verb. (zich) toeëigenen; voor een bepaald doel bestemmen, besteden:
That sum was —d for buying furniture; The balance of the amount will be
—d towards the sum due = het saldo van het bedrag zal in vermindering
strekken van; He —d the thing to himself = eigende zich toe; — adj.
(əproupriit) geschikt, voor een bepaald doel aangewezen; subst. —ness;
Appropriation, toeëigening, bestemming, aanwijzing, toestaan;
Appropriative, strevend naar toeëigening; Appropriator, bezitter v. een
prebende.
Approvable, əprûvəb’l, loffelijk; subst. —ness; Approval = goedkeuring:
To be sent on — = op zicht gezonden; Approve, əprûv, goedkeuren;
toonen; aanbevelen; bevestigen: I cannot — (of) these means =
goedkeuren; Time —s it true = heeft bewezen; —d = beproefd: An —d
method; An —d author = erkend schrijver; To — oneself = blijken te
zijn; To — oneself to = zich aangenaam maken bij; —ment = verbetering;
—r = King’s (Queen’s) Evidence.
Approximate, əproksimit, adj. naderend, bijna juist, bijna gelijk; —
verb. (əproksimeit) nabij komen, naderen; By approximation, bij
benadering; Approximative = bij benadering.
Appurtenance, əpɐ̂tən’ns, aanhangsel, bijvoegsel, servituut;
Appurtenant, bijbehoorend; toebehooren.
Apricot, eiprikot of aprikot, abrikoos.
April, eipril, April; jeugd; onbestendigheid: —-fool = Aprilgek: He
made an —-fool of me; —-fool day = All Fools’ Day = 1 April.
Apron, eipr’n, schort, schootsvel; dekkleed, deksel op het zundgat van
een kanon; de vette buikhuidbedekking v. eend of gans (Provinc.): He is
tied to his wife’s —-strings = hij zit onder de plak.
Apsis, apsis (Mv. Apsides, apsidîz), apsis (in astron. en archit.).
Apt, apt, bekwaam, gepast; onderhevig, geneigd; vlug, klaar; —itude,
aptitjûd, geschiktheid, bekwaamheid, neiging = —ness.
Apter, aptə, vleugelloos insect (Mv. Aptera); —an = —ous, ongevleugeld.
Apulia, əpjûliə, Apulië; adj. Apulian.
Apyrous, əpairəs of apərɐs, vuurvast, onsmeltbaar.
Aquarelle, akwərel, aquarel; Aquarellist, aquarellist.
Aquarium, əkwêrj’m, aquarium; Aquarius, əkwêrjəs, de Waterman
(Sterrenb.).
Aquatic, əkwatik, in of op het water levend, water...; waterplant; —s =
watersport; Aqueduct, akwidɐkt = (steenen) waterleiding.
Aquatint, akwətint, eikwətint, aquatinta; — verb. in aquatinta
behandelen.
Aqueous, eikwiəs, waterig, waterachtig, water...: — rocks = sedimentair
gesteente.
Aquiferous, əkwifərəs, waterhoudend; Aquiform, eikwiföm, in den
toestand van water.
Aquiline, akwil(a)in, tot den arend behoorend, arends - -.
Arab, arəb, subst. Arabier; Arabisch paard; adj. Arabisch: Street —s =
daklooze kinderen; Arabesk, Arabesque, arəbesk, subst. arabesk; adj.
Moorsch, fantastisch; — verb. met arabesken versieren; Arabia, əreibjə,
Arabian, əreibjn, Arabisch, Arabier: The — Nights’ Entertainments = de
Duizend en Een Nacht vertellingen; Arabic, arəbik, Arabisch; subst.
Arabische taal: — numerals; Arabist, arəbist, geleerde in Arabische
taal en letteren.
Arable, arəb’l, beploegbaar, bebouwbaar.
Araby, arəbi, Arabië.
Araeometer, âriomətə, areometer.
Arbalist, âbəlist, voetboog; —er, voetboogschutter.
Arbiter, âbitə, scheidsrechter, autoriteit; Arbitrage, âbitridz,
arbitrage; adj. Arbitral = arbitraal: Arbitrariness = willekeur;
Arbitrary, âbitrəri, willekeurig, despotisch, grillig: — address =
telegr. adres; Arbitrate = arbitreeren; Arbitration = arbitrage: — of
exchange(s) = wisselarbitrage; Arbitrator = arbiter, despoot;
Arbitratix = Arbitress = vr. scheidsrechter.
