gebrekkig: This coffee is as — as ditch-water = zoo slap als
spoelwater; He is as — as water in his wife’s hands = als was in de
handen van zijne vrouw; That is his — side and it is there you must
take him = dat is zijne zwakke zijde; The — spot in the scheme = het
zwakke punt; In the struggle for life the —est go to the wall =
bezwijken de zwaksten; — verbs = zwakke werkwoorden; —-eyed = met
zwakke oogen; —-headed = met gering verstand; —-hearted = flauwhartig;
—-kneed = gemakkelijk bezwijkend, niet vastberaden; —-made = zwak
gebouwd, onsterk; —-minded = zwak, besluiteloos; —-sighted = met een
zwak gezicht; —-spirited = lafhartig, beschroomd; Weaken = verzwakken,
verslappen, verdunnen; —er; Weakling = zwakkeling, bloed, stumperd, ook
adj.; Weakly, adj. en adv. zwak, slapjes; Weakness = zwakheid,
slapheid: To have a — for = zwak hebben voor.
Weal, wîl, subst. welzijn, geluk, gemeenebest; striem of streep, teeken
van striemen; — verb. striemen: — and woe = wel en wee; The common,
general, public — = het algemeene welzijn of nut.
Wealth, welth, rijkdom, overvloed = —iness; adj. —y = rijk.
Weald, wîld, open boschland: The — = zich door Kent en Surrey
uitstrekkende vlakte.
Wean, wîn, spenen, afwennen, vervreemden, onttroggelen: She had no
desire to — him from Bessie = aan B. te onttroggelen; —ling, subst.
gespeend kind of jong; adj. pas gespeend.
Weapon, wep’n, wapen, doorn, prikkel: I had no — handy but a poker =
een pook was het eenige wapen dat ik bij de hand had; “Hands up, —s
down” = handen omhoog, wapens neerleggen! —ed = gewapend, toegerust;
—less = ongewapend.
Wear, wîə.
Wear, wêə, subst. het dragen of gedragen zijn, dracht, slijtage, mode;
— verb. dragen, slijten, afslijten, doorbrengen, vernielen, uitputten,
wenden of ophalzen (van een schip): The building and its ornaments had
suffered much from the — and tear of time = door den tand des tijds;
There is yet a good year’s — in that coat = die jas kan nog best een
jaar gedragen worden; To be very little the worse for — = nog niet veel
versleten; To be all the — = algemeen gedragen worden; She —s the
breeches = heeft de broek aan, is de baas; He wore a look of amazement
= keek verbaasd; She carried a mantle to — it in the night-time = zij
had een mantel over den arm, om dien ’s avonds te dragen; You — your
sweet smile to day = hebt uw vriendelijken glimlach; To — the willow =
om de(n) geliefde treuren; Time has worn away most of the inscription =
afgesleten; The night wore itself away = ging langzaam voorbij; One way
and another the day —s away = op de een of andere manier komen we den
dag door; These marks will never — away = zullen nooit weer uitslijten;
The water has worn off the stone = rond gesleten; All his wild pranks
will — off with time = al zijne wilde streken zullen er met den tijd
wel uitgaan; Time wore on = ging voorbij; To — out = afdragen,
uitputten, uitmergelen, afmatten, doorbrengen: I was worn (out) with
fatigue = kapot van, uitgeput; To — ill = zich slecht houden; His
patience is wearing thin = raakt op; This cloth —s well = houdt zich
goed in het dragen; You — (your age) well = gij houdt u goed voor uw
leeftijd; —able = geschikt om te dragen; —er = drager, wat uitslijt;
—ing: —ing-apparel = lijfdracht, kleederen.
Weariness, wîrinəs, vermoeidheid; Wearisome = vermoeiend, vervelend;
subst. —ness; Weary, wîri, adj. vermoeid, moede, vermoeiend,
bezwaarlijk; — verb. vermoeien, moe worden, afmatten, vervelen,
hinderen, hunkeren naar (for): I am — of working = het werken moe; I am
— with working = moe van het werken; I soon wearied of (zelden with)
the same succession of fields and houses = spoedig verveelde mij; The
soldiers were wearied out = geheel uitgeput; To be wearied out of
patience = zijn geduld verliezen.
