.

tusschendek(s); —whiles = nu en dan.

Betwixt, bitwikst, tusschen: There’s many a slip ’Twixt the cup and the

lip = tusschen bekerrand en lippen, kan u meen’ge kans ontglippen; It

is — and between = zoo zoo, la la.

Beulah, bjûlə; Bevan, bev’n.

Bevel, bev’l subst. winkelhaak, hoekmeter; adj. schuinsch,

scherphoekig; — verb. hoekig maken, schuin toeloopen: —-angle = scherpe

(of stompe) hoek.

Beverage, bevəridž, drank.

Beverley, bevəli; Bevis, bîvis.

Bevy, bevi, vlucht, troep, gezelschap.

Bewail, biweil, beklagen, beweenen; weeklagen; —able =

beklagenswaardig; —ing = gejammer.

Beware, biwêə, oppassen, zich hoeden voor: — of the dog = wacht u voor;

— them both, but most of all — this boy = houd in ’t oog; — lest ...

pas op, dat niet.

Beweep, biwîp, beweenen.

Bewick, bjûik.

Bewilder, biwildə, in de war brengen, verbijsteren; —edness, —ment =

verwarring.

Bewitch, biwitš, beheksen, betooveren; subst. —ery = —ment.

Bewray, birei, ontdekken, verraden: This poem —s itself as a

translation = men ziet dadelijk, dat het vertaald is; Her dress —s her

= toont duidelijk wat ze is.

Beyond, bi-jond, verder dan, aan de andere zijde van, voorbij, boven,

overtreffende: The Great — = hiernamaals; It is — me = mij te hoog, te

moeielijk; It goes — my comprehension, powers, — me = mij te hoog; That

is — dispute = buiten kijf; The better land is — the tomb = aan de

overzijde van; You are — that handbook = het is te gemakkelijk voor u;

You have got — that cheap violin = speelt te goed voor; — words = niet

om uit te drukken, sprakeloos; To go — one = overtreffen, te slim af

zijn; To go — one’s depth = zoo ver gaan, dat men niet meer staan kan

(ook fig. = te hoog gaan, te moeielijk worden); To stay — one’s time =

te lang blijven.

Bezel, Bezil, bez’l, scherpe kant van een beitel; kas van een ring,

waarin de steen zit; het gleufje, waarin het horlogeglas past.

Bezoar, bîzö of bezö, bezoar of maagsteen.

Biangular, bai-aŋgjulə, tweehoekig.

Bias, baiəs, subst. eenzijdige verzwaring van den bal (bij Bowling);

schuine loop of snede; neiging, vooroordeel, voorliefde; adj. schuin,

diagonaal; — verb. doen overhellen naar één zijde, vooringenomen doen

zijn: There is an admirable absence of — in this paper = afwezigheid

van vooringenomenheid; I have —ed him; I am strongly —ed (in his

favour) = voor (hem) ingenomen.

Bib, bib, subst. slabbetje, borstlap (van een schortje), steenbolk; —

verb. slurpen, pimpelen: Best — and tucker = feestkleedij; A —acious,

baibeišəs fellow = aan den drank verslaafd; —acity = drankzucht;

(Wine-)—ber = (wijn)drinker, zuiper.

Bible, baib’l, bijbel: —-clerk = student aan het Magdalen College te

Oxford, die uit den bijbel moest voorlezen; —-oath = eed op den Bijbel;

— Society = bijbelgenootschap; Biblical, bijbelsch; Biblicism, geloof

aan den tekst der Schrift als eenige geloofsregel; bijbelkennis;

Biblicist, letterknecht; bijbelkenner.

Bibliographer, bibliogrəfə, bibliograaf; Bibliographical =

bibliographisch; Bibliography = bibliographie; Bibliomancy,

bibliomansi, voorspelling naar aanleiding van toevallig opgeslagen of

open liggende teksten; Bibliomania, bibliəmeinjə, bibliomanie;

Bibliomaniac = bibliomaan; Bibliophil(e), bibliəfil, boekenliefhebber

of verzamelaar.

Bibulous, bibjulɐs: — paper = vloeipapier.

Bice, bais, bergblauw.

Bicentenary, baisentənəri, subst. en adj. tweehonderdjarige

(gedenkdag).

Bicephalous, baisefəlɐs, tweehoofdig.

Biceps, baisəps, tweehoofdige opperarmspier.

Bicker, bikə, subst. strijd, twist; — verb. kibbelen, twisten;

flikkeren, zich slingeren; ratelen, klepperen.

Bickern, bikən, aambeeld met twee punten.

Biconjugate, baikonžugit, paarsgewijze.

Bicorn(ed), baikön(d), Bicornous, baikönəs, tweehoornig.

Bicycle, baisik’l, subst. rijwiel; — verb. wielrijden; Bicyclist =

wielrijder.

Bid, bid, subst. bod, poging; — verb. verzoeken, bevelen, aanbieden,

voorstellen, wenschen, uitnoodigen, bieden op (for): The book fell to

my — = werd mij toegeslagen; To make a — for = moeite doen om te

verkrijgen; Will you — him walk in = verzoeken; He bade them witness it

= riep hen tot getuige; What’s bid for this? = is geboden? The reserve

price was not —den; To — beads = den rozenkrans bidden; To — defiance

to = tarten, trotseeren; To — fair = beloven, doen verwachten; To —

good-day (—-morning, farewell, welcome) = goeden dag zeggen etc.;

—dable = gehoorzaam, gezeggelijk; —der: The best (highest) —der =

meestbiedende; —ding = het bieden, bod, bevel, uitnoodiging.

Biddery-ware, bidəriwêə = Bidri —, metalen voorwerpen uit Bidar, met

zilver of goud ingelegd.

Biddy, bidi, Bridget; Iersch dienstmeisje (Amer.); kiep (in: kiep!

kiep!).

Bide, baid, verblijven, verwijlen; afwachten, verbeiden, verdragen,

uitstaan: I will — my time; That flower does not — handling = kan niet

tegen aanpakken; Let that — = rusten.

Bident, baidənt, gaffel; Bidental, Bidentate, baidentit, tweetandig.

Bidet, bidet, bidei, klein paard; bidet.

Biennial, baienj’l, tweejarig.

Bier, bîə, draag-, lijkbaar: — right = baarrecht.

Bifacial, baifeiš’l met twee gelijke ruggelings verbonden zijden (of

gezichten).

Bifarious(ly), baifêriəs(li), in twee rijen.

Biferous, bifərəs, tweemaal ’s jaars dragend.

Biffin, bifin, een (vooral in Norfolk gekweekte) appel; platgedrukte en

gedroogde appel.

Biflorate, baiflôrit, Biflorous, baiflorəs, tweebloemig.

Bifoliate, baifouljit, tweebladig.

Bifold, baifould, tweevoudig, dubbel.

Bifurcate, baifɐ̂keit, in twee takken verdeelen; adj. —(d),

baifɐ̂kit(id): Bifurcation, vertakking, splitsing, Bifurcous = in twee

takken verdeeld.

Big, big, dik, groot, zwaar, zwanger, vol, opgeblazen; voornaam,

voortreffelijk (Amer.): — Ben = de groote klok in ’t Parlementsgebouw;

— with = vol van, zwanger van; To get — = groot worden (van kinderen);

To look — = er verwaand of dreigend uitzien; den neus in den wind

steken; To talk — = een groot woord hebben; — bugs = groote hanzen; —

guns = groote hanzen; groote kanselredenaars: That was his — gun =

hooge troef, beste kaart (fig.); — heart = edel, grootmoedig; — man =

man van invloed; — pot = hooge oome: He is a — pot, and you are only a

kettle; — wig (= — pot); —ness = grootte, etc.

Bigamist, bigəmist, iemand, die zich aan bigamie schuldig maakt;

Bigamous = bigamistisch; Bigamy = bigamie.

Biggin, bigin, filtreerkan; muts, kindermutsje.

Biggonet, bigənət, begijnekap, nonnenkap.

Bight, bait, baai, bocht (van een touw), buiging.

Bignonia, bignounjə, trompetbloem.

Bigot, bigət, bekrompen ijveraar, onverdraagzaam dweper; —ed = bigot,

bijgeloovig, kwezelachtig, fanatiek; Bigotry, kwezelarij; blinde

aanhankelijkheid, fanatieke ijver.

Bijou, bîžû, juweel, kleinood.

Bijugate, baidžugit, baidžûgit, Bijugous, baidžugɐs, met twee koppen in

profiel, elkaar gedeeltelijk bedekkend; tweeparig.

Bike, baik, subst. fiets; — verb. fietsen.

Bilander, biləndə, bailəndə, bijlander.

Bilberry, bilbəri, soort v. blauwe boschbes.

Bilbo, bilbou, Spaansche degen (van Bilboa, bilbouə, in Spanje);

Bilboes, bilbouz, scheepsvoetboeien, verschuifbaar langs lange stangen.

Bilboquet, bilbəket, bal met beker, waarin hij moet worden gevangen.

Bile, bail, gal, bitterheid: To stir up the — = boos maken.

Bilge, bildž, subst. buik (van een vat), buikdelling (zeeterm); — verb.

een lek krijgen in de kim; buiken; lens pompen; —-keel = kimkiel.

Biliary, biljəri, gal - -; gallig: — calculus = galsteen.

Bilingual, bailiŋgwəl, Bilinguar, bailiŋgwə, Bilinguous, bailiŋgwəs, in

twee talen, twee talen sprekend.

Bilious, biljəs, gallig, galzuchtig; subst. —ness.

Bilk, bilk, subst. bedrog, dwaasheid; bedrieger; — verb. bedriegen,

afzetten; zich heimelijk verwijderen, of verlaten: I don’t intend to —

my lodgings; —er = afzetter.

Bill, bil, aanklacht, wetsontwerp, wissel, biljet, nota, rekening,

programma, lijst, rol, bankbiljet (Amer.); aanplakbiljet; — verb.

registreeren, aankondigen: To make out (= schrijven), pay, run up, send

in, settle —s = rekeningen; To bring in, drop, pass, reject a — =

wetsontwerp; To post (up), to stick —s = biljetten aanplakken; Stick no

—s! = hier niets aanplakken! He has a — in chancery against you = eisch

tot schadevergoeding bij de Chancery Division van het High Court; To

bring in (to find) a true — = een aanklacht gegrond verklaren (Dit

geschiedt door de Grand Jury, die de zaak dan verwijst naar de Petty

Jury, die een Verdict uitspreekt;—het ongegrond verklaren wordt to

ignore of to throw out genoemd); It’s a true — = (ongelukkig) maar al

te waar (fig.); She fills that — exactly = voldoet precies aan die

eischen; — of credit, kredietbrief; — of divorce = scheidbrief

(Joodsche wet); — of entry = declaratie van inkomende rechten; — of

exchange = wissel (Inland —, Foreign —, Forged —); — of fare = menu; —

of fares = tarief van vracht en vervoerprijzen; — of health =

gezondheidspas; — of indemnity = acte v. schadeloosstelling; — of

lading = vrachtbrief; — of mortality = sterfte-statistiek; — of Rights

= Eng. grondwet 1689; — of sale = machtiging tot verkoop van roerend

goed voor schulden; Whenever he saw a circus —ed = door biljetten

aangekondigd; —-board = aanplakbord; —-book = wisselboek; —-broker =

makelaar in wissels; —-sticker = aanplakker.

Bill, bil, snavel, ankerklauw, kromme snoeibijl, houweel, hellebaard; —

verb. trekkebekken, minnekoozen = —ing and cooing; —-hook = sikkelmes;

—man = hellebardier.

Billet, bilət, subst. briefje, inkwartieringsbiljet, kwartier, baantje,

dienst; blok hout, staaf; — verb. inkwartieren: Every bullet has its —

= heeft zijne bepaalde bestemming; Secretaryships and all such —s =

baantjes; You have a very comfortable — there = gemakkelijke

betrekking; He charged upon the young man with a — of wood; The

regiment was —ed upon the inhabitants; I wish I could get you —ed on

that ship = geplaatst.

Billiards, biljədz, biljardspel; Billiard-ball (—-cloth; —-cue; —-hole

= —-pocket; —-marker; —-table); A game of —; To play at —.

Billingsgate, biliŋzgit: (— language) vischwijventaal; adj. plat,

gemeen; — pheasant = bokking.

Billion, bilj’n, billioen (in Frankrijk en Amerika: 1000 × millioen).

Billot, bilət, ongemunt goud of zilver (in staven of blokken).

Billow, bilou, subst. baar; — verb. golven, opzwellen: The

—-and-breaker-beaten coast = de door golven en branding gebeukte kust;

—y = ruw, golvend.

Billy, bili, kameraad; stok, ploertendooder, (koffie)keteltje, zijden

halsdoek; ook gemeenz. voor Willy, William; —cock, bilikok, laag, rond

en stijf hoedje van vilt (of stroo), “kaasbolletje”; —-boy = platboomd

vaartuig; —-goat = bok.

Biltong, biltoŋ, biltong (Zuid-Afr.).

Bimana, bimənə, baimənə, tweehandigen; Bimanous, bimənɐs, of baimənɐs,

tweehandig.

Bimonthly, baimɐnthli, subst. en adj. tweemaandelijksch (tijdschrift).

Bin, bin, subst. kist, trog, bak, wijnrek; — verb. in eene kist, etc.

bergen.

Binary, bainəri, binair.

Binate, bainit, paarsgewijs groeiend.