Arbor, âbə, boom; hoofdas; —eal, âbôriəl, —aceous, âbəreišəs,
boomachtig, op boomen groeiend, boom....; Arboreous = Arboreal = met
bosch begroeid; —etum, âbərît’m, wetenschapp. boomkweekerij;
Arboriculture = boomkweeking; Arboriculturist = boomkweeker; —ist,
âbərist, boomkenner; Arborous: — roof = loofdak. Arbour, âbə, priëel;
berceau.
Arbuscle, âbɐs’l, dwergboompje, struik; Arbuscular, âbɐskjulə,
heesterachtig; in bosjes; Arbustum = boschje, boomgaard; Arbute =
Arbutus = aardbezieboom.
Arc, âk, cirkelboog: Electric —-lamp = booglamp; —-light.
Arcade, âkeid, bogengang; winkelgalerij.
Arcadia, âkeidjə, Arcadië; Arcadian = Arcadiër; adj. = Arcadic,
âkeidik, Arcadisch.
Arcanum, âkein’m, geheim; geheim geneesmiddel: Shall I reveal the
arcana of that virgin breast = geheimen.
Arch, âtš, subst. boog, gewelf: — verb. zich welven, krommen,
overwelven; — (of heaven) = hemelgewelf; Triumphal — = eereboog; —way =
overwelfde gang; —es Court = Court of —es, hoogste geestelijk
gerechtshof.
Arch, âtš = voornaamste, eerste, aarts ...; schalksch, snaaksch:
—angel, âkeinž’l, aartsengel; doove netel; Archangel (âkeinž’l);
—architect, âtšâkitekt, de Opperbouwheer des Heelals; —bishop,
âtšbiš’p, aartsbisschop; —deacon, âtšdîk’n, geestelijk hoofd van de 2
of meer deaconries waarin elk Bisdom is verdeeld; —diocese, âtšdaiesis,
aartsbisdom; —duke (—duchy); —-enemy; —etype, âkitaip, oorspronkelijk
model of type; —-fiend, âtsfînd, de Satan; —-foe; —-heresy, âtšherəsi,
aartsketterij; —-heretic; — hypocrite.
Archaeologer, âkiolədžə = Archaeologian; adj. Archaeologic(al);
Archaeologist = archaeoloog; Archaeology, archaeologie, oudheidkunde.
Archaic(al), âkeiik(’l), oud, verouderd; Archaism, âkeiizm, verouderd
woord (of uitdrukking).
Archer(ess), âtšə(rəs), mannelijke (vrouwelijke) boogschutter; —y,
boogschieten; boogschutters.
Archimagus, âkimeigəs, Perz. hoogepriester.
Archimedean, Archimedian, âkimîdiən, âkimidîən: — screw = schroef van
A.; Archimedes, âkimîdiz, Archimedes.
Archipelago, âkipeləgou, archipel.
Architect, âkitekt, architekt; schepper: Every one is the — of his own
fortune = iedereen heeft zijn eigen geluk in zijn hand; Architectonic =
Architectural, architectonisch; —ure, âkitektjə, bouwkunde; Architrave
= architraaf.
Archival, âkaiv’l, adj. archivarisch, archief ...; Archives, âkaivz,
het archief: Municipal —; Archivist = Archivaris = Keeper of the
Archives.
Archon, âk’n, Archont; —ship = ambt van A; adj. Archontic.
Arctic, âktik, noordelijk; koud: — circle = Noordpool(cirkel); —
expedition.
Ardency, âd’nsi, vuur, drift, ijver.
Ardennes, âden, (de) Ardennen.
Ardent, âd’nt, vurig, volijverig; — spirits = alcoholische dranken; My
most — wish = vurigste.
Ardour, âdə, vuur, gloed, ijver.
Arduous, âdjuɐs = steil; moeielijk; —ness, steilheid, etc.
Are, ɐ̂, Teg. tijd, meerv. van to be = zijn; subst. are = 119,6 vierk.
yards.
Area, êriə, oppervlakte, gebied, terrein; de ruimte vóór een
sousterrain in Engelsche huizen, die van de straat door een hek langs
eene trap toegang geeft tot de keuken, etc.; —-bell = keukenbel;
—-sneak = (insluip)dief.
