Stretch, stretš, subst. uitgestrektheid, spanning, inspanning, geval

van nood (On —), overdrijving, slag (bij ’t laveeren), recht einde van

een baan, richting; — verb. uitstrekken, uitsteken, rekken, op de leest

slaan, inspannen, overdrijven, met volle zeilen varen, in gestrekten

galop rijden: At (On) a — = achtereen, zonder ophouden; You can get

this at a — = desnoods, op zijn hoogst; To keep on (put upon, to) the —

= in spanning houden, spannen; We —ed south = voeren naar het Z.; Shall

I — the gloves for you? = uwe handschoenen even oprekken; I want to —

my legs = ik moet mijne beenen eens wat strekken; To — metals = metaal

uitsmeden; To — a point = zich bijzonder inspannen, veel moeite doen;

You are —ing the truth = doet der waarheid geweld aan; He —ed forth his

hands = stak uit; Stretcher = rekker, draagbaar, spoorstok (waar de

voet op rust bij het roeien), leugen: —-bearers = de soldaten

aangewezen om gewonden weg te dragen; Stretching-course = streksche

steenen.

Strew, strû, strou, (be)strooien, verspreiden, bezaaien, uitstrooien:

Illustrations — almost every page = bijna iedere bladzijde is rijkelijk

geïllustreerd; —n = gestrooid.

Stria, straiə, groef, fijne streep, cannelure; Striate, straiit,

gegroefd, met fijne lijnen of strepen gemerkt; subst. Striation,

straieiš’n.

Stricken, strik’n, geslagen, vergevorderd: — in age, in years =

hoogbejaard; — down in the full bloom of youth = weggenomen, gestorven.

Strickle, strik’l, strijkel (bij het graanmeten), wetsteen voor zeisen.

Strict, strikt, precies, nauwkeurig, streng: He kept a — watch over us

= hield streng toezicht; This won’t do in — grammar = dat kan er streng

grammatisch niet door; subst. —ness; Stricture, striktjə, kritische

opmerking, zinspeling (met upon); strictuur: He passed —s on me =

maakte aanmerkingen op mij.

Stride, straid, subst. groote stap, schrede, klein eindje; — verb.

schrijden, groote stappen doen, afstappen: It’s only a cock — = het is

maar eene haneschree; Giant’s — = zweef (gymn.); To get into one’s — =

op streek komen; To take long —s.

Strident, straid’nt, krassend, snijdend; Stridor, straidə, hard

krassend geluid; Stridulation = piepend, snorrend geluid; Stridulous,

stridjulɐs, krassend, piepend, knarsend.

Strife, straif, strijd, twist: To be at —.

