Call, kôl, subst. roep, oproeping, aanmaning, roepstem, beroep,

smeeking, roeping, aanleiding, vraag, uitnoodiging, ‘invite’ bij

kaartspel, kort bezoek, appèl, stoot op een jagershoorn,

bootsmansfluitje, lokstem(-fluit); — verb. noemen, rekenen, oproepen,

uitroepen, bijeenroepen, aanstellen, inroepen, toeroepen, luide roepen,

bezoeken, manen, opvorderen: At — = ter beschikking; He is at my beck

and — = hij staat klaar voor mij; To be within — = te beroepen; To

accept (to get, receive) a — = een (predikants) beroep; To get the — =

opgeroepen worden (brandweer); To give a — = bezoeken (Verg.: To return

a —); You had no — to say such a thing = gij waart niet geroepen, het

was niet aan u; It seems such a far — = zoo’n groote sprong (fig.); A —

of the House = het oplezen van de presentielijst (Parlement); — of

obligation (Duty —) = verplichte visite; The headmaster —ed absence =

hield appèl; To — to account = ter verantwoording; To — to the Bar =

toelaten als Barrister; To — over the coals = een uitbrander geven; To

— to memory (mind, remembrance) = herinneren; To — names = uitschelden;

To — to naught = voor alles uitmaken; To — the roll = appèl houden. Met

voorzetsels en bijwoorden: To — after = achterna roepen, noemen naar;

To — again = weer roepen, terugkomen; To — at = een bezoek brengen;

aandoen; To — for = roepen om, vragen naar, afhalen; To be left till

—ed for = zal afgehaald worden; poste restante; This —ed forth all his

strength of mind = deed hem toonen; To — in = binnenroepen, opvragen;

To — in question = in twijfel trekken; To — off = terugroepen,

intrekken, nietig verklaren: He was —ed off by Death = weggenomen,

opgeroepen; To — on (a person; at a house) = bezoeken; He —ed on (upon)

the honour of his country = deed een beroep op; To — out = roepen,

schreeuwen; uitdagen, oproepen (doen uitrukken) van troepen; To — over

= appèl houden, aflezen; To — round = eens aanloopen; To — up =

oproepen, wekken; —-bird = lokvogel; —-boy = jongen, die de acteurs op

hun tijd op het tooneel roept; jongen op een stoomboot, die den

machinisten bevelen overbrengt; —-dinner = diner op —-night, den

promotie avond der Barristers; —-office = spreekcel; A —ed assembly =

buitengewone vergadering; —er = bezoeker; —er-up, kôlərɐp,

morgenwekker, porder; —ing = beroep, roeping; —ing-place = plaats door

stoombooten aangedaan.

Calligrapher, kəligrəfə, calligraaf; Calligraphic = calligraphisch;

Calligraphy = schoonschrijfkunst, schoonschrift.

Calliope, kəlaioupî, Calliope.

Callipers, kalipəz: — compasses, kɐmpəsiz, krom-(mast) passer.

Callisthenics, kalis-theniks = Calisthenics.

Callosity, kəlositi, verharding, eelt; ongevoeligheid; Callous, kaləs,

verhard, vereelt; ongevoelig —ness = verhardheid, etc.

Callow, kalou, kaal; jong, onervaren.

Calm, kâm; subst. kalmte, windstilte; adj. kalm, rustig, gelaten; —

verb. stillen, doen bedaren, stil worden: The wind fell a dead — = het

werd bladstil; —s = streek der windstilten; We shall try to — him down

a little = wat te kalmeeren; —ative, kâmətiv, kalmətiv, kalmeerend

(middel); —ness = kalmte.

Calmucks, kalmuks, (de) Kalmukken.

Calne, kân.

Calomel, kaləməl, calomel.

Calorescence, kaləres’ns, overgang van niet-lichtgevende tot

lichtgevende warmtestralen.

Caloric, kalorik, adj. warmte - - -: — engine = heete-luchtmachine;

subst. warmte; Caloriduct = warmtebuis; Calorifere, kəlorifîə,

calorifère; Calorific, kalərifik: — rays = warmtestralen; Calorimeter,

kalərimətə = calorimeter; Calorimetric = calometrisch; Calory =

calorie.

Calotte, kəlot, kalotje, kuif.

Caltrop, kaltrəp, voetangel (—s = glasof potscherven); sterredistel.

Calumet, kaljumet, vredespijp.

Calumniate, kəlɐmnieit, belasteren; Calumniation = belastering;

Calumniator = lasteraar; Calumniatory = lasterlijk = Calumnious;

Calumny = laster.

Calvary, kalvəri, calvarieberg, kruisweg (of statie).

Calve, kâv, kalven, jongen voortbrengen.

Calville, kalvil, kalvil, kalvijnappel.

Calvinism, kalvinizm, calvinisme; Calvinist = calvinist;

Calvinistic(al) = calvinistisch.

Calx, kalks, oxyde, glasafval.

Calyx, keiliks, kaliks, bloemkelk.

Cam, kam, subst. duim, lichter, kam: —-wheel = excentriek.

Camaieu, kamaijû, camee = Cameo.

Camarilla, kamərilə, camarilla.

Camber, kambə, subst. kromming, ronding; — verb. krommen.

Cambist, kambist, wisselaar, wisselhandelaar.

Cambium, kambj’m, cambium.

Cambray, kambrei, Kamerijk; Cambria, kambriə, Cambrië, Wales: —n =

Cambrisch; Cambriër.

Cambric, keimbrik, batist; (batisten) zakdoek: —-paper = satijnpapier.

Cambridge, keimbridž.

Camden, kamd’n: — Town = wijk in het N.W. van Londen.

Came, keim, imperf. van to come.

Camel, kam’l, kameel, scheepskameel: —-backed = bochelig; —eer =

kameeldrijver; —ry = infanterie op kameelen.

Cameleon, Z. Chameleon.

Camellia, kəmeliə, camelia.

Camelopard, kəmeləpâd, kamələpâd = giraffe.

Cameo, kamiou, camee.

Camera, kamərə, camera, kamer.

Camerated, kaməreitid, gewelfd, in kamers afgedeeld.

Cameronian, kamərounj’n, volgeling van R. Cameron. Schot. Presbyt: —

regiment = 1ste bataljon Schotsche jagers.

Cameroons, kamərunz: The — = Kamerun.

Camisole, kamisoul, kamizool.

Camlet, kamlət, kamelot.

Camomile. Zie Chamomile.

Camp, kamp, subst. kamp; kuil vol rapen (aardappels); wintervoorraad

van aardappelen, etc.; — verb. kampeeren; onder den blooten hemel

verblijven (out); To strike — = een kamp opbreken; —-bed(stead) =

veldbed; —-chair = vouwstoel met leuning; —-fire = kampvuur;

officierenfuif (Amer.); —-follower = marketentster; —-meeting =

zendingsfeest (Amer.) —-stool = vouwstoel.

Campaign, k’mpein, subst. veldtocht; vlakte; — verb. een veldtocht

medemaken; —er = veteraan.

Campana, kampeinə, keukenkruid.

Campaniform, k’mpaniföm; Campanulate(d), Campanulous = klokvormig.

Campanile, kampən(a)il, klokketoren.

Campanula, k’mpanjulə, klokje.

Campbell, kamb’l.

Campeachy(wood), k’mpîtši, Campèche.

Camperdown, kampədaun.

Camphene, Camphine, kamfîn, kamfin, zuivere terpentijnolie.

Camphor, kamfə, kamfer; Camphoraceous = kamferachtig; Camphorated, met

kamfer doortrokken, kamfer - -; Camphoric = kamfer - -.

Campvere, kampvîə, Veere.

Can, kan, subst. kan, kroes, kap, blik (Amer.); — verb. vleesch

(vruchten) in blikjes conserveeren: They are cup and — = koek en ei;

—ned meat = vleesch in blikjes; —ner = inmaker; —nery = fabriek v.

inmaking.

Can, kan, kunnen: It is cheap as — = zoo goedkoop mogelijk; — do is

easily carried = lichter gezegd dan gedaan.

Canaan, keinən, keinəan, Kanaän; —ite, keinənait, Kanaäniet;

Canaanitic, keinənaitik, Canaanitish, keinənaitiš, Kanaänitisch.

Canada, kanəda; Canadian, kəneidj’n, Canadisch; Canadees.

Canaille, keneil, kanalje, gepeupel.

Canal, kənal, kanaal: — boat = trekschuit; Canalization = kanalisatie;

Canalize, kanəlaiz, kənalaiz, kanaliseeren.

Canard, kənâ(d), canard.

Canary, kənêri, kanarie; kanarie sek; oude dans; The Canaries = de

Kanarische Eilanden.

Canaster, kənastə, rieten mat.

Cancan, kankan, wulpsche Fransche dans.

Cancel, kans’l, subst. strepen halen door; vernietigen, intrekken,

buiten omloop stellen; —late(d) = getralied, netvormig; —lation =

intrekking, annuleering; netvormigheid.

Cancer, kansə, kreeft, kanker: The Tropic of — = Kreeftskeerkring; To

die of a —; She had the — cut out of her breast = werd geopereerd van;

Cancerate = verkankeren; Canceration = verkankering; Cancerous =

kankerachtig = Cancroid.

Cancriform, kankriföm, kankerachtig; kreeft (krab)vormig = Cancrine.

Candelabrum, kandəleibr’m, kroonluchter.

Candia, kandjə, Candia; —n = Candioot.

Candid, kandid, eerlijk, vrijmoedig, oprecht; —ness = eerlijkheid, etc.

Candidate, kandideit, candidaat, sollicitant; Candidacy, Candidateship,

Candidature = candidatuur.

Candied, kandid, geconfijt, geglaceerd; vleierig.

Candle, kand’l, kaars, licht, normaalkaars: When —s are out all cats

are grey = bij nacht zijn alle katten grauw; He went off like the snuff

of a — = hij ging uit als een nachtkaars; He cannot (is not fit to)

hold a — to you = hij kan niet in uw schaduw staan; To hold a — to the

devil = een kaars voor den duivel opsteken (steunen wat verkeerd is);

The game is not worth the — = de sop is de kool niet waard; For this we

owe the author a — = mogen wij den schrijver wel dankbaar zijn; —berry

= croton, laurierbes; —-box = kaarsenbak; —-end economies = kleine

bezuinigingen; —-light = kaarslicht (ook fig.): She is a —-light beauty

= schoon bij de kaars; —-lighter = soort fidibus; —mas = Maria Lichtmis

(2 Februari); —-snuffer = snuiter; —-stick = kandelaar; —-waster = dief

(aan de kaars); —-wick = kaarsepit.

Candour, kandə, oprechtheid, eerlijkheid.

Candy, kandi, subst. kandij, suikergoed; — verb. met suiker inleggen;

kristalliseeren, konfijten (—shop = snoepwinkeltje), (Amer.): He has

too much — = een te lekker leventje.

Cane, kein, subst. riet, suikerriet, bamboes, rottang, rotting; — verb.

met een riet afranselen (= To give one the —); met riet matten: Bengal

— = Spaansch riet; A —-(bottom) chair = stoel met rieten zitting;

—-mill = suikerrietmolen; —-trash = afval van suikerriet.

Canella, kənelə, kaneel(plant).

Canicula, kənikjulə, hondsster; —r Days = hondsdagen; —rs =

kreupelrijm.

Canine, kənain, kanain, honds...; hond: — appetite = hondshonger; —

laugh = hondskramp; — madness = hondsdolheid; — teeth = oogtanden.

Canister, kanistə, bus, kartets (= —-shot); — verb. in een bus doen;

een hond een blikken ketel aan zijn staart hangen.

Canker, kankə, subst. kanker, brand, roest, gifzwam, knagende worm

(fig.), woekerende ziekte; — verb. kankeren, aansteken, knagen aan,

wegvreten; —-rash = roodvonk (met zwerende keel); —-rose = klaproos;

—-weed = kruiskruid; —-worm = blad- of vruchtenrups (Am.); —ed = door

kanker aangetast; giftig, bedorven, knorrig; Cankerous = verkankerend,

brandig.

Cannabine, kanəb(a)in, Cannabis, kanəbis, hennep; harsachtige stof uit

hennep getrokken.

Cannel-coal, kan’lkoul, harde harshoudende kool.

Cannequin, kanəkin, wit katoenen stof (Indië).

Cannibal, kanib’l, subst. kannibaal; adj. menschenetend = Cannibalic;

—ism.

Cannon, kanən, kanon, geschut; carambole; —-ball; —-foundry =

geschutgieterij; —-proof = bomvrij; —-shot = kanonschot(afstand);

Cannonade, subst. kanonnade; — verb. (be)schieten; caramboleeren;

Cannoneer = kanonnier; —ry = geschut, kanonnade.

Cannula, kanjulə, afvoerbuisje (Med.); —r = buisvormig.

Canny, kani, omzichtig, voorzichtig, slim; spaarzaam; rustig,

behagelijk; gevaarloos.

Canoe, kənû, boot, kano; — verb. in een kano varen.

Cañon, kanj’n, diepe, steile bergkloof.

Canon, kanən, canon, in zijn verschillende beteekenissen; domheer: —

law = canonieke wet; Canonic(al), canoniek; Canonicals =

priestergewaad; Canonicity = echtheid; Canonize = canoniseeren;

Canonry, Canonship = domheerschap.

Canopy, kanəpi, subst. baldakijn, hemel, dak; — verb. met een hemel

bedekken: — of heaven = hemelgewelf.

Cant, kant, schuine (gebogen) stelling, stoot, ruk, slag, afwijking;

geteem, argot; kwezelarij; auctie (Schotl.); adj. argot- -. volks- -,

huichelachtig, opgewekt, flink; — verb. op zijde leggen, kanten,

werpen, overhellen; teemen, kwezelen, huichelen, koeterwalen; afslaan,

verkoopen: —-chisel = kantbeitel; —-hook = kantelhaak.

Cantab, kantəb, student te Cambridge (verkorting van Cantabrigian).

Cantankerous, k’ntankərɐs, twistziek, norsch, vitterig.

Cantate, kantâtə, cantate.

Canteen, k’ntîn, cantine, veldflesch; menagekorf.

Canter, kantə, subst. korte galop; kwezelaar; afslager; — verb. in

korten draf of galop zijn of brengen: All was over in a — = in een

oogenblik; He struck a — = zette zijn paard in korten galop; To win at

(in) a — = gemakkelijk.

Canterbury, kantəberi, kantəbəri, Canterbury; muziekstander: — bell =

klokje; — gallop (pace) = korte galop, sukkeldrafje; — Tales = gedicht

van G. Chaucer (14e eeuw); vervelend verhaal.

Cantharis, kanthəris (meerv. Cantharides, k’n-tharidîz), Spaansche

vlieg.

Canticle, kantik’l, lied, lofzang: The —s = het Hooglied.

Cantinière, kantinjêə, zoetelaarster.

Cantle, kant’l, subst. hoek, stuk; achterboog van een zadel; — verb.

verdeelen.

Canto, kantou, zang; sopraanstem; Cantor, kantə, voorzanger.

Canton, kant’n, k’nton, subst. kanton, schildhoek; — verb. in kantons

verdeelen; kantonneeren (= kənton, kəntûn); Cantonal = kantonnaal;

—ment = kampement (Brit. Ind.); (winter)kwartier.

Cantoon, kantûn, sterke stof (geribd aan de eene zijde, met

satijnachtigen achterkant).

Canute, kənjût, Knoet.

Canty, kanti, vroolijk, opgewekt (Schot.).

Canvas, kanvəs, subst. zeildoek, zeilen, grof linnen, kanefas, doek,

olieverfschilderij; adj. linnen: Under — = onder zeil in tenten; —-back

= soort duikereend; —-booth (—-stall) = kraampje; —-map = kaart op

linnen.

Canvass, kanvəs, subst. onderzoek, discussie, stemmenwerving; — verb.

onderzoeken, bespreken, bezoeken afleggen (om stemmen te werven),

bewerken, werven om: —er = stemmenwerver, colporteur.

Cany, keini, vol riet, rieten.

Canzona, kanzouna, kantšouna, canzone; Canzonet = liedje.

Caoutchouc, kûtšuk, kautšuk, caoutchouc.

Cap, kap, subst. pet, muts, baret, hoed, napje, top, deksel,

percussiehoedje; bepaald papierformaat; — verb. bedekken, eene muts of

pet opzetten; van een slaghoedje voorzien; de kroon opzetten (fig.),

overtreffen (troeven), de promotiekap opzetten, het hoofd ontblooten,

groeten: — and bells = zotskap; — of a mast = ezelshoofd (scheepst.);

Black — = baret, die de rechter opzet, als hij het doodvonnis

uitspreekt; Fur — = bontmuts, berenmuts; That will be a feather in your

— = een veer op je muts; She set her — at him = hengelde naar hem; Let

him (whom) the — fits, wear it = wie de schoen past, trekke hem aan; To

— verses = wedijverend verzen opzeggen (waarbij elk(e) vers(regel) met

de eerste of laatste letter van het (de) vorige moet beginnen, of er op

moet rijmen, of iets dergelijks); —-paper = zakkenpapier; soort

schrijfpapier; —ful = een beetje: A —ful of wind = bui.

Capability, keipəbiliti, bekwaamheid, vermogen; Capable, keipəb’l,

bekwaam, bevoegd, in staat, vatbaar; veel omvattend: — of pity =

vatbaar voor; They are not — of being harmonized = hooren niet bij

elkaar; —ness, bekwaamheid, etc.

Capacious, kəpeišəs, ruim, veelomvattend; —ness = veelomvattendheid;

Capacitate, kəpasiteit, bekwaam of bevoegd maken; Capacity, kəpasiti,

bekwaamheid, bevoegdheid, capaciteit, inhoud, ruimte, karakter,

hoedanigheid.

Cap-à-pie, kapəpî, van top tot teen.

Caparison, kəparis’n, subst. schabrak; — verb. met een schabrak

bedekken, prachtig optuigen.

Cape, keip, kaap, kaapsche wijn; pelerine: — smoke = een soort sterke

drank; — Town = Kaapstad.

Caper, keipə, subst. kapperstruik (—s = kappertjes); kapriool; — verb.

rondspringen: To cut —s = bokkesprongen maken; That’s the proper — =

dat is je ware (Am.).

Capercailzie, kapəkeilzi, auerhaan (Schotl.).

Capias, keipias, kapias: Writ of — = bevel tot inhechtenisneming.

Capillaceous, kapileišəs, harig, haarvormig; Capillarity =

capillariteit; Capillary, kapiləri of kəpiləri, capillair; subst.

haarbuisje; Capilliform = haarvormig.

Capital, kapit’l, subst. kapiteel, hoofdstad (Court — = residentie),

hoofdletter, kapitaal; adj. hoogst belangrijk, voornaamst, strafbaar

met den dood, uitstekend, flink: To make — (out) of = munt slaan uit; —

crime = halsmisdaad; — letter = hoofdletter; — punishment = doodstraf;

— stock = bedrijfskapitaal; —ist = kapitalist; Capitalization =

kapitalisatie; Capitalize = kapitaliseeren.

Capitate, kapitat, kopvormig; Capitation = hoofdelijke belasting (=

—-tax): —-fee = tantième voor elken leerling.

Capite, kapitî: Tenure in — = kroonleen.

Capitol, kapit’l, kapitool; congresgebouw (in Washington); Capitolean,

Capitoline = kapitolijnsch.

Capitular, kəpitjulə, kapittel - -; kapittelheer; Capitularies =

capitularia.

Capitulate, kəpitjuleit, capituleeren; Capitulation = capitulatie.

Capoc, kapək, kapok.

Capon, keip’n, kapoen; —ize = castreeren.

Caponiere, kapənîə, onderaardsche gang in de loopgraven eener vesting.

Capot, kəpot, subst. het halen van 40 trekken bij het piketspel; —

verb. alle trekken halen.

Capote, kəpout, kapot(jas).

Cappadocia, kapədoušə, Cappadocië.

Capriccio, kapritšou, caprice (muz.).

Caprice, kəprîs, gril; Capricious, kəprišəs, grillig; subst. —ness.

Capricorn, kaprikön, de Steenbok: Tropic of — = Steenbokskeerkring.

Capriole, kaprioul, bokkesprong; — verb. bokkesprongen maken.

Capsicum, kapsikɐm, Spaansche peper.

Capsize, kəpsaiz, omslaan, omvallen, omverwerpen.

Capstan, kapst’n, kaapstander.

Capsular, kapsiulə, kapselvormig, kapsel ...; Capsule, kapsiul,

capsule, kapsel, smeltkroes, schaaltje.

Captain, kapt’n, aanvoerder, kapitein, opzichter, leider, primus: — of

horse = ritmeester; —cy, —ship = rang van kapitein; ervaring, beleid.

Caption, kapš’n, legalisatie; arrestatie (Schot.); titel (Am.).

Captious, kapšəs, vitterig, bedillerig; netelig; subst. —ness.

Captivate, kaptiveit, bekoren, boeien, betooveren; Captivation,

betoovering, etc.

Captive, kaptiv, gevangen, geboeid (fig.); subst. gevangene: — balloon;

Captivity = gevangenschap; Captor = prijsmaker, vanger, kaper; Capture,

kaptšə, subst. vangst, prijs, het vangen; — verb. buitmaken, opbrengen,

kapen: Without a whole — of columns we cannot do justice to the work =

zonder eenige kolommen in beslag te nemen.

Capuchin, kaputšin, kapəšîn, Kapucijner; dameskapmantel; soort v. duif;

— monkey.

Car, kâ, kar, wagen, triomfkar, schuitje van een ballon; tram- of

spoorwagen: The Northern — = de Wagen (Sterrenbeeld); The International

Sleeping-— Company; Restaurant-—; The —s = spoortrein (Am.); —man =

karrijder.

Carabineer, Carabinier, karəbinîə, karabinier.

Car(r)ack, karək, Spaansch schip, karaak.

Caracol(e), karəko(u)l, subst. sprong, halve zwenking (van een paard);

wenteltrap; — verb. een halve zwenking maken.

Carafe, kərâf, karaf.

Caramel, karəmel, camarel.

Carapace, karəpeis, rugschild, schaal.

Carat, karət, karaat; ± 15 Gr. voor goud en 0,2 Gr. of 205 mGr. voor

juweelen: It is not worth a — = geen duit waard.

Caravan, karəvan, karəvan, karavaan, kermiswagen, woonwagen; Caravaneer

= iemand, met de zorg voor de kameelen van een karavaan belast;

Caravanserai, Caravansery = karavansera; groot gebouw, door vele

gezinnen bewoond, beneden met winkels, in groote steden.

Caravel, karəvel, karveel, soort v. vaartuig.

Caraway, karəwei, karwei (plant.).

Carbine, kâbain, karabijn; Carbineer, kabinîə = karabinier.

Carbolic, kâbolik: —-acid = carbolzuur; Carbolize = carboliseeren.

Carbon, kâb’n, koolstof; koolspits: — light = booglicht; — point =

koolspits; Carbonaceous, kâbəneišəs, koolhoudend, koolstof - -.

Carbonari, kâbənâri, Carbonari.

Carbonate, kâbənit, carbonaat; verb. carboniseeren.

Carbonic acid, kâbonikasid, koolzuur; Carboniferous = koolhoudend;

Carbonize, kâbənaiz, verkolen, carboniseeren; Carbonization =

carbonisatie.

Carboy, kâbôi, mandflesch.

Carbuncle, kâbɐŋk’l, karbonkel, bloedzweer; Carbuncular, Carbunculate,

Carbunculous = karbonkelachtig; ontstoken.

Carburet, kâbjuret, koolstofverbinding; — verb. Carburize, kâbjuraiz,

met kool(water)stof verbinden.

Carcase, Carcass, kâkəs, lijk, geraamte, karkas, wrak.

Carcinoma, kâsinoumə, kankergezwel; Carcinomatous = kankerachtig.

Card, kâd, subst. (speel)kaart, naamkaartje, program, kompasroos,

(wol)kaarde; type, origineel; — verb. kaarden: To cut, to deal —s =

coupeeren, geven; To fling (throw) up one’s —s = het spel opgeven (ook

fig.); To pack —s = op bedriegelijke wijze mengen; He plays his —s well

= is een gladde baas; To show one’s —s = zich in de kaart laten zien;

To shuffle —s = wasschen; He speaks by the — = drukt zich nauwkeurig

uit; It is on the —s = licht mogelijk; That piece is a sure —, it will

run fifty nights = het is een successtuk, en zal wel 50 maal gespeeld

worden; —-case, —keis, visite(kaarten)boekje; —-board = karton: Glazed

—-board = geglaceerd karton; —-sharper = kwartjesvinder, valsche

speler; —-table = speeltafeltje; —er = kaarder; —ing-machine =

kaardmachine.

Cardamine, kâdaminî, kâdəmain, pinksterbloem, koekoeksbloem.

Cardia, kâdjə, hart, maagmond; Cardiac = hart - -, maagmond - -;

hartsterkend (middel.)

Cardiff, kâdif.

Cardinal, kâdin’l, subst. kardinaal, scharlaken mantel, bisschop (soort

warme wijn); adj. voornaamst, belangrijkst, donkerrood: — bird =

kardinaalsvogel; — numbers = hoofdgetallen; — points = vier hoofdpunten

(van het kompas); — signs = de vier voornaamste teekens van den

dierenriem: Aries, Libra, Cancer, Capricorn; — virtues = de vier

hoofddeugden (bij de Ouden): Prudence, Temperance, Justice, Fortitude;

—ate, —ship = kardinaalschap.

Carditis, kâdaitis, ontsteking van het hart.

Cardoon, kâdûn, artisjok.

Carduus, kâdjuɐs, distel.

Care, kêə, subst. zorg, angst, oplettendheid, opzicht; — verb. zorgen,

bezorgd zijn, zich bekommeren om, geneigd zijn, lust of trek hebben,

houden van: With — = voorzichtig! To Mr. W. (To the — of) Mrs. Müller =

per adres (ook c. o. = p. a.); Have a — = pas op! He took — to ... =

zorgde er voor, dat ...; I don’t — if I do = ’t is mij goed; He did not

— to do it = deed het liever niet; I like you, and I don’t — to own it

= en erken het graag; He did not — a pin, a curse, a damn = hij gaf er

geen zier om; Let him go, I don’t — = het kan mij niet schelen; I don’t

— about wine just now = heb liever niet; —-taker = huisbewaarder;

—-worn = aftgetobd, door zorgen versleten; —ful = bedacht, zorgvuldig,

spaarzaam: I am —ful for nothing = ik geef om niets; —ful of =

zorgvuldig, spaarzaam; He was not —ful to deny it = hij erkende het

gaarne; subst. —fulness; —less, zorgeloos; subst. —lessness.

Careen, kərîn, een schip kanten, naar ééne zijde overhellen, kielen;

Careenage = plaats daarvoor, of de kosten daarvan.

Career, kərîə, subst. loopbaan, snelle vaart; — verb. zich snel

bewegen, snel doen loopen: We were —ing along at the rate of sixty

miles an hour = wij snelden voort met eene vaart....

Carelia, kərîljə, Carelië.

Caress, kəres, subst. liefkoozing, omhelzing; — verb. liefkoozen,

omhelzen, aanhalen.

Caret, kêrət, karət, een teeken (^) bij het corrigeeren, om aan te

duiden, dat een ontbrekend woord moet worden ingevoegd.

Carew, kərû, karû.

Cargo, kâgou, lading, goederen; —-carrying = vrachtvarend.

Caria, kêriə, Carië.

Carib, karib, Karibe; —al, Karibisch = —(b)ean, karibjən; —(b)ee,

karibî = Carib = Carrib(b)ean Islands.

Caribou, karibû, karibû, N. Amer. rendier.

Caricature, karikətjuə, subst. karikatuur; — verb. karikatureeren,

bespottelijk voorstellen; Caricaturist = karikaturist.

Caricous, karikɐs: — tumour = vijggezwel.

Caries, kêriîz, beeneter.

Carillon, karil’n, klokkenspel.

Carinthia, kərinthiə, Carinthië; —n = Carinthisch; Carinthiër.

Cariole, karioul, tweewielig rijtuigje.

Cariosity, kêriositi, beeneter; Carious: — tooth = holle tand.

Cark, kâk, subst. last, gewicht, zorg, kommer; — verb. kwellen; bezorgd

zijn: — and care = kommer en zorg; —ing cares = kwellende zorgen.

Carl(e), kâl, kerel, ruwe vent, boer; Carlin(e), kâlin, oud wijf, heks.

Carlisle, kâlail.

Carlovingian, kâləvinžən, Karolingisch.

Carlyle, kâlail; Carlylean = Carlyliaansch; Carlylese, Carlylesque, in

den stijl (trant) van C; Carlylism = volgens C’s spraakgebruik.

Carmagnole, kâm’njoul, Carmagnole.

Carmarthen, kâmâth’n.

Carmelite, kâməlait. Karmeliet; Karmalitisch; soort laken, soort v.

peer.

Carmichael, kâmaik’l, kâmaik’l.

Carmine, kâm(a)in, karmozijn.

Carnage, kânidž, subst. bloedbad, slachting; — verb. moorden.

Carnal, kân’l, vleeschelijk, zinnelijk: — intercourse = vleeschelijke

gemeenschap; —-minded = zinnelijk; Carnality, zinnelijkheid.

Carnarvon, kânâv’n.

Carnassial kânaš’l: — tooth = scheurtand.

Carnation, kâneiš’n, anjelier; vleeschkleur.

Carnegie, kâneigi.

Carnival, kâniv’l, carneval, pret.

Carnivore, kânivö, vleeschetend dier; Carnivorous, vleeschetend.

Carol, kar’l, subst. (lof)zang, lied, gekweel; — verb. (lof)zingen,

kweelen.

Carolina, karəlainə; Caroline, karəl(a)in: The — Age = tijd van Karel

I.

Carolus, karəlɐs, gouden munt (van Karel I) van 20, later 23 shillings.

Carom, karəm, carambole; gelukje; — verb. caramboleeren (Amer.).

Carousal, kərauz’l, feest, drinkgelag; Carouse, subst. drinkgelag; —

verb. drinken, pret maken; Carouser = pretmaker.

Carp, kâp, karper.

Carp, kâp, vitten, bedillen (at).

Carpathian, kâpeithiən, Karpatisch.

Carpenter, kâp’ntə, subst. timmerman; — verb. timmeren; Carpentry =

timmermansambacht, -werk.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 16 / 141 段