Soph, sof, verk. van Sophister = student in zijn tweede jaar (= Junior

—) of derde jaar (= Senior —) te Cambridge, en Sophomore = student in

zijn tweede jaar (Amer.).

Sophia, səfaiə; səfîə (stad).

Sophism, sofizm, drogrede; Sophist, sofist, sophist; Sophister =

drogredenaar; student te Cambridge, Zie Soph: Sophistic(al),

sofistik(’l), sophistisch; Sophisticate, sofistikeit, vervalschen,

verknoeien; subst. Sophistication; Sophisticator = vervalscher;

Sophistry, sofistri, sophisterij.

Sophocles, sofəklîz.

Sophomore, sofəmö. Zie Soph; Sophy, soufi.

Soporiferous, so(u)pərifərɐs, slaapwekkend: — medicine; Soporific,

subst. en adj. slaapwekkend (middel); Soporous, soupərɐs, Soporose,

soupərous, slaapwekkend, slaperig.

Soprano, səprânou (Meerv. —s, Soprani), sopraan.

Sorb, söb, peer, lijsterbes, sorbenboom; —-apple = vrucht daarvan,

sorbepeer.

Sorbet, söbət, sorbet, verkoelende (Oostersche) drank bestaande uit

gestampte rozijnen met citroensap, etc.

Sorcerer, sösərə, toovenaar; Sorceress = toovenares; Sorcery, sösəri,

toovenarij.

Sordes, södiz, uitwerpselen.

Sordid, södid, vuil, laag, vrekkig; subst. —ness.

Sordine, södîn, sordine.

Sore, sö, subst. pijnlijke plek, rauwe wond, zweer, éénjarige valk,

vierjarig hert; adj. pijnlijk, zeer, ontstoken, hevig, gevoelig,

scherp; adv. zeer: It opened the old — = reet de oude wonde open

(fig.); I have got a — throat = pijn in de keel; — against my will =

zeer tegen; The pessimists and —-heads = pessimisten en mopperaars; I

am —ly (sadly) in want of money = heb groot geldgebrek; subst. —ness.

Sorel, sor’l = Sorrel.

Sorex, sôrəks, spitsmuis.

Sorn, sön, zijn anker ergens neerleggen of gaan logeeren zonder

genoodigd te zijn; Sornar = ongenoode gast.

Sororicide, sərorisaid, sərôrisaid, zustermoord(enaar); We have

fraternized or rather sororized = wij hebben ons verbroederd, of liever

verzusterd.

Sorrel, sor’l, subst. (klaver)zuring; rossige of roodbruine kleur, vos

(paard); adj. rossig.

Sorriness, sorinəs, droefheid, ellendigheid.

Sorrow, sorou, subst. diepe smart, droefheid; — verb. treuren, smart

lijden: The —s of Werther; Every — has its twin joy = de tweeling der

smart is de vreugde; He drowned his — in liquor = verzette zijne smart

door drank; I heard it to my — = tot mijn leedwezen gehoord; Who goes

a-borrowing goes a-—ing = borgen baart zorgen: —ful = treurig,

ellendig; subst. —fulness.

Sorry, sori, bedroefd, armzalig: I am very — = het spijt me zéér; I am

— to say = het spijt mij te moeten zeggen; I am — for what I have done

= wat ik gedaan heb, spijt mij; He made a — figure = maakte eene

armzalige figuur; To be in a — plight = ellendige toestand; It was a —

sight = een treurig gezicht.

Sort, söt, subst. soort, orde, stel, manier, rang, wijze; — verb.

sorteeren, samenvoegen, zich vereenigen, overeenstemmen, passen: He is

a bad — = hij deugt niet; To be a good — (Too good a — for) = een beste

vent (te goed voor); After a —, In a —, In some — = eenigermate, om zoo

te zeggen; All —s and conditions of men = menschen van allerlei slag;

Gossip of —s = allerlei onbeduidende praatjes: A poet of —s = een

“stuk” dichter; I am out of —s = voel me niet lekker, ben niet monter,

ben wat korzelig; We are out of —s = hebben niet meer van die letter;

We run upon —s = wij moeten kolossaal veel van eene bepaalde

lettersoort hebben; He — of dumbfounded me = hij deed me zoowat

versteld staan; You two are well —ed = hoort net bij elkaar; I will not

— with such rogues = mij niet ophouden; —er = sorteerder.