Arena, ərînə, arena.
Arenaceous, arineišəs, zandig, brokkelig, dor; Arenarious, zandig;
Arenose, arinous, arinous.
Areometer, ariomətə, areometer.
Areopagus, ariopəgɐs, Areopagus.
Argent, âdž’nt, zilverkleurig; subst. zilver, zilverwitte kleur;
Argental, zilveren, zilverhoudend; Argentan = nieuw zilver;
Argentiferous = zilverhoudend; Argentine, âdž’nt(a)in, zilveren,
luidklinkend; Argentijnsch; subst. verzilverd nieuwzilver; zilvervisch;
Argentijn; Argentina, Argentinië.
Argle-bargle, âg’lbâg’l = redetwisten.
Argonaut, âgənôt, Argonaut; nautilus.
Argosy, âgəsi, karaak.
Arguable, âgjuəb’l, bewijsbaar; betwistbaar; Argue, âgju, redeneeren,
redetwisten, debatteeren, getuigen van, overreden: It was no use to —
the point = bespreken; He —d me into = bracht mij door overreding tot;
Argument, âgjument, argument, bewijs, bewijsgrond; onderwerp eener
discussie; hoofdinhoud: Don’t start an — = begin geen discussie;
Argumentation = bewijsvoering; Argumentative = bewijzend, logisch;
polemisch; subst. —ness.
Argus, âgəs, Argus: —-eyes; —-eyed.
Argyle, âgail, stad.
Aria, âriə, aria.
Arian, êriən, Ariaansch; subst. een aanhanger van Arius; —ism,
Arianisme.
Arid, arid, dor, onvruchtbaar; Aridity, dorheid, etc. = —ness.
Ariel, êriəl; Aries, êriîz, Ram (sterrenb.); rammei.
Aright, ərait, recht: To set — = recht zetten, in orde brengen.
Arise, əraiz, opstaan, zich verheffen, verschijnen, ontstaan; zich
verzetten (against).
Arista, əristə, baard (der korenaren); stekel.
Aristarch, aristâk, Aristarch.
Aristocracy, aristokrəsi, aristocratie; Aristocrat, aristəkrat,
aristəkrat; Aristocratic(al), aristocratisch.
Aristotelean, Aristotelian, aristətîliən = van Aristoteles (Aristoteles
of Aristotle) = Aristotelic.
Arithmetic, ərith-mətik, rekenkunde, rekenboek, rekenen, getalleer:
Commercial (Mercantile) — = handelsrekenen; Mental — = uit ’t hoofd
rekenen; —(al), arithmetik(’l), rekenkundig; Arithmetician, rekenaar;
Arithmometer = rekenmachine.
Ark, âk, ark; het biezen mandje, waarin Mozes lag; soort platboomd
rivier vaartuig (Amer.): The — of the Covenant = de Arke des Verbonds;
Noah’s — (ook v. speelgoed).
Arkansas, âkansəs, Arkansas.
Arm, âm, subst. arm, wapen, macht; — verb. wapenen, versterken,
voorzien van: With one’s —s across = With folded —s; An infant in —s =
nog op arm gedragen kind; At —’s length; — in —; Right — = rechterhand
(fig.); Secular — = wereldl. macht, overheid; Soldiers of the same — =
wapen; The cavalry — = het wapen der cav.; —s, wapenen; wapen:
Coat-of-—s = familiewapen; Master at —s = provoostgeweldiger; Stand of
—s = geweer met bajonet, patroontasch, etc.; volledige uitrusting; To
call to —s = te wapen roepen; All the nations were in —s against France
= traden gewapend op tegen; The people was under —s = onder de wapenen;
Shoulder, carry —s = over, schouder ’t geweer; The whole force stood to
—s = was in ’t geweer; —ed at all points = van ’t hoofd tot de voeten;
—-chair = armstoel; adj. theoret., doctrinair, dilettant: —-chair
critics; —-chair authorities, etc.; —-hole = armsgat; —-pit = oksel;
—-rack = wapenrek; —ful = armvol; —less = zonder wapenen of armen.
Armada, âmeidə, armada.
Armadillo, âmədilou, gordeldier; oproller (insect).
Armament, âməment, krijgstoerusting; krijgsmacht.
Armature, âmətjuə, uitrusting, bewapening, armatuur; pantser,
versterking.
