Large, lâdž, ruim, groot, breed, omvangrijk, overvloedig,

veelomvattend, edel, pocherig: — conscience = ruim; As — as life =

levensgroot; To be in a — way (of business) = groote zaken doen;

Christendom at — = in ’t algemeen; A convict at — = ontvlucht

gevangene; A gentleman at — = die zijn eigen baas is; The public at — =

het groote publiek; The prisoners were (set) at — = waren (werden)

vrijgelaten; To talk at — = er maar op los; They are not tolerated at —

= mogen zich niet vrijelijk buitenshuis bewegen; The ship went (sailed)

— = zeilde voor den wind; —-boned = pootig; —-handed = hebzuchtig;

overdreven mild, verkwistend; —-hearted = grootmoedig; —-minded person

= met ruimen blik; grootmoedig; subst. —-mindedness; —n = groeien,

vergrooten; —ness = grootte, uitgestrektheid, grootheid.

Largess(e), lâdžəs, rijk geschenk, gave: To cry — = om een geschenk

vragen (wat door den minstreel werd gedaan).

Larghetto, lâgetou, Largo, lâgou, langzaam (muz.).

Largish, lâdžiš, vrij groot.

Lariat, lariət, subst. pikettouw, lasso; — verb. met een lariat vangen.

Lark, lâk, subst. leeuwerik, pretje, “lolletje”; — verb. leeuweriken

vangen; pret maken, streken uithalen, voor den gek houden: A — is

better than a kite = iets is beter dan niets; I am up to a — = heb wel

zin in een lolletje; If the sky falls we shall catch —s (there will be

catching of —s) = als de hemel valt hebben we allen eene blauwe

slaapmuts op; Don’t make a — of me = houd me niet voor den gek; —spur =

ridderspoor; —er = grappenmaker; —ish = —some = —y = van pret houdend,

lustig.

Larrikin, larikin, subst. vagebond, ruwe klant; —ism = herrie,

baldadigheid (Australië).

Larrup, larəp, afranselen.

Larva, lâvə, larve of pop; —l = tot eene larve behoorende; —te(d),

lâvit(id), verpopt; Larviporous, lâvipərɐs, larven voortbrengend.

Laryngeal, lərindžiəl, larindžîəl, Laryngean, lərindžiən, larinžîən,

strottenhoofd..; Laryngitis, larindžaitis, ontsteking van de larynx;

Laryngoscope, ləriŋgəskoup, keelspiegel; Laryngoscopy = onderzoek met

een keelspiegel; Larynx, lariŋks, luchtpijp, strottenhoofd.

Lascar, laskə, laskâ, Laskaar, Brit.-Ind. matroos op Europeesche

schepen.

Lascelles, ləselz.

Lascivious, ləsivjəs, wulpsch; subst. —ness.

Lash, laš, subst. slag (dun eind) van een zweep, zwiepende slag,

zweepslag, geeseling, sarcasme, schimprede; wimper; — verb. zweepen,

slaan, geeselen, doorhalen, hekelen, schimpen, vastbinden; He is under

the — of his wife = onder de plak; The horse gave a sudden — out =

begon plotseling achteruit te slaan; To — out = achteruit slaan; uit

den band slaan (fig.); —ing = sjorring (scheepst.); —ings = massa’s.

Lass, las, lâs, meisje, deern; —ie = jong meisje.

Lassell, ləsel.

Lassitude, lasitjûd, moeheid, matheid.

Lasso, lasou, subst. lasso; — verb. met een lasso vangen.

Last, lâst, subst. last; leest; volharhardingsvermogen; adj. laatste,

uiterste, geringste, jongstleden; — verb. duren, uithouden; To put

(set) (up)on the — = leest; Shoemaker, stick to your — = hou je bij je

leest; At — = ten laatste, eindelijk; At long — = ten langen leste; At

the — = op het einde, laatste oogenblik; He retained his wits to the —

= tot het laatste toe; — though not least = het laatste maar niet het

minste; The — century = vorige; The — event = de dood; Of the —

importance = van het grootste belang; To be on one’s — legs = ten einde

raad zijn; The affair is on its — legs = bijna uit, over; — night =

gisteren avond; He was in the — straits = lag op het uiterste; The —

Supper = l. Avondmaal; He breathed his — = blies den laatsten adem uit;

The — I saw of him = de laatste keer, dat ik hem zag; Shall I never

hear the — of it? = houdt dat dan nooit op? It will — his time = zijn

tijd duren; It would have —ed us out handsomely = we zouden er ruim

genoeg aan gehad hebben; —age = lading, laadruimte, vracht; —ing =

volhardend, duurzaam; subst. volharding, duur; soort stof; That is to

your —ing honour = strekt u eeuwig tot eer; —ingness = duurzaamheid;

—ly = ten slotte.

Latch, latš, subst. klink; — verb. met de klink sluiten; —-key =

huissleutel, lichter van de klink; For you the string of the — is on

the outside = gij zijt ten allen tijde welkom; The —-string is out = de

deur staat (voor iedereen) open.

Latchet, latšət, schoenriem.

Latching, latšiŋ, lijn waarmee de bonnet aan het gaffelzeil wordt

verbonden.

Late, leit, laat, vergevorderd, wijlen, overleden, ex-—, pas gebeurd:

The — Cabinet = het vorige ministerie; My — employer = mijn vroegere

patroon; The — king = wijlen de koning; Mr. N. — of her Majesty’s

service = eertijds in; You are five minutes — = vijf minuten ná uw

tijd; The train is an hour — = te laat; — in the day = (te) laat; Of —

days (years) = in den laatsten tijd, onlangs; The — rains have spoiled

the crops = de in den laatsten tijd gevallen regens; I have seen much

of him of — = in den laatsten tijd; I saw him —ly = onlangs; It did not

happen until very —ly = pas (onlangs); So —ly as February = nog in F.;

—ness = laatheid; —r on in the day = later op den dag; What’s the —st?

= wat is er voor nieuws?

Lateen, lətîn: —sail, driehoekig latijn- of emmerzeil; —yard = de ra

hiervoor (Middell. Zee).

Latency, leitənsi, verborgenheid; Latent, leit’nt, latent, verborgen:

Their steps awaked the — echoes in the house = de slapende echo’s; —

heat = latente warmte.

Lateral, latər’l, zijdelingsch, zijde - -.

Lateran, latər’n, Het Lateraan, het aan de Johanneskerk grenzende

paleis van den Paus: — councils = de in de kerk van St. Jan van

Lateraan gehouden synoden.

Lath, lâth, subst. lat; — verb, met latten bedekken of bespijkeren: He

is as thin as a — = zoo mager als een houtje; —-and-plaster = van

bepleisterde latten; —-work; —y = (zoo) dun (als eene lat), van latten

gemaakt.

Latham, leith’m.

Lathe, leidh, draaibank.

Lathee, latî, lange, met ijzer beslagen stok (Brit. Ind.).

Lather, ladhə, subst. zeepsop, schuim; — verb. inzeepen, schuimen, met

schuim bedekken (bedekt worden), afranselen.

Laticostate, latikostit, met breede ribben.

Latidentate, latidentit, met breede tanden.

Latifoliate, latifouliit, Latifolious, latifouliəs, met breede

bladeren.

Latimer, latimə.

Latin, latin, subst. Latijn, Romein, lid der R.K. kerk; adj. Latijnsch,

Romeinsch: — Church = Roomsche Kerk; — cross = kruis (symbol); — races

= Franschen, Spanjaarden en Italianen; — union = muntconventie tusschen

Frankrijk, België, Italië, Zwitserland en Griekenland; —ism =

Latinisme; —ist = Latinist; Latinity = zuiver Latijnsch idioom,

gelatiniseerde Engelsche uitdrukking; —ization = verlatijnsching; —ize

= Latijnsche vormen of uitgangen geven, Latijnsche woorden en

spreekwijzen gebruiken; aan den Pauselijken Stoel onderwerpen.

Latitude, latitjûd, breedte, breedtegraad, hemelstreek, ruimte, omvang,

onbepaaldheid, onnauwkeurigheid, vrijheid, speelruimte, ruimte van

opvatting, afwijking; Latitudinal, latitjûdin’l, breedte..;

Latitudinarian, latitjûdinêriən, onbeperkt, vrij, vrijzinnig,

verdraagzaam; subst. vrijzinnige; —ism, latitjûdinêriənizm =

vrijzinnigheid.

Latrine, lətrîn, privaat.

Latten, lat’n, subst. messing: ook adj.; —-brass = messingblik; —-wire.

Latter, latə, laatste (van twee), nieuw, pas gebeurd: — end = slot,

stervensuur; achterste; In his — years = lateren tijd; —-day Saints =

geestdrijvers uit Cromwell’s tijd, die zich alléén onderdanen van Jezus

noemden, en eene vijfde groote monarchie (na die van Assyrië, Perzië,

Griekenland en Rome) onder Jezus verwachtten; de Mormonen; The —-day

lights of London = de Londensche sterren (op tooneel- en ander gebied)

van den laatsten tijd; —math = nagras, etgroen; —ly = onlangs, in den

laatsten tijd.

Lattice, latis, subst. open lat- of traliewerk; — verb. van traliewerk

voorzien; —-pew = kerkbank met traliewerk; —-window; —-work.

Laud, lôd, subst. lof, loflied, hymne; —s = de Lauden, het tweede der

kerkelijke getijden; — verb. lofzingen, prijzen; —able = lofwaardig,

prijzenswaardig; gezond; subst. —ableness; —ation, lôdeiš’n, lof;

—atory, lôdətəri, lovend, prijzend; —atories = lofrede.

Laudanum, lôdənɐm, lodənɐm, laudanum.

Laugh, lâf, subst. lach, gelach; — verb. lachen: Till you have had your

— out = tot je uitgelachen bent; Those — best, who — last = wie ’t

laatst lacht, lacht het best; He —ed his consent = gaf lachend zijn

toestemming; He —ed at me = lachte mij uit; He —ed outright in (to) my

face = lachte mij royaal in het gezicht uit; He —ed in his sleeve = in

zijn vuistje; He —ed on the wrong side of his mouth (face), ook: He —ed

on the other side (corner) of his mouth = lachte als een boer, die

kiespijn heeft; To — one out of = iemand ergens van afbrengen, door het

bespottelijk te maken; He —ed my proposal to scorn = hij versmaadde

mijn voorstel: —-and-lie-down = een soort kaartspel; —able =

lachwekkend, belachelijk; subst. —ableness; —er = lacher, lachduif;

—ing: It is no —ing matter = ’t is geen gekheid; —ing-gas = lachgas;

—ing-stock = voorwerp v. bespotting, mikpunt van spotternij; —ter =

gelach: To break out into fits of —ter = in lachen uitbarsten; I could

not contain my —ter = mijn lachen niet houden; To shake with —ter; She

looked at me with —ter-brimming eyes = met stralende oogen.

Launce, lâns, lans; zand-aal.

Launcelot, lansəlot; Launceston, lâns-t’n.

Launch, lônš, lânš, subst. het van stapel (laten) loopen; barkas,

motorboot: Electric (Steam-)— = motorboot (stoombarkas); — verb.

slingeren, werpen, doorboren, van stapel (laten) loopen,

vooruitschieten, in zee steken, uitweiden over, iets nieuws beginnen;

I’m —ing out a bit = neem het er eens van; I was —ed upon (into) the

world when quite young = de wereld ingezonden; We —d a boat = streken;

The ship was —ed = werd te water gelaten; He —ed an ultimatum = zond

een ultimatum.

Launder, lôndə, lândə, waschtrog voor erts; Laundress, lôndrəs,

lândrəs, waschvrouw; vrouw, die de in de Inns of Court op kamers

wonende heeren bedient; Laundry, lôndri, lândri, waschhuis; —-maid =

waschmeisje.

Laura, lôrə, Laura; soort monnikendorp onder ’t opzicht van een

Overste.

Laureate, lôri-it, gelauwerd; gelauwerde; — verb. (lôrieit) lauweren:

Poet — = Eng. hofdichter; —ship = ambt van hofdichter.

Laurel, lôr’l, lor’l, laurier, lauwerkrans: You may sleep on your —s =

op je lauweren rusten; To win —s.

Laurence, lôr’ns.

Lauwine, lôwin, lawine.

Lava, lâvə, lava.

Lavation, ləveiš’n, wassching, reiniging; Lavatory, lavətəri,

wasschend, wasch - -; subst. waschvertrek, wassching, toiletkamer,

retirade: Ladies’ (Men’s) — = toilet; — carriages = rijtuigen met

retirade.

Lavender, lav’ndə, subst. lavendel; adj. zacht lila: To lay (up) in — =

in lavendel leggen; zorgvuldig bewaren, met lavendel parfumeeren; in de

gevangenis werpen, naar den lommerd brengen.

Laver, leivə, eetbaar zeewier; waschbekken.

Laverock, lavərək, leeuwerik.

Lavic, lâvik, lava-achtig, lava - - -.

Lavish, laviš, adj. verkwistend, kwistig; — verb. verkwisten,

verspillen: He —ed his bounties on all around him = gaf kwistig aan; To

— oneself on = zich verslingeren aan; —er = verkwister; subst. —ness.

Law, lô, subst. wet, recht, proces, rechtswetenschap, voorsprong

(jachtterm), tijd, speelruimte: The Rejoicing of the — = Vreugde der

Wet: The Scrolls of the — = wetsrollen; He is a student in — = studeert

in de rechten; To be at — = in proces liggen; The fox was given a — =

liet men een voorsprong nemen; To go to — = gaan procedeeren; I will

have the — of you = zal je vervolgen; To take the — into one’s own

hands = zich zelf recht verschaffen; You must not sin against the —s of

honour = niet zondigen tegen; — of exchanges = wisselrecht; — of

insurance against sickness and accident = ongevallenwet; —s of nations

= volkenrecht; —-abiding = ordelievend; —-binding = lichtgeel leeren

band; —book = wetboek; —-breaker = wettenschender; —-court =

gerechtshof; —giver = wetgever; —-latin = advokatenlatijn; —-lord = een

Peer, die een hoog rechterlijk ambt bekleedt; —maker = wetgever;

—-merchant = handelsrecht; —-monger = beunhaas; —-officer = dienaar der

wet; —-stationer = verkooper van schrijfbenood. voor gerechtsh. etc.;

copiïst van gerechtelijke acten en documenten; —suit = proces,

rechtsgeding; —-writer = copiïst van acten; juridisch auteur; —ful =

wettig, rechtmatig; subst. —fulness; —less = wetteloos, onwettig,

woest, losbandig; subst. —lessness; —yer = wet- of rechtsgeleerde,

advocaat; schriftgeleerde; stok: A Penang —yer weighted with lead; Sea

—yer = een matroos, die den mond vol heeft over alles wat hij niet

verplicht is te doen.

Law(s), lô(z), goeie genade (verbastering van Lord).

Lawn, lôn, grasveld; fijn kamerdoek, batist; —-mower = tuinmaaimachine;

—-sleeves = batisten mouwen der bisschoppen; bisschoppen (iron.);

—-tennis = een raketspel; —y = van batist, doorzichtig.

Lax, laks, los, slap, laks, slordig, loslijvig; —ative, laksətiv,

laxeerend; laxeermiddel; —ity = losheid, laksheid, slordigheid: — of

the bowels = loslijvigheid.

Lay, lei, imp. van to lie = liggen.

Lay, lei, subst. lied, ballade; richting, ligging, bocht; winstaandeel

(Amer.), werk; adj. leeken ...; — verb. leggen, dekken, neerwerpen,

neertrappen, lesschen, doen liggen, stillen, doen bedaren, bannen,

uitspreiden, beleggen, aanleggen, aangaan, richten, enz.: They were on

the same — as myself = hadden hetzelfde plan; Anything on the — here? =

iets aan de hand? —-by = ligplaats; —-days = (toegestane) ladings- en

lossingsdagen; —-brother = leekebroeder; —-clerk = leek, die de

“responses” leest in de kerk, of in colleges; —-down = dutje; —-down

collar = liggende boord; —-elder = ouderling (in de Presbyteriaansche

kerk); —-figure = ledepop; —man = leek, oningewijde; ledepop; —-out =

aanleg, uitrusting; They laid the guilt at my door = schoven op mij; To

— by the heels = inrekenen; That was laid to my charge = mij ten laste

gelegd; To — to heart = ter harte nemen; To — breakfast = klaar zetten

voