adj. vervalscht; verb. ədɐltəreit, vervalschen; Adulteration,
vervalsching; Adulterator, vervalscher.
Adulterer, ədɐltərə, echtbreker, afgodendienaar; Adulteress, ədɐltərəs,
echtbreekster; Adultery, ədɐltəri, overspel; Adulterine, ədɐltərin of
ədɐlterain, adj. onecht, vervalscht; Adulterous, overspelig, afvallig;
Adultery = overspel, afgodendienst.
Adumbrate, ədɐmbreit, schetsen, aanduiden: The difficulties here —d;
Adumbration = schets.
Advance, advâns, subst. voortgang, vooruitgang, bevordering,
verhooging, voorsprong, aanbod, voorschot, hooger bod, winst; — verb,
bevorderen, verheffen, verhoogen, verbeteren, voorschieten; voortgaan,
vooruitgaan, klimmen, stijgen; ontwikkelen, aanvoeren; Is there any —?
= biedt iemand meer? My desires are in — of my means = zijn grooter
dan; I tell you so in — = vooruit; The price of the goods is on the — =
wordt hooger; Her resistance to his —s = tegen zijne pogingen om haar
te winnen; He —d an opinion from which I dissent = ontwikkelde eene
meening; We should get wiser as we — in life = ... naarmate wij ouder
worden; —d = geavanceerd (polit., enz.); An —d child = voorlijk; At the
—d age of 80 = gevorderden; —-guard = voorhoede; —-proofs (—-sheets) =
proefbladen; —ment = vooruitgang, bevordering, voorschot; —r =
bevorderaar.
Advantage, advântidž, subst. voordeel, overwicht, voorrang; — verb.
bevoordeelen: To great — = zéér voordeelig; He has an — over me = is in
gunstiger conditie dan ik; You have the — of me = gij schijnt mij te
kennen, terwijl ik u niet ken; You have taken — of my calamities =
misbruik gemaakt van; You must try to turn this to — = hiervan te
profiteeren; He is —d by it = profiteert; Advantageous, voordeelig,
gunstig.
Advent, adv’nt, advent; komst, nadering: The police kept a space clear
for the — of royalty = voor de nadering van den koninklijken stoet;
—itious, adv’ntišəs, toevallig, bijkomend.
Adventure, adventjə, subst. avontuur; speculatie, risico; mijnaandeel;
verb. wagen, zich wagen, gevaar loopen: Do it at all —s = wat er ook
van kome; —r = waaghals, avonturier, speculant (vr. —ss); —some =
Adventurous, adventjərɐs, gewaagd, vermetel: subst. —ness.
Adverb, advɐ̂b, bijwoord; An adverbial phrase = bijwoordelijke
uitdrukking.
Adversaria, advəsêriə, adversaria.
Adversary, advəsəri, tegenstander; Adversative, subst. en adj. het
tegengesteld(e) (gramm.).
Adverse, advɐ̂s, tegen.., nadeelig, vijandig: — fate = tegenspoed; —
party = tegenpartij; — winds = tegenwinden; Adversity, tegenspoed: —
makes wise, though not rich = door schade en schande wordt men wijs.
Advert, advɐ̂t, letten (wijzen) op: I will no more — to that
circumstance = wil laten rusten.
Advertise, advətaiz, publiek maken, adverteeren: The book (author) was
—d up = er werd reclame gemaakt voor; —ment, advɐ̂tizm’nt, advertentie,
reclame: — station = bord of muurvlakte voor reclamebiljetten; —r, hij
die adverteert; advertentieblad; Advertising agency = annoncenbureau.
Advice, advais, raad, advies, rapport, bericht: As per — = volgens
bericht; To ask — of = raad vragen; I took his — = volgde; To take
medical — = een dokter consulteeren; —-boat = adviesjacht; Mail —s,
mailberichten.
Advisability, advaizəbiliti, raadzaamheid; Advisable = raadzaam; subst.
—ness; Advise, advaiz, aanraden, berichten; raadplegen, te rade gaan:
To — with one’s pillow = zich beslapen op; I — against such a step =
raad af; A well —d plan = goed doordacht; The government was well —d in
doing it = gaf blijk van overleg; You would have been better —d in
abstaining from it = je hadt wijzer gedaan je er van te onthouden;
Advisedly, met overleg, expresselijk; Advisory, advaizəri, raadgevend:
An — body = raadgevend lichaam; — Committee = Commissie van advies.
Advocacy, advəkəsi, advocatuur, voorspraak; Advocate, advəkeit, subst.
pleitbezorger, advokaat (in Schotl.); voorstander; — verb. bepleiten:
Devil’s — = Duivelsadvocaat; Judge — = auditeur militair; —ship,
advocatuur; verdediging.
Advowee, advauî, kerkpatroon, beschermheer; Advowson, advaus’n,
patronaat, collatierecht; prebende (Schotl.).
Adytum, adit’m, het allerheilige van een (heiden)tempel; plaats van het
altaar.
Adz(e), adz, subst. houweel; verb. met een houweel slaan.
Aegean Sea, îdžîənsî = Aegeïsche Zee.
Aegis, îdžis, aegis; goddelijke bescherming.
Aeneas, înîəs; Aeneid, îni-id, înî-id, de Aeneide.
Aeolian, î-oulj’n, aeolisch; — harp = Aeolusharp; The — Isles; Aeolic,
i-olik, aeolisch.
Aeon, îən, eeuw(igheid); Aeonian, i-ounj’n, eeuwig(durend).
Aerate, eiəreit, lucht of koolzuur voeren door: —d = koolzuurhoudend:
—d bread = brood gebakken van deeg waardoor men koolzuur heeft gevoerd;
A.B.C. Shop = soort ‘lunchroom’. Zie A.B.C.
Aerial, eiîrj’l, eierj’l, tot de lucht behoorende, in de lucht levend,
etherisch, ingebeeld, lucht...: — navigation = luchtscheepvaart.
Aerie, êri, îri, roofvogelnest (arends—), hooge woning; gebroed,
kinderschaar.
Aeriform, eiəriföm, luchtvormig; Aerify, eiərifai, met lucht vullen, in
lucht veranderen.
Aerodrome, eiərədroum, terrein waarvan vliegmachines opstijgen.
Aerolite, eiərəlait, meteoorsteen; Aerolitic, = meteorisch.
Aerometer, eiəromətə, aërometer; Aerometry, eiəromətri, leer der
luchtmeeting.
Aeronaut, eiərənôt, luchtschipper; Aeronautics = luchtscheepvaart.
Aeroplane, eiərəplein, soort vliegmachine.
Aerostat, eiərəstat, luchtballon; Aerostatics = aërostatica.
Aesculapian, eskjuleipj’n, van Aesculaap, geneeskundig.
Aesthete, es-thît, îs-thît, dweper met ’t aestheticisme (vaak in
ongunstigen zin).
Aesthetic(al), es-thetik(’l), îs-thetik(’l), es-thîtik(’l),
îs-thîtik(’l), aesthetisch; —(s) = aesthetiek; Aestheticism = studie
van (zin voor) aesthetiek, kunst.
Aestival, estiv’l of əstaiv’l zomersch.
Aetiology, îtiolədži, etiolədži, aetiologie.
Afar, əfâ, ver, in de verte.
Afeard, əfîəd, bevreesd; verschrikt (Amer.).
Affability, afəbiliti, minzaamheid, adj. Affable, afəb’l, subst. —ness.
Affair, əfêə, zaak, aangelegenheid, gevecht: It was a bloody — =
gevecht; Public —s = openbare aangelegenheden; At the head of —s = aan
het hoofd der regeering; An — of honour = een duel; As —s stand =
zooals de zaken staan; That is not my — = dat gaat mij niet aan.
Affect, əfekt, aandoen, roeren, aantasten, invloed hebben op,
betreffen; liefhebben, houden van, de voorkeur geven aan, zich voordoen
als, huichelen, voorkomen: It has greatly —ed me = me zeer getroffen;
He —s a knowledge of it = doet alsof hij weet; He —ed a stare = hij
stelde zich verwonderd aan; A servant was —ed to his private use =
bestemd voor, aangewezen tot; —ed with (illness) = getroffen, aangedaan
door; Affectation, əfəkteiš’n, gemaaktheid, huichelarij, liefhebberij;
They seemed to be his only — = amusement, liefhebberij; Affection,
əfekš’n, toegenegenheid, liefde; aandoening; ziekte; ontsteking;
eigenschap; invloed: Return of — = wederliefde; Affectionate,
əfekšənit, liefhebbend, hartelijk: I am, Yours —ly, B. = Uw liefh. B.;
Affective, əfektiv, gemoeds...
Affeer, əfîə, ’t bedrag van een boete bepalen; subst. —ment.
Affiance, əfai’ns, verb. verloven, verbinden: Her —d husband =
verloofde.
Affiche, əfîš, affiche, aanplakbiljet (Amer.).
Affidavit, afideivit, schriftelijke beëedigde verklaring.
Affiliate, əfiljeit, adopteeren, opnemen: —d Societies =
vereenigingsafdeelingen; Affiliation = adoptie, verwantschap, opneming,
verbinding.
Affinitive, əfinitiv, verwant; Affinity, əfiniti, aanverwantschap,
overeenkomst, affiniteit (chemie): Electional affinities = verwantschap
door keuze.
Affirm, əfɐm, verzekeren, beweren, bevestigen, bekrachtigen, plechtig
verklaren; —able = houdbaar; —ant, bevestigend; ook subst.; —ation,
bevestiging, etc.; Affirmative, bevestigend, positief, dogmatisch: He
answered in the — = bevestigend; Affirmatory = bevestigend, enz.
Affix, afiks, subst. achtervoegsel; Affix, əfiks, verb. hechten of
voegen aan.
Afflation, əfleiš’n, aanblazing, inspiratie = Afflatus, əfleitəs.
Afflict, əflikt (with), bedroeven, kwellen, bezoeken met; —ion,
droefenis; smart, ramp, ellende; —ive, bedroevend etc.
Affluence, afluens, rijkdom, overvloed; Affluent, rijkelijk,
overvloedig, overvloed hebbend; zijrivier.
Afford, əföd, verschaffen, opleveren; (met can) in staat zijn,
bestrijden, kunnen betalen: I can — it = mijne middelen veroorloven het
mij; I will — you the means = verschaffen; He could — the time = had
den tijd.
Afforest, əforəst, in bosch veranderen; —ation, het veranderen in
bosch; het land in bosch veranderd.
Affranchise, əfrantš(a)iz, vrijmaken; —ment, vrijmaking.
Affray, əfrei, kloppartij, ruzie, standje.
Affright, əfrait, schrik aanjagen, doen schrikken; ook subst.
Affront, əfrɐnt, subst. hoon, beleediging; verb. beleedigen, weerstaan:
—ed at = beleedigd over.
Affusion, əfjûž’n, begieting, besprenkeling.
Afghan, afgan, adj. en subst.; Afghanistan, afgânistân, afganistan.
Afield, əfîld, naar of op het veld, van huis: That would lead me too
far — = zou mij te ver voeren.
Afire, əfaiə, in brand, gloeiend: She was all — = vuur en vlam (fig.).
Aflame, əfleim, vlammend; in vuur (fig.).
Afloat, əflout, vlot, drijvend, overstroomd; uit de verlegenheid, aan
den gang, onzeker.
Afoot, əfut, te voet, in beweging, op de been, gaande.
Afore, əfö, te voren, vroeger; —named, —said = voornoemd; —thought =
voorbedacht; —time = vroeger.
Afraid, əfreid, bevreesd: He is more — than hurt = schreeuwt harder dan
noodig is; Don’t be — of him = bang voor; I am — for you = om uwentwil
vrees ik.
Afresh, əfreš, opnieuw.
Africa, afrikə, Afrika; African, Afrikaan(sch); Africander, afrikandə,
afrikandə, Afrikaander.
Aft, âft, naar de achterzijde van het schip: Fore and — = van vóór- tot
achtersteven.
After, âftə, na, later, daarna: — you with the match = na u; — all =
bij slot van rekening; — (in) my opinion = volgens mijne meening; I
don’t know what he is — = hij bedoelt, tracht te verkrijgen; He was —
it = wou het zien te krijgen; I will look — it = er naar zien, er voor
zorgen; A year — = een jaar later; The year — = het volgende jaar;
—-ages = volgende eeuwen; —-birth = nageboorte; —-clap = nakomende
(onverwachte) slag; verrassing, naspel; —-cost = bijkomende kosten;
—-crop = nalezing; —day(s) = latere dagen, toekomst; —-glow = nagloed;
—-grass (—-math) = etgroen; —noon, âftənûn, namiddag; —-pains =
napijnen; —-thought = nader inzien, nadere overweging; nakomertje;
—-time = overuren; —-tossing = nadeining; Afterings = de laatste uit de
koe gemolken melk; Aftermost = het meest naar achter; achterschip;
Afterward(s), âftəwəd(z), later, naderhand.
Aga, âgâ, əgâ, agə, eigə, aga.
Again, əgen of əgein, opnieuw, weer: — and — = herhaaldelijk; He
received as much — = nog eens zooveel; The bell rang — = weerklonk
luide, krachtig; What are they called —? = hoe heeten zij ook weer? — =
en verder, om een ander voorbeeld te nemen; She was loved — = vond
wederliefde; At times she was affable, — she was reserved = soms... dan
weer.
Against, əge(i)nst, tegen(over), strijdig met, met betrekking tot: —
the 6th = tegen; The entries — him = posten op zijn naam geboekt; As —
= vergeleken met; To talk — time = al maar door praten, om tijd te
winnen, of verlegenheid te verbergen; To work — time = om op bepaalden
tijd klaar te zijn, of met inspanning van alle krachten. (Vergelijk: To
talk — death = al maar door praten om den patient als ’t ware te doen
vergeten, dat hij sterven gaat).
Agape, əgeip, met open mond: To stand —.
Agaric, əgarik, of agərik, zwam, paddenstoel.
Agate, agət, agaat.
Agave, əgeivə, Amerik. aloë.
Age, eidž, subst. ouderdom, levensduur, meerderjarigheid, eeuw,
periode, geslacht, lange tijd; — verb. verouderen; oud maken: What’s
your —? Hoe oud zijt gij? He became a radical in his — = op zijn ouden
dag; What an — you are = wat duurt dat lang; —s ago = eeuwig lang
geleden; Behind the — = achterlijk; Middle — = middelbare leeftijd;
Middle —s = Middeleeuwen; Of — = meerderjarig; Under — = minderjarig;
To be (become) of —; At his coming of — = bij zijn meerderjarig worden;
You bear your — well = gij houdt u goed voor uw leeftijd; To be getting
well on in middle — = op leeftijd komen; To have passed the specified —
= boven den leeftijd zijn (b.v. om voor half geld te reizen); You have
—d ten years since the other day = bent tien jaar ouder geworden sedert
een dag of wat; The —d = de bejaarden; The ag(e)ing change those years
have wrought = de veroudering.
Agency, eidž’nsi, werking, agentschap, tusschenkomst: Through your — =
bemiddeling; — business = commissiehandel.
Agenda, ədženda, werkzaamheden, agenda.
Agent, eidž’nt, agent; agens; werktuig (fig.).
Agglomerate, əglomərit, subst. agglomeraat; adj. samengestapeld,
opeengehoopt.
Agglomerate, əgloməreit, opeenstapelen, samenhoopen; Agglomeration,
agglomeratie; adj. Agglomerative.
Agglutinant, əglûtin’nt, klevend; subst. kleefmiddel; Agglutinate,
əglûtinit, adj. aangekleefd; — verb. (əglûtineit), aanéénlijmen;
Agglutination = agglutinatie; adj. Agglutinative.
Aggrandize, agrəndaiz, vergrooten, verheffen, verheerlijken; subst.
—ment.
Aggravate, agrəveit, verergeren, verzwaren; prikkelen, boosmaken:
Aggravating = verzwarend, onaangenaam, onuitstaanbaar: — circumstances
= verzwarende; Aggravation = verergering, etc.
Aggregate, agrigit, adj. opgehoopt, gezamenlijk: — amount; subst.
ophooping, massa, bedrag, aggregatie; — verb. (agrigeit), tot een
geheel vereenigen; opnemen; bedragen; Aggregation = aggregatie;
Aggregative = gezamenlijk.
Aggress, əgres, verb. aanvallen, den strijd beginnen; —ion, aanval;
—ive, aggressief, strijdlustig; —iveness, strijdlustigheid; —or,
aanvaller.
Aggrieve, əgrîv, bedroeven, smarten; benadeelen, krenken.
Aghast, əgâst, ontzet, verbluft.
Agile, adž(a)il, vlug, bedrijvig; Agility, vlugheid, etc.
Agio, adž(i)ou of eidž(i)ou, agio; —tage, adžətidž, agiotage;
beursspel.
Agitate, adžiteit, heen en weer bewegen, schokken, verontrusten,
opwerpen, opruien; Agitation, beweging, gisting; Agitator, adžiteitə
agitator.
Aglet, aglət of eiglət, veter(band).
Aglow, əglou, gloeiend.
Agnail, agneil, nijdnagel.
Agnat(e), agneit, subst. agnaat; adj. verwant; Agnatic relationship =
verwantschap in de mannelijke linie = Agnation.
Agnes, agnəz, Agnes: St. — Day = 21 Jan., waarop de meisjes plachten te
vasten om van hun toekomstigen echtgenoot te kunnen droomen.
Agnostic, agnostik, agnosticus; agnostisch; Agnosticism = leer der
Agnostici.
Agnus Dei, agnəsdîai, Lam Gods.
Ago, əgou, geleden.
Agog, əgog, vurig verlangend, opgewonden (on): They were all — to be
off = verlangend om te vertrekken; He came back all — with the sight =
opgewonden door; The servants are all — with music = gek, vol van; All
the world was — on Trilby = was mal van, had het over.
Agoing, əgouiŋ, aan den gang, in beweging.
Agonist, agənist; —es, agənistîz, kampvechter.
Agonize, agənaiz, den doodstrijd strijden; kwellen, martelen: An
agonizing pain, thought; Agony = groote smart, zielsangst (= Mental —),
doodstrijd (= — of death); — column = kolom in een dagblad in ’t
bijzonder bestemd voor advert. omtrent verdwenen personen, etc.
Agrarian, əgrêrj’n, den akkerbouw of het landbezit betreffend,
agrarisch, in ’t wild groeiend: — laws; — crime, outrage = misdrijf
tegen landheeren, of rentmeesters; —ism, beweging ter bevordering der
agrarische belangen.
Agree, əgrî, het eens zijn, eensgezind leven, toestemmen, overeenkomen,
het eens worden; passen bij, overeenstemmen (gramm.); doen sluiten: How
do you and your master —? = hoe is de verhouding tusschen u en uw
meester? We cannot — about it = eens worden omtrent; We —d on the plan
= werden het eens over; He would not — to our plan = goedkeuren; The
verb —s with its subject = stemt overeen; Wine does not — with me = ik
kan geen wijn verdragen; —d! = top! afgesproken!
Agreeable, əgrîəb’l aangenaam, passend: — to our wishes =
overeenkomstig; He does the — = hij wil lief zijn; Is that —, Are you
—? = vindt gij het goed?
Agreement, əgrîmənt, overeenstemming, overeenkomst.
Agricultural, agrikɐltšər’l, landbouw....; — college = landbouwschool;
— implements, — labourers; Agriculture = landbouw: Board of — =
Ministerie van landbouw; Agriculturist, econoom.
Agrimony, agriməni, leverkruid.
Aground, əgraund, aan den grond; in de klem: To be — = aan den grond;
in de klem; To run — = op strand loopen, zetten; in de klem geraken.
Ague, eigju, subst. (koude) koorts, wisselkoorts: Intermittent fevers
are of the type of —; —-fit = aanval van koorts; —-tree = sassefras;
Aguey, eigjui = Aguish, eigju-iš = koortsig.
Ah, â, ach, och.
Aha, âhâ, of əhâ, hoera! Mooi zoo! Bah!
Ahead, əhed, vooruit, vooraan: — of her turn = vóór haar beurt; He is —
of all = allen vóór; You are — of time = voor uw tijd, uw tijd vooruit;
To be — = te wachten staan; Go — = vooruit maar! To see — = in de
toekomst zien; To write — = vooruit, vooraf.
Aheap, əhîp, op een hoop.
Ahem, ɐhem, h’m!
Ahoy, əhôi, hola! ehoi! (bij zeelieden, om een schip aan te roepen):
Boat —!