Weasand, wîz’nd, luchtpijp.
Weasel, wîz’l, wezel: Catch a — asleep! = jij zult mij te pakken nemen!
—-faced = met een scherp en mager gezicht.
Weather, wedhə, subst. weder of weer; — verb. zich goed houden,
weerstaan, doorstaan, (laten) verweeren, overwinnen, te loever
omzeilen: Fair, fine, settled — = mooi, bestendig; Foul, Wild — =
slecht, onstuimig; How is the —? = What is the — like? = wat voor weer
is het; The ship was under a stress of — = had met hevige stormen te
kampen; The — has been very settled these three weeks = wij hebben de
laatste drie weken vast weer; The cold — at last breaks = ten slotte
slaat het weer om; The ship makes good (bad) — = houdt zich goed
(slecht) in een storm; To sing and dance all —s = de huik naar den wind
hangen; — and wind permitting = wind en weder dienende; To — a cape =
bovenlangs zeilen; To — a point = bovenlangs zeilen; winnen trots
tegenstand of moeilijkheden; To — a ship = de loef afsteken; This ship
is sure to — (out) the storm = dit schip zal bepaald den storm
doorkomen, zich goed houden in; —-anchor = anker aan de windzijde;
—-beaten = door stormen geteisterd, verweerd: A —-beaten coast, face =
eene door stormen geteisterde kust, verweerd gelaat; —-bitten =
verweerd; —-board, subst. windzijde, plank gespijkerd over de
stukpoorten v. een opgelegd schip; rand aan een raam voor het afvloeien
v. water (= —-boarding); — verb. planken over elkander spijkeren tegen
het doordringen van regen, sneeuw, etc.; —-bound = door het weer
teruggehouden of opgehouden; —-box = weerhuisje; —-breeder = een mooie
dag waarop zich een onweder schijnt samen te pakken; —-cloth =
verschansingskleed, presenning; —cock = weerhaan, wispelturig persoon:
She is rather —cocky = wispelturig; —-eye: He keeps his —-eye open =
hij is op zijn hoede, hij weet drommels goed wat hij doet; —-fish =
modderkruiper; —-ga(u)ge, loef, voordeel: To get the —-gauge of a
person = iemand de loef afsteken; —-glass = weerglas; —-house =
weerhuisje; —-mo(u)ldings = overhangende lijst (boven deur of venster);
—-proof = tegen het weer bestand; —-prophet = weervoorspeller;
—-quarter = loefzijde, windkant; —-report = weerbericht; —-roll = het
overhalen van het schip naar loefzijde; —-side = loefzijde; —-strip =
tochtlat; —-tide = stroom of tij van uit de lijzijde; —-vane =
windwijzer; —-wise = weerkundig; —-worn = verweerd; —ed = door het weer
geteisterd, verweerd; —ing = verweering; glooiing, afwatering; —ly =
loefgierig.
Weave, wîv, weven, samenweven, verzinnen, smeden: To — all pieces on
the same loom = alles over één kam scheren; Weaver = wever; —-bird =
wever(vogel); draaikever; —-fish = pieterman; —’s shuttle =
weversspoeltje; Weaving: —-loom = weefgetouw.
Weazen, wîz’n, verwelkt, verdroogd, mager: A —, piping, shrill Hurrah!
= een scherp, pieperig, schel Hoera! —-faced = met mager, uitgedroogd
gelaat; zie Wizen.
Web, web, subst. weefsel, (spinne)web, baard, groote rol papier, vlies
voor het oog, zwemvlies; — verb. als met een weefsel bedekken; —-eye =
nagelvlies op het oog; —-foot = zwempoot; —-footed = met zwempooten;
Webbed = met zwemvliezen: — feet; Webbing = geweven banden voor
gordels, etc.