Armenia, âmînjə, Armenië; —n, Armenisch; Armeniër.
Armiger, âmidžə, wapendrager, schildknaap.
Arminian, âminj’n, Arminiaan.
Armistice, âmistis, wapenstilstand.
Armlet, âmlət, armpje, inham; armring, armstuk.
Armorial, âmôriəl: — bearings = wapenschild; subst. wapenboek.
Armour, âmə, wapenrusting, harnas, pantser, beslag; — verb. pantseren,
uitrusten: —-bearer = Armiger; —-clad = gepantserd; —-plate =
pantserplaat; —ed train = gepantserd; —er = wapensmid, geweermaker; —y
= arsenaal; wapenfabriek (Amer.).
Armstrong, âmstroŋ, uitvinder van het — gun.
Army, âmi, leger, menigte, zwerm: —-chaplain = veldprediker; — corps; —
examination = toelat. exam. voor een mil. school; — list = ranglijst; —
men = officieren.
Arnaut, Arnaout, ânaut, ânaut; Arnold, ânəld, Arnold, Arnout.
Arnut, ânət, aardnoot, aardakker.
Aroma, əroumə, aroma; Aromatic, aromatisch: —s = specery; Aromatize =
kruiden, geuren.
Arose, ərouz, imperf. van to arise.
Around, əraund, in ’t rond, rondom, omheen: I’ll get — you = ’k zal je
wel vinden.
Arouse, ərauz, opwekken, aansporen, (doen) ontwaken, in beroering
(opschudding) brengen.
Arow, ərou, op eene rij, achtereenvolgens.
Aroynt thee, ərôint dhî, scheer je weg.
Arquebus, âk(w)əbɐs, haakbus, oud vuurroer; —ier âkwəbəsîə,
busschieter: Officers of —iers of St. George (St. Andrew) = van den
Jorisdoelen (Adriaansdoelen).
Arrack, arək, ərak, arak.
Arraign, ərein, voor een rechtbank roepen, beschuldigen, aanklagen:
Clerk of —s = ambtenaar belast met het opmaken van de aanklacht; —ment,
aanklacht, etc.
Arrange, əreinž, schikken, regelen, in orde brengen, arrangeeren
(muz.), afspreken: I have —d for it = ik heb maatregelen genomen; —ment
= schikking, inrichting.
Arrant, ar’nt, erg, doortrapt, aarts...: He is an — fool = groote gek
(= in één woord: een gek).
Arras, arəs, tapijt (als behang in vroeger tijd); Atrecht; —ed = met
arras behangen.
Array, ərei, subst. slagorde, gelid; troepen; kleeding, dos,
kleederpracht; installeeren der jury, de geïnstalleerde jury; — verb.
(in slagorde) opstellen; de juryleden oproepen en installeeren;
uitdossen: To challenge the — = de lijst der juryleden wraken.
Arrear, ərîə, achterstallige schuld (doorgaans mv.): I am in —s =
achterop met het betalen mijner schulden; That sum is in —s = nog niet
betaald.
Arrest, ərest, verb. tegenhouden, stuiten; arresteeren; boeien; subst.
inhechtenisneming, beslag; To — a fire = stuiten; To — the attention
(the eyes) = boeien; —ed development = belemmerde ontwikkeling; Open —
= kamerarrest; Under (an) — = in arrest; To put (place) under —; To lay
— on = beslag leggen op.
Arret, ərei of əret, de beslissing van eene rechtbank, arrest; decreet,
edict.
Arris, aris, scherpe kant: —-beam = graatbalk; —-gutter = V-vormige
goot; —-wise, diagonaal.
Arrival, əraiv’l, aankomst, aangekomene, aangekomen schip, aanvoer: The
man was looking through the —s = keek eens na, wat (wie) (in)gekomen
was; — book = vreemdelingenboek; Arrive, əraiv, aankomen, bereiken,
verkrijgen: Edison has —d and is world-famous = E. heeft zijn pogingen
bekroond gezien; To — at a conclusion = komen tot.
Arrogance, arəgəns, aanmatiging; Arrogant = aanmatigend; Arrogate,
arəgeit, zich aanmatigen, wederrechtelijk toeëigenen.
Arrow, arou, pijl: Broad — = pijlvormig teeken op wapenen, mijlsteenen
en tuchthuiskleeren: —-head = pijlspits; —-root = pijlwortel;
arrowroot.