Strike, straik, subst. strijkel (bij het graanmeten), maat van ½ tot 4

bushels; werkstaking; — verb. slaan, stooten, botsen, treffen,

strijken, afstrijken (bij het graanmeten), licht aanraken, staken,

munten, stooten op, aanheffen, aannemen, (wortel)schieten: To come, to

go on — = het werk staken; To declare a — off = opheffen; To — accounts

= rekeningen afsluiten, opmaken; To — an attitude = zich in postuur

stellen; To — foolish attitudes = dwaze houdingen aannemen; To — a

bargain = een koop sluiten; To — a blow = een slag toebrengen; The camp

was struck, marching orders having been received = het kamp werd

opgebroken; To — coins = munten slaan; To — fire = vuur slaan; To —

one’s foot against = stooten met; We struck hands with them = sloten

een verdrag; To — a match on one’s sleeve = aanstrijken; To — oil = een

petroleumbron ontdekken; fortuin maken; We struck the railway and

followed the line = kwamen aan de spoorlijn; The ship struck a hidden

rock = stootte op een blinde klip; To — sail = strijken; To — the sands

= op ’t strand loopen; We could — no soundings there = konden er geen

grond vinden; To — work = het werk staken; Heaven has struck him blind

(dumb) = heeft hem met blindheid, stomheid geslagen; It —s cool after

these hot rooms = ’t voelt kil, komt kil aan; To — home = raak slaan,

gevoelig treffen; An idea —s me = daar valt me in; It —s me that you

are pale = het valt mij op; He struck at my heart = richtte een slag

op; The moment he comes back, I — for a subscription = zal ik een

poging doen om hem te laten inteekenen; Here the cricket struck in =

viel mee in, begon mee te doen; He died of small-pox struck in = naar

binnen geslagen; I’ll try to — in with your wishes = te doen

overeenkomstig; Let us — into that green track = inslaan; — off a

shilling = doe er af; He was struck off the roll (list) = geroyeerd; He

struck off the heads of all the poppies = sloeg af; Struck on a girl =

verliefd op; He struck out forcibly = sloeg krachtig armen en beenen

uit (bij het zwemmen); To — out for oneself = zich zelf een weg banen

(fig.); Why did you not — out this word? = heb je niet doorgehaald; I

have struck out an entirely new plan = bedacht; To — to = zich

overgeven, slaan op; The band struck up the national anthem = zette in;

I have struck up a friendship (an acquaintance) with him = heb

aangeknoopt; —-measure = strijkmaat; —r = wie of wat slaat, treft,

enz., handlanger, officiers-oppasser (Amer.); werkstaker, verouderde

term voor Batsman; Striking = treffend, opvallend: A —-looking person =

met een opvallend uiterlijk; I wind up the —-part, —-work = slagwerk.

String, striŋ, touw of touwtje, snoer, riem, pees, reeks, serie, snaar,

koord, nerf, vezel, spier, zweep (Amer.); — verb. aan een touwtje

rijgen, spannen, besnaren, afhalen, van een pees voorzien, te pakken

nemen: Schubert’s Quartette for —s = voor strijkorkest; Have you got a

bit of — for me = een touwtje; He has two —s to his bow = meer dan een

pijl op zijn boog; A — of endearing names = eene reeks “lieve” namen; A

pretty — of prattling schoolgirls = een snoezig troepje; In a — = op

een rijtje, aan een risje; He has all the world in a — = alles danst

naar zijn pijpen; I have an other on the — = achter de hand; To have a

person on a — = aan ’t lijntje; All his nerves were strung to the

utmost = waren ten hoogste gespannen; She felt completely strung up =

zeer krachtig en vol leven; To — beads = kralen aanrijgen; To — beans =

boonen afhalen; —-band = strijkorkest; —-beans = snijboonen; —ed: —ed

instrument; —ed quartet = strijkkwartet. Zie Stringiness.

Stringency, strinž’nsi, strengheid, preciesheid, schaarschte,

gedruktheid; Stringent = beperkt, nadrukkelijk, hard, streng, bindend.

Stringiness, striŋinəs, subst. v. Stringy = vezelig, kleverig, vol

pezen; —-bark = soort v. eucalyptus (Austral.); —-barker = jong

kolonist (omdat ze in huizen woonden van —-bark gemaakt).

Strip, strip, subst. reepje, strookje; vernieling (Amer.): —s =

karwats, tuchtiging; — verb. afstroopen, strippen, ontkleeden, ontdoen,

onttakelen, uitmelken, berooven, wegnemen, schillen: He was —ped of

everything = beroofd; She —ped off her gloves = trok uit; —-leaf =

strippeling; —per = die afstroopt; namelker; —pings = de laatste melk

uit eene koe.

Stripe, straip, subst. streep, striem, slag, chevron; — verb. strepen,

strepen vormen, striemen: He has got (lost) his —s = hij heeft de

strepen gekregen (is gedégradeerd); —d = gestreept.

Stripling, stripliŋ, subst. jongmensch, jongmaatje; adj. jong, jeugdig.

Strive, straiv, streven, zich inspannen, pogen, kampen, strijden,

wedijveren (with): He strove against his weakness = streed tegen; —r.

Stroke, strouk, subst. slag, streep, trek, haal, zet, stoot,

plotselinge ziekteaanval, beroerte, achterste roeier in een boot: With

(At) a — = met één slag; This is a good (capital) — = een goede zet,

stoot, enz.; I have done a good — of business = een goeden slag

geslagen; — of fate = slag van het noodlot; — of the sun = zonnesteek;

Not a — of work = geen slag werk; It was on the — of eleven = op slag

van; He has had a — = beroerte; He fetched me a back — = gaf mij een

slag in ’t geniep, steek onder water; To give (set) the — = den slag

aangeven; To keep — = slag houden; He rowed — in our boat = hij roeide

slag in onze boot; —-oar = —sman = slagroeier.