Sortes, sötîz, voorspellingen door het openslaan van een boek en ’t

nemen van den eersten zin waarop het oog viel: He used to dip into the

Aeneid, seeking —.

Sortie, sötî, sötî, uitval.

Sortilege, sötiledž, waarzeggen door loten.

Sori, sôrai, vruchthoopje op varenbladeren; Enkelv. Sorus.

Sot, sot, versufte dronkaard; — verb. zijn verstand verzuipen; —tish =

zot, verzopen; subst. —tishness.

Sotheby, sɐthbi, southbi.

Soubrette, sûbret, soubrette.

Souchong, sûšoŋ, sûšoŋ, zwarte thee.

Souchy, sûtši, gekruide peterseliesaus bij visch.

Soudan, sudân; Soudanese.

Sough, sɐf, sau, subst. gesuis, zucht; — verb. zuchten, suizen: The —

of the bellows = het hijgen der blaasbalgen.

Sought, sôt, imperf. en p. perf. van to seek.

Soul, soul, subst. ziel, hart, geest, verstand, neiging, wezen, moed:

He is a good — = een goeie ziel; The — of a party = ziel (fig.); Not a

— can hear us = geen schepsel hoort ons; We never see a — here = geen

“christenziel”; Cure of —s = zielezorg; I could not for the — of me

understand = mij ter wereld niet begrijpen; Upon my — = bij mijne ziel;

With all my — = van ganscher harte; He is completely cowed by his wife

and dares not (to) call his — his own = hij durft geen boe of ba

zeggen: God rest his — = zijne ziel ruste in vrede; To unburden one’s —

= zijn gemoed uitstorten; —-seller = zielverkooper; —-sick = zielsziek;

—less = zonder hart of ziel.

Sound, saund, subst. geluid, geschal, knal, klank of toon: sond of

zeeëngte, luchtblaas (van een visch), inktvisch; sondeernaald (The — =

de Sont); adj. gezond, volkomen gaaf, flink, krachtig, solide, sterk,

gegrond, rechtmatig, onwrikbaar, vast in de leer; — verb. klinken,

weerklinken, doen klinken, schallen, uitbazuinen, bekend maken, peilen,

looden, sondeeren, onderzoeken, uithooren: We arrived safe and — =

gezond en wel; As — as a (bell, colt) roach = zoo gezond als een visch;

As — asleep as a church = zoo vast in slaap als een mol; In — earnest =

in vollen ernst; I feel on — ground = op vasten bodem; — health =

goede; — horse = zonder gebreken; Yours is — reasoning = gij redeneert

gezond; He got a — thrashing = een duchtig pak ransel; To — the charge

= blazen tot den aanval; His praise was —ed all over the country = werd

uitgebazuind; Have you —ed him on (about, as to) that subject yet = hem

daarover al eens gepolst; —-board = klankbord; —-hole = klank- of

galmgat; Sounding = klinkend, welluidend; subst. klinken, peilen: —s =

peilbare plaats(en) in den oceaan, looding; To get on -s = ankergrond

aanlooden; We lost our —s = wij konden geen grond meer vinden, waren

uit ons vaarwater (fig.); We struck —s = Got on —s; To take —s =

looden; —-board = klankbord; —-line = schietlood, loodlijn; —-post =

plankje beneden den kam eener viool; —-rod = peilstok; Soundless =

stil, zonder klank, onpeilbaar, diep; Soundness = de gelijkheid,

zuiverheid, gaafheid.

Soup, sûp, soep: Portable — = soeptablet; —-kitchen = soepkokerij;

—-maigre, sûpmeigə, magere soep; —-plate; —-ticket = soepkaartje;

—-tureen = soepterrine.

Sour, sauə, adj. zuur, scherp, bitter, norsch, knorrig; — verb. zuur

maken, verzuren, knorrig maken: That has —ed my joy = mijne vreugde

vergald; Rye-bread —s on my stomach = van roggebrood krijg ik het zuur;

—-crout (—-krout) = zuurkool; —-dock = veldzuring; —-dough = zuurdeeg,

gist; —-faced = met een zuur gezicht; —ish = zuurachtig; —ness =

zuurheid, etc.

Source, sös, bron, oorzaak, oorsprong.

Souse, saus, subst. pekel, de ooren en pooten van varkens in pekel,

onderdompeling, het plotselinge neerschieten op; — verb. pekelen,

onderdompelen, neerschieten op (upon) (van roofvogels); adv.

plotseling, hevig.

Soutane, sûtein, toog, soutane van Roomsche geestelijken.

South, sauth, subst. zuiden, zuidelijke streken, zuidenwind; adj. zuid;

— verb. zich naar het Z. bewegen: — of the island = ten zuiden van het

eiland; —-down, subst. en adj. (schaap) uit de duinstreken van

Hampshire en Sussex; —-east = subst. zuidoosten; adj. zuidoostelijk;

—-easterly, —-eastern = zuidoostelijk; —erly, sɐdhəli, zuidelijk; —ern,

sɐdhən, zuidelijk: —ern Cross = zuiderkruis (sterrenbeeld); —ernwood =

soort alsem; —erner, sɐdhənə, bewoner van de Z. Staten der Amer. Unie;

—ernmost = zuidelijkst; —ing, saudhing, subst. richting of beweging

naar het Z.; —ward = sauthwəd, zuidwaarts(ch); —west, subst.

zuidwesten; adj. zuidwestelijk; —wester, southwestə, zuidwestenwind;

zuidwester; —-westerly, —-western.

Southam, saudh’m; Southampton, sauthamt’n, sɐdh(h)am(p)t’n; Southend,

sauthend; Southey, saudhi, sɐdhə.

Southron, sɐdhr’n, subst. bewoner van een zuidelijk gelegen land, naam

door de Schotten aan Engelschen gegeven; adj. zuidelijk.

Southwark, sɐdhək; Southwell, sauthwel, sɐdhəl.

Sovereign, sovərin, sɐvərin, subst. heerscher, opperheer, souverein,

monarch, E. goudstuk van 20 shillings; adj. oppermachtig, heerschend,

onovertroffen, grootste, krachtdadig: —ty = oppermacht.

Sow, sau, zeug; metaalklomp: To have (get, take) the right (wrong) — by

the ear = den rechte (verkeerde) te pakken hebben (krijgen); —-backed =

met krommen rug; —-bread = varkensbrood (plant); —-thistle = moes,

melkdistel.

Sow, sou, zaaien, verspreiden, uitstrooien: —ing-machine.

Sowar, souâ, sauâ, inlandsch cavalerist (Brit. Ind.).

Sowerby, sauəbi; Sowter, sautə.

Soy, sôi, soja.

Spa, spâ, minerale bron, badplaats: To go to a — = naar een badplaats

gaan.

Space, speis, subst. ruimte, wijdte, uitgebreidheid, duur, spatie; —

verb. spatiëeren (met out): For a — = voor een tijdje; Into — = in ’t

niet; In — comes grace = komt tijd, komt raad; Spacious, speišəs, ruim,

uitgestrekt: A — hall = ruime, groote zaal; subst. —ness.

Spaddle, spad’l, kleine spade, schopje.

Spade, speid, subst. spade, schop (—s = schoppen in ’t kaartspel),

driejarig hert, ruin, gecastreerd dier; — verb. graven, spitten: Ace,

King, Queen, Knave of —s = schoppenaas, heer, enz.; He calls a — a — =

noemt het kind bij zijn naam; In his speech he called —s something more

than —s = droeg hij de waarheid wel wat al te naakt voor; —-bayonet =

breede bajonet: —-guinea = schopjesguinje van 1787–1799 (wegens het

schopvormig schild op de keerzijde); —-husbandry = bebouwing van ’t

veld door diep omgraven; —ful.

Spadiceous, spədišəs, kastanjebruin.

Spadill(e), spədil, schoppenaas in omber en quadrille.

Spahee, Spahi, spâhi, ruiter bij de vroegere Turksche lichte cavalerie;

Algerijnsch cavalerist in Franschen dienst.

Spain, spein, Spanje.

Spake, speik, oud imperf. van to speak.

Spalding, spôldiŋ.

Spalt, spôlt, toeslag bij ijzererts.

Span, span, subst. span, korte tijd, span paarden, etc., spanning; —

verb. spannen, overspannen, afspannen (met de vingers), goed bij elkaar

passen (Amer.): A beautiful — of black oxen = jok zwarte ossen; The

Almighty has seen fit to shorten his — = hem vroeg van ons te nemen;

Long — = 9 inch.; Short — = 7 inch.; —-long = eene spanne lang; —-roof

= zadeldak; —ner = spanner, ratel, schroefsleutel.

Span, span, Imp. van to spin.

Span, span: —-clean = spiegelglad; —-new = Spick-and-—-new =

fonkel(splinter)nieuw.

Spancel, spans’l, touw om de achterpooten van koeien of paarden te

binden; ook verb.

Spangle, spaŋg’l, subst. loovertje; — verb. met loovertjes tooien of

versieren: —d heavens = sterrenhemel; The sky was —d with luminous

stars = bezaaid met.

Spaniard, spanjəd, Spanjaard.

Spaniel, spanj’l, subst. patrijshond, Bolognezer (Maltezer)

schoothondje; lage vleier; adj. laag vleiend, kruipend.

Spanish, spaniš, Spaansch: — castle = luchtkasteel; — chalk =

kleermakerskrijt; — fly; — woman = Spaansche.

Spank, spaŋk, subst. klap met de vlakke hand; — verb. met de open hand

slaan, klappen; vlug loopen; —er = bezaan (scheepsterm); snel renpaard,

iets buitengewoons, groote leugen, lange kerel; —er-boom = giek; —ing =

groot, grof, krachtig, kranig, flink, aanzienlijk, levendig, vlug: A

—ing breeze = krachtige bries; The grey went at a —ing pace = liep er

vlug over heen.

Spar, spâ, subst. spar, rondhout, spaath, schijnstoot, vuistgevecht; —s

= rondhouten; — verb. de armen uitslaan bij het boksen, met de sporen

slaan, redetwisten: He was —ring away like clockwork = sloeg er

automatisch op los; —ring-match = bokspartij; —ry = spaathachtig.

Sparable, sparəb’l, schoenspijker.

Sparadrap, sparədrap, hechtpleister.

Spare, spêə, adj. schraal, mager, dungezaaid, matig, spaarzaam,

waarloos (scheepst.), overtollig, wat over is; — verb. sparen, over

hebben, spaarzaam omgaan met, vergunnen, toestaan, kunnen missen, doen

zonder, schenken, ontzien, nalaten, etc.: There was room enough and to

— = er was overvloed van ruimte; A — anchor, sail = reserve (nood)anker

of zeil; I have a — bedroom = nog eene slaapkamer over; — cash = geld

over; A — guest-bed-chamber = logeerkamer; He made it in his — time =

in zijne snipperuren; Have you any tickets to —? = heb je nog over;

Enough and to — = volop; You need not — costs = geene kosten te

ontzien; I will — you the trouble = u de moeite sparen; I cannot — this

workman = niet missen; Could you — (me) your grammar for half an hour?

= uwe grammatica missen; He did not — himself = ontzag zichzelf niet;

The teacher did not — for his crying = sloeg maar toe, niettegenstaande

zijn schreeuwen; — to speak, and — to speed = een grienende hond krijgt

iets, een zwijgende niets; Ever —, ever bare = te veel bewaard is voor

de kat bespaard; —rib = ribstuk; —ness = magerheid. Zie Sparing.

Sparge, spâdž, besprenkelen.

Sparing, spêriŋ: — of time = zuinig op; — of words = karig met woorden;

— dinners = schrale diners.

Spark, spâk, subst. vonk, sprank; vroolijke Frans, bluffer, minnaar; —

verb. het hof maken: He is but a dull — = een echte suffer; No — of

feeling = geen greintje gevoel; The stone emitted —s = spatte vonken;

His master was —ing within = zijn heer zat daarbinnen te “flirten”, te

vrijen; Sparkle, spâk’l, subst. gefonkel, geflikker, glans; — verb.

fonkelen, schitteren; Sparkling = fonkelend, schitterend, levendig: —

wine = parelende, mousseerende.

Sparling, spâliŋ, spiering, zeezwaluw.

Sparrow, sparou, musch: Hedge — = bastaard nachtegaal; —-bill = snavel

van een musch; schoenspijker; —-grass = asperge; —-hawk = sperwer.

Sparse, spâs, dun gezaaid of verspreid: The population is — = woont

verspreid; subst. —ness.

Sparta, spâtə, Sparta; —n, subst. en adj. Spartaan(sch): —n broth; —n

dog = bloedhond.

Spasm, spazm, kramp, krampachtige poging; —odic, spazmodik,

krampachtig.

Spat, spat, imperf. en p.p. perf van to spit.

Spat, spat, subst. zaad (v. oesters), jonge oesters; — verb. zaad

schieten.

Spat, spat, slobkous: He was neatly —ted = had keurige —s aan.

Spatch-cock, spatškok, gedoode en onmiddellijk daarop gebraden haan.

Spate, speit, plotseling opkomende overstrooming: Mountain streams in —

= bergstroomen die hoog gezwollen zijn.

Spatter, spatə, bespatten, spatten, bekladden, “sputteren” (bij het

praten); —dashes = slobkousen: —ing-leather = spatkleed.

Spatula, spatjulə (Spatule, spatjûl) spatel; Spatular, Spatulate =

spatelvormig.

Spavin, spavin, spat (bij paarden): —ed.

Spawn, spôn, subst. kuit, broed, gebroed (fig.); — verb. kuitschieten,

uitbroeden (fig.): This is the latest — the press has cast = het

jongste prul dat de pers heeft geleverd; —er = kuiter; —ing grounds =

plaatsen waar de visch kuit schiet.

Speak, spîk, spreken, uitspreken, klinken, praaien, meedeelen: They do

not — now = spreken niet meer met elkaar; His life —s him a man of

sweet temper = zijn leven bewijst, dat; These two facts — the whole

book to the intelligent = lichten den goeden verstaander omtrent het

geheele boek in; To — one’s mind = zeggen waar het op staat; This —s

volumes = dit zegt meer dan boekdeelen vol; He was worth —ing fair =

het was de moeite waard, mooi met hem te praten; He was a chivalrous

man and spoke her fair = en sprak vriendelijk tot haar; He spoke

off-hand = voor de vuist; They — well of him = gunstig over; To — at a

person = iemand (in zijne tegenwoordigheid) bespreken; To — by word of

mouth = zich mondeling uiten; The fact —s for itself = is duidelijk

genoeg: This wine —s for itself = recommandeert zichzelf; He has no

fortune to — of = zijn fortuin is niet noemenswaard; He spoke of it at

some length = er uitvoerig over; — out = spreek vrijelijk; He spoke to

me under his breath = fluisterde met mij; He wants to be spoken to =

moet eens een standje hebben; — up = spreek luid, vrij uit; We have

always spoken up for the good qualities in his poetry = hebben het

altijd opgenomen voor; We spoke the ship off Dover = praaiden; Speaker

= spreker, voorzitter v. het House of Commons: He is an excellent

public — = uitstekend redenaar; —ship = voorzitterschap; Speaking: A —

likeness = sprekende; — below the mark (within bounds) = ten minste; —

on the outside = ten hoogste; — broadly, generally = in ’t algemeen

gesproken; —-trumpet = scheepsroeper; —-tube = spreekbuis.

Spear, spîə, subst. speer, lans, spriet; — verb. met lans of speer

doorboren of dooden, hoog opschieten; —-grass = struikgras, kweekgras;

—-hand = rechterhand van een ruiter; —-head = punt v. lans of speer;

—man = lansknecht; —mint = groene munt; —-side = mannelijke lijn v. een

geslacht; —-thistle = speervederdistel; —-wigeon = middelste zaagbek;

Greater —-wort = groote boterbloem; Lesser —-wort = egelboterbloem.

Spec, spek, verk. v. Speculation; —s = verk. v. Spectacles; ook: oogen

(schertsend).

Special, speš’l, subst. persoon of zaak voor een bepaald doel

aangewezen, extrablad extratrein; adj. bijzonder, buitengewoon,

speciaal, extra, uitdrukkelijk, voortreffelijk: Extra — = extratijding;

The newspaper —s are not in it with you = de extratijdingen der

couranten halen niet bij u; — constable = burger, die bij bijzondere

gelegenheden als politiedienaar wordt beëedigd en in dienst gesteld; —

train; — verdict = vonnis der jury omtrent de feiten alleen; Specialist

= specialiteit; Speciality, spešialiti, bijzonderheid, bijzonder geval:

Chance brought him a — = het toeval speelde hem de gelegenheid in

handen; Specialization = toewijding aan een bijzonder vak (van studie,

etc.), aanwending of geschiktmaking van een bepaald orgaan voor

bepaalde functiën; Specialize = wijden aan een bepaald vak of eene

bepaalde functie; Specialty = specialiteit, bijzonder contract.

Specie, spîši, baar geld, klinkende munt.

Species, spîšîz, soort, geslacht: —-monger = peuteraar.

Specific, spəsifik, subst. onfeilbaar middel, middel voor eene bepaalde

ziekte of pijn; adj. soortelijk, bepaald, onfeilbaar: A — for the

toothache = onfeilbaar middel tegen; — gravity = soortelijk gewicht; —

name = de naam van het geslacht of de familie; Specification =

specificatie, nauwkeurige opgaaf van bijzonderheden; Specify, spesifai,

in bijzonderheden vermelden, specificeeren.

Specimen, spesim’n, proef, staaltje, exemplaar: —-book = staalboek;

—-page = proefblad; —-scheme of instruction = ontwerp-leerplan.

Specious, spîšəs, schoonschijnend, plausibel; subst. —ness.

Speck, spek, subst. vlek, smet, blaam, deeltje, stip; spek (v.

walvisch); — verb. bespikkelen; Speckle, subst. spikkel; — verb.

bespikkelen; —d = gespikkeld; subst. —dness; Speckless = vlekkeloos.

Spectacle, spektək’l, schouwspel, vertoon(ing): A pair of —s = een

bril; To look through very roseate —s = door een erg rooskleurigen bril

kijken (fig.); He wears —s = draagt een bril; —-case = brillenhuisje;

—-frame = montuur; —-glass; —-snake = brilslang.

Spectacular, spektakjulə, bij wijze van schouwspel of vertooning;

Spectator, spekteitə, toeschouwer; Spectatress, Spectatrix, spekteitrəs

(—triks), toeschouwster.

Spectral, spektr’l, spookachtig, spook...; spectraal: — analysis;

Spectre, spektə, spook, geestverschijning: The — of the salt = het

spooksel van rang- en standverschil; The — self = de spookgestalte, het

visioen.

Spectroscope, spektrəskoup, spectroscoop; Spectrum, spektr’m, spectrum:

Solar —; — analysis = spectraal analyse.

Specular, spekjulə, als een spiegel, spiegelend, spiegel...

Speculate, spekjuleit, overpeinzen, bespiegelingen maken; speculeeren;

Speculation, spekjuleiš’n, overpeinzing, bespiegeling; speculatie; een

kaartspel; Speculative, spekjuleitiv, bespiegelend, theoretisch,

speculatief: — beet-market = termijnmarkt v. bietsuiker; subst. —ness =

ondernemingsgeest; Speculator, spekjuleitə, theoreticus; speculant.

Speculum, spekjulɐm, metalen spiegel: Ear, Nose —; — oculi =

oogspiegel; — oris = mondspiegel.

Sped, sped, imperf. en p.p. van to speed.

Speech, spîtš, taal, spraak, redevoering: The parts of — = rededeelen:

He delivered (made) a brilliant — = hield eene schitterende

redevoering; No —making, please = houd je redevoeringen voor je,

alsjeblieft; —-day = jaarl. prijsuitdeeling in scholen met de van

buiten geleerde lesjes der leerlingen; —-maker = redevoeringenhouder;

—ify = toespraken houden; —less = sprakeloos, stom; —less with

amazement = stom van verbazing; subst. —lessness.

Speed, spîd, subst. spoed, snelheid, bespoediging, voorspoed; — verb.

haast maken, snellen, begunstigen, doen bloeien, uitvoeren, goed

succes, of: het beste wenschen, varen: We were steaming on at full — =

met volle kracht; The horseman was spurring on at the top of his — =

spoorslags; Good — = goed succes! How —s life under your roof? = hoe

vaar jullie allen; May God so — me as I wish your welfare = moge God

zóó met mij zijn als ik u het beste wensch; To — the parting guest =

een heilwensch toebrengen; We sped on through the forest = snelden

voort; —well = eereprijs (plant); —er; —ily = —y; —iness = spoed; —y =

spoedig, haastig, snel.

Spell, spel, subst. tooverformule, betoovering; aflossing, hulp, rust,

arbeidsduur, wacht (op het schip), tijdje; — verb. betooveren,

beschutten, beteekenen, spellen, ontcijferen; aflossen: — and — = om de

beurt; To take — and — = elkaar aflossen; We had a — of rainy weather =

een tijd van regenachtig weer; He spoke for some minutes at a — =

achtereen; The birdie was under the serpent’s — = kon van angst voor de

slang niet weg, was door de slang als behekst; To cast (lay, set) a —

on = betooveren, beheksen; He had laid the public mind under a — = den

geest van ’t volk betooverd; I can — out this lesson if necessary = dit

lesje met wat moeite lezen; How does it —? hoe spelt men dat; It has

become a proverb that Shakespeare —s ruin = dat opvoeringen van de

stukken van S. zwaar verlies opleveren; —-bound = —-stopped =

betooverd; —er: He is a bad —er = kan niet zonder spelfouten schrijven;

—ing: —ing-bee = wedstrijd (gew. voor de aardigheid) in het spellen;

—ing-book = spelboek; —ing reform faddists = verwoede

spellinghervormers.

Spellicans, spelik’nz = staafjes van stroo, hout of ivoor, gebruikt bij

het knibbelspel; dit spel zelf.

Spelt, spelt, imperf. en p.p. van to spell.

Spelt, spelt, spelt.

Spelter, speltə, ongezuiverd zink.

Spencer, spensə, spencer.

Spend, spend, uitgeven, verteren, doorbrengen, besteden, afmatten,

uitputten, verliezen: To — and be spent = geld en krachten opofferen;

To — one’s breath = te vergeefs praten; We were invited to — the

evening there, but —ing the evening did not begin until 10 = den avond

door te brengen, maar de vroolijkheid begon eerst tegen 10; To — money

on a garden = besteden aan; The horse had spent its strength = was

doodaf; You — your words in vain = je verspilt je woorden te vergeefs;

—er; —thrift = verkwister; adj. verkwistend.

Spenser, spensə, Edm. Spenser; —ian, spensîriən: The —ian stanza =

bepaalde versbouw van Spenser’s Faery Queene.

Spent, spent, P. Imp. en P.P. van to spend, uitgegeven, afgemat,

doodop: A — rifle-shot = matte kogel; A horse quite — = doodop; — with

hunger and fatigue = uitgeput.

Sperm, spɐ̂m, zaad, kuit; —-oil = spermaceti olie; —-whale

(—aceti-whale) = spermaceti walvisch, cachelot; Spermaceti, spɐ̂məsîti,

spɐ̂məseti, spermaceti; Spermatozoon, spɐ̂mətəzou-on, spermatozoïde.

Spew, spjû, braken.

Spey, spei.

Sphacelate, sfasileit, door koudvuur aangetast worden, versterven,

wegvreten; subst. Sphacelation; Sphacelus, sfasilɐs, koudvuur, kanker,

beeneter.

Sphagnum, sfagn’m, veenmos.

Sphenodon, sfînədon, hagedis (N.-Zeeland).

Sphenoid, sfînôid, wigvormig: — bone.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 112 / 141 段