Arry, ari, plat Londenaar uit de volksklasse; Arriet, ari-it, diens
meisje.
Arse, âs, aars.
Arsenal, âsən’l, arsenaal.
Arsenic, âs’nik, âsənik, subst. arsenicum, rattenkruid; adj. (âsenik):
— acid = arseenzuur; Arsenious acid, âsîniəsasid, arsenigzuur.
Arsis, âsis, rijzende stembuiging, arsis.
Arson, âs’n, brandstichting (Jur.).
Art, ât, kunst, bekwaamheid, handigheid; list: Applied — =
kunstnijverheid; High — = ‘in stijl’; To be — and part in = deelachtig
zijn aan; Fine (Polite) —s = de schoone kunsten; Liberal —s = de vrije
kunsten; Master of —s = een acad. graad, die zonder examen aan
Bachelors wordt verleend als ze nog drie jaar ‘aan’ zijn gebleven;
—-school = teekenacademie; —-union, vereeniging voor kunst; —ful,
artistiek; geslepen; subst. —fulness; —less, smakeloos; ongekunsteld,
argeloos; subst. —lessness.
Artemisia, âtimižə, Artemisia; alsem.
Arterial, âtîriəl, slagaderlijk: — blood = slagaderlijk bloed; Through
the lungs venous blood is arterialized = door de longen wordt aderlijk
in slagaderlijk bloed veranderd; Artery, âtəri, slagader, hoofdkanaal,
hoofdader.
Artesian, âtîžən, Artesisch: — well = ... put.
Arthur, âthə, Arthur; adj. Arthurian.
Artichoke, âtitšouk, artisjok.
Article, âtik’l, subst. artikel, post, voorwerp, substantie, lidwoord
(gramm.): —s = contract, monsterrol; — verb. door artikelen
vaststellen, door bepaalde voorwaarden verbinden, vaststellen: You are
a nice — = fijn heer; The genuine — = je ware! What is the next —? =
verlangt u nog iets (in winkels)? —s of association = statuten; —s of
war = krijgsartikelen; I was —d there = op bepaalde voorwaarden
aangenomen; —d to a firm; An —d clerk = een klerk die een bepaalde som
(premium) betaalt aan den solicitor bij wien hij in de leer is.
Articular, âtîkjulə, tot de gewrichten behoorend, gewrichts - -: Gout
is an — disease = gewrichtskwaal; Articulate, âtikjulit, adj. geleed;
gearticuleerd; duidelijk; — verb. âtikjuleit, articuleeren, geleed
verbinden; —ness = duidelijkheid; Articulation, geleding, articulatie.
Artifice, âtifis, kunst; streek; —r, bedreven werkman (vooral in tech.
vakken); schepper; Artificial = kunst(vaard)ig, kunstmatig; geveinsd,
gemaakt: — arms, — eyes = kunst - -; — florist = kunstbloemenmaker; —
numbers = logarithmen; subst. Artificiality = —ness = gekunsteldheid.
Artillerist, âtilərist, artillerist; Artillery, âtîləri, artillerie,
zwaar geschut: Captain A. of the —; —-butt = kogelvanger; —-driver =
stukrijder; —man = artillerist; — practice = oefening met de kanonnen.
Artisan, âtiz’n, âtizan, werkman; — house; —s’ dwellings.
Artist, âtist, kunstenaar; —ic(al), âtistik(’l), artistiek; —e, âtîst,
artiest.
Artocarpus, âtəkâpəs, broodvruchtboom.
Arundel, ar’ndəl of ərɐnd’l (Amer.).
Aryan, êriən, âriən, Arisch; subst. Arische taal, Ariër.
Arytenoid, aritînôid, bekervormig (kraakbeen van het strottenhoofd).
As, az, gelijk, zooals, toen, terwijl, aangezien, als, bij voorbeeld: —
far — I know = voor zoover; — if = alsof; He told me — much = zulks; —
to (— for) = wat betreft; — though = alsof; — yet = nog, totnutoe; — I
live = zoowaar; — it were, als ’t ware; I might — well go = ik kon wel
eens gaan; She has enough to bear — it is = toch al genoeg; He had had
to retrench — it was = toch al.
Asafoetida, asəfetidə, duivelsdrek.
Asbest(os), azbest(os), asbest(os), asbest, steenvlas; Asbestic,
asbest...; Asbestine = asbest....; onverbrandbaar; Asbestous =
Asbestic.