Ahull, əhɐl, voor top en takel, d.i. een schip ligt ahull, als bij een
storm al de zeilen zijn geborgen en het roer is vastgezet.
Ai, âi, luiaard of ai (aai).
Ai, ai, interj. Helaas! — for the fleecy flocks = Helaas, onze wollige
kudden.
Aid, eid, subst. hulp, bijstand; helper; — verb. helpen, bijstaan,
verlichten: —s = hulptroepen, toelagen, tollen; First — to the injured
= eerste hulp bij ongelukken; I have learned first —; This meeting will
greatly — in influencing the whole country = ertoe bijdragen; —er,
helper; medeplichtige: First —er = wie First — verleent; —less =
hulpeloos.
Aiglet, eiglət, jonge arend.
Aigret(te), eigret (eigret). Zie Egret.
Ail, eil, kwellen, pijnigen, deren: I — nothing, of: Nothing —s me; My
friend is —ing = ziekelijk, sukkelend; What —s you to beat me = hoe kom
je er bij; Ailment, ongesteldheid.
Aim, eim, subst. doel, vizier(korrel), bedoeling, plan; — verb. mikken,
richten, bedoelen, streven naar, zinspelen op: To miss one’s — =
misschieten, zijn doel missen; To take — = aanleggen; The author —s
higher = streeft een hooger doel na; To — right = het goed bedoelen;
juist mikken; What do you — at? = Waarop hebt ge het gemunt? He —ed at
my ruin = had het gemunt op; Tell —ed at his boy’s head = mikte op;
—er, vingerwijzing; —less, doelloos.
Air, êə, subst. lucht, atmosfeer, windje; wijsje, air; voorkomen,
schijn, air: — verb. luchten, warmen, drogen; publiceeren, te koop
loopen met: To give oneself —s = zich airs geven; To be wholly up in
the — = vaag zijn; He has an — of security about him = neemt graag het
air aan van zeker te zijn; To hang in mid-— = in de lucht hangen; To
live much in the — = buiten; To take — = ruchtbaar worden; To take the
— = een luchtje scheppen; The room was —ed = gelucht; She took an —ing
every day = ging rijden (of wandelen), om een luchtje te scheppen; The
hotel was opened for an —ing = om te luchten; He is always —ing me in
public, and dropping me in private = heeft den mond vol over mij in ’t
publiek; To — one’s grievances = te koop loopen met; To — horses =
afrijden; —-balloon; —bath, luchtbad; —-brake, êəbreik, luchtrem: The
engineer turned on the —-brake = bracht in werking; —-built, —-drawn =
ingebeeld; —-cushion, windkussen; —-gun = windroer; —-hole, luchtgat;
—-man = aviateur; —-pipe = ventileerbuis; —-pump, luchtpomp; —-tight =
luchtdicht; Airiness, luchtigheid, lichtheid, luchthartigheid, etc.;
Airy, lucht..., luchtig, hoog; onstoffelijk; luchthartig; onbeduidend:
— castles = luchtkasteelen = Castles in the —.
Aisle, ail, zijbeuk (van een kerk), doorgang tusschen zitplaatsen in
kerk, schouwburg of wagon.
Ait, eit, eilandje (in eene rivier).
Aix-la-Chapelle, eikslašapel, Aken.
Ajar, ədžâ, op een kier; oneenig: To come — = op een kier gaan staan.
Akimbo, əkimbou, in de zijde: With arms — = op de heupen.
Akin, əkin, verwant.
Alabaster, aləbastə of aləbastə, subst. albast; adj. albasten.
Alack, əlak; —-a-day = helaas! wee!
Alacrious, əlakriəs, vroolijk; —ness, Alacrity, əlakriti, opgewektheid,
vlugheid, bereidwilligheid.
Alamode, aləmoud, adj. nieuwmodisch; subst. zwarte taf; —-beef = soort
bouillon.
Alar, eilə, gevleugeld, vleugel...
Alaric, alərik, Alarik.
Alarm, əlâm, subst. (alarm)signaal, schrik, ongerustheid; wekker (aan
eene klok); appèl (bij het schermen): — verb. ontstellen, verontrusten,
alarmeeren: To give the — = alarm maken; To take the — = lont ruiken;
To sound an — = alarm blazen; The German emperor has a trick of —ing
garrisons at impossible hours = te alarmeeren; They all assembled at
the —-post = loopplaats (mil.); —-watch = uurwerk met wekker; Alarmist
= alarmist; Alarum, wekker.
Alas, əlas, helaas!
Alb, alb, alba, wit priesterkleed.
Albany, ôlbəni: —-beef (Am.) = steur; —-hemp = brandnetel.
Albatross, albətros, albatros.
Albeit, ôlbîit, ofschoon.
Albemarle, albəmâl.
Albert, albət. Ook: korte horlogeketting = —-chain; — medal = een
medaille uitgereikt door de Society of arts; een medaille voor ’t
redden van personen.
Albigenses, albidžensîz, Albigenzen.
Albiness, albinəs, albainəs, albina; Albinism, albinisme; Albino,
albainou of albînou, albino.
Albion, albiən, Albion.
Album, alb’m, album; vreemdelingenboek (Amer.).
Albumen, albjûm’n, eiwitstof; Albuminize = in eiwit omzetten; met een
laagje eiwithoudende vloeistof bedekken; Albuminous (matter) =
eiwithoudend (eiwitstof).
Albuminuria, albjuminjûriə, nierziekte (v. Bright).
Alburnum, albɐn’m, spint.
Alcazar, alkâthâ of alkazâ, burcht, paleis; café in Moorschen stijl;
campagne.
Alcedo, alsîdou, ijsvogel, koningsvisscher.
Alchemist, alkimist, alchemist; Alchemy, alchemie.
Alcibiades, alsibaiədîz; Alciphron, alsifrən.
Alcohol, alkəhol, alcohol, wijngeest: Wood — = houtgeest; Alcoholic
liquors = sterke dranken; —ism = alcoholisme; —ization = rectificatie;
—ize = in alcohol omzetten, rectificeeren.
Alcoran, Alkoran, alkərən, alkərân, al-koran, de koran; Alcoranist,
uitlegger of aanhanger van den koran.
Alcove, alkouv of alkouv, alkoof, nis; prieel, grot.
Alcyon, alsiən. Zie Halcyon.
Alder, ôldə of oldə, elzeboom.
Alderman, ôldəm’n, wethouder, schepen: — in chains = met saucijsjes
behangen kalkoen; —cy (—ship) = de waardigheid van een —; —like = als
een —, statig.
Alderney, ôldəni, Alderney; koe v. A.
Aldershot, ôldešot, stad, waarbij een groot militair kamp.
Ale, eil, (Engelsch) bier: Bottled — = ale op flesschen; —-bench =
bierbank; —gar, algâ = bierazijn; —-hoof = hondsdraf; —-wife =
bierhuishoudster; haringvormige visch.
Alee, əlî, aan (naar) lij: To put the helm —.
Alembic, əlembik, destilleerkolf.
Alert, əlɐ̂t, waakzaam; subst. een waarschuwingssein: To be on the — =
op zijne hoede zijn; vurig uitzien naar (for); subst. —ness,
wakkerheid.
Aleutian Islands, aliûš’nail’ndz, Aleutische eilanden.
Alexander, aləgzandə, Alexandra, aləgzandrə; Alexandria, aləgzandriə;
Alexandrian, aləgzandriən, alexandrijnsch; Alexandrine, aləgzandrin,
alexandrijn.
Alf(red), alf(red).
Alga, algə, alge; —e, aldži, algen; —l, algenachtig.
Algebra, aldžəbrə, algebra; Algebraic(al), algebraïsch; Algebraist,
aldžəbrei-ist, algebraïst.
Algeria, aldžîrjə, Algerije; —n = Algerijn(sch).
Algernon, aldženən.
Algid, aldžid, koud; Algidity = koude.
Algiers, aldžîəz Algiers.
Algous, algəs, algenachtig, vol algen.
Alguazil, algwazîl, (Spaansch) konstabel.
Algy, aldži; Ali, âlî.
Alias, eilias, adj. anders genoemd; subst. alias; Inter alia,
intəreiljə onder anderen.
Alibi, alibai, subst. alibi: I proved my — = bewees mijn alibi.
Alice, alis.