Stroke, strouk, streelen, strijken, glad strijken, liefkoozen: You do

not know how to — him the right way = gij weet niet met hem om te gaan;

You — him the wrong way = irriteert hem, jaagt hem ’t land op.

Stroll, stroul, subst. wandeling; — verb. slenteren, wandelen,

ronddwalen: To go for (To take) a —; —er = zwerver, rondreizend acteur;

—ing actors = rondreizende tooneelisten; —ing-booth = kermistent.

Strong, stroŋ, sterk, krachtig, zwaar, hevig, vurig, flink, gezond,

talrijk, hel, schel: He is a little too — = hij overdrijft wat al te

zeer; To come (go) it — = boud spreken, zwetsen, opsnijden; By the —

arm = met geweld; To take a — line = flink aanpakken; — box = cassette;

— breeze = krachtige bries; — cigar = zware; — faith; — injunctions =

nadrukkelijke bevelen; He used — language = hij vloekte; — memory;

Grammar is not her — point; — pulse = krachtige; — room = safe, kluis;

— verbs; — wall = brandmuur; — waters = spiritualiën; —-bodied = sterk,

pittig; —hold = vesting; bolwerk (fig.); —-minded = flink,

onvrouwelijk; —-set = krachtig, stevig.

Strontium, stronšiəm, strontium.

Strop, strop, subst. scheerriem, strop voor een blok; — verb.

aanzetten, scherpen: The bird —ped his beak upon the tree.

Strophe, stroufî, strophe; Strophic, stroufik, strophisch.

Stroud, straud.

Strouding, straudiŋ, een grove warme stof, ook gebruikt als ruilmiddel

met de Roodhuiden.

Strove, strouv, imperf. van to strive.

Strow, strow; Zie Strew. Strown, stroun, p.p. van to strow.

Struck, strɐk, imperf. en p.p. van to strike: —-measure =

Strike-measure.

Structural, strɐktšur’l, den bouw betreffend, organisch; Structure,

strɐktšə, bouw, structuur, gebouw.

Struggle, strɐg’l, subst. worsteling, strijd, nood; — verb. worstelen,

spartelen, zwoegen, strijden (—s = trekkingen): The — for life

(existence) = de strijd om het bestaan; The — of life = levensstrijd;

He —d hard to get out of it = spande zich zooveel mogelijk in; —r.

Strum, strɐm, hameren, rammelen, tjingelen: I — a little = speel een

beetje; I heard the —ming all the evening = dat getjingel; She was

—ming her music-lesson = studeerde voor.

Struma, strûmə, kropgezwel, halskliergezwel; Strumose, strûmous,

Strumous, strûməs, klierachtig.

Strumpet, strɐmpət, subst. slet.

Strung, strɐŋ, imperf. en p.p. van to string.

Strut, strɐt, subst. trotsche majestueuse gang, gemaakte deftigheid by

het loopen; stut; — verb. trotsch en gemaakt deftig stappen, stutten;

—ter.

Struthious, strûthiəs, gelijk een struisvogel.

Strychnine, striknin, strychnine.

Stuart, stjûət.

Stub, stɐb, subst. stomp, stompje, eindje; souche; oude hoefnagel; —

verb. uitroeien, de wortels uitrukken; stooten tegen (Amer.): To buy at

the — = op stam koopen; To — one’s foot (toe) = met den voet stooten

tegen (Amer.); —-nail = kopspijker.

Stubbiness, stɐbinəs, subst. v. Stubby.

Stubble, stɐb’l, stoppel: —field; Stubbly = stoppelig.

Stubborn, stɐb’n, hardnekkig, koppig, halsstarrig, weerspannig,

volhardend; subst. —ness.

Stubby, stɐbi, vol stubs, kort en dik, stekelig, stijf.

Stucco, stɐkou, subst. gips of gipswerk; — verb. stukadoren:

—-ornaments; —er.

Stuck, stɐk, imperf. en p.p. van to stick: He stares like a — pig = hij

kijkt of hij het in Keulen heeft hooren donderen; A —-up fellow = een

pedant of trotsch kereltje.

Stud, stɐd, subst. stoeterij, dekhengst; knop, paal, zuil, nagel,

overhemds- of manchetknoopje; — verb. met knopjes of spijkertjes

beslaan of versieren, bezaaien: A high —ded room = eene hooge kamer op

pilaren; The entrance of the house was low —ded = laag onder

verdieping; The —ding had already given shape to the building = het

paal- en balkwerk deed den vorm van het gebouw reeds onderkennen; —ded

with quotations = vol; —-bolt = schroefbout; —-book = paarden- of

hondenstamboek; —-farm = stoeterij; —-horse = stamboekpaard, dekhengst.

Studding, stɐdiŋ: —-sail = lijzeil.

Student, stjûd’nt, student, beoefenaar, kenner, vorscher: — of nature;

We don’t call them —s at Oxford or Cambridge, we call them

‘undergraduates’; —ship = beurs; Studied, stɐdid, bestudeerd,

vormelijk, wel overwogen, gestudeerd: He did it —ly = met voordacht;

Studio, stjûdjou, atelier; Studious, stjûdiəs, vlijtig, ijverig,

leergierig, overlegd, zorgvuldig: He is — of performing your wishes =

doet zijn best om; subst. —ness; Study, stɐdi, studie, nadenken, ijver,

leergierigheid, onderzoek; studie, étude; studeervertrek; — verb.

studeeren, bestudeeren, nadenken; zich beijveren, rekening houden met:

He is a quick — = kan vlug leeren; His face was quite a — = het was de

moeite waard om te zien wat gezicht hij zette; He was in a brown — = in

somber gepeins verzonken; I’ll make it my — to please you = mijn best

doen; Her under— = de actrice die voor haar invallen moet in geval van

nood; I have studied you in everything = ik heb steeds getracht al uwe

wenschen te voorkomen.

Stufa, stûfə, dampwolk die in vulkanische streken uit den grond komt.

Stuff, stɐf, subst. stof, materie, hoofdzaak, het wezenlijke, goederen,

rommel, goed(je), dwaasheid; — verb. farceeren, opvullen, volproppen,

volstoppen, opzetten (van dieren), overladen, wijsmaken: He had the —

of a statesman in him = was geknipt voor; What you say there is — and

nonsense = klinkklare onzin; This poetry is — and trash = armzalige

rijmelarij; Food —s = levensmiddelen; The — = “duiten”; A —ed tiger =

opgezette; — a cold and starve a fever = bij een verkoudheid moet men

veel, bij koorts weinig gebruiken; The birds had —fed their nests in

all corners = hadden gestopt; —ing = werk, bladvulling, pakking,

vulsel; —ing-box = werkbus, pakkingbus; —iness, subst. v. —y = benauwd,

benepen, volgepropt; nijdig, eigenzinnig (Amer.): A hot and —y theatre

= een heete en benauwde schouwburgzaal.

Stulm, stɐlm, galerij, gang in een mijn.

Stultification, stɐltifikeiš’n, subst. v. Stultify, stɐltifai,

verdwazen, zich belachelijk maken; voor ontoerekenbaar verklaren; zich

zelf tegenspreken (reflex.); Stultiloquence, stɐltiləkw’ns, ijdel

gesnap, zotternij; adj. Stultiloquent.

Stumble, stɐmb’l, subst. struikeling, domheid, vergissing, bok; — verb.

struikelen, strompelen, knoeien, met den voet tegen iets stooten, zich

stooten aan (fig.), een bok schieten (fig.), toevallig treffen: Many —

at a straw and leap over a block = vele menschen zijgen (zuigen) de mug

uit en zwelgen den kemel door; It is a good horse that never —s = het

beste paard struikelt wel eens; I stumbled on it when looking for

something else = trof het toevallig; To — over a thing = struikelen;

—r; Stumbling-block (—-stone) = struikelblok, steen des aanstoots.

Stump, stɐmp, subst. stomp, stronk, politieke tribune, doezelaar,

paaltje van een wicket bij het cricketspel, (—s = beenen); — verb.

knotten, uitroeien, verbluffen, de stumps aanraken (bij cricket),

doezelen, opdokken (up), strompelen, eruit snijden (it), politieke

redevoeringen houden: I shall make you use your —s = je beenen maken;

To bestir one’s —s = beenen maken; To be (go) on the — = het land

doorgaan om polit. redevoeringen te houden; He has taken to the — =

houdt verkiezingsredevoeringen; Three candidates went —ing = hielden

verkiezingsredevoeringen; He —ed the country = reisde al redevoeringen

houdende het land af; We have —ed it = zijn er uitgesneden; Now I am

—ed = zit ik er in, ben ik verlegen; To — up = opdokken; —-foot =

horrelvoet; —-orator = verkiezingsredenaar, bombastisch spreker;

—-oratory = verkiezingswelsprekendheid; —-speaker = —-orator; —-speech

= verkiezingsrede, bombastische toespraak; —y = vul stompen, knoestig,

kort en dik; subst. geld, “centen”.

Stun, stɐn, verdooven, bedwelmen (door een harden slag), verbazen; —ner

= harde slag, iets buitengewoons: Isn’t he a —ner? = is hij niet een

kranige, bovenste beste vent; That’s a —ner = dat is een kolossale

leugen, groote opsnijderij; A —ning thing = iets dat verbazend groot,

mooi, enz. is.

Stundist, stɐndist, protestantsch afgescheidene in Rusland.

Stung, stɐŋ, imperf. en p.p. van to sting.

Stunk, stɐŋk, imperf. en p.p. van to stink.

Stunt, stɐnt, subst. belemmering (in den groei), iets dat in den groei

achterlijk is; — verb. belemmeren, den groei beletten; —ed = in den

groei belemmerd; subst. —edness.

Stupe, stjûp, subst. warme omslag; — verb. zulk een omslag leggen.

Stupefacient, stjûpifeiš’nt, subst. en adj. bedwelmend of verdoovend

(middel); Stupefaction, stjûpifakš’n, subst. bedwelming, verdooving,

gevoelloosheid, verbluftheid; Stupefactive = verdoovend, Stupefier =

verdoovend middel; Stupefy, stjûpifai, bedwelmen, verdooven, gevoelloos

maken, verbluffen; Stupendous, stjûpendəs, verbazend groot, kolossaal,

machtig; subst. —ness.

Stupid, stjûpid, stom, dom, onzinnig, dwaas; subst. domoor; Stupidity,

stjupiditi, domheid, stompheid = —ness.

Stupor, stjûpə, gevoelloosheid, stompzinnigheid: — of a limb = het

slapen.

Sturdiness, stɐ̂dinəs, subst. v. Sturdy, stɐ̂di, krachtig, stoer, forsch;

brutaal: — beggar.

Sturdy, stɐ̂di, subst. draaiziekte (bij schapen).

Sturgeon, stɐ̂dž’n, steur; adj. Sturionian, stûriounj’n.

Stutter, stɐtə, stamelen, stotteren; ook subst.; —er; He brought it out

—ingly = kwam er stotterend mee voor den dag.

Sty, stai, subst. varkenshok (ook fig.); stijgje of strontje (op het

oog); — verb. in een kot opsluiten, leven.

Stygian, stidžən, tot den Styx behoorende, helsch: — darkness = helsche

duisternis.

Style, stail, subst. stilus, stift, zuil, sonde; stijl, manier,

voornaamheid, titel, naam, tijdrekening; — verb. betitelen, noemen,

aanwijzen: New — = Gregoriaansche tijdrekening; Old — = Juliaansche

tijdrekening; That is the — = zoo hoort het, zoo is het naar den aard;

He lives in — = voornaam; In bad — = onbetamelijk; In good — = volgens

goeden smaak; Stylet = stilet, stijl, tentijzer; Styliform =

stijlvormig; Stylish = naar de mode, fijn, chic: A — dress = een

“chique” japon; subst. —ness; Stylist = stylist; Stylite, stailait,

styliet, pilaarheilige; Stylograph, stailəgraf, stift, vulpen;

Stylography, stailogrəfi, teeken- of graveermethode met de stift;

Styloid, stailôid, priemvormig.

Styptic, stiptik, subst. en adj. samentrekkend, (bloed)stelpend

(middel).

Styria, stiriə, Stiermarken; —n, subst. en adj. (bewoner) van

Stiermarken; Styx, stiks.

Su, s(j)û, Suabia(n) = Swabia(n).

Suability, siûəbiliti, vervolgbaarheid; Suable, siûəb’l, vervolgbaar

(in civiele zaken).

Suakin, swâkin.

Suave, sweiv, swâv, vriendelijk, minzaam, goedig; subst. Suavity,

swaviti.

Sub, sɐb (= Subaltern, Subordinate, Substitute); in samenst.:

eenigszins, zoowat, onder, lager dan, sub; —agent; —beadle =

onderpedèl; —committee; —deacon; —dean; —-distinction; —-editor =

tweede redacteur; —-genus = onderverdeeling; —governor; —-lieutenant =

2e luitnt. = Second l.; —-order = onderverdeeling; —prior = onderprior;

—rector = conrector; —-species = tweede soort; —-title; —-treasury =

depart. v. financiën van sommige Amer. steden; —-tutor = ondermeester;

—-variety = tweede variëteit; Zie verder de afzonderlijke artikelen.

Subacid, sɐbasid, zuurachtig, bijtend, scherp; ook subst.

Subacrid, sɐbakrid, tamelijk scherp.

Subaerial, sɐbəîriəl, onder de lucht.

Subah, sûbə, provincie (Indië); Subahdar, sûbədâ, sûbədâ, gouverneur

eener provincie; inlander met kapiteinsrang.

Subalpine, sɐbalp(a)in, onderaan de Alpen.

Subaltern, sɐb’ltɐ̂n, sɐbôltən, subst. en adj. ondergeschikt (ambtenaar

of officier onder den rang van kapitein); —ate, sɐbəltɐ̂nit,

ondergeschikt, opvolgend, afwisselend.

Subaquatic, sɐbekwatik, Subaqueous, sɐbeikwiəs, onder het water

(gevormd, levend).

Subaxillary, sɐbaksiləri, onder den oksel.

Subclavian, sɐbkleivj’n, onder het sleutelbeen.

Subconscious, sɐbkonšəs, half bewust.

Subcostal, sɐbkost’l, onder de ribben.

Subcutaneous, sɐbkjuteiniəs, onderhuidsch: — syringe = injectiespuitje.

Subdivide, sɐbdivaid, onder verdeelen; Subdivisible, sɐbdivizib’l,

onderverdeelbaar; Subdivision, sɐbdiviž’n, onderafdeeling.

Subdue, sɐbdjû, onderwerpen, onderdrukken, ten onder brengen,

overwinnen, temmen, kastijden, verzachten, omwerken: —d humour =

ingehouden humor; —r = overwinnaar, onderwerper.

Suberic, siuberik: — acid, kurkzuur; Suberose, siûbərous, Suberous,

siûbərɐs, kurkachtig, zacht, elastisch.

Subjacent, sɐbdžeis’nt, dieper gelegen.

Subject, sɐbdžəkt, subst. onderdaan, onderwerp, thema, cadaver,

patient, medium; adj. onderworpen, blootgesteld, vatbaar, onderhevig,

genegen: I approached the — with great predilection = vatte de taak op;

To dwell on a — = er bij stilstaan; — to his approval = afhankelijk van

zijne goedkeuring; — to fits of anger = opvliegend; — to my order = te

mijner beschikking; To hold — to a person = ter beschikking houden;

—-matter = onderwerp van gedachte of gesprek, stof.

Subject, səbdžekt, onderwerpen, blootstellen; Subjection =

onderwerping, afhankelijkheid: To bring to —; Subjective = subjectief;

Subjectivity, sɐbdžəktiviti, subjectiviteit.

Subjoin, səbdžôin, toevoegen, achteraan voegen: I — the following

remarks = voeg hier aan toe; —ed = hiernevens.

Subjugate, sɐbdžugeit, onder het juk brengen, gekluisterd houden;

subst. Subjugation; Subjugator = onderwerper.