Ascend, əsend, opklimmen, opstijgen, teruggaan tot, opstaan, opgaan,
beklimmen; opvaren: They —ed the hill = zij beklommen; —able =
beklimbaar, enz.; —ancy, overwicht, invloed: Nature has an —ency over
logic = de natuur gaat boven de leer; —ant = opklimmend, stijgend,
superieur; subst. overwicht, invloed, hoogte, horoscoop: His star is in
the —ant = zijn geluksster gaat op; He has the —ant over me = hij heeft
overwicht over mij; Ascendency = Ascendancy; Ascension = (be)stijging,
hemelvaart (van Jezus): — Day = Hemelvaartsdag.
Ascent, əsent, beklimming, opgaan, opkomst, stijging, hoogte.
Ascertain, asətein, zich vergewissen, vaststellen, vernemen; —able,
vast te stellen; —ment, vaststelling, etc.
Ascetic, əsetik, ascetisch, streng, vroom; subst. asceet, kluizenaar;
—ism, ascetisme; —al = Ascetic.
Ascham, ask’m: Roger —, een schrijver (1515–68).
Asci, asai, Ascians, asiənz, schaduwloozen.
Ascribable, əskraibəb’l, toe te schrijven; Ascribe, əskraib,
toeschrijven aan; Ascription = toeschrijving.
Asexual, əsekšuəl, geslachtloos.
Ash, aš, esch; adj. van esschenhout = —en.
Ash, aš, subst. asch: Cigar (pipe, tobacco) —; Volcanic —(es); —es =
asch (ook fig.): Peace to his —es; To lay in —es; Sitting in dust and
—es; Pale as —es = —en pale; To grow —en = doodsbleek worden; —-bin =
aschvat; —-box, —-bucket = aschbak, aschemmer; —-pan = aschbak; —-path
= asphalt wielerbaan; —-pit = aschkuil, aschbak; —puttel =
Asschepoester; —-tray = aschbakje; —-Wednesday ašwenzdi, Aschdag;
—-weed, ašwîd, geitebaard (plant); —y = aschkleurig.
Ashamed, əšeimd, beschaamd: To be — of = zich schamen over.
Ashlar, Ashler, ašlə, hardsteen; hardsteenen façade; —ing = hardsteenen
muur; dakbetimmering; arduin.
Ashore, əšö, aan (naar) wal; gestrand: To go — = landen; ook = To run —
= stranden.
Asia, eišiə, Azië; Asiatic, Aziatisch; Aziaat.
Aside, əsaid, adv. ter zijde, aan eene zijde: To earn large sums — = er
bij verdienen op minder eerlijke manier; To lay (put) — = overleggen,
sparen; This is — from the question = staat buiten de kwestie; subst.
terzijde.
Asinine, asin(a)in, ezelachtig, ezels - -; Asininity, ezelachtigheid.
Ask, âsk, vragen, verzoeken, verlangen, uitnoodigen: To — about = naar;
To — after = naar; To — again (back) = terug; To — for = naar, om; I
—ed a penny of him, I —ed him for a penny = om; To — (for) nothing
better = niets liever willen; To — to dinner; A thing to be —ed and had
= voor het vragen (= To be got for the —ing); An —ing child = dat veel
vragen doet; I could have it for the —ing = ik heb het maar voor ’t
vragen; To — in church = ’t voorgenomen huwelijk afkondigen.
Askance, əskâns, Askant, əskânt, schuins, van terzijde: He looked — at
me = scheel, jaloersch.
Askew, əskjû, schuins, scheef, verachtelijk.
Aslant, əslânt, schuins, dwarsover: To hang —.
Asleep, əslîp, in slaap; ontslapen: He was fast (sound) — = in diepe
rust; To fall (To rock) —.
Aslope, əsloup, hellend.
A-smear, əsmîə, bevuild.
Asp, asp, (Aspic, aspik), aspis, adder; esp(eboom), ratelpopulier; adj.
—en: To tremble like an —en leaf; — tree = esp.
Asparaginous, aspəradžinəs, asperge - - -; Asparagus, əsparəgɐs,
asperge.
Aspect, aspəkt, gezicht(spunt), oogpunt, zijde, kant, licht; stand;
uitzicht; voorkomen; ligging: The house has a southern — = ligt op het
Zuiden.