Wed, wed, huwen, trouwen, vereenigen, nauw verbinden, samensnoeren: He
has been —ded to truth from his infancy = de waarheid is zijne
leidsvrouw geweest; Wedding = huwelijksfeest, trouwfeest, bruiloft: It
was only a marriage and no —, there was no breakfast and no feasting =
het was slechts eene huwelijksplechtigheid zonder feestelijkheden,
etc.; Silver, golden, diamond — = 25-, 50-, 60-jarige bruiloft; Paper,
wooden, tin, crystal, china — = 1-, 5-, 10-, 15-, 20-jarige bruiloft;
—-breakfast = lunch na de huwelijksvoltrekking; —-cake =
bruiloftstaart; —-card = huwelijkscommunicatie; —-day = trouwdag;
—-dower = huwelijksgift; —-favours = rozetten door de bedienden
gedragen; —-feast = huwelijksfeest; —-garment; —-gown; —-ring =
trouwring; —-tour, —-trip = huwelijksreis(je).
Wedge, wedž, subst. wig, keg, klomp, staaf; de laatste op de lijst bij
het Classical Tripos (het B.A. examen for honours in classieke talen te
Cambridge); — verb. met geweld indrijven of inbrengen, met eene wig of
wiggen bevestigen, splijten, spouwen: Take care (beware) of the thin
(small) end of the — = hoed u voor den eersten stap; To — one’s way =
dringen door; —-bone = wiggebeen; —-inscription = opschrift in
spijkerschrift; —-shaped = wigvormig = —wise.
Wedgwood ware, wedžwudwêə, soort aardewerk, genoemd naar den uitvinder
Josiah Wedgwood (1730–95).
Wedlock wedlok, huwelijk: Born out of — = buiten huwelijk geboren; To
enter upon — = in ’t huwelijk treden.
Wednesbury, wenzb’ri.
Wednesday, wenzdi, Woensdag.
Wee, wî, klein: A — bit = een klein beetje.
Weed, wîd, subst. onkruid (ook fig.); tabak, sigaar; voor de fokkerij
ongeschikt dier, paard dat “volbloed” lijkt, doch niet is; kleed(ing);
kleed (meest —s); — verb. wieden, uitroeien, uitrukken: Are you a lover
of the —? = rookt gij graag; Ill —s grow apace (never wither) = onkruid
vergaat niet; She was dressed in her (mourning) —s = in haar
weduwenrouw; Many defects will have to be —ed out first = uitgeroeid;
—-grown = met onkruid begroeid; —(ing)-hook = wiedijzer; —-prairie =
prairieland met veel wilde bloemen en struiken; —er = wieder, werktuig
of ijzer om mee te wieden; Weeding: —-shears = wiedschaar; —-tongs
(—-forceps) = wiedtang; Weediness, subst. v. Weedy = vol onkruid; lang
opgeschoten, slap, waardeloos als fok- en renpaard; sjofel.
Week, wîk, week: Will you come a — from Sunday = Zondag over eene week;
Next —, Last — = aanstaande, verleden week; The last — = de laatste
week; The next — = de volgende week; Next — or — after = de volgende
week of de week daarna; To-day (This day) — = vandaag over acht dagen;
— and — about = om de andere week; — in, — out = week in, week uit;
I’ll call again a — or ten days after this = ik kom over een dag of
acht, negen nog wel eens weer aan; A prophetic — = zeven jaren; —day =
werkdag; —-end = van Zaterdag tot Maandagmorgen; Weekly, subst. en adj.
wekelijksch (tijdschrift); adv. elke week, wekelijks.
Ween, wîn, denken, wanen, meenen.
Weep, wîp, subst. het schreien; — verb. schreien, weenen, beweenen,
beklagen, druppelen, vochtig zijn: She had a private — = schreide in
haar ééntje; He wept for joy = hij schreide van vreugde; They wept over
their losses = schreiden bij (om) hun verlies; Weeper = weener, klager,
witte rouwband om den arm, lang rouwfloers aan den hoed, rouwsluier,
lange baard (= —ers); Amer. bruine aap: Drooping whiskers of the kind
that used to be called Piccadilly —ers; Weeping: —-ash = treuresch;
—-birch = treurberk; —-elm; —-rock = dropsteen; —-spring = sijpelende
bron; —-tree = treurboom; —-willow = treurwilg.