Subjunction, səbdžɐŋkš’n, bijvoeging, toevoeging: In — to = verbonden

met; Subjunctive = aanvoegende, onderstellende (wijs).

Sublate, səbleit, wegvoeren, verwijderen.

Sublet, sɐblet, onderverhuren.

Sublimate, sɐblimeit, verb. sublimeeren; veredelen; subst. sɐblimit,

sublimaat: Our time tries to — away many dogmas = vele leerstukken, al

verfijnend en veredelend, te doen verdwijnen; subst. Sublimation.

Sublime, səblaim, adj. verheven; — verb. sublimeeren, gesublimeerd

worden; verheffen, veredelen: The — = het verhevene; — Porte = de

Verheven Porte; From the — to the ridiculous there is but one step;

Sublimity, səblimiti, verhevenheid: His — = titel van den Sultan.

Sublunary, sɐblûnəri, ondermaansch, aardsch.

Submarine, sɐbmərîn, onderzeesch; subst. zeeplant (—dier); ook — boat.

Submerge, sɐbmɐ̂dž, onderdompelen, onder water zetten, overstroomen: The

—d population = de (in den strijd om ’t bestaan) ondergegane bevolking;

—nce = Submersion, sɐbmâš’n = onderdompeling, overstrooming.

Submission, səbmiš’n, onderwerping, onderdanigheid, schulderkenning,

nederigheid; Submissive = onderdanig, onderworpen, nederig; subst.

—ness; Submit, səbmit, (zich) onderwerpen of vernederen, voorleggen,

aanbieden, beweren: He had to — to that humiliation = moest zich

onderwerpen; I — this matter to your better judgment = onderwerp; The

Governor —ted my name for appointment to the place = gaf mij op ter

benoeming; To — a testimonial = overleggen; He —ted that it was

impossible = gaf te kennen, gaf toe.

Submultiple, sɐbmɐltip’l, factor.

Subocular, sɐbokjulə, onder het oog.

Subordinate, sɐbödinit, ondergeschikt, onderhoorig; subst.

ondergeschikte, bijzin; — verb. (sɐbödineit) onderwerpen, ondergeschikt

maken; —ness = Subordination = ondergeschiktheid, onderwerping;

Breaches of — = insubordinatie.

Suborn, sɐbön, omkoopen, tot meineed verleiden: He was hanged

unlawfully, the evidence being —ed = aangezien de getuigen omgekocht

waren; —ation = omkooping; gehoorzaamheid: — of perjury = meineed; —er.

Subpoena, sɐbpînə, subst. dagvaarding met strafbedreiging bij

niet-verschijning = Writ of —; — verb. dagvaarden.

Subramose, sɐb-reimous, Subramous, sɐbreiməs, met weinig takken.

Subreption, səbrepš’n, verkrijging op slinksche wijze of door

misleiding; Subreptitious = op slinksche wijze verkregen.

Subrogation, sɐbrəgeiš’n, in-de-plaats-stelling, onderschuiving.

Subscapular, sɐbskapjulə, onder het schouderblad.

Subscribe, səbskraib, onderteekenen, inwilligen, (zich) abonneeren

(for, to): A gold medal had been —d for him by the learned society in

acknowledgment of this treatise = was hem vereerd geworden ...; I

cannot — to this = kan niet onderschrijven; Shall we — to this monthly

together? = samen inteekenen op; Subscriber = onderteekenaar,

inteekenaar; Subscript = onderteekend; Subscription, səbskripš’n,

inteekening, inschrijving, contributie, onderteekening: —s are invited

= inschrijvingen worden ingewacht; —-list = inteekenlijst.

Subsection, sɐbsekš’n, onderafdeeling.

Subsequence, sɐbsikwens, opvolging; Subsequent (to) = later, volgend,

opvolgend: She —ly stated this = vervolgens.

Subserve, səbsɐ̂v, dienen, bevorderlijk zijn: The bane of criticism

frequently is that it —s interests not its own = dat ze andere belangen

dan hare eigene dient; Subservience, Subserviency, səbsɐ̂vj’ns(i),

dienstigheid, bevorderlijkheid, nut; Subservient = dienstig,

dienstbaar, ondergeschikt: — to your interests = dienstig voor.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 117 / 141 段