leelijk, dom aanmatigend, parvenuachtig: He tried to establish the
worship of the god of — = den eeredienst voor de godheid van prulwerk
en oppervlakkigheid; New and — people = parvenus; They were deemed the
very shoddiest of — = tot zeer parvenuachtige families te behooren;
—ism = domme aanmatiging; parvenus; The world seemed to him to go
—wards = minder degelijk te worden.
Shodkin, šodkin, huwelijksmakelaar (bij de Joden).
Shoe, šû, subst. schoen, hoefijzer, ijzeren beslag; — verb. beslaan,
eene biljartqueue van een pomerans voorzien, schoeien: That is quite
another pair of —s = andere thee (fig.); I wish I were in your —s = dat
ik in uwe schoenen stond; To die in one’s —s = gehangen worden; To
shake in one’s —s = bibberen van angst; She stepped into my —s = nam
mijn plaats in; A pair of wooden —s = klompen; —black = schoenpoetser;
—-blacking = schoensmeer; —-brush = schoenborstel; —-buckle =
schoengesp; —-butt = zoolleer; —-factory; —-horn = schoenhoorn; —-lace
= schoenveter; —-latchet = riem; —-leather = schoenleder: To save
—-leather = zich een gang besparen; —maker = schoenmaker; —-string;
—-tacks = schoenspijkers; —-thread = pikdraad; —-vamp = bovenleer;
—ing: —ing-horn = schoenentrekker, hulpmiddel, tusschenpersoon; —less:
—less and stockingless children = zonder schoenen of kousen, doodarm;
—r = hoefsmid.
Shone, šon, imperf. en part. perf. van to shine.
Shoo, šû, ksh!
Shook, šuk, imperf. van to shake.
Shook, šuk, duigen, duighout.
Shoot, šut, subst. schot, schietwedstrijd, jachtpartij, vuilnisplaats,
jonge tak of scheut, spruitje of knop; slede, glijplank, houten
glijbaan, stroomversnelling; — verb. schieten, jagen, snel bewegen
door, uitbotten, uitspruiten, steken, afvuren, doodschieten, treffen,
afjagen, voorschuiven, leegstorten: To — the bolt = den grendel
schuiven voor; We shot the bridge = voeren snel onder de brug door; He
has shot the moon = is met de noorderzon vertrokken; Don’t — rubbish or
soil here = hier geen puin of afval neer te werpen; Rubbish shot here =
plaats voor puin, etc.; The light boat shot the water = vloog over; He
shot ahead of us = schoot ons voorbij, kwam ons voor; To — flying = in
de vlucht; He shot at everything within range = schoot op alles wat
onder zijn bereik kwam; Let them — out the lip at me, if they like = de
lip verachtelijk tegen mij uitsteken; They were all shot out (of the
boat) into the water = in het water geslingerd; They shot out the
tongue at this = staken de tong er voor uit; To — over dogs = met
honden jagen; He —s a mass of raw materials upon us in these bulky
volumes = hij overstelpt ons met; —er = schieter, schutter, vuurwapen:
A six-—er = zesloopsrevolver; —esses = jageressen; Shooting = jagen,
schieten, het afschieten, het pijnlijk door de leden schieten,
jachtterrein: To go out — = uit jagen gaan; —-box = jachthuis;
—-gallery = schiettent, jachthuisje; —-iron = jachtgeweer, revolver
(Amer.); —-jacket = jachtvest; —-license = akte; —-match = wedstrijd;
—-range = schietterrein; —-season; —-seat = jachthuis; —-star =
vallende ster.