Weet, wît, watersnip, riethoen.
Weever, wîvə, pieterman (visch).
Weevil, wîvil, soort snuitkever, kalander, koornworm; —led —(l)y = vol
wormen.
Weft, weft, inslag, weefsel.
Weigh, wei, subst. zeker gewicht (van wol ± 82,554 K.G.; van koren ±
1453,946 L.; Zie Wey); — verb. wegen, opheffen, opwegen, toewegen,
overwegen, neerbuigen, van gewicht zijn, gelden, schatten, hoogachten:
We are getting under — at last = eindelijk gaan we anker op, op weg; He
was —ed and found wanting = gewogen en te licht bevonden; I have been
—ing it carefully = zorgvuldig overwogen; They —ed anchor = zij
lichtten het anker; His great responsibility —ed him down = drukte hem;
The flour was —ed out to the poor women = toegewogen; That does not —
(with him) = dat beteekent niets (bij hem); —-bridge = brugbalans;
—able = weegbaar; —age, weiidž = weegloon; waaggeld; —er = weger;
Weighing: —-house = waag; —-machine = bascule; Weight, subst. gewicht,
zwaarte, druk, last, belangrijkheid, invloed; — verb. gewicht of
zwaarte toevoegen aan, bezwaren: Brute, Gross — = bruto gewicht; Dead —
= zware last, onnutte last, eigen gewicht (van vat, etc.); Net — =
netto gewicht; Set of —s = stel; He is a person of some — = beteekent
vrij wat, heeft invloed of aanzien; The jovial light — became a serious
man = het vroolijke zieltje-zonder-zorg; You have given me short — =
gij hebt mij te weinig gewicht gegeven; That has no — with me = weegt
niet bij mij; It has a special — just now = is thans van bijzonder
gewicht; This book is worth its — in gold = is zijn gewicht in goud
waard; To carry great — = van veel gewicht zijn; This I give you only
to make — = om het gewicht vol te maken; To pull up the —s of the
clock; His mind must not be —ed with all that stuff = niet bezwaard
worden; His words were —ed with the sorrow of parting = waren droevig
door; Weightiness, subst. v. Weighty = gewichtig, zwaar, belangrijk,
overtuigend, drukkend.
Weir, wîə, waterkeering of dam, omheining van palen of netten in eene
rivier om visch te vangen.
Weird, wîəd, onheilspellend, akelig, somber, bovenaardsch; subst.
noodlot, voorspelling, betoovering: — Sisters = schikgodinnen; (= —s);
To dree one’s — = zich in zijn lot schikken (Schotl.).
Welch, welš, bedriegen, er van door gaan met de ingezette
weddingschappen; —er.
Welcome, welk’m, subst. welkom, vriendelijke ontvangst; adj. welkom; —
verb. verwelkomen: Most — home = hartelijk welkom thuis; And — = en van
harte; You are quite — to it = het is tot je dienst, je moogt het
gerust aannemen; You are — to go = gij kunt om mij wel gaan; He might
have died and — = om mijn part was hij doodgegaan; To bid — = welkom
heeten; He made us — = hij bereidde ons eene vriendelijke ontvangst; To
outstay one’s — = langer blijven dan den gastheer aangenaam is; —r =
die verwelkomt of vriendelijk ontvangt.
Weld, weld, subst. wouw of verf-reseda; het wellen (v. metalen); —
verb. wellen, nauw verbinden: His statements are not thrown together,
but properly —ed = maar zitten behoorlijk in elkaar; —able = wat geweld
kan worden; —er = wie welt; A —ing heat came from the furnace = eene
verschrikkelijke hitte; —ing-furnace.
Welfare, welfêə, welvaart, voorspoed.
Welkin, welkin, hemelgewelf, zwerk.
