—-bridge = schraagbrug; —-work = steigerwerk of viaduct op palen en
schragen (Amer.).
Tret, tret, goed gewicht, vier Eng. ponden toe op elke 100.
Trevelyan, trəvelj’n; Treves, trîvz, Trier.
Trevet, trevet. Zie Trivet.
Trey, trei, drie (op dobbelsteen of kaart).
Triable, traiəb’l, wat beproefd kan worden; subst. —ness; Trial,
traiəl, proef, experiment, verhoor, (gerechtelijk) onderzoek,
beproeving: By way of —; On — = op proef; On one’s — = in verhoor, in
onderzoek; Hour of —; He’s a great — to us = baart ons veel zorgen; A —
man = iemand, die “op proef” genomen wordt; The pest and — of the
libraries = plaag en beproeving; A — at bar = processen waarbij de 4
rechters v. het oude Superior Court waren betrokken, zoodat aan 3
Courts geen zaken behandeld konden worden; A — by jury = gerechtelijk
onderzoek door de jury; He was brought to (put to) his — = werd in
verhoor genomen, vervolgd; To commit for — = naar een rechtbank
verwijzen; Let him have a — = laat het hem eens probeeren; To make a —
of = de proef nemen; To move for a new — = appelleeren; To be put on
(committed for) — = in verhoor genomen, vervolgd worden; The steamer
gave much satisfaction in her —s = op den proeftocht (= —-trip);
—-balloon = proefballon (ook fig.).
Triangle, traiaŋg’l, driehoek, triangel; Triangular, traiaŋgjulə,
driehoekig: — compasses = passer met drie beenen; Triangulate,
traiaŋgjuleit, trianguleeren; Triangulation = triangulatie.
Trias, traiəs, triasformatie; adj. Triassic.
Tribal, traib’l, v. een stam: The — rules which regulate savage life;
Tribe, traib, stam, klasse, geslacht, familie, troep; —s-man, lid van
een stam.
Tribrach, traibrak, voet v. drie korte syllaben.
Tribulation, tribjuleiš’n, groot verdriet, zware beproeving.
Tribunal, traibjûn’l, rechtbank, gerechtshof, rechterstoel,
biechtstoel; Tribune, tribjûn, tribuun, tribune; —ship.
Tributary, tribjutəri, subst. en adj. schatplichtig(e staat); zijrivier
(= — stream); Tribute, tribjut, schatting, cijns, schatplichtigheid: To
pay the — of nature = den tol der natuur betalen; —-money = cijns,
schatting.
Tricapsular, traikapsiulə, met drie kapsels of cellen.
Trice, trais, ophijschen.
Trice, trais, oogenblikje: In a — = in een wip.
Tricentenary, traisentənəri. Zie Tercentenary; adj. Tricentennial.
Triceps, traiseps, driehoofdig.
Trichina, trikainə, trichine; Trichinosis, trikinousis,
trichinenziekte; adj. Trichinous, trikinɐs, trikainəs.
Trichord, traiköd, subst. en adj. driesnarig (instrument).
Trick, trik, subst. streek, kunstgreep, handigheid, poets, grap, trek,
slag, “volte”, eigenaardigheid, roergang (scheepst.); — verb.
bedriegen, bedotten; versieren, opschikken: Boy’s — = kwajongensstreek;
—s of fortune = grillen; Don’t come your —s here = haal hier geen
streken uit; He has done the — = is dood, kapot; He always had the bad
— of mumbling = de slechte gewoonte; We have the odd — = één slag
(trek) meer; I knew every — of his face = iedere uitdrukking; I know a
— worth two of that = daar loop ik niet in; He knows a — or two = is
uitgeslapen; He played you a bad — = heeft u eene leelijke poets
gebakken; To show —s = kunstjes vertoonen; He —ed me out of a
considerable sum = bedroog mij voor; I am tired of those dramatic
—-changes = die dramatische verrassingen; —er = bedrieger; —ery =
bedriegerij, bedotterij; —iness, subst. v. —y; —ish = vol streken,
bedriegelijk; subst. —ishness; —siness, subst. v. —sy; —ster =
bedrieger, schurk; —sy = schalksch, snaaksch, fijn; —y = vol streken,
ondeugend, snaaksch.