Shop, šop, subst. winkel, werkplaats; — verb. inkoopen doen, winkelen:
No — in company (Cut the —) = niet over het vak praten;
Wine-from-the-wood — = bodega; To keep (a) —; To open a —; We shut up —
at 8 = sluiten om 8 uur; He has shut up — = heeft zich uit de zaken
teruggetrokken; That smells of the — = ruikt naar het vak; To sink the
— = niet over het vak praten; He talks the most unlimited — = heeft het
eeuwig en altijd over zijn vak; We have been —ping = wij hebben
gewinkeld; —-assistant = winkelbediende; —-bill = prijscourant; —-board
= werkbank, toonbank; —-book = winkelboek; —-girl; —keeper = winkelier,
winkelknecht (fig.); —-lifter = ladelichter; —man = kleinhandelaar,
winkelknecht; —-soiled = verkleurd of gevlekt in de étalage; —-walker =
winkelchef; —-worn = verlegen; Shopocracy, špokrəsi, rijke
winkelmenschen.
Shore, sö, subst. kust, oever, strand, schraag, stut; — verb. aan den
wal (in zekerheid) brengen, schragen, schoren, stutten: They went on —
= aan wal; To stand in, off — = in, uit den wal liggen (scheepsterm); —
it up = stut het; —-battery = strandbatterij; —-ice = pakijs; —less =
zonder oever of kust, onbegrensd.
Shorling, šöliŋ, vacht van een levend geschoren schaap, pas geschoren
schaap.
Shorn, šön, p.p. van to shear: God tempers the wind to the — lamb =
geeft kracht naar kruis.
Short, šöt, subst. korte inhoud, kort begrip, tekort; adj. kort,
beperkt, beneden peil, schraal, gebrekkig, onverdund, kortaf, driftig,
broos: The long and the — of it is = de hoofdzaak is, om kort te gaan;
—s = mengsel van zemelen en meel; korte broek; The baby was put into —s
(= short clothes) = kwam uit de lange kleeren; To be — at the sleeves;
Called for — = kortweg; He is a fool in — = kortom hij is gek; To be —
with = kortaf, bits; To be two shillings — = te kort komen, te weinig
ontvangen hebben; The time was very — now = de tijd begon aan te
loopen; He is — of sight = bijziende, kortzichtig (fig.); I am — of
money just now = slecht bij kas; — of heaven, he could lead his men
anywhere = behalve naar den hemel; It fell — of my expectations =
beantwoordde niet aan; Nothing — of having my tooth extracted could rid
me of that toothache = niets minder dan; This deed is little — of
heroic = komt nabij; The translation is — of the original = blijft
beneden; A few minutes — of twelve = vóór 12; I am rather — of hands =
kom te kort; Let it be — = maak het kort; He cut me — = viel mij in de
rede; We have gone — frequently to save up for a dinner = vaak “krom
gelegen”; To make — of a long story (= To make a long story —) om kort
te gaan; To run — = opraken; To sell — = à la baisse speculeeren; To
stop — = plotseling stilhouden, blijven staan, ophouden; To turn — =
zich plotseling omkeeren; — allowance = schrale kost: To put on —
allowance = op klein rantsoen stellen; — cut = binnenpad, kortere weg;
At the time I wore — petticoats = toen ik nog korte rokken aan had; —
rib = korte rib; To give — shrift = korte metten maken met; To put on —
work = de werkuren inkorten; To make — work of = korte metten maken
met; —-bread (—-cake) = broos gebakje; —-breathed, šötbretht,
kortademig; —-circuit = kortsluiting; The little one was —-coated =
kwam uit de lange kleeren; His —comings are many = tekortkomingen;
—-commons = schraal maal; —-dated = van korten duur, op korten termijn;
—hand = kortschrift: To take down in —hand = stenographisch opnemen; We
are rather —handed for gentlemen = hebben eigenlijk geen heeren genoeg;
—horn = beroemd (Durham) veeras (met korte horens); —-lived, —laivd:
Ours is a —-lived family = wij worden geen van allen oud;
—-sight(edness) = bijziendheid; —-sighted = bijziende, kortzichtig;
—-tempered = kort aangebonden (= — of temper); —-waisted = kortlijvig;
—-winded = kortademig; —-witted = met weinig oordeel; Shortage =
tekort: There was a — of teachers; Shorten = verkorten, verminderen,
samentrekken, afsnijden, zacht maken: They —ed sail = minderden zeil;
—ed of his prey = beroofd van; —er = wie of wat verkort, enz.; Shortly
= (in het) kort, binnenkort: He wrote — = schreef een klein briefje; —
before the war; Shortness = kortheid: — of breath; — of memory.
Shot, šot, subst. schot, kogel, schroot, hagel, bereik (van kogel of
geweer), schutter; gelag, rekening; adj. changeant, met een weerschijn;
— verb. laden (ook imperf. en p.p. van to shoot): Blank — = met los
kruit; — with ball = met scherp; — of distress = noodschot; To be
received by a volley of — = een hagelbui van kogels; He is not worth
powder and — = hij is geen schot kruit waard; As long as there is a —
in the locker = nog een kogel in ’t geweer, nog geld in de beurs is;
The — came home, fell aboard = was raak; He is a crack, a dead, an
excellent, a splendid — = wat hij onder schot krijgt is “er bij”; One
of the best —s of the day; To fire random (wild) —s = in ’t wilde
schieten; Let me have a — at it = laat mij ’t eens probeeren; He made a
— at a French word for “intended” = sloeg een slag naar; I have got to
pay the — = ik moet betalen; The photographer took two —s at my face =
nam me tweemaal; To be (get) — of = kwijt zijn, raken; He was off like
a — = vloog weg; I gave up my promise like a — = dadelijk; Mistaken am
I? Not by a long — = volstrekt niet; He is out of (within) — = hij is
buiten (onder) schot; — silk = zijde met een weerschijn; —-bag =
schrootzak; —-belt = lange lederen riem voor hagel als gordel gedragen;
He came off —-free = zonder kleerscheuren; —-gauge = kogelmal; —-gun =
gladloops jachtgeweer; —-hole = kogelgat; —-pile = kogelstapel; —-prop
= houten prop om een —-hole te stoppen; —-tower = hageltoren; A heavy
—ted gun = met kogel van zwaar kaliber geladen kanon; —ted chain =
ketting met kogel (voor galeiboeven); The article is too heavily —ted
for the ordinary reader = al te zwaar, geleerd; —ten = de kuit
geschoten hebbende; ontwricht; gestremd.
Shough, šok, ruige hond.
Should, šud, imperf. van shall: Tell him so if he — come = als hij
mocht komen; Not as it — be = niet zoo het hoort; As who — say = alsof
iemand zou zeggen; No better than they — be = niet beter dan dat soort
gewoonlijk is.
Shoulder, šouldə, subst. schouder, schoft, schouderstuk; — verb. met
den schouder duwen, krachtig duwen, op den schouder nemen, òvernemen
(van het geweer): One — of mutton draws (drives) down another = hoe
meer men heeft, hoe meer men wil hebben; — of mutton sail = driehoekig
bootzeil; No sooner was he in the room, than she attacked him straight
from the — = in ééns, op den man af; He clapped me on the — saying: You
are my prisoner = hij legde de hand op mijn schouder; He gave us the
cold — = zag ons met den nek aan; I have a good deal on my —s just now;
He has round —s = een ronden rug; He hit out straight from the — = gaf
een krachtigen slag; You cannot put old heads upon young —s = jeugd
heeft geen deugd; Put (set) your — to it = zet er uw schouder onder; To
rub —s = in nauwe aanraking komen; He shrugged his —s = hij haalde de
schouders op; To stand — to — = schouder aan schouder staan; You have
taken too much on your —s; — arms! = over ’t geweer; I —ed the
responsibility = nam... op mij; He —ed me aside = duwde mij op zij; The
French were —ed off the direct way to Berlin = werden belet direct op
Berlijn aan te rukken; —-belt = draagband; —-blade, —-bone =
schouderblad; —-knot = schouderbedekking; —-points = vangsnoeren;
—-shotten = lam in de schouders (van paarden); —-slip =
schouderontwrichting; —-strap = schouderriem, schouderklep; He is a
broad-—ed fellow = breedgeschouderd.
Shout, šaut, subst. gejuich, geroep; — verb. juichen, hard roepen: They
—ed like anything = juichten “van je welste”; To — newspapers in the
street = luidkeels (met) kranten venten; —er.
Shove, šɐv, subst. duw, stoot; — verb. duwen, stooten, voortduwen: —
the animal at the hedge = drijf, duw, jaag naar; The measure was —d by
= terzijde gelegd, verworpen; We —d from shore = duwden af.
Shovel, šɐv’l, subst. schop; — verb. scheppen, opscheppen; —-board =
trokspel, troktafel; —-hat = platte hoed met breeden rand (door Eng.
geestelijken gedragen); —ful = schopvol; —ler.
Show, šou, subst. vertoon, tentoonstelling, voorkomen, schijn, praal,
schouwspel, vertooning; — verb. toonen, vertoonen, (aan)wijzen,
duidelijk maken, bewijzen, onderrichten, zich vertoonen, pronken (off):
Lord Mayor’s — = optocht van den L. M. in Londen (9 Nov.); He hasn’t
any — = geen kans; He makes no — of his learning = loopt niet te koop
met; Under a — of friendship = onder den schijn van; The meeting
expressed their opinion by — of hands = door het opsteken der handen;
Even in rebuke his great heart —s = toont zich zijn edel hart; The wood
began to — = het hout kwam door de verf kijken; Something —ed on the
ground = lag zichtbaar; Gypsy blood will — = verloochent zich niet; You
should not — = u niet decolleteeren; To — fight = de tanden laten zien,
willen vechten; He —ed his heels = ging aan den haal; To — the way; To
— about = overal laten kijken; The heavens — forth the glory of the
Lord = verkondigen; Will you — the gentleman in? = mijnheer
binnenlaten? His face —ed of a purple hue = nam eene purperen tint aan;
He is a clever fellow, but he does not — it off = maar hij loopt er
niet mee te koop; He —s off his gold chain = pronkt met; He —ed me over
the picture-gallery = liet mij zien; Will you — him up? = hem boven
laten komen; He was —n up = ontmaskerd; —-bill = groot aanplakbiljet;
—-box = kijkkastje; —-bread = toonbrood (bij de Israëlieten); —-card =
reclameplaatje; —-case = uitstalkastje, vitrine; —man = spulleman;
—man’s cart = kermiswagen; —-place = uitstalplaats, bezienswaardigheid;
—-room = monster-, modelkamer; —-scholar = model v. een leerling;
—-window = uitstalvenster; —er of tricks = goochelaar; —iness, subst.
v. —y = praalziek, opzichtig.
Shower, šauə, subst. bui, plasregen, drom, vloed; — verb. beregenen,
begieten, overstroomen, rijkelijk (doen) nederdalen: — of arrows,
stones; He —ed down wealth and honour on his favourites = stortte uit
over; —-bath = stortbad; —less = zonder buien; —y = buiïg, regenachtig.
Shown, šoun, p.p. van to show.
Shrank, šraŋk, imperf. van to shrink.
Shrapnel (shell), šrapn’l(šel), granaatkartets.
Shred, šred, subst. reepje, stukje, tittel of iota, lap; — verb. in
reepen snijden, knippen: —ded wheat = grof meel; —ding = stuk, lap,
brok, reepje; —dy = uit brokken bestaande; —less.
Shrew, šrû, subst. helleveeg, manwijf; spitsmuis; —-mole = Amer.
waterrat; —-mouse = spitsmuis; —ish = twistziek, lastig; subst.
—ishness.
Shrewd, šrûd, sluw, listig, loos, scherpzinnig, vinnig, lastig,
netelig; —ly = buitengewoon, kras; —ness = sluwheid, etc.
Shrewsbury, šrûzbri, šrouzbri.
Shriek, šrîk, subst. gil, schel geluid; — verb. gieren, gillen: To give
(utter) a —; —s of laughter; He —ed out: “Murder” = hij gilde: “moord”;
—er.
Shrift, šrift, biecht, absolutie.
Shrike, šraik, klauwier, wurger.
Shrill, šril, schel, snerpend; — verb. gillen, piepen, uitkrijschen,
een schel geluid geven; —-gorged = met snerpenden klank; —-tongued =
met schelle stem; subst. —ness; adj. —y.
Shrimp, šrimp, garnaal; dwerg; — verb. garnalen vangen; —er.
Shrine, šrain, subst. reliquieënkastje, grafteeken, altaar, heilige
plaats; verb. in een shrine plaatsen.
Shrink, šriŋk, subst. ineenkrimping (van vrees), samentrekking, plooi;
— verb. samentrekken, inkrimpen, rimpelen, terugdeinzen, ineenkrimpen,
huiveren: I — at the very thought = huiver bij; He did not — from the
task = deinsde niet terug voor; He shrunk into a recess = kroop in;
Shrinkage, vermindering, verlies: There were —s as living had become
more expensive = men moest zich bekrimpen; To allow a margin for — =
(fig.) er om denken, dat iets wel eens wat tegen kan vallen; —er:
Cowardly —er = lafaard.
Shrive, šraiv, biechten, absolutie geven: He —d himself = hij biechtte;
—r; —n, šriv’n, gebiecht.
Shrivel, šriv’l, krimpen, rimpelen, verschrompelen: —led with age =
gerimpeld.
Shroff, šrof, O.I. bankier of wisselaar; ook verb.; —age = onderzoek
van munten; commissieloon aan wisselaars.
Shroud, šraud, subst. kleed, kleederen, dekkleed, lijkwa, omhulsel,
beschutting (—s = want, scheepst.); — verb. omhullen, verbergen, in een
doodskleed wikkelen, zich verschuilen: He —ed himself from danger =
beschutte zich tegen; —less.
Shrove, šrouv, imperf. van to shrive.
Shrove, šrouv, vasten: — Sunday; —tide = vastentijd; — Tuesday:
Shroving = vasten(avond)feesten.
Shrub, šrɐb, subst. heester, struik; vruchtenlimonade vaak met
spiritualiën, bijv. Rum —; —s = zandgoed (tabak); —bery =
heesteraanleg, boschje; —by = vol heesters, heesterachtig; —less =
kaal, zonder struik of heester.
Shrug, šrɐg, de schouders ophalen; ook subst.: To give a —.
Shrunk, šrɐŋk, imperf. en part. perf. van to shrink; —en = gekrompen,
verwelkt, dor.
Shuck, šɐk, schaal, bast, dop, bolster; — verb. doppen; —s = onzin,
malligheid.
Shudder, šɐdə, subst. beving, huivering; — verb. huiveren, trillen,
sidderen: To give a person (the) —s = doen huiveren.
Shuffle, šɐf’l, subst. geschuifel, schuifelende gang, schudden,
uitvlucht; — verb. voortschuiven, schuifelen, voortduwen,
dooreenschudden, wassen (van kaarten), mengen, uitvluchten zoeken,
sloffen, schuifelend loopen: The usual — of responsibility = ontwijken
der verantwoordelijkheid; He —d away my card = heeft weggemoffeld; I am
glad I —d him off = dat ik van hem af ben; Everything was —d up =
verward en haastig bijeengegooid; —-cap = spel, waarbij geldstukken in
eene muts geschud worden; Shuffler = schuifelaar, bedrieger,
uitvluchtenzoeker; Shuffling, subst. voorwendsel, uitvlucht; adj.
schuifelend loopend, listig, uitvluchten zoekend.
Shun, šɐn, schuwen, vermijden, ontvlieden.
Shunt, šɐnt, subst. zijspoor, zijtak, het op een zijspoor brengen; —
verb. op een zijspoor brengen, rangeeren, omleggen, een andere richting
geven, wegzenden: He now gives you the — = stuurt je weg; The train was
—ed on to a siding = werd op een zijspoor gebracht; He —ed it on to me
= schoof het mij op den hals; —er = wisselwachter; —ing-engine =
rangeerlocomotief.
Shut, šɐt, sluiten, dichtdoen, dichtgaan: To — the door in a person’s
face = voor zijn neus; To — one’s eyes to (fig.); —-down = stilstand
van fabriek of werk; — in by enemies = omringd door; He must be — out =
buitengesloten; To — up = opsluiten; The umbrella won’t — up properly =
wil niet behoorlijk dicht; The road (passage) was — up = versperd,
gesloten; — up, Sir = houd je mond, vent; I — him up = snoerde hem den
mond; He pushed the door — with his foot = hij duwde de deur dicht;
Shutter = sluiter, luik, blind: Let’s have the —s up = zet de blinden
of luiken er vóór; To put up (take down) the —s.
Shuttle, šɐt’l, schietspoel (wevers), schuitje in een naaimachine;
Shuttle-cock = pluimbal, raket(spel) = Battledore and —: To play at — =
raketten.
Shy, šai, subst. worp, mik, tik, steek (fig.), zijsprong; adj. schuw,
schichtig, beschroomd, voorzichtig, wantrouwend; — verb. gooien,
slingeren, slaan naar, schichtig worden, afschrikken: Cocoa-nut — =
spel waarbij men met ballen naar kokosnoten gooit; Shall we have a — at
the gambling-table? = een kansje wagen; I had a — at the pheasant =
mikte en schoot op; I had two shies at the same exam (əgzam) = heb het
tweemaal geprobeerd; To be — of doing (telling) = niet recht durven: To
fight — of = angstig vermijden: Novelists should fight — of sensation =
zich onthouden van; We looked — upon it = zagen het argwanend aan; The
horse shied at a tree = werd schichtig; He shied at the weathercock =
gooide naar; — widow = een gezelschapsspel; —ness; —ster = schurk,
beunhaas (Amer.).
Siam, saiam, sîâm, Siam; —ese, saiəmîz, saiəmîs, van S., Siamees.
Siberia, saibîriə, Siberië; —n = Siberisch; Siberië.
Sibilance, Sibilancy, sibil’ns(i), het hebben van een sissend geluid;
Sibilant, sibil’nt, subst. sisklank; adj. sissend; Sibilation,
sibileiš’n, het sissen, sisklank.
Sibyl, sibil, Sybille, profetes; Sibylline, sibil(a)in, Sybillijnsch,
profetisch: — Books.
Sic, sik, zóó, dus (staat het er).
Siccate, sikeit, drogen; subst. Siccation; Siccative, sikətiv, subst.
en adj. opdrogend (middel); Siccity, siksiti, droogte, schraalheid.
Sice, sais, zes: — point = alle zes (dobbelen).
Sicily, sisili, Sicilië; Sicilian, sisilj’n, Siciliaan(sch): — Vespers.
Sick, sik, ziek, misselijk, zwak, moede (fig.), verlangend (for): — at
the stomach = misselijk; He feels — at heart = mistroostig, droevig
gestemd; I am — of delays = moe; — of life; — of them; — for love; To
get — for a strange face = vurig verlangen naar; He is — to death =
doodziek; I am as — as a horse = zoo misselijk als eene kat, ziek als
een hond; It makes me feel — = ’t walgt me; —-bay = ziekenboeg; —-club
= —-fund; —-bed; —-fund; —-headache = migraine; —-leave = verlof voor
ziekte; I am on the —-list = ik ben patient; —-nurse; —-room; Sicken =
ziek worden, kwijnen, walgen, ziek (misselijk) maken: Charlie is —ing
for the measles = heeft onder de leden; All my joy —ed into sorrow =
werd vergald tot; This has —ed me of soldiering for life = mij voorgoed
doen walgen; —ish = eenigszins ziek of misselijk; subst. —ishness. Zie
Sickly.
Sickle, sik’l, sikkel; —-man = maaier, oogster.
Sickly, sikli, zwak, ziekelijk, ongezond, walgelijk: — constitution; A
— smell = walgelijke lucht; Sickness = ziekte, ongesteldheid,
misselijkheid: — Insurance = ziekteverzekering.
Side, said, subst. zijde, kant, rand, helling, oever, strand, buurt,
streek, partij, bluf, effect (biljart); — verb. de partij kiezen van,
zich scharen bij, het houden met (with); terzijde leggen: Blind — (Weak
—) = zwakke zijde, zwak; Bright — = lichtzijde; Dark — (Shady —); This
— up! = dit boven (op kisten); It is always best to err on the safe — =
men kan niet te voorzichtig zijn; Wrong — out = buitenste binnen; He
looks at the world from the wrong — = van den verkeerden kant; I felt a
pain in my — = pijn in de zij; On (At) your — = aan uwen kant; The
letters were placed on one —, and passed out of knowledge = ter zijde;
The driver walked on the near — of the horse = links van; He is my
uncle on (by) the father’s — = van vaderskant; Is my hat on one —? =
staat mijn hoed scheef; On both —s, on either — = aan beide zijden, aan
weerskanten; — by — = zij aan zij; To choose —s = zich verdeelen; To
put on — = zich “airs” geven; To put on too much — = zich te veel airs
geven; You have put too much — on = (den bal) te veel effect gegeven;
To present the best — to view = de beste brooden voor het venster
leggen; To take the, a — (—s) against, for = partij kiezen tegen, vóór;
I take no —s = kies geen partij; To thrust on one — = op zijde duwen
(ook fig.); They —d against, with the government = kozen partij tegen,
voor; —-arm = zijdgeweer; —board = buffet; —-box = zijloge; To hear
through a —-channel = van de buitenwacht vernemen; —-cut = zijkanaal,
zijweg; steek onder water; —-dish = entremets; —-door; —-glance = blik
ter zijde, zijdelingsche blik; —-issue = bijzaak; —-light =
zijlantaarn; —-piercing = hartverscheurend; —-saddle = dameszadel;
—-show = nevenhandeling; —-slip = het “slippen” van een fiets;
—-splitter = iets om je dood te lachen; —-table = schenktafel,
wandtafeltje; —-track = zijspoor; — verb. op een zijspoor brengen,
terzijde schuiven; —-view = gezicht van ter zijde; —walk = trottoir
(Amer.); —-wheeler = raderstoomboot; —-whiskers = bakkebaarden; —-wind
= zijwind: To hear by a —-wind = van de buitenwacht; —-wing = coulisse;
—d: A many —d man = veelzijdig ontwikkeld; —long, adj. en adv.
zijdelings(ch); —sman = beambte die den kerkvoogd terzijde staat;
kerkeknecht; —ways, —-wise = van ter zijde, schuin (tegenover).
Sidereal, Sideral, saidîr(i)əl, sterren....: — clock, — day, — hour, —
month; — year.
Siderography, saidərogrəfi, staalgraveerkunst.
Siding, saidiŋ, wisselspoor (v. treinen); To sidle = zich zijdelings
bewegen: He —d off to the door = ging met zijwaartsche beweging naar de
deur.
Sidmouth, sidməth; Sidney, sidni.
Siege, sîdž, subst. beleg(ering), bestorming; — verb. belegeren: To lay
— to = het beleg slaan om; To proclaim under a state of — = in staat
van beleg verklaren; To raise the — = opbreken; —-guns (-ordnance) =
belegeringsgeschut.
Sierra, sierə, bergketen: — Leone (lîounî); — Nevada (nivâdə).
Siesta, siestə, middagslaapje.
Sieve, siv, subst. zeef: To use a — for drawing water = To pour water
into a — = nuttelooze moeite doen.
Sift, sift, zeven, ziften, nauwkeurig nagaan, uitvragen: To — grain
from husk = To — the chaff from the wheat = het kaf van het koren
scheiden (fig.); To — to the bottom = grondig onderzoeken; To — out =
uitvorschen; —er.
Sigh, sai, subst. zucht; — verb. zuchten, smachten naar, zuchten om: To
draw (fetch, heave) a deep — = een diepen zucht slaken; To — for
(after) = smachten naar; —er.