Well, wel, subst. wel, put, bron, ijskelder (fig.), trappenhuis,
advocatenbank in de rechtszaal, wagenbak, bun of vischkaar; — verb.
opwellen, ontspringen, vloeien: The — of a carriage =
flesschenkeldertje van een wagen; The — of an orchestra = zitplaats (in
een theater) voor het orkest; She is at the —s = gebruikt de wateren;
Tears would — (up) into her eyes = welden dan op in hare oogen; The
—ing tears suffused her eyes = de opwellende tranen; —-boat =
visschersschuit met bun; —-deck = deel van het dek tusschen bak en
groote hut; —-drain = draineerbuis; — verb. draineeren; —-head = bron,
oorsprong, bronwel; —-hole = ruimte voor ascenseur of wenteltrap;
—-room = drinkvertrek (van geneeskrachtige wateren), hoosgat; —-sinker
= putgraver, -boorder; —-spring = bron; —-staircase = wenteltrap;
—-sweep = lange stok om water te putten; —-water = wel- of bronwater.
Well, wel, adj. wel, juist, goed, gezond; adv. goed, wel, gezond,
gelukkig, geheel en al, ten volle: I am very — = ik ben heel goed; I am
— with that family = op goeden voet; It is — with = staat goed met;
Where it is — with me, there is my country = waar het mij goed gaat;
That’s — = in orde; It is all very — for B. to talk of burning the
books = B. kan wel zeggen, dat..; It is always — to look ahead = het is
altijd goed om; When the old die, it is —, they have had their time =
is het maar goed; Ah, life is delicious; — to live long! hoe heerlijk
is het; The — and the ailing = gezonden; —, I never = heb ik ooit van
m’n leven! —! = welnu! Hoe staat het? etc.; — done = Bravo! All’s —
that ends — = eind goed al goed; Leave — alone = het betere is de
vijand van het goede, begeer niet het onderste uit de kan; You had as —
stay at home = ge deedt net zoo goed; He is virtuous as — as rich =
zoowel... als; You may — say so = dat zegt gij wél; All — and good =
alles goed en wel; If you have some better engagement — and good =
enfin, dan is het niet anders; He was sitting — back in his arm-chair =
flink, ver achterover; The servant is — enough, but = vrij goed; The
clergy are — to the fore in this novel = spelen eene eerste rol; He is
— nigh sixty = welhaast; To be —-off = goed “af” zijn, het goed hebben;
To be —-off for = goed voorzien van; At six we were — on our way = een
heel eind op weg; We are — on in July = een groot deel van Juli is al
om; To be — out of = gelukkig af zijn van; Before he was — out of the
room = goed en wel de kamer uit was; —-a-day = helaas! —-advised = goed
geraden, welonderricht; —-affected = genegen, welgezind; —-appointed =
volledig uitgerust, keurig ingericht; —-authenticated = door goede
autoriteit gestaafd; —-balanced = evenredig, gelijkmatig; —-behaved =
van goed gedrag, fatsoenlijk; —-being = welzijn; —-beloved =
veelgeliefd, dierbaar; —-born = van goede geboorte; —-bred = beschaafd,
welopgevoed, van goede afstamming; —-chosen = juist gekozen;
—-conditioned = in goeden staat; —-content(ed) = gelukkig, tevreden;
—-derived = van goede afkomst; —-deserving = verdienstelijk; —-disposed
= welgezind; —-doing = plichtsbetrachting, rechtschapenheid; —-dressed;
—-educated; —-favoured = knap uitziend; —-fed; —-founded = op goede
gronden steunend; —-informed = goed op de hoogte; —-knit = krachtig
gebouwd, wat goed in elkaar zit; —-known = (wel)bekend; —-lined = goed
gevoed, flink gespekt (fig.); —-mannered = van goede manieren,
welgemanierd; —-meaning = welmeenend, goedig; ook subst.; —-meant =
oprecht, hartelijk; —-met = heil, welkom; —nigh = bijna; —-paid = goed
betaald; —-proportioned = goed geëvenredigd; —-read = belezen;
—-refined = hoogst beschaafd; —-remembered = welbekend; —-reputed = te
goeder naam bekend, beroemd; —-seasoned = goed gekruid, goed gedroogd
(hout): An army of —-seasoned soldiers = beproefde soldaten; —-set =
goed geplaatst, gespierd, krachtig gebouwd; —-spoken = vriendelijk;
—-thumbed = beduimeld, veel gelezen; —-timed = tijdig; —-to-do =
welgesteld: The —-to-do = de gegoede burgerstand; —-wisher = wie een
ander het goede toewenscht of het goed met hem meent; —-won = eerlijk
verdiend; —-worn = afgedragen, versleten, druk betreden.
Wellesley, welzli; Wellington, weliŋt’n: — (boot) = laars met lange
schacht.
Welsh, welš, subst. en adj. (taal of bewoners) van Wales: —-flannel =
fijne soort v. flanel; —man = inwoner van Wallis; —-rabbit, —-rarebit,
Zie Rabbit; —-wig = kalotje (van wol of sajet); —woman.
Welsh, welš, zie Welch(er).
Welt, welt, subst. boordsel, reepje leer tusschen bovenleer en zool;
striem, buil, houw, slag; — verb. boorden, afzetten, ranselen,
verwelken, slap (kleverig) worden: Shoes worn to the — = totaal
afgedragen.
Welter, weltə, subst. rollen (der golven), verwarring, poel; — verb.
zich wentelen, rollen, baden; —-race = rennen met de zwaarste
belasting; —-weight = zware belasting, zwaar gewicht (worstelen).
Wemyss, wîmz.
Wen, wen, wen, uitwas.
Wench, wenš, jong meisje of jonge vrouw, negerin (Amer.); meid, boel; —
verb. boeleeren; —er = boeleerder.
Wend, wend, gaan, zich begeven naar: We —ed our way to the town =
begaven ons.
Wend, wend; —ic; —ish, subst. en adj. (taal) van de Wenden.
Went, went, imperf. van to go.
Wentletrap, went’ltrap, wenteltrap (slak).
Wept, wept, imperf. en p.p. van to weep.
Were, wɐ̂, wêə, imperf. van to be.
We’re, wîə = we are.
Wer(e)gild, wɐ̂gild, weergeld.
Wer(e)wolf, wɐ̂wulf, weerwolf.
Wert, wɐ̂t, 2e pers. sing. imp. van to be.
Wesley, wezli, Wesley: Wesleyan, subst. en adj. (lid van de secte) door
W. gesticht; —ism.
West, west, subst. Westen; adj westelijk; adv. ten westen, naar het
westen: The — End = Westeinde, aristocratische wijk in Londen; A
—-ender = bewoner van ’t Westeinde; — India; — Indian; The — Indies; To
the — of the city = ten westen van de stad; —ering = afstand naar het
westen, westelijke koers; —erly = westelijk; Western = westersch,
westelijk: The — Empire = het Westersch-Romeinsche rijk; —most = het
meest naar het Westen gelegen. Zie Westward.
Westmeath, westmîdh; Westminster, wes(t)minstə; Westmor(e)land,
wes(t)möland; Westphalia, westfeiljə, Westfalen; Westphalian, subst. en
adj. (bewoner) van W.
Westward, westwəd, naar het Westen, westwaartsch; —s = ten westen,
westwaarts.
Wet, wet, subst. vocht, nat, vochtig weer, regen, slokje, “hapje”; adj.
nat, vochtig, regenachtig, miezerig, beneveld; — verb. bevochtigen, nat
maken, weeken, doorweeken, dronken maken: Have a — = neem een “hapje”;
Something to keep the — out = een hapje tegen de vochtigheid van ’t
weer; I am — through = doornat; Her face was — with tears = nat van
tranen; A very — jew = een echte “spekjood”; To have a — night of it =
flink drinken; At eleven o’clock sharp, — or fine = bij regen of mooi
weer; — the other eye! = op één been kan men niet loopen; He is a
—-blanket = hij is een spelbederver; He is a —-bob = jongen (te Eton)
die aan watersport doet; —-dock = drijvend dok; —-nurse = min; —-pack =
natte omslag; —-shod = met lekke schoenen; —ness = natheid; To get a
—ting = nat regenen; —tish = nattig, eenigszins vochtig.
Wether, wedhə, hamel: Bell-— = belhamel (ook fig.).
Wetteravia, wetəreivjə, Wetterau.
Wey, wei, zekere maat (zie Weigh).
Weymouth, weiməth.
Whack, wak, subst. slag, opstopper, handslag, aandeel in den buit,
poging; — verb. ranselen, verdeelen, betalen; interj. pats! To go —s =
gelijk op deelen; He has had his — = zijn deel gehad, genoten; Say the
word and it is a — = en de koop is gesloten; To take a — at = eens
probeeren; Out of — = in wanorde; Justice was not fairly —ed out =
toebedeeld; Whacker = infame leugen; Whacking = kolossaal.
Whale, weil, walvisch: Your story is very like a — = uw verhaal is heel
onwaarschijnlijk, niet te gelooven; —-bird = soort stormvogel; —-boat =
walvischsloep; —-bone = balein; —-fin = balein; —-fishery =
walvischvangst; —-hunting = walvischvaart; —-louse = parasiet van den
walvisch; —-man = walvischvaarder; —-oil = walvischtraan; —-ship =
Groenlandsvaarder; —r = walvischvaarder; iets groots of plomps;
Whaling: —-master, kapitein van een —-ship.
Whall, wôl, glasoog (Z. Wall).
Whalley, woli.
Whame, weim, horsel = —-fly.
Whang, waŋ, subst. leeren riem, geesel, slag, bons, stuk of snede; —
verb. ranselen, geeselen.
Whap, wop; Zie Whop.
Wharf, wöf, subst. werf, kaai; — verb. lossen, vertuien; —age, wöfidž,
kaaigeld, (= —-charges), werven, ankerplaats; —-porter = sjouwerman;
—ing = werven in ’t algemeen, los- of ligplaats; Wharfinger, wöfinžə,
kaaimeester.
Wharton, wöt’n.
What, wot, wat, wat voor, welk, hetgeen, hoe, zulks, deels: — day of
the month is to-day? = de hoeveelste is het vandaag; — is the game? =
hoe staat de partij; — is your name? = hoe heet ge; — is the (best)
news = wat voor nieuws is er; — is the time (of day), — time is it? =
hoe laat is het; — is up there? = wat is daar aan de hand; — do you
call that? = hoe noemt ge dat? Mr. —-do-you-call-him = Meneer van der
Hummes; — money have you got? = hoeveel geld heb je; He gave away —
money he had = al het geld; I will tell you — = ik zal je eens wat
zeggen; — ho! = hei daar! — next? = en dan; — of that = wat doet dat er
toe; — then? = wat zou dat; — matter if they are = en wat doet het er
toe of ...; — nonsense = wat een onzin; It won’t do to get into a
groove, —? = niet waar? — about him? = hoe gaat het hem; He got — for =
kreeg er van; — if he comes = wat zullen we doen zoo hij komt, als hij
nu eens komt; — (care) though I am but poor? = wat hindert het; —
though he comes = aangenomen (wat hindert het); — between ... and =
deels door ... deels door = — with ... — with; He called me fool and —
not = en wat al niet; He knows — is — = hij heeft zijn weetje wel;
—e’er, —ever, —soever = al wat, wat ook, hoedanig ook: —ever is that on
your head? = wat drommel heb je toch op je hoofd; Nobody —ever =
niemand wie ook; —like = van welken aard.
Whatnot, wotnot, étagère.
Whaup, wôp, wulp.
Wheal, wîl, puistje, striem; mijn.
Wheat, wît, tarwe: Bearded — = spelt; —ear = tapuit (vogel); —-ear =
tarweaar; —-moth, (—-worm) = korenworm; —en = van tarwe: —en bread =
tarwebrood.
Wheedle, wîd’l, flikflooien, vleien, bepraten: He —d me out of 5
pounds, —d me into lending him that sum = hij kreeg er mij door mooie
praatjes toe, hem vijf pond te geven, leenen; He could — the tire off a
cart-wheel (He could — a horse’s hind leg off) = hij kon je het hemd
van ’t lijf bedelen; —r = vleier, flikflooier.