Trickle, trik’l, zachtkens vloeien, in droppels neerdalen: The blood —d
down my fingers = liep tappelings langs mijne vingers.
Trick-track, triktrak, triktrakspel.
Triclinium, traikliniəm, stel lage divans om drie zijden eener
eettafel, elk stel voor drie personen; Rom. feestzaal.
Tricolour, traikɐlə, driekleurig(e vlag); —ed.
Tricot, trîkou, tricot.
Tricycle, traisik’l, subst. driewieler; — verb. op een driewieler
rijden; Tricyclist = rijder op een driewieler.
Tridactyl(ous), traidaktil(ɐs), met drie teenen of vingers.
Trident, traid’nt, drietand, oppermacht ter zee; —ate(d), traidentit
(—eitid), met drie tanden.
Tridentine, traidentin, subst. en adj. het concilie v. Trente of de
stad betreffend.
Tridimensional, traidimenšən’l, met drie afmetingen.
Tried, traid, beproefd: A — friend = trouw; Trier, traiə, vroeger een
bepaald rechter.
Triennial, traienj’l, driejarig, driejaarlijksch.
Trifid, traifid, in drieën gespleten.
Trifle, traif’l, subst. kleinigheid, beetje, beuzeling, schoteltje v.
een gebak in sherry gedrenkt en met room en geslagen eieren bedekt; —
verb. spelen, spotten, beuzelen, verbeuzelen: I don’t stand upon —s =
zie niet op die kleinigheden; You are trifling away your time and money
= ge vermorst; Don’t — with me = houd me niet voor den gek; —r =
beuzelaar; Trifling expenses = niet noemenswaardige uitgaven.
Trifoliate(d), traifouljit (—eitid), driebladig; Trifolium,
traifoulj’m, klaver.
Trifurcate(d), traifɐ̂kit (—eitid), met drie takken of vorken.
Trig, trig, keurig, netjes.
Trig, trig, subst. remblok, remschoen; — verb. remmen, vastzetten.
Trigger, trigə, trekker (v. een vuurwapen): To pull the — = afvuren;
—-guard = beugel (onder den trekker).
Trigon, traigon, trigoon, driehoek; het samenkomen v. drie teekens van
den Dierenriem; —al, trigən’l, driepuntig, driehoekig;
Trigonometric(al), trigənəmetrik(’l), tot de driehoeksmeting
behoorende; Trigonometry, trigənomətri, driehoeksmeting.
Trigraph, traigrâf, drie klinkers met één klank, b.v. eau in beau.
Trihedral, traihîdr’l, traihedr’l, met drie gelijke zijden.
Trike, traik, verb. van Tricycle: These girls are adepts at triking =
rijden goed op driewielers.
Trilateral, trailatər’l, driezijdig.
Trilinear, trailinjə, met drie lijnen.
Trilingual, trailiŋgw’l, in drie talen.
Triliteral, trailitər’l, (woord) v. drie letters.
Trill, tril, subst. trilling, getrilde letter (zooals de Nederl. r),
tremblant (muz.); — verb. trillen, vibreeren.
Trillion, trilj’n, trillioen, 1 met 18 nullen (Amer. 1 met 12 nullen).
Trilobite, triləbait, zeker fossiel schelpdier.
Trilogy, trilədži, trilogie.
Trim, trim, subst. toestand, staat, orde, kleeding, gala, opschik,
garneersel; adj. netjes, keurig, proper, goed passend; — verb. in orde
brengen, netjes maken, versieren, uitrusten, snoeien, bijknippen,
garneeren, opmaken, oprakelen, schoonmaken, terechtwijzen, geschikt
maken, in goeden staat brengen (van een schip met betrekking tot
lading, ballast, masten, enz.): We are in good — = in goeden staat, op
alles voorbereid; She was dressed in regulation — = gekleed
overeenkomstig de voorschriften (op bals, etc.); Out of — = slecht
gestouwd; I —med him = veegde hem den mantel uit; To — a candle =
snuiten; Will you — the fire? = vuur oppoken (en den haard aanvegen,
etc.); He —med the lamp = maakte de lamp in orde; I have —med this
piece in here = dit stuk hier ingepast; The sails were —med = zoo
gunstig mogelijk (naar den wind) gezet; To — one’s sails accordingly =
de huik naar den wind hangen; Independent members do not — to political
demagogues = schikken zich niet naar; —mer = tremmer, politieke
weerhaan, terechtwijzer, terechtwijzing; —ming = terechtwijzing, pak
slaag; onstandvastigheid, weifelmoedigheid; —mings = oplegsel,
garneersel, toespijzen: Tea with —mings; —ness = netheid, etc.
Trimeter, trimətə, drievoetige versregel.
Trinal, train’l, drievoudig: — unity.
Tringle, triŋg’l, gordijnroede, kleine kroonlijst.
Trinidad, trinidad.
Trinitarian, trinitêrj’n, subst. en adj. (belijder) v. de
drieéénheidsleer; —ism = het leerstuk der drieéénheid; Trinity,
triniti, drieéénheid: —-house = oude corporatie te Londen bij welke
o.a. het toezicht op vuurtorens en boeien aan kusten en in rivieren
berust; —-Sunday = Zondag na Pinkster; —-term = een der vier termijnen
(22 Mei–12 Juni) gedurende welke Londensche rechtscolleges zitting
hielden; thans — Sittings van Dinsdag na Pinkster tot 12 Augustus.
Trinket, triŋkət, kleinood, lijfsieraad in ’t algemeen; — verb.
intrigueeren.
Trinomial, trainoumj’l, subst. en adj. drienamig(e term) = Trinominal,
trainomin’l.
Trio, traiou, trîou, trio, klaverblad (fig.).
Triolet, traiəlet, trîəlet, triolet.
Trior, traiə, ambtenaar, die onderzoekt of eene wraking van juryleden
juist is.
Trip, trip, subst. trippelpas, getrippel, uitstapje, gang, slag,
beentjelichten, struikeling, misstap, val, kleine fout; — verb.
trippelen, vlug loopen, huppelen, een uitstapje doen, struikelen, een
mispas doen, dwalen, op eene fout betrappen, beentje lichten: They went
on their wedding-— = op hun huwelijksreisje; Her foot —ped = zij
struikelde; I —ped him up = heb hem den voet gelicht; They —ped up one
another’s heels = volgden elkander onmiddellijk, zaten elkaar achterna;
I was —ped up by that branch = struikelde over dien tak. Zie Tripper.
Triparted, traipâtid, in drie stukken verdeeld; Tripartite, tripətait,
traipâtait, in drie deelen verdeeld, in triplo; Tripartition,
tr(a)ipâtiš’n, verdeeling in drieën.
Tripe, traip, pens, ingewanden, buik.
Tripetalous, traipetəlɐs, driebladig.
Triphthong, tripthoŋ, trifthoŋ, drieklank; adj. —al, tripthoŋg’l,
trifthoŋg’l.
Triple, trip’l, adj. drievoudig, driemaal; — verb. verdrievoudigen;
—-crown = pauselijke kroon; —-headed = driehoofdig; Triplet, triplət,
subst. trio, drieling, drieregelig versje, fiets voor 3 personen; adj.
drievoudig; Triplex, traipleks, trippelmaat; Triplicate, triplikit,
verdrievoudigd, drievoudig; subst. triplicaat; Triplication =
verdrievoudiging, tripliek; Triplicity, triplisiti, drievoudigheid.
Tripod, traipod, drievoet(ige stoel, tafel of ketel).
Tripoli, tripəli, Tripoli; Tripoline, tripəl(a)in; Tripolitan,
tripolit’n, (bewoner) van T.
Tripos, traipos, het Honours-Exam. te Cambridge voor den B.A. graad.
Tripper, tripə, trippelaar, danser, pleizierreiziger: Cheap —s =
pleizierreizigers; Tripple = korte galop: He put the tired nag into a
sort of — or ambling canter much affected by South-African horses.
Triptych, triptik, een uit drie deelen bestaande altaarschilderij;
antiek waschtafeltje met 2 bladen, die konden worden dichtgeslagen.
Triradiate(d), traireidjit (-eitid), met drie stralen.
Trireme, trairîm, galei met 3 rijen roeibanken boven elkaar.
Trise, trais, opeischen.
Trisect, traisekt, in drie gelijke deelen verdeelen; subst. —ion,
traisekš’n.
Trispermous, traispɐ̂məs, driezadig.
Trisyllabic(al), trisilabik(’l), drielettergrepig; Trisyllable,
tr(a)isiləb’l, trisiləb’l, drielettergrepig woord.
Trite, trait, afgezaagd, alledaagsch; subst. —ness.
Triton, trait’n, zeegod, watersalamander: He is a — among the minnows =
steekt verre boven zijns gelijken uit.
Triturate, tritjureit, tot fijn poeder malen of stampen; subst.
Trituration.
Triumph, traiəmf, subst. triomf, zegepraal; — verb. zegepralen,
zegevieren: He has —ed over all difficulties = glansrijk overwonnen;
—al, traiɐmf’l, zegevierend: —al arch = eereboog; —al car = zegekar;
—ant, traiɐmf’nt, zegevierend, zegepralend: — car (chariot) = zegekar;
—er = triumphator.
Triumvir, traiɐmvɐ̂, drieman; —ate, traiɐmvirit, driemanschap.
Triune, traijûn, drieëenig.
Trivalvular, traivalvjulə, driekleppig.
Trivet, trivət, treeft, drievoet: I am (as) right as a — = ik ben zoo
gezond als een visch.
Trivial, trivj’l, triviaal, onbeduidend, plat: — name = populaire naam
voor dier of plant; —ity, trivialiti, alledaagschheid, onbeduidend
iets: — verb. —ize; subst. —ness.
Trivium, trivj’m, naam voor de drie hoofdvakken in de Middeleeuwen:
grammatica, rhetorica en logica.
Triweekly, traiwîkli, traiwîkli, driemaal per week (verschijnend blad).
Troat, trout, subst. het schreeuwen van een hert in den bronsttijd; —
verb. schreeuwen (van een hert).
Trochaic, trəkeiik, trochaeisch.
Troche, troutš, trouk, troukî, (artsenij)tablet.
Trochee, troukî, trochee.
Trochil(us), trokil(ɐs), soort kolibri; tuinkoning.
Trod, trod, imperf. v. to tread; Trod(den), trod(’n), p. perf. van to
tread.
Troglodyte, tro(u)glədait, holbewoner; adj. Troglodytic(al),
trogləditik(’l).
Trojan, troudž’n, subst. en adj. Trojaan(sch).
Troll, troul, subst. lied (kànon), rondzang, rolletje aan een hengel,
soort kunstaas; aardgeest; — verb. rollen, ronddraaien, rondgeven,
neuriën, lokken, aantrekken, hengelen, slenteren, een rondzang
aanheffen.
Trollop, troləp, slons, slet; —y = slonzig, vuil, zedeloos.
Trollope, troləp.
Troll(e)y, troli, kar, lorrie, rol- of sledecontact bij electr. trams.
Trombone, tromboun, schuiftrompet.
Troop, trûp, subst. troep, hoop, menigte, escadron; — verb. in een
troep loopen, tot troepen of in eene menigte vereenigen, aftrekken
(away): To get one’s — = ritmeester worden; He sold out, and the sale
of his — gave us a competence = hij kocht zich uit, en de opbrengst van
zijne ritmeestersplaats verschafte ons genoeg om van te leven; —s of
the line = linietroepen; To levy (raise) —s; —ing the colours =
paradeeren; A —-horse = cavaleriepaard; —-ship = transportschip; —er =
cavalerist, transportschip: He swears like a —er = vloekt als een
dragonder.
Trope, troup, redefiguur, fig. uitdrukking.
Trophy, trofi, zegeteeken, tropee.
Tropic, tropik, subst. keerkring: — of Cancer = kreeftskeerkring; — of
Capricorn = steenbokskeerkring; The —s = de Tropen; —al = tropisch,
beeldsprakig: —al fruit.
Trossachs, trosaks.
Trot, trot, subst. draf; dribbeltje of hummeltje; — verb. draven, in
draf zetten: Little —s of four or five years old = kleine hummels; A
jog-— = sukkeldrafje; At (On a) full — = in vollen draf; He brought his
horse to a — = bracht zijn paard in draf; He was driving on at full — =
in vollen draf; To go for a — = een eindje omstappen; To keep a person
on the — all day = in touw houden (fig.); To — out = voorrijden; We’ll
have to — you out = wij zullen u moeten examineeren, u zal op de koord
moeten. Zie Trotter.
Troth, troth, trouw, geloof, waarheid, trouwbelofte: By my — = op mijn
woord; In — = voorwaar, waarachtig; They plighted their — = beloofden
elkaar trouw.
Trotter, trotə, draver, (schape-, of varkens)poot; Trotting: —-horse =
harddraver; —-match = harddraverij.
Trottoir, trotwâ, plaveisel.
Troubadour, trûbədûə, troubadour.
Trouble, trɐb’l, subst. onrust, zorg, droefheid, verlegenheid, ongeluk,
moeite, inspanning; — verb. verontrusten, storen, lastig vallen,
hinderen, verdriet doen, moeite veroorzaken, angst aanjagen: To be at
the — to = zich de moeite geven om; To be in — = in zorgen zitten; To
bring — upon oneself = zich in ’t ongeluk storten; —s like crows seldom
come singly = een ongeluk komt zelden alleen; My boy, you’ll get into —
= je loopt erin, je krijgt nog straf; There’s no good in meeting — =
geen zorg vóór den tijd; I fear I have put you to some — = dat ik u
last heb veroorzaakt; Will you take the —? = de moeite doen, u den last
getroosten; You might hare saved me that — = dien last kunnen besparen;
I will spare no — = geen moeite ontzien; Don’t — (your head) about this
= heb daar geene zwarigheid over; I will — myself no more about him =
me niet meer druk om hem maken; May I — you for the gravy? = om de jus
verzoeken; There the wicked cease from troubling = daar houden de
boozen op van beroering (Job. III, 17); To fish in —d water = in
troebel water visschen; —r = verontruster, verstoorder; Troublesome =
lastig, moeilijk, vervelend: My back is — = ik heb last van (pijn in)
mijn rug; subst. —ness; A troublous life = leven vol zorgen; In
troublous times = in tijden van beroering.
Trough, trof, trog, bak, etensbak, golfdal = — of the sea.
Trounce, trauns, afrossen, uitschelden; Trouncing = afstraffing.
Troupe, trûp, troep tooneelspelers.
Trousering, trauzəriŋ, broekstof; Trousers = lange broek: A pair of — =
eene broek; To go into — = een lange broek aankrijgen; To turn up the
end of one’s — = zijn broekspijpen omslaan; Trouser-strip = galon.
Trousseau, trûsou, uitzet van de bruid.
Trout, traut, forel(len); —-coloured = forelkleurig (wit met zwarte
spikkels); —-farm = kweekerij; —let = kleine forel.
Trouvère, trûvêə, minnezanger.
Trove, trouv. Zie Treasure; —r = bezitverkrijging door vinden,
onrechtmatige toeëigening: Action of —r = aanklacht wegens deze
toeëigening.
Trow, trau, trou, trû, gelooven, vertrouwen.
Trowbridge, troubridž.
Trowel, trauəl, subst. troffel; — verb. met een troffel opleggen; You
are laying it on with a — = legt het er dik op (fig.).
Troy, trôi, Troje, Troyes (stad Z.O. v. Parijs): —(-weight) = gewicht
van 12 ounces in het pound (= ± 373,242 gr.), alléén voor goud, zilver
en juweelen; medicijnen.
Truancy, trûənsi, wegblijven, schoolverzuim; Truant, trûənt,
plichtverzakend, lui, de school verzuimend; subst. leeglooper,
spijbelaar; — verb. omboemelen, spijbelen: He often plays (the) truant
= spijbelt dikwijls; To run — = wegloopen; —-school = school voor
geregelde verzuimers.
Truce, trûs, wapenstilstand, tijdelijke opschorting: Flag of — = witte
(parlementaire) vlag; A — to your doggerel = schei uit met je gerijmel;
You have broken (the) — = den wapenstilstand verbroken; To make — with
= een wapenstilstand sluiten; —-breaker = verbreker van afspraak of
wapenstilstand.
Truck, trɐk, subst. ruilhandel, huishoudelijke artikelen, handel,
gedwongen winkelnering, verkeer; groente, afval (Amer.); katrol,
handwagen, lage stellage op wielen, lorrie, open goederenwagen, kleine
ronde schijf of kloot boven aan vlaggestok of mast; — verb. ruilhandel
drijven, schacheren, venten, in trucks overladen of verzenden; —-man =
ruilhandelaar, wagenrijder; —-system = gedwongen winkelnering; —age,
trɐkidž, ruilhandel, vervoerloon; —ful = wagenvol.
Truckle, trɐk’l, subst. wieltje, rolletje; — verb. voortrollen; zich
aan den wil van anderen onderwerpen, slaafsch zijn, kruipen voor (to),
voortrollen; —-bed = ledikant op rolletjes; He —s to circumstances =
onderwerpt zich aan de omstandigheden; People crawl and — for social
success = kruipen en buigen zich; —r = kruiper.
Truculence, trɐkjulens, woestheid, wreedheid, woest uiterlijk;
Truculent = ruw, wreed, vreeselijk.
Trudge, trɐdž, voortsukkelen, zich voortslepen: He —d after his father
= sukkelde achter zijn vader aan.
True, trû, waar, trouw, standvastig, eerlijk, echt, zeker, regelmatig,
recht, rechtmatig, juist: What you say there is — enough = is volkomen
waar; He was — to his country and loyal to his king = trouw aan koning
en vaderland; — to one’s word; He gave us a — account of it = een
nauwkeurig verhaal; — bill = uitspraak v. de Grand Jury, dat na
onderzoek van het bewijsmateriaal rechtsingang zal worden verleend met
verwijzing naar de Petty Jury (Panel); A perfectly — circle = volkomen;
— copy = eensluidend afschrift; To come — = uitkomen (v. droomen); To
go — = goed loopen (v. horloges); To hold — = waar blijven; To prove —
= waar blijken; —-blue, subst. trouw, oprecht en eerlijk persoon, echte
Tory; adj. onwrikbaar, trouw en eerlijk; —-born = echt, van wettige
geboorte; —-bred = van echt ras, van goede opvoeding; —-hearted =
trouwhartig, eerlijk; subst. —-heartedness; —-love, subst. minnaar,
geliefde; —-love(r’s)-knot = soort van dubbele knoop (zinnebeeld v.
wederzijdsche trouw en liefde); —penny = eerlijke vent; —ness = trouw,
oprechtheid, juistheid, etc.
Truffle, trɐf’l, truffel; —-dog = truffelzoeker (hond); —-hunter.
Trug, trɐg, kalkbak; ⅔ bushel; groentemand.
Truism, trûizm, gemeenplaats, waarheid als eene koe.
Trullization, trɐlizeiš’n, het pleisteren.
Truly, trûli: Yours — = hoogachtend uw, etc.
Trump, trɐmp, subst. troefkaart, goede kerel, kranige vent; — verb.
troeven, troef (uit)spelen, verzinnen, opdrijven: To call for —s =
vragen; To lead off a — = opkomen met; To play —s; He was put to his
—(s) = tot het uiterste gebracht; You always turn up —s = gij boft
altijd, u loopt alles mee = All your cards are —s; —ed-up = verzonnen,
waardeloos: An accusation was —ed up against us = werd tegen ons
verzonnen; —ery, subst. vodden, prulleboel, bedriegerij; adj.
waardeloos, prullerig.
Trumpet, trɐmpət, subst. trompet, scheepsroeper, uitbazuiner; — verb.
met veel ophef bekend maken, uitbazuinen, uitbundig prijzen,
trompetten: The last — = de bazuin van den oordeelsdag; A flourish of
—s = fanfare; He blows (sounds) his own — = verkondigt zijn eigen lof;
He —ed forth his friend’s praise = stak de loftrompet over zijn vriend;
—-call = trompetsignaal; —-fish = trompetvisch; —-fly = schapenhorzel;
—er = trompetter, loftuiter, schetteraar, trompetvogel; soort duif.
Truncal, trɐŋk’l, tot den stam of romp behoorende; Truncate, trɐŋkit,
adj. afgeknot; — verb. (trɐŋkeit), afknotten, snoeien: —d cone
(pyramid) = afgeknotte kegel (piramide); Truncation, trɐŋkeiš’n,
afknotting, het afgeknot zijn.
Truncheon, trɐnš’n, subst. stam, stomp, schacht, staf, knuppel,
maarschalksstaf; — verb. afrossen.
Trundle, trɐnd’l, subst. rol, wieltje, rolwagen; — verb. rollen, doen
rollen, hoepelen: Let them — = laat ze loopen; —-bed = rolbed; —-head =
kop v. een kaapstander; —-tail = krulstaart.
Trunk, trɐŋk, romp, stam, snuit (v. olifant), neus, koffer, hoofdlijn
(voor spoor of telefoon); bak, koker: —s = —-hose = korte wijde broek
boven de knieën ingenomen; —-line = hoofdlijn van spoor, kanaal, etc.;
—-maker = koffermaker; —-root = hoofdwortel; —-sleeve = pofmouw.
Trunnel, trɐn’l = Treenail.
Trunnion, trɐnj’n, tap (van een kanon).
Truss, trɐs, subst. bundel, pakje, bosje, stellage of geraamte,
pianokast, breukband, console; — verb. stijf binden, opstroopen,
terecht trekken van kleeren, versterken, opmaken: He —ed on his rags =
hing zijne lompen om; He —ed up his hair = bond op; A —ed fowl =
opgemaakte vogel (gereed om te worden gebraden); —-maker =
breukbandenmaker.
Trust, trɐst, subst. vertrouwen, geloof, toevertrouwd iets, deposito,
crediet, zorg, vereeniging v. personen ten einde het monopolie te
verkrijgen of te behouden; — verb. vertrouwen, gelooven, toevertrouwen,
crediet geven, lichtgeloovig zijn, zich verlaten op: A distillers’ — =
vereeniging van distillateurs; Breach of — = trouwbreuk; Position of —
= post van vertrouwen; To give — = crediet geven; You are in my — = mij
toevertrouwd, onder mijne hoede; Bonds in — = effecten, etc. in
bewaring; The watch was committed to my — = mij ter bewaring
toevertrouwd; Don’t put your — in such people = stel geen vertrouwen
in; I took it on — = op goed geloof; I will — him no further than I can
see; it was —ed to my care = toevertrouwd aan; I will — you with this =
u dit toevertrouwen; — me for that = daar kunt ge op aan; — him to do
it = hij “lapt net hem” wel; Trustee, trɐstî, beheerder,
gevolmachtigde, commissaris, curator; —ship; Trustful = vertrouwend;
subst. —ness; Trustless = niet te vertrouwen; subst. —ness;
Trustworthiness, subst. van Trustworthy = trouw, vertrouwd, beproefd.
Truth, trûth, waarheid, oprechtheid, getrouwheid, standvastigheid: He
did — = hij volgde Gods bevelen; Why don’t you speak the —? = waarom
zegt gij de waarheid niet; In — = in waarheid, waarachtig, inderdaad;
Of a — = waarlijk; —-ful = waarheidlievend, vertrouwbaar; subst.
—fulness.
Truttaceous, trəteišəs, forellen...