Alien, eilj’n, vreemd, buitenlandsch, in strijd met (to); subst.

vreemdeling, iemand niet in het bezit der burgerschapsrechten; —-Act =

vreemdelingenwet; —ability = vervreemdbaarheid; —able = vervreemdbaar,

overdraagbaar; —ate, eiljənit, adj. vervreemd; — verb. (eiljəneit)

vervreemden, overdragen; subst. —ation: Mental — = waanzin; Alienee =

nieuwe eigenaar. —ism = vreemdelingschap; —ist = dokter voor

krankzinnigen.

Alight, əlait, adj. aangestoken, brandend, verlicht: Her eyes are — =

schitteren; He intends to set the Thames — = hij heeft groote plannen;

The crocuses were — = in bloei.

Alight, əlait, uitstappen, afstijgen, neervallen, neerstrijken,

aantreffen: To — at an hotel = afstappen; To — from a horse =

afstijgen; The bird —ed on the branch = neerstrijken.

Align, əlain, (zich) richten; —ment, richting; tracé.

Alike, əlaik, gelijk, op dezelfde wijze: They are very much — =

gelijken veel op elkaar; They are all treated — = op dezelfde wijze; —

brilliant and ... = zoowel ... als.

Aliment, aliment, subst. voedsel; levensonderhoud; — verb. (iemand)

onderhouden; Alimental, voedzaam; Alimentary, voedend, voedings...: —

canal = voedingskanaal; Alimentation, voeding, voedzaamheid, onderhoud:

Derangements of — = voedingsstoornissen.

Alimony, aliməni, onderhoud, alimentatie.

Aline, əlain = Align.

Alive, əlaiv, in leven, levend, levendig, gevoelig voor; lettend op,

bewust: The best man — = van de wereld; No man — = geen sterveling; All

— = met oogen en ooren open; He is terribly — to an affront = zeer

gevoelig voor; To be — with = wemelen van; Look — = vlug wat, maak

voort; They skinned him — = vilden hem levend, sloegen hem rauw.

Alkali, alkəli, loogzout; —ne, alkəl(a)in, alkalisch; —zation,

alkalisatie; —ze, alkaliseeren; Alkaloid, alkəlôid, alkalisch;

alkaloïde.

All, ôl, subst. het geheel, het alles, allen; adj. en adv. geheel,

gansch, volkomen: When — is said (told) = bij slot van rekening = After

—; That’s — = en daarmee is het uit; They have lost their (little) — =

al wat zij bezaten; My boy is my —; — and sundry = allen zonder

onderscheid; I have known him — along = al dien tijd; It is — along of

you = alles uw schuld; — but = bijna; This sentence is — capitals =

bestaat geheel uit; — day (the town) = de geheele; I am — ears and eyes

= ik luister en zie zoo scherp toe als me mogelijk is; On — fours = op

handen en voeten; It is — one (the same) to me = hetzelfde; He is a

fool — over = een groote dwaas; That’s D. — over = net iets voor, lijkt

precies op; He is — right = gezond, klaar, binnen, etc.; Did it cost —

that? = zóóveel? Not — there = niet recht snik; — through = van begin

tot einde; — of a sudden = plotseling; — the better = des te beter; —

the better for = veel beter vanwege; If you do it at — = nog, soms

mocht doen; I asked her if she was at — acquainted with him = soms ook;

If you are telling a lie at — = toch eenmaal liegt; What she did at —,

she did thoroughly = wat ze nu eenmaal deed; The be — and end — of life

= in zijn geheel; Take that man for — in — = geheel zooals hij is; For

— I know = voor zooverre ik weet; This is a time of — others = vooral

een tijd; How can you say such things, and about me of — people = en

nog wel van mij; To-night of — nights = nog wel van avond; Fifteen — =

15 gelijk (bilj.); How could you understand at your age and — =

trouwens ook op jou leeftijd; Not at — = in ’t geheel niet; —-comers =

allen, die zich aanmelden; —-father = alvader, godheid; —-fools’ Day =

de eerste April; —-fours = een zeker kaartspel; An —-gone sensation =

gevoel, dat men voor de poes is; —-hail = gegroet! —-hallow(s) =

Allerheiligen, 1e November; An —-in match = wedstrijd, waaraan allen

meedoen, bijv. potspel (bilj.): —-over, ziek, misselijk; —-overish =

onlekker; —-round = rondom, in den regel, veelzijdig, van zessen klaar:

An —-round actor = voor alle rollen geschikt; —-round price (rate) =

uniform vracht, prijs van een artikel in zijn verschillende soorten;

—-Souls’ Day = Allerzielen, 2e November; —-spice, myrt, nagelbol,

pimentbes; The —-wise (—-powerful, and —-good) = de Alwijze, etc.

Allah, ala, Allah; Allahabad, alahabâd.

Allay, əlei, doen bedaren, stillen, verzachten, verlichten; —er,

verzachter, verzachtend middel.

Allegation, aligeiš’n, bewering, getuigenis; citaat.

Alledge, Allege, əledž, verklaren, aanvoeren, beweren; adj. —able.

Alleghany, aləgeini: — Mountains.

Allegiance, əlîdž’ns, trouw: Oath of — = eed van trouw; To swear —;

Allegiant, trouw.

Allegoric(al), aləgorik(’l), allegorisch; —alness; Allegorization =

allegor. behandeling; Allegorize = allegor. voorstellen; Allegory =

allegorie.

Alleluia, alilûjə, Hallelujah!

Al(l)emanni, aləmanai, Allemannen; Allemannic, Allemanisch.

Alleviate, əlîvjeit, verlichten, verzachten; Alleviation =

verzachting(smiddel); Alleviator = verzachtend middel.

All(e)y, ali, steeg, laan, gang, baan (kegel —): Blind — = blinde

steeg.

Alliance, əlai’ns, verbond, verbintenis, verwantschap, band: To enter

into (form, make) an — = een verbond aangaan.

Alligation, aligeiš’n: Rule of — = alligatie rekening.

Alligator, aligeitə, (Amerikaansche) krokodil, kaaiman.

Alliterate, əlitəreit, allitereeren; Alliteration, əlitəreiš’n,

stafrijm, alliteratie; Alliterative, allitereerend.

Allocate, aləkeit, toewijzen; Allocation, toewijzing.

Allocution, aləkjûš’n, allocutie, Latijnsche toespraak v. d. Paus tot

de verg. kardinalen.

Allodial, əloudj’l, allodiaal; Allodium, əloudj’m, allodium.

Allonge, Fransche uitspr., verlengstuk; uitval; leireep.

Allopath, aləpath, allopaat; adj. Allopathic; Allopathist = allopaat;

Allopathy, əlopəthi, allopathie.

Allot, əlot, volgens het lot toebedeelen, toewijzen; —ment =

toewijzing; halve soldij of huur aan het gezin van soldaat of matroos:

—ments-act (1887) = wet, waarbij de Sanitary Authority v. een district

wordt gemachtigd stukken grond te koopen of te onteigenen ten behoeve

van arbeiders, die zich voor het huren daarvan aanmelden; Allotee =

wien iets toebedeeld wordt; —ter = toebedeeler.

Allow, əlau, toestaan, veroorloven, erkennen, aftrekken, beweren

(Amer.): — for = in aanmerking nemen; aftrekken; He was —ed a hundred a

year = hij kreeg; He is —ed to be a fool = iedereen geeft toe dat hij

is; The estimate does not — for any increase of value = bij de

schatting is geen rekening gehouden met; He —s of your excuse = neemt

aan; The season —s of it now = veroorlooft; —able, veroorloofd, af te

trekken, rechtmatig; Allowance = vergunning, rabat, rantsoen, toelage;

— verb. eene toelage geven; op dieet stellen: Dress — = kleedgeld;

Regulation — = rantsoen; His weekly — = weekgeld; I will give due — for

that fact = voldoende rekening houden met; You must make —(s) for his

hard words = door de vingers zien; To place on an — = op rantsoen

stellen.

Alloy, əlôi, subst. allooi, bijmenging, vermindering; — verb. legeeren:

Without — = onvermengd; —age, legeering.

Allude, əl(j)ûd, zinspelen, toespelen: Did you — to that circumstance?

Allure, əl(j)ûə, aanlokken, verlokken; —ment, verlokking, aas,

aantrekkelijkheid.

Allusion, əl(j)ûž’n, toespeling; Allusive = toespelend; subst. —ness.

Alluvial, əl(j)ûvj’l, alluviaal; Alluvion, alluvie; Alluvium =

alluvium.

Ally, əlai, subst. bondgenoot; verb. verbinden: To be allied =

verbonden (verwant) zijn.

Alma(h), alma, Oostersche zangeres en danseres.

Almadia, almədîə; Almadie, almədi, eene boot of kano van boombast

(Indië, Afrika).

Almagra, əlmagrə, almagra.

Almanac, ôlmənak, almanak: Pictorial — = geïllustreerde; — of the

million = volks-almanak.

Almandine, alm’nd(a)in, roode granaat.

Almightiness, ôlmaitinəs, almacht; Almighty, ôlmaiti, almachtig: subst.

de Almacht(ige): God —; The — dollar = de almacht v. h. geld.

Almond, âm’nd of almənd, amandel: Jordan —s = Malaga amandelen;

Soft-shelled — = kraakamandel; —-nails = fijne, schoon geronde nagels.

Almoner, almənə, aalmoezenier; Grand —, Lord High — =

Groot-aalmoezenier; Almonry, alm’nri, woning v. d. aalmoezenier; plaats

in een klooster waar aalmoezen worden uitgedeeld.

Almost, ôlmoust, bijna, nagenoeg: He is an — Protestant; My — sister =

mij bijna zoo dierbaar als een zuster; — never = bijna nooit.

Alms, âmz, aalmoes, aalmoezen: —-bag = kerkezakje; He lives on the

—-basket = van liefdadigheid; —-box = offerbus = —-chest; —-deed = daad

van liefdadigheid; —-house = hofje, armenhuis; —-man, âmzman,

provenier, bedeelde (vr. —-woman); —-people = bedeelden.

Alnwick, anik, Alnwick.

Aloe, alou, aloe; —s, alouz, aloesap; Aloetic = aloeachtig;

aloepreparaat.

Aloft, əloft, omhoog, boven aan (in) den mast: To go — = naar boven (in

het want) gaan; To pipe — = een fluitsignaal daartoe geven.

Alone, əloun, alleen, eenzaam: Let — = om nog niet te spreken van; Let

(leave) him — = laat hem met rust, begaan; Let it — = blijf er af; Let

well — = als iets goed is, wees daar dan ook tevreden mee; stuur den

boel niet in de war door je bemoeizucht; Let him — to be in time = laat

hem maar loopen, hij komt wel op tijd; Let your brother — for a clever

administrator = die broeder van u is toch; She can walk — = alléén

loopen.

Along, əloŋ, voort, vooruit, langs: Come — = kom mee; She made her way

— = zette voort; Twenty miles — = verder op; All — = over de geheele

lengte; al dien tijd; I guessed it all — = al dien tijd, altijd wel; It

is all — of you = ’t komt alles door u; Go — with you = och loop! We

went there — with him = in zijn gezelschap; Take this — with you = neem

het mee; — shore = langs de kust: —-shore-man = scheepssjouwerman;

—-side = langs zij.

Aloof, əlûf, op een afstand, ver; te loevert: To keep — = zich op een

afstand houden, neutraal blijven; This sorrow shook her — from life =

vervreemdde haar van; The Scotch and the Frisians stand in the repute

of characteristic —ness = hebben den naam, dat hun aard niet

toeschietelijk is; An —ness from people = gereserveerdheid.

Alost, âlost, Aalst (stad).

Aloud, əlaud, luide.

Alow, əlou, beneden, naar beneden.

Alp, alp, alp, bergweide; —ine, alp(a)in, adj. alpijnsch, alpen...,

zeer hoog: —en-horn; —enstock = alpenstok; The —s.

Alpaca, alpakə, alpaca.

Alpha, alfə: — and Omega.

Alphabet, alfəbet, subst. Het Abc; — verb. alphabetisch rangschikken:

They have to learn the — of their business = het A.B.C., de

grondbeginselen; —arian, beginneling; Alphabetic(al), alphabetisch.

Already, ôlredi, reeds.

Alroy, ôlrôi; Alsace, alsâs, Alsatia, alzeišə, de Elzas; ook: een

vroeger berucht gedeelte van Londen; Alsatian, Elzasser, subst. en adj.

Also, ôlsou, eveneens, ook.

Alt, ôlt, alt(stem).

Altar, ôltə, altaar, de avondmaalstafel, heiligdom: He led her to the —

= naar het altaar; —-cloth = altaardwaal; —-piece = altaarstuk;

—-table, altaartafel; —-tomb = altaartombe.

Alter, ôltə, veranderen: To — one’s condition = van betrekking

veranderen; huwen; —ability = veranderlijkheid; —able, veranderlijk;

subst. —ableness; —ation, verandering; —ative = veranderend, subst.

bloedzuiverend geneesmiddel.

Altercate, altəkeit, twisten, kijven; Altercation = ruzie.

Alternate, altɐ̂nit, ôltɐ̂nit, adj. alternatief, beurtelings,

afwisselend; subst. plaatsvervangend predikant; — verb. altəneit,

ôltəneit, beurtelings doen, afwisselen; subst. —ness; Alternation,

afwisseling; permutatie; beurtzang; Alternative = alternatief; ook

subst.: They went there alternat(iv)ely = om beurten.

Althea, al-thîə, althea, stokroos.

Altho(ugh), ôldhou, (al)hoewel, ofschoon.

Altimeter, altimətə, altimeter; Altimetry, altimetrie.

Altitude, altitjûd, hoogte, hoogtepunt: To take the sun’s — = de zon

schieten (zeet.); He is in his — = buitengewoon vroolijk; adj.

Altitudinal.

Alto, altou, alt: —-clef (= klef) = alt-sleutel = —-key.

Altogether, ôltəgedhə, in het geheel, volkomen: That’s — wrong =

heelemaal mis; — they formed a picture = alles te zamen, alles bijeen

genomen.

Altruism, altruizm, altruïsme; Altruist, altruïst; Altruistic =

altruïstisch.

Alum, al’m, subst. aluin; — verb. met aluin vermengen; —-water =

aluinwater.

Aluminium, aljuminj’m = aluminium.

Alutaceous, aljuteišəs, lederachtig, lederkleurig.

Alveary, alvjəri, bijenkorf, (buitenste) oorholte.

Alveolar, alvîələ, alviələ, tand...; Alveolus, əlvîəlɐs, honigcel,

tandholte.

Alvine, alv(a)in, onderbuiks...

Alway(s), ôlwi(z), altijd, steeds, geregeld.

Alwin, alwin, Alewijn.

Amadou, amədû, tonder, zwam.

Amain, əmein, met alle kracht, in eens, gauw: Let go — = strijk!

vallen!

Amalgam(a), əmalgəm(ə), amalgaam, mengelmoes; —ate, əmalgəmit,

vermengd; — verb. əmalgəmeit, amalgeeren, (zich) vermengen; —ation,

amalgatie.

Amanuensis, əmanjuensis, amanuensis.

Amarant(h), amərant(h), —hus, aməranthəs, amarant; purperkleur;

Amaranthine, amarant; onvergankelijk.

Amaryllis, amərilis, amarillis.

Amass, əmas, ophoopen; —ment, ophooping.

Amateur, amətɐ̂, amətjuə, amətjuə, amateur; His work is —ish = als van

een dilettant; —ism, dilettantisme.

Amatory, amətəri, verliefd, liefde...; minnedrank.

Amaurosis, amôrousis, zwarte staar; adj. Amaurotic.

Amaze, əmeiz, verbazen, ontstellen; subst. verbazing = —ment.

Amazon, aməz’n, amazone, manwijf, heldin; Amazonian = strijdbaar.

Ambages, ambeidžiz of ambədžiz, omhaal van woorden, uitvluchten; adj.

Ambagious.

Ambassador, ambasədə, (af)gezant; Ambassadorial, gezantschaps...,

diplomatiek; —ship; Ambassadress, afgezante, vrouw van den afgezant.

Amber, ambə, subst. amber, barnsteen; adj. amber: —grease = —gris =

ambergrijs.

Ambidexter, ambidekstə, iemand, die beide handen even vaardig kan

gebruiken; een onoprecht, dubbelhartig mensch; Ambidexterity,

vaardigheid met, etc.; Ambidextrous, vaardig met beide handen;

dubbelhartig.

Ambient, ambj’nt, omringend: — air = dampkring.

Ambiguity, ambigjûiti, Ambiguous(ness), ambigjuəs(nəs),

dubbelzinnigheid.

Ambition, ambiš’n, eerzucht; wrok, nijd (Amer.); Ambitious =

eerzuchtig, begeerig, hoogdravend, aanstellerig, schitterend; subst.

—ness.

Amble, amb’l, subst. telgang, kalme gang; verb. (laten) loopen als een

telganger; voorzichtig of gemaakt loopen; —r = telganger.

Ambrose, ambrouz, Ambrosia, ambrouž(i)a, ambrosia, godenspijs; —l,

ambrozijnsch, hemelsch; zwierig: They appeared in —l locks and rolling

collars; —n = —l.

Ambry, ambri, etenskast, vliegenkast.

Ambs-ace, amzeis, eimzeis, dubbel een of aas; ongeluk.

Ambulance, ambjul’ns, ambulance, ambulance-wagen = —-cart (-wagon);

—-man = drager.

Ambulate, ambjuleit, rondtrekken; Ambulator = afstandsmeter; Ambulatory

court = rondgaand gerechtshof.

Ambuscade, ambəskeid, Ambush, ambuš, subst. hinderlaag; — verb. in

hinderlaag liggen, plotseling aanvallen: To lay an — for (To lie in —).

Ameer, əmîə, (Afghaansch) emir.

Amelia, əmîljə, Amalia.

Ameliorable, əmîljərəb’l, te verbeteren; Ameliorate, əmîljəreit,

verbeteren, beter worden; Amelioration, verbetering, stijging;

Ameliorative, verbeterend.

Amen, eimen, âmen, het zij zoo, amen: To say Yes and — to everything.

Amenable, əmînəb’l, verantwoordelijk; afhankelijk (to); onderworpen;

vatbaar, ontvankelijk voor; —ness = verantwoordelijkheid, etc.

Amend, əmend, verbeteren, amendeeren; beter worden: He —ed his ways =

beterde zich; —able, voor verbetering vatbaar; —atory = verbeterend

(Amer.); —ment, verbetering, amendement: To move an —ment; —s = excuus,

vergoeding: To make —s for.

Amenity, əmeniti, aangenaamheid, vriendelijkheid; Amenities =

beleefdheden, lievigheden.

Amerce, əmɐ̂s, beboeten met geld (in money); —ment, boete.

America, əmerikə, —n, əmerik’n, subst. en adj. Amerikaan(sch): —n fair

= een soort liefdadigheidsbazaar; —n leather = een soort van

donkerbruin wasdoek; The America Cup = een beker, die voor ’t eerst in

1851 door de Royal Yacht Squadron als prijs werd aangeboden; —nism =

voorliefde v. het Amerik.; Amerik. eigenaardigheid v. taal, etc.; —nist

= kenner v. Amerik. toestanden; —nize = veramerikaanschen; Americomania

= manie voor alles wat Amerik. is.

Amesbury, eimzbri.

Amethyst, aməthist, amethist; purperkleur; —ine, violetkleurig.

Amiability, eimjəbiliti, beminnelijkheid; Amiable, eimjəb’l,

beminnelijk, lief; —ness.

Amiant(h)us, amian-təs, asbest, steenvlas.

Amicability, amikəbiliti, vriendschappelijkheid; Amicable, amikəb’l,

vriendschappelijk, welwillend; subst. —ness.

Amice, amis, amictus, de strook linnen, die de priester bij de mis over

den schouder draagt; soort toga.

Amid(st), əmid(st), te midden van: —ships = mid(den)scheeps.

Amir, əmîə = Ameer.

Amiss, əmis, verkeerd, te onpas: Don’t take it — = kwalijk; That is not

— = niet kwaad.

Amity, amiti, vriendschappelijke verhouding: All is — and sweetness =

pais en vree, botertje tot den boom.

Amma, amə, breukband.

Ammonia, əmounjə, ammonia: Liquid — = salmiakgeest: —c = Ammoniacal,

ammoniak....; Ammonium, ammonium.

Ammunition, amjuniš’n, krijgsvoorraad; ’model’-(mil.): —-boots =

“model” schoenen; —-bread = kommiesbrood; —-cart = munitiewagen.

Amnesia, amnîsiə, verlies van ’t geheugen.

Amnesty, amnəsti, subst. amnestie; verb. amnestie verleenen.

Amock, əmok. Zie Amuck.

Among(st), əmɐŋ(st), vermengd met, te midden van: — ourselves = onder

ons gezegd; We bought the house and garden — us = met ons allen (méér

dan twee).

Amorist, amərist, minnaar; Amorous, verliefd, liefdes..; subst. —ness.

Amorphous, əmöfəs, vormloos, amorphe.

Amortization, əmötizeiš’n, overdracht, amortisatie; Amortize, əmötaiz,

goederen schenken of overdragen (in de doode hand); amortiseeren;

subst. —ment.

Amount, əmaunt, subst. som, bedrag; hoofdinhoud: — of balance = saldo:

verb. bedragen: The debit —s to 50 guilders a head = bedraagt.

Amour, əmûə, minnarij.

Amove, əmûv, wegzenden, ontzetten.

Amphibia, amfibjə, amphibieën; Amphibian, amfibjən, tweeslachtig

(dier); Amphibiology = de leer der amphibieën; Amphibious =

tweeslachtig.

Amphibrach, amfibrak, amphibrachys (⏑ – ⏑).

Amphiscians, amfisiənz; Amphiscii, amfisiai, dubbelschaduwigen.

Amphitheatric(al), amfithiatrik(’l), amphitheatersgewijze;

Amphitheatre, amfithîətə, amphitheater.

Amphitrite, amfitraiti, vrouw van Poseidon; kokervorm.

Amphora, amfəra, amphora.

Ample, amp’l, groot, ruim, breedvoerig, prachtig; —ness, grootte, etc.;

Amplification = vergrooting, uitweiding; Amplify = vergrooten,

uitbreiden, uitweiden.

Amplitude, amplitjûd, grootte, uitgestrektheid, rijkdom; amplitudo: —

of oscillation = slingerwijdte.

Ampulla, ampɐla, fleschje bij de Romeinen in gebruik ter balseming van

het lichaam na het baden; glazen karafjes bij het Misoffer gebruikt;

zilveren (tinnen) busjes met H. olie gevuld; fleschjes met bloed gevuld

en gelegd bij de graven der martelaren; Ampullaceous, blaasvormig.

Amputate, ampjuteit, afzetten; Amputation = amputatie; Amputator = hij,

die amputeert.

Amsel, ams’l, lijster.

Amuck, əmɐk, amok: To run — against = in blinde woede aanvallen.

Amulet, amjulet, amulet.

Amuse, əmjûz, (aangenaam) bezighouden, vermaken: To be —d at (by, in,

with) = zich vermaken met, pret hebben over; Amusement, vermaak,

tijdverdrijf; Amuser = iemand die met beloften paait; handlanger.

Amy, eimi.

Amygdalate, əmigdəleit, subst. amandelmelk; adj. amandelachtig.

An, ən, art. het onbepaald lidwoord (vóór vokalen); conj. indien, of;

prep. = on.

Ana, einə of ânə, letterkundige anecdoten over, uitspraken van:

Shakespeariana.

Anabaptism, anəbaptizm, Anabaptisme; Anabaptist = Anabaptist;

Anabaptistic(al) = Anabaptistisch.

Anachronism, ənakrənizm, anachronisme, Anachronistic = anachronistisch.

Anaconda, anəkonda, python, reuzenslang.

Anacreon, ənakrion, Anacreon; Anacreontic, anacreontisch (vers).

Anaemia, ənîmiə, bloedarmoede; Anaemic, ənemik, bloedarm.

Anaesthetic, anəs-thetik, gevoelloos, verdoovend; subst. verdoovend

middel; Anaesthetize = verdooven.

Anagram, anəgram, anagram; —matic(al), een anagram betreff. of vormend.

Anak, einak: Son of —.

Analecta, anəlekta, Analects, anəlekts, bloemlezing; Analectic, Anal.

betreffende.

Analepsis, anəlepsis, herstel van krachten; Analeptic, subst. en adj.,

versterkend (middel).

Analepsy, anəlepsi, herstelling.

Analogical, anəlodžik’l, analogisch; Analogism, ənalədžizm,

gevolgtrekking uit analogie; Analogize = analogisch verklaren;

Analogous = analogisch; Analogue = analogon; Analogy, ənalədži,

analogie: By false — with; In — with; On the — of.

Analysable, anəlaizəb’l, anəlaizəb’l = ontleedbaar; Analysation =

analyse; Analyse = analyseeren, oplossen; Analysis = analyse,

oplossing; Analyst = scheikundige: Public — = ambtenaar met het

onderzoek van voedingsmiddelen belast; Analytic(al) = ontledend.

Anana(s), ənanə, əneinəs, ənânəs, ananas.

Anapaest, anəpest, anapaestus (⏑ ⏑ –).

Anarch, anək, onruststoker; tyran; Anarchic = anarchistisch; —ism =

anarchisme; —ist = anarchist; —y = anarchie.

Anasarca, anəsâka, huidwaterzucht; Anasarcous, huidwaterzuchtig.

Anathema, ənathəma, anathema, banvloek; —tization = excommunicatie,

vervloeking; Anathemize = vervloeken.

Anatomical, anətomik’l, anatomisch; Anatomist = anatoom; Anatomize =

ontleden; Anatomy = ontleedkunde, ontleding; geraamte.

Ancestor, ansəstə, stamvader, voorvader; Ancestorial = Ancestral,

ansestrəl, ansestrəl, voorvaderlijk; Ancestress, ansəstrəs, stamvrouw;

Ancestry = geslacht, afstamming, (hooge) geboorte, voorvaders.

Anchor, aŋkə, subst. anker; — verb. ankeren, rusten: I had an — to

windward = nog iets achter de hand, in reserve; To be at — (= To ride

at —) = voor anker liggen; To cast, drop (let go the) — = laten vallen;

To weigh (the) — = het anker lichten; The fluke (of an —) = hand,

klauw; Sheet — = plechtanker (ook fig.); —age = ankergrond,

ankerplaats, liggeld: The ship was cast loose from her — = is

losgeslagen.

Anchoret, aŋkərət, Anchorite, aŋkərait, kluizenaar.

Anchovy, antšouvi, ansjovis.

Ancient, einš’nt, oud, uit vroegeren tijd, eerwaardig, verjaard; subst.

grijsaard, oudere collega; vlag, vaandrig; The —s = de Ouden,

klassieken; oudsten: The — of Days = God de Vader; —ness, oudheid; —ry

= ouderdom, voorrang, hooge geboorte.

Ancillary, ansiləri, ondergeschikt, aanvullend.

Ancipital, ansipit’l, tweesnijdend = Ancipitous.

And, and of ən(d), en: Without buts, ifs and —s = zonder voorbehoud; —

all that (sort of thing) = en dergelijke (meer); Deeper — deeper = al

dieper; She wept — wept = schreide al maar door; Try — take it = tracht

het te nemen; What’s that — please you? = met uw verlof, wat is dat?

Andalusia, andəl(j)ûžə, Andalusië; —n, Andalusisch; Andalusiër;

Andaman, andəman: — Islands.

Andante, andante, adj. andante; subst. andante; Andantino, andantînou,

andantino, adj. en subst.

Andes, andîz, de Andes.

Andiron, andaiən, vuurbok; het ijzer, waarin het spit draait;

haardstel.

Andrew, andrû, Andries: Merry — = Hansworst; St. Andrews, s’ntandrûz.

Androgynal, androdžin’l = Androgynous, androdžinɐs, tweeslachtig;

Androgyny, tweeslachtigheid.

Andromache, androməkî; Andromeda, andromədə; Andronicus, andrənaikəs.

Anear, ənîə, nabij.

Anecdotage, anəkdoutədž, verzameling anecdoten: He fell into — = werd

sufferig; Anecdotal = anecdotisch; Anecdote = anecdote; Anecdotic(al) =

anecdotisch, anecdoten..., praatziek.

Anemograph, əneməgraf, anemograaf; Anemography = anemographie;

Anemometer, anəmomətə, anemometer.

Anemone, Anemony, əneməni, anemoon.

Aneroid, anerôid, aneroïde barometer.

Anew, ənjû, opnieuw, anders.

Angel, einž’l, engel, Godsgezant, oude Engelsche munt (± 10 s.): Talk

of an —, and we hear the flutter of her wings = als men van den duivel

spreekt, komt hij zelf, of stuurt een oud wijf; The father gave his

little cherub a flying — = de vader nam zijn kleinen lieveling op den

schouder; Guardian — = beschermengel; —-shot, kettingkogel; Angelic(al)

= engelachtig; Angelology = engelenleer.

Angelica, andželikə, engelkruid.

Angelot, anžələt, eene soort luit; oud Eng. muntstuk van 5 shillings;

kaas (uit Normandië).

Angelus, anžəlɐs, de “Angelus” verkorte aanduiding van het gebedje

“Angelus Domini nuntiavit Mariae”, etc. Het wordt driemaal daags

gebeden bij ’t luiden van het Angelus klokje = —-bell.

Anger, aŋgə, subst. toorn, gramschap, verontwaardiging; — verb.

vertoornen, tergen.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 3 / 141 段