Bind, baind, binden, verbinden, ontwikkelen, beperken, verplichten,

bevestigen, hard maken, eene grens vormen, verplichten (volgens

contract); subst. band, verbinding, ijzerhoudend leem; rank,

hopstengel, 250 (A — of eels): Bound down by contract = gebonden; This

apprentice was bound out to service = in dienst gedaan; He was bound

over to appear again before the court within a week = moest eene som

gelds deponeeren, die hij verbeurde als hij niet verscheen; To — to

secrecy = geheimhouding doen beloven; To — up wounds = verbinden; That

man is entirely bound up in his work, studies, etc. = wordt geheel

ingenomen door, gaat geheel op in; —er = (boek)binder, band; —ery =

boekbinderij; —ing = band, verband, het binden: The snow is less —ing =

pakt niet zoo goed meer; —weed = winde.

Bine, bain, rank (van hop), hop.

Binervate, bainɐ̂vit, met twee nerven.

Bing, biŋ, hoop; — verb. ophoopen.

Bin(n)acle, binək’l, kompashuisje.

Binny, bini, barbeel (van den Nijl).

Binocle, binok’l, binocle; Binocular = binoculair; binocle (= —s);

Binoculate = binoculair.

Binomial, bainoumj’l, binominaal; binomium: — theorem = binomium v.

Newton; Binominal, bainomin’l, met twee namen.

Biograph, baiəgrâf = verbeterde kinematograaf; Biographer = biograaf;

Biographic(al) = biographisch; Biography, biographie.

Biological, baiəlodžik(’l), biologisch; Biologist, bioloog; Biology =

biologie.

Biparous, bipərɐs, tweelingen barend.

Biped, baiped, subst. en adj. tweevoetig (dier); —al, baipəd’l, adj.

tweevoetig.

Biplane, baiplein, tweedekker.

Biquadratic, baikwədratik, 4emachts; vierdemacht.

Birch, bɐ̂tš, berk, berkenroede, berken canoe (Amer.); — verb. met de

roede straffen, ranselen; adj. berken = —en; —-broom = stalbezem.

Bird, bɐ̂d, subst. vogel; lieveling: —s Protection Act; Neither — nor

fish = geen vleesch en geen visch; —s of a feather flock together =

soort zoekt soort; The early — catches the worm = de morgenstond heeft

goud in den mond; Fine feathers make fine —s = kleeren maken den man; A

little — told me = ik heb er een muisje van hooren piepen; A — in the

hand is worth two in the bush = ... beter dan tien in de lucht; It is

an ill — that fouls its own nest = wie zijn neus schendt, schendt zijn

aangezicht; The — has flown (ook fig.); To hit the — in the eye = den

spijker op den kop slaan; To kill two —s with one stone (at one blow);

To lime one’s — to the twig = lijmen, vangen, (fig.); — of Jove =

adelaar; — of Juno = pauw; — of Minerva = uil; — of night = uil; — of

passage = trekvogel; — of prey = roofvogel: — verb. vogels vangen of

schieten; —-baiting = vangen met slagnet; —-batting = vangen met den

lichtbak; —-boy = jongen, om vogels te verjagen; —-cage; —-call =

fluitje (van den vogelaar); —-cherry = vogelkers; —-fancier =

vogelliefhebber; vogelkoopman; —-lime = vogellijm; —-man, (—-catcher) =

vogelaar; —’s-eye = subst. soort van tabak; adj. in vogelvlucht gezien:

A —’s eye view of Cologne = Keulen in vogelvlucht; —’s eye wood =

geaderd, gemarmerd hout; They went —’s-nesting = vogelnestjes uithalen;

Nobody goes —’s-nesting without a fall at times = wie wat onderneemt,

struikelt wel eens; —-witted = vluchtig, van het een op het ander; —ie

= vogeltje; lieveling.

Biretta = Beretta.

Birmingham, bɐ̂miŋ’m, bɐ̂miŋham.

Birth, bɐ̂th, geboorte, afkomst, oorsprong, stand, vrucht, jong: To give

— to = bevallen, jongen werpen; To kill at — = in de wieg smoren

(fig.); To produce two young ones at a — = twee jongen werpen; He is an

Englishman by — = van geboorte; New — = wedergeboorte (fig.);

—-certificate = Certificate of — = geboorteakte; —day; —-hour; —place;

—right; —-roll = geboorteregister; —-sin = erfzonde.

Biscay, biskei, Biscaje; —an, biskeiən = (bewoner) van Biscaje.

Biscuit, biskit, beschuit; biscuit (aardewerk); klein zacht broodje

(Amer.).

Bise, bîz, biz, N. (O.) wind in Zwitserland en Provence.

Bisect, baisekt, in tweeën deelen; —ion = halveering; —or = bisector.

Bisexual, baisekšu’l, tweeslachtig.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 10 / 141 段