Asper, aspə, subst. spiritus asper.
Asperity, əsperiti, ruwheid, scherpheid, norschheid.
Asperge, aspɐ̂dž = besprenkelen; ook subst. = Aspergill(um),
aspədžil(’m), wijwaterkwast.
Asperse, əspɐ̂s, belasteren, bezwalken; besprenkelen: Who dared — my
friend’s character? Aspersive = lasterlijk; He has cast shameful
aspersions on this man = schandelijk belasterd; Aspersorium =
wijwaterbekken.
Asphalt, asfalt, əsfalt, asphalt: — pavement; Asphaltic (= —ite): —ic
cement; The —ites Lake, dhiasf’ltaitîzleik = Doode Zee.
Asphodel, asfədel, affodil; Asphodelian = hemelsch.
Asphyxia, əsfikš(i)ə; Asphyxial, verstikkings - -; Asphyxiate = doen
stikken; Asphyxiation = verstikking; Asphyxiator, (koolzuur)
bluschapparaat; Asphyxy = Asphyxia.
Aspic, aspik, spijk (gr. lavendel); soort vleesch- of vischspijs. Zie
Asp.
Aspirant, əspair’nt, eerzuchtig; subst. aspirant, kandidaat: Stiff —s =
zware concurrenten.
Aspirate, aspirit, subst. eene geaspireerde letter; spiritus asper;
adj. geaspireerd; — verb. (aspireit) aspireeren; Aspiration =
aspiratie, streven, verlangen; Aspirator = aspirator; Aspiratory: —
organs = ademhalingswerktuigen.
Aspire, əspaiə, streven, trachten naar (after).
Asportation, aspöteiš’n, wederrechtelijk ontvoeren van goederen.
Asquint, əskwint loensch; heimelijk.
Ass, as, ezel, domkop: —es’ bridge = het eerste moeielijk vraagstuk
(Prop. 5.) in Euclides; iets waarmee een domoor niet terecht kan; To
make an — of = voor den mal houden; To make an — of oneself = zich
ezelachtig gedragen.
Assagai, asegai, assagaai.
Assail, əseil, aanvallen, bestormen; —able, aantastbaar; —ant = —er,
aanvaller.
Assassin, əsasin, sluipmoordenaar; —ate, vermoorden; Assassination =
(sluip)moord.
Assault, əsôlt, subst. aanval, bestorming; persoonlijk geweld,
ordeverstoring, belemmering van ambtenaren; — verb. aanvallen,
bestormen, aanranden: Indecent — = aanranding; — at (of) arms =
militair assaut; —er, aanvaller.
Assay, əsei, subst. onderzoek, toets; de te onderzoeken stof; — verb.
onderzoeken, toetsen, keuren, beproeven: — balance = justeerbalans;
—-master = essayeur = —er = essayeur.
Assemblage, əsemblidž, verzameling; verbinding; Assemble, əsemb’l,
samenbrengen, vereenigen, vergaderen; Assembly, əsembli, verzameling,
bijeenkomst; wetgevende vergad. (Amerik.); partij, bal (in een
’kursaal’); signaal om te ‘verzamelen’: The — was blown (sounded);
General — = Presbyteriaansche synode; —-man = lid eener wetgevende
vergadering; —-room = bal-, concert-, ‘kursaal’.
Assent, əsent, subst. toestemming, goedkeuring, berusting; — verb.
toegeven, toestemmen: The Royal — = koninklijke goedkeuring; She —ed to
it = vond het goed; —ient, əsenšent, toestemmend; ook subst. —or.
Assert, əsɐ̂t, beweren, verklaren, laten gelden, handhaven: The man has
—ed his influence = doen gelden; —able = —ible, verdedigbaar; —ion,
bewering, etc; —ive, positief, bevestigend: Self-—ive = zelfbewust,
aanmatigend.
Assess, əses, belasten, schatten, bepalen, vaststellen: To be —ed on a
sum = aangeslagen voor; —able: The income —able to income-tax =
belastbaar; —ment = schatting, belasting, etc.: —ment on capital =
vermogensbelasting; —or, assessor, schatter: —ship.
Assets, asəts, de activa: Personal — = nalatenschap in roerend goed;
Real — = — in onroerend goed; — and liabilities = actief en passief; We
consider this as an asset which the liberals have secured by their
labour and devotion = goed, voordeel.