Post, poust, paal, stijl, post, ambt, plaats, militair station of post,

bode, brievenbesteller, postdienst, postkantoor, postpapier; — verb.

aanplakken, op de kaak stellen, stationneeren, per post verzenden,

geheel op de hoogte brengen, boeken, snel of met postpaarden reizen;

adv. spoedig, snel: General — = een gezelschapsspel; algemeene

promotie; The last — = laatste post; taptoe signaal (nu gewoonlijk

geblazen bij de begrafenis van een soldaat); To answer (reply) by

(return of, the first, the earliest) — = per (keerende) post; Lost in

the — = verloren geraakt; To ride — = als koerier rijden, snel rijden;

To send by — = per post; I was sent from — to pillar, and from pillar

to — = ze stuurden mij van ’t kastje naar den muur; He is on the wrong

side of the — = verkeert in een moeilijke positie; You ought to have

—ed me about him = mij ’t noodige omtrent hem te hebben meegedeeld; A

notice was —ed up in the market-place = eene bekendmaking werd

aangeplakt; He is well —ed (up) in this branch of learning = hij is

goed op de hoogte; Her diary was —ed up from her fifteenth year =

dagboek was bijgehouden; —-box; —boy = postillon; —-captain = rang

tusschen commodore en captain (na 3 jaar dienst); —-card = briefkaart;

—-chaise, subst. postkar, postwagen; — verb. rijden met eene —-chaise;

—-day = dag, waarop de post aankomt of vertrekt; —-free = franco;

—-haste, subst. groote spoed; —-horn = hoorn van den postillon; —horse

= postpaard; —house = posthuis; —man = brievenbesteller; —mark =

postmerk; —master = postmeester, directeur van een postkantoor;

—master-general = directeur generaal der posterijen (lid van het

Cabinet); —-office = postkantoor; —-office box; —-office clerk =

postambtenaar; —-office money-order = postwissel; —-office savings-bank

= postspaarbank; —-paid = franco, gefrankeerd; —-stage = poststation

(om te rusten en van paarden te verwisselen); —-time; —-town = stad met

een postkantoor; —age = port (van een brief): Additional —age =

strafport; —age-stamp = postzegel; —al = tot de posterijen behoorende:

—al evolution = ontwikkeling van het postwezen; —al matters; —al order

= postbewijs = —al note (Amer.); —er = renbode, postpaard,

aanplakbiljet; —e restante = poste restante (“to be left till called

for”); —ing: —ing-bill = aanplakbiljet; —ing-hôtel, —ing-house =

poststation, posthuis.

Post, poust (in samenst.), na, achter: —-communion = het deel van den

dienst na het avondmaal; gebed na de mis; —date, poustdeit, latere

datum; — verb. poustdeit = later dateeren; —diluvian = subst. en adj.

na den zondvloed levende; —-entry = latere boeking, latere aangifte;

—-fix = achtervoegsel; — verb. poustfiks; —-meridian, subst. en adj.

namiddag; —-mortem = na den dood: A —-mortem examination =

lijkschouwing; —-nuptial = na het huwelijk gebeurende; —-obit,

poust-oubit, poust-obit, obligatie waarbij zich de debiteur verplicht

na den dood van een bepaald persoon eene grootere som te betalen;

—-position = plaatsing na of achter iets anders; —-positive = na of

achter geplaatst; —-prandial = na den maaltijd: A —-prandial speech =

rede aan het dessert gehouden; —-scenium = achtertooneel; —script =

postscriptum.

Posterior, postîriə, later volgend: —s = achterste; Posterity,

posteriti, nakomelingschap.

Postern, poustən, kleine deur, geheime ingang (ook: —-door; —-gate),

gewelfde doorgang onder de wallen eener vesting.

Posthumous, postjumɐs, na ’s vaders dood geboren, na den dood van een

schrijver uitgegeven: — papers, writings = nagelaten papieren,

geschriften.

Postil, postil, postille.

Postil(l)ion, poustilj’n, postiljon, voorrijder (op het linker paard).

Postpone, poustpoun, uitstellen, verdagen; subst. —ment = uitstel; —r.

Postulant, postjul’nt, vrager, sollicitant candidaat; Postulate,

postjulit, subst. postulaat; — verb. (postjuleit) zonder bewijs

aannemen, verlangen, eischen; subst. Postulation.

Posture, postjə, houding, stand, toestand: In a — of defence = in

verdedigende houding; —-maker, —-master = acrobaat.

Posy, pouzi, dichterlijk motto; bloem(tuiltje).

Pot, pot, pot, bloempot, kan die een quart inhoudt, formaat papier (31

× 37½ cM.), groote som (inzet); — verb. in potten zetten of planten,

inmaken of inleggen, parodieeren, (neer)schieten, zuipen: The — calls

the kettle black = de pot verwijt den ketel dat hij zwart is; The iron

— breaks all the cloam pipkins that float on the same water = met

groote heeren is het slecht kersen eten; Little —s are soon hot =

jongelui stuiven gauw op; To go to — = op de flesch, te gronde gaan; To

keep the — boiling = den boel (het gesprek) aan den gang houden; To put

the — on = te veel vragen, overdrijven; To put on the — = hoog wedden;

To — a ball = stoppen (bilj.); We were —ted at till we were all hit =

er werd op ons geschoten; He was —ted out there = werd daar geplaatst;

—-bellied = met uitstekenden, ronden buik; —-boiler = kunstwerk alléén

om het geld gemaakt: Is it a novel with a purpose, or only a —-boiler?

—-boilery portraits; —-boy = helper in eene kroeg of een bierhuis;

—-butter; —-companion = drinkgezel; —-crane, —-hanger, —-hangle = pot-

of schoorsteenhaak; —-hat = hooge hoed; stijve vilthoed met ronden bol;

—-herb = moesgroente; —-hook = S-vormige haak om een pot of ketel aan

te hangen; hanepoot of “puthaak”: —-hooks and hangers; —-house = kroeg;

—-hunter = jager, die op alles schiet; broodjager, mededinger in een

wedstrijd, wien het alleen om de prijzen te doen is; —-hunting;

—-ladle; —-lid = potdeksel; To take —luck = eten wat de pot schaft;

—-man = zuiplap; —-metal = legeering van koper en lood; soort v.

beschilderd glas; —-pourri = allegaartje, mengelmoes (ook fig.);

—-sherd = potscherf; —-shop = kroeg; —-shot = schot uit een hinderlaag,

welgemikt schot, schot van een —-hunter; —-valiant = met jenevermoed

bezield; —-waller (—wolə) = —-walloper = iemand die (tot 1832) op grond

van een eigen kookgelegenheid en een verblijf van 6 maanden in een

kiesdistrict het stemrecht bezat; —ted meat = geconserveerd vleesch;

—ted plays = parodieën; —ter = pottenbakker: —ter’s-clay =

pottenbakkersaarde; —ter’s field = begraafplaats voor armen,

onbekenden, etc. (Matth. XXVII, 7); —ter’s-ore =

pottenbakkersverglaassel; —tery = pottenbakkersgoed, pottenbakkerij.

Potable, poutəb’l, drinkbaar; subst. —ness.

Potash, potaš, potasch = Potass(a), pətas(ə); Potassium, pətasiəm =

kalium; Whisky and potass = Whisky and soda.

Potation, pəteiš’n, drank, drinkgelag, het drinken.

Potato, pəteitou, aardappel: We ate the —es in the skin. Zie Jacket;

Baked, Boiled, Fried —es; Mighty small —es = niet veel zaaks

(bijzonders); —-disease (—-rot) = aardappelziekte; —-trap = mond.

Pot(h)een, pot(h)în, (geheim gestookte) whisky (Ierl.).

Potence, pout’ns, krukvormig kruis (T); ook = Potency, pout’nsi, macht,

invloed; Potent, pout’nt, machtig, invloedrijk, sterk; Potentate,

pout’ntit, vorst, monarch; Potential, potentieel, mogelijk; subst.

potentiaal; subst. Potentiality.

Pother, podhə, subst. rumoer, verwarring; — verb. razen, rumoer maken,

plagen, hinderen.

Potion, pouš’n, drankje.

Potomac, pətoumək.

Potter, potə, zich met nietigheden ophouden of druk maken, strompelen,

zeuren, Úmhangen, treuzelen: He —ed about among various sciences =

liefhebberde zoo’n beetje in; They are —ingly European = bekrompen

Europeesch; The old —er = de oude zeur of zanikkous.

Pottle, pot’l, maat van ± 2,272 L.; vruchtenmandje of bakje.

Pouch, pautš, zak, tasch, krop, balg, patroontasch, buidel (van het

buideldier); — verb. in den zak steken (ook fig.), schenken.

Pouchong, pušoŋ, soort v. zwarte thee.

Poughkeepsie, poukîpsi; Poulett, pôlət.

Poulterer, poultərə, poelier.

Poultice, poultis, subst. pap; — verb. pappen.

Poultry, poultri, pluimgedierte: Rearing of — = hoenderteelt; —-house =

hoenderhok; —-yard = hoenderhof.

Pounce, pauns, een fijn poeder, vroeger gebruikt in plaats van

vloeipapier; klauw (van roofvogels); — verb. met radeerpoeder

bestrooien; aanvallen, neerschieten op: He is on the — = gereed om aan

te vallen; He fell — among them = pardoes; The policeman —d on a little

innocent = greep een kleinen jongen, die niets gedaan had; —-box =

strooier, reukdoosje.

Pound, paund, Engelsch pond (12 ounces Troy-weight = ± 373 gr., en 16

ounces Avoirdupois = ± 453,6 gr.); pond sterling; schuthok (voor vee);

— verb. in het schuthok zetten, slaan, stampen, tot poeder maken,

ploeteren, zwoegen, schieten (met zwaar geschut): The bankrupt paid two

shillings in the — = betaalde 10%; The —ed earthen floor = gestampte

leemen; He —ed steadily at his great historical work = werkte ijverig

en geregeld aan; They kept —ing away = schoten maar door; This —ing

with the big guns at long range is not to my taste = dat schieten met

de kanonnen op grooten afstand; —-cake = een soort gebak waarin de

bestanddeelen pondsgewijs, of in gelijke deelen voorkomen; —-foolish,

Zie Penny; —-keeper = bewaker van den schutstal; —age = belasting v. 1

sh. per £; schutten; staangeld; —er = stamper; ... ponder: Ten —er =

tienponder, banknoot van 10 £.

Pour, pö, gieten, storten, stroomen, vloeien: It never rains but it —s

= een (on)geluk komt zelden alleen; He —ed forth his heart to me =

stortte zijn hart voor mij uit; To — in a volley = een salvo geven;

Shall I — you out another glass? = zal ik u nog eens inschenken?

Poussette, puset, subst. figuur v. d. country-dance, waarbij de 2 paren

elkaar kruiselings de hand geven en ronddraaien; — verb. in paren

ronddraaien.

Pout, paut, subst. hoentje; meisje, liefje; het vooruitsteken der

lippen, het pruilen; — verb. de lippen vooruitsteken (om gemelijkheid,

landerigheid of verachting uit te drukken), pruilen, uitsteken; —er =

pruiler; kropduif.

Poverty, povəti, armoede, behoefte, gebrek, onvruchtbaarheid: To bring

a person to —, To reduce to — = tot armoede brengen.

Powder, paudə, subst. poeder, buskruit; — verb. tot poeder maken,

bestrooien of bepoederen, zouten, poeieren: To lie in — = in duigen

liggen; You waste your — and shot = verschiet vergeefs je kruit; I am

in good health and —ing away at my novel = schrijf hard aan mijn roman;

—-box = poederdoos; kruitkist; —-cart = caisson of kruitwagen; —-chest

= kruitkist; springmijn; —-flask = kruithoorn = —-horn; —-magazine =

kruithuis; —-mill = kruitfabriek; —-mine = kruitmijn; —-puff =

poederkwast; —-room = kruitkamer (in een schip); —-sugar; —y =

gelijkende op kruit of poeder (poeier), kruimelig, stoffig, gepoederd.

Powell, pauəl, pouəl.

Power, pauə, macht, kracht, vermogen, geest, bekwaamheid, invloed,

gezag, mogendheid, menigte, hoop: — of attorney = volmacht, procuratie;

It does not lie in my — = ik heb het niet in mijne macht; —s = gaven of

vermogen: The —s that be = de gestelde machten, de overheid; The —s be

thanked for it = dank zij den Goden; Merciful —s = goeie Goden! The

Great European —s = Groote Europeesche mogendheden; —-house (—-station)

= electr. centrale; —-loom = stoomweefgetouw; —-press = stoomdrukpers;

—ful = machtig, krachtig, vermogend; subst. —fulness; —less(ness) =

machteloos(heid).

Powwow, pauwau, subst. Indiaansche toovenaar, tooverformulier of

plechtigheden voor het genezen v. zieken, krijgsdans; rumoerige

politieke bijeenkomst (Amer.); — verb. bezweren, beraadslagen, woelige

vergaderingen houden (Amer.).

Pox, poks, pokken: Chicken-— = waterpokken; Small— = kinderpokken; A —

on that fellow = de duivel hale dien vent!

Praam, prâm, praam.

Practicability, praktikəbiliti, subst. v. Practicable, praktikəb’l,

uitvoerbaar, doenlijk; subst. —ness; Practical, praktik’l, practisch,

werkdadig: A — joke = handtastelijkheid, ruwe grap; They are, —ly, on a

par = feitelijk staan ze gelijk.

Practice, praktis, practijk, uitoefening, gewoonte, gebruik: A doctor

in any (large) — = met eenige (groote) praktijk; My private —; That is

in —, out of — = in gebruik, in onbruik; He had been out of — for many

years = hij had er jaren lang niet aan gedaan; It was put (in), reduced

to — = in practijk gebracht; —-butt = kogelvanger; —-ground =

schietbaan; —-target = schijf.

Practise, praktis, oefenen, zich oefenen, uitoefenen, in toepassing

brengen, een beroep of vak uitoefenen: If you wish to learn to play the

piano, you must — every day = moet ge u alle dagen oefenen; Young men

—d at the glass to catch the curl of Byron’s lip = oefenden zich voor

den spiegel; The doctor does not — in the town = praktiseert niet in de

stad; They —d on my good faith = maakten misbruik van mijn vertrouwen,

goedgeloovigheid; A —d teacher = ervaren; Practising-ground =

exercitieveld.

Practitioner, praktišənə, praktiseerend geneesheer, praktizijn.

Praed, preid.

Praemunire, prîmjunairî, premjunairî, overschrijding van het kerkelijk

recht: Statute of — = wet omtrent schending van ’s konings prerogatief,

rechtsingang daartegen, straf daarvoor; ook verb.

Praetor, prîtə, Romeinsch overheidspersoon; —ial, —ian, pritôriəl, —ən,

praetoriaansch, rechterlijk: —ian bands (guards) = lijfgarde der

Romeinsche keizers; Praetorium.

Pragmatic, pragmatik, pragmatisch, pragmatiek: — sanction =

onherroepelijk vorstelijk besluit (vooral dat v. Karel VI, waarbij hij

de erfopvolging in zijne Staten regelde); —al = druk, ijverig,

bemoeiziek, peuterig; subst. —alness.

Prague, preig.

Prairie, prêri, prairie: —-chicken (—-hen) = hazelhoen; —-dog =

prairiehond; —-oyster = gezouten en gepeperd ei met spiritualiën of

azijn geklutst; — value = geringe waarde van grond (als weiland

alleen); —-wolf.

Praise, preiz, subst. lof, lofspraak, dank; — verb. prijzen,

toejuichen, hoog verheffen: He got more — than pudding = werd met mooie

woorden afgescheept; Be it said in his — = het zij te zijner eer

gezegd; He sounded his friend’s —s = verkondigde den lof; I — you for

it = ik prijs je er om; Don’t — the day till it is over; —worthiness,

subst. v. —worthy = loffelijk, lofwaardig.

Prakrit, prâkrit, volksdialect v. h. Sanskrit.

Praline, prâlîn, praline.

Pram, pram, praam; ook verk. van Perambulator.

Prance, prâns, steigeren, met veel vertoon rijden, trotsch en statig

stappen.

Prandial, prandiəl, betrekking hebbend op den maaltijd.

Prank, praŋk, subst. grap of poets, scherts; — verb. veel vertoon

maken, optooien: Don’t play your —s upon me = bak mij je poetsen niet.

Prate, preit, wauwelen, babbelen, klappeien; ook subst.; —r.

Pratique, pratik, handelsverkeer, verlof aan een schip om binnen te

vallen na de quarantaine of na eene verklaring, dat het niet in

besmette havens is geweest: The vessel was admitted to — = de

quarantaine werd opgeheven.

Prattle, prat’l, subst. (kinder)gesnap; — verb. snappen, kakelen; —r.

Prawn, prôn, steurgarnaal.

Praxis, praksis, uitoefening, gebruik, (verzameling van) voorbeeld(en).

Praxiteles, praksitəlîz.

Pray, prei, verb. bidden, smeeken, aanroepen; interj. eilieve!: I — to

God to bless you; — be quiet = wees als ’t u belieft rustig; Prayer,

prêə, gebed, smeekbede; preijə, bidder: The Book of Common — = de

liturgie der Engelsche staatskerk; The Lord’s — = het “Onze Vader”; The

child said its —s, and Heaven heard them = het kind zei zijne gebeden

op, en de hemel verhoorde ze; —s = godsdienstoefening (b.v.

bijbellezen, etc.) in huis; —-book = gebedenboek; —-meeting = bidstond;

—ful = godsdienstig, vroom; —less = het gebed veronachtzamend,

ongodsdienstig; Praying-desk = bidstoel.

Preach, prîtš, prediken, eene leerrede houden: To — at = preeken tegen;

She —ed down her daughter’s heart with her worldly maxims = zij ontnam

hare dochter alle idealen door hare wereldsche gezindheid; To — to deaf

ears; They —ed up those principles = prezen luide aan; The —er =

Prediker; —ership = predikambt; —ment = preek (in verachtelijken zin):

A —ment in a novel is contraband in art = dat gepreek in een roman is

uit den booze in de kunst; —y tone = preekerig.

Preacquaintance, prîəkweint’ns, vroegere kennis(making); adj.

Preacquainted.

Pre-Adamic, prîadamik, vóór Adams tijd; Pre-Adamite, prîadəmait, subst.

bewoner der aarde vóór Adam; adj. vóór Adam bestaande = Pre-Adamitic,

prîadəmitik.

Preadmonish, prîadmoniš, vooraf vermanen; subst. Preadmonition.

Preamble, prîamb’l, voorrede, inleiding; — verb. van eene inleiding

voorzien; adj. Preambulary.

Preappoint, prîəpôint, vooraf bepalen of aanstellen; subst. —ment.

Preaudience, prîôdj’ns, rangorde (voorrang) bij de rechterlijke macht.

Prebend, preb’nd, prebende, bezoldiging v. een domheer; —al, pribend’l,

prebənd’l, tot eene prebende behoorende; Prebendary, preb’ndəri,

dienstdoend domheer (tegenover Canon, titulair domheer); —ship.

Precarious, prikêriəs, in hooge mate onzeker, van den wil van een ander

afhangend; opzegbaar; subst. —ness.

Precaution, prikôš’n, subst. voorzorg, voorbehoedmiddel; — verb. vooraf

waarschuwen: To take —s; —ary = uit voorzorg: —ary measures =

voorzorgsmaatregelen; Precautious, prikôšəs, omzichtig, behoedzaam.

Precede, prisîd, voorgaan, voorafgaan; —nce, prisîd’ns, voorrang,

voortreffelijkheid: The French ambassador took (had) —nce of all the

court = had den voorrang boven allen aan het hof; Precedent, prisîd’nt,

voorafgaand; Precedent, president, antecedent: To be without a —.

Precentor, prisentə, koorleider, voorzanger; —ship.

Precept, prîsept, voorschrift, bevel, grondregel, mandaat; —or,

priseptə, onderwijzer, opvoeder: College of —ors = een

onderwijzersvereeniging, waaraan door den staat het recht van opleiding

en examineeren is toegekend; —orship; —ory, priseptəri, prîseptəri,

subst. godsdiensthuis der tempeliers; seminarium; adj. voorschriften

bevattende.

Precession, priseš’n, precessie; adj. —al.

Precinct, prîsiŋkt, grens, gebied.

Precious, prešəs, kostbaar, dierbaar: A — fellow = een mooie vent

(ironisch); Your — things = je prullengoed; — metals, stones = edele

metalen, edelgesteenten; subst. —ness.

Precipice, presipis, afgrond, steilte, groot gevaar: He was rescued

from the — = van den afgrond gered; To walk on a — = aan den rand des

afgronds staan.

Precipitance, Precipitancy, prisipit’ns(i), overhaasting,

voorbarigheid; Precipitant, adj. overhaast, voorbarig, neerstortend;

subst. praecipitaat; Precipitate, prisipiteit, verb. neerstorten,

bezinken, aandrijven met groote haast of met geweld, blindelings

voorthollen, verhaasten (v. schreden of loop); subst. (prisipitit)

bezinksel, praecipitaat; adj. overhaast, overijld, onbezonnen,

nederstortend; Precipitation, presipiteiš’n, overhaasting, overijling,

praecipitaat of neerslag; Precipitator = overhaaster, overijler;

Precipitous, prisipitɐs, steil, overhaastig; subst. —ness.

Precis, preisî, preisî, korte inhoud, excerpt: He was appointed as a

—-writer in the Foreign Office = hij werd bij Buitenlandsche Zaken als

excerptenmaker aangesteld.

Precise, prisais, juist, nauwkeurig, overdreven correct, sekuur; subst.

—ness; Precisian, prisiž’n, Jantje sekuur, zemelknooper; Precisianism =

femelarij, vormelijkheid; Precision, prisiž’n, nauwkeurigheid,

stiptheid.

Preclude, priklûd, uitsluiten, beletten: This —s ambiguity = voorkomt;

Space —s us from quoting the passage = door gebrek aan ruimte kunnen

wij de passage niet aanhalen; Preclusion, priklûž’n, ùitsluiting,

voorkóming; Preclusive, priklûsiv, uitsluitend, voorkómend.

Precocious, prikoušəs, vroegrijp, brutaal; subst. —ness = Precocity,

prikositi.

Precognition, prîkogniš’n, voorkennis; voor-onderzoek (Schotl.).

Preconceive, prîk’nsîv, vooraf opvatten of eene meening vormen: —d

opinion = vooroordeel.

Preconcert, prîk’nsɐ̂t, vooraf overleggen of beramen; subst. Preconcert.

Precondemn, prîk’ndem, reeds vooraf (zonder onderzoek) veroordeelen;

subst. —ation.

Preconization, prîkon(a)izeiš’n, benoeming tot een kerkelijk ambt; —

verb. To preconize.

Precontract, prîk’ntrakt, vooraf overeenkomen, door een vooraf gemaakte

overeenkomst verbinden; subst. Precontract.

Precursor, prikɐ̂sə, voorlooper, voorteeken; —y = voorloopig, inleidend,

voorafgaand.

Predaceous, prideišəs, roof...

Predatory, predətəri, plunderend, roovend; roof...: — raids =

strooptochten.

Predecease, prîdisîs, subst. vroegere dood; — verb. vroeger sterven:

The doctors have frequently —d him = hem vaak “doodgezegd”.

Predecessor, prîdisesə, predisesə, voorganger, voorouder.

Predestinarian, prîdestinêriən, subst. geloover in voorbeschikking;

adj. wat tot de voorbeschikking behoort; Predestinate = voorbeschikken,

vooraf bestemmen, vooraf bepalen; adj. pridestinit, voorbeschikt;

Predestination = voorbeschikking.

Predeterminable, prîditɐ̂minəb’l, vooraf bepaalbaar; Predeterminate,

prîditɐ̂minit, vooraf bepaald; Predetermination = vooraf gemaakte

bepaling; Predetermine = vooraf bepalen.

Predial, prîdj’l, behoorende tot (voortkomende uit) grondbezit: — slave

= lijfeigene.

Predicability, predikəbiliti, bevestigbaarheid; Predicable, predikəb’l,

subst. eigenschap-aanduidend woord; adj. wat gezegd of bevestigd kan

worden van iets.

Predicament, pridikəment, geval, toestand, kritiek geval, categorie,

klasse: To be in a pretty — = er leelijk aan toe zijn; —al,

predikəment’l, categorisch, tot eene klasse behoorend.

Predicate, predikit, subst. gezegde, praedicaat; — verb. (predikeit)

bevestigen; gronden of steunen op (Amer.); Predication = bewering,

bevestiging; Predicative = bevestigend = Predicatory.

Predict, pridikt, voorzeggen, voorspellen; —ion = voorspelling,

profetie; —ive = voorspellend; —or = voorspeller.

Predilection, prîdilekš’n, vooringenomenheid, voorliefde.

Predispose, prîdispouz, voorbereiden, neiging of geschiktheid hebben of

geven voor; Predisposition, prîdispəzišn, neiging tot, vatbaarheid

voor; voorbereiding.

Predominance, Predominancy, pridomin’ns(i), overhand, gezag,

heerschappij; Predominant = overheerschend; Predominate, pridomineit,

de overhand hebben, heerschen; subst. Predomination.

Predoom, prîdûm, vooraf veroordeelen of bestemmen.

Pre-elect, prî-ilekt, vooraf kiezen; subst. —ion.

Pre-eminence, prî-emin’ns, voorrang, meerdere voortreffelijkheid; adj.

Pre-eminent.

Pre-empt, prî-em(p)t, het (of door) vóórkoopsrecht verkrijgen (Amer.);

Pre-emption(-right), pri-em(p)š’n, recht van vóórkoop.

Preen, prîn, subst. gevorkte naald; — verb. met den bek (de veeren)

gladstrijken.

Pre-engage, prî-əngeidž, vooraf verbinden; subst. —ment.

Pre-establish, prî-əstabliš, vooraf vestigen of vaststellen; subst.

—ment.

Pre-examination, prî-əgzamineiš’n, voorafgaand onderzoek; — verb.

Pre-examine, prî-əgzamin.

Pre-exist, prî-əgzist, vooraf bestaan; subst. —ence; adj. —ent.

Preface, prefis, subst. voorrede, inleidend woord; — verb. van eene

voorrede voorzien, inleiden; Prefatory, prefətəri, inleidend,

voorafgaand.

Prefect, prîfekt, gouverneur, magistraat, prefect; —ship; The —ual

system = het monitor-stelsel (in de school); —ure = prefectuur.

Prefer, prifɐ̂, voordragen, aanhangig maken, aanbieden, verkiezen: To —

a bill = klacht indienen; To — a request = een verzoek doen,

voordragen; To — to (above, before) = verkiezen boven; —red debts =

preferente schulden; —red stock = pref. aandeelen; —able, prefərəb’l,

verkieslijk (before, to); subst. —ableness; Preference, prefərens,

voorkeur: In — to = liever dan; — Bonds = prioriteitsobligaties; —

Shares = preferente aandeelen (wier houders een extra-dividend

krijgen); Preferment = voorrang, bevordering, hoogere betrekking

(vooral kerkelijke).

Prefix, prîfiks, voorvoegsel; Prefix, prifiks, voorplaatsen, aanhechten

aan het begin (to).

Preform, prîföm, vooraf vormen; subst. —ation; adj. —ative.

Pregnancy, pregn’nsi, zwangerschap; vruchtbaarheid, gewichtigheid: To

be far advanced in —; About the 7th month of her —; On her 9th —;

Pregnant = zwanger, vruchtbaar, vol beteekenis, scherpzinnig,

overtuigend, duidelijk: The times are — with important events = de

tijden zijn zwanger van belangrijke gebeurtenissen; It is — = het is

duidelijk.

Pregustation, prîgɐsteiš’n, voorproef, voorsmaak.

Prehensible, prihensib’l, grijpbaar; Prehensile, prihens(a)il,

grijpend, geschikt om mede te grijpen: Some animals have — toes and

tails = grijpteenen en grijpstaarten; Prehension, prihenš’n, het pakken

of grijpen.

Prehistoric(al), prîhistorik(’l), vóórhistorisch: A —ally-minded person

= zeer ouderwetsch mensch.

Prejudge, prîdžɐdž, vooraf oordeelen, zonder behoorlijk onderzoek

(ver)oordeelen: It was a —d case = het geval was al beslist of

uitgemaakt vóór onderzoek; subst. Prejudg(e)ment.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 89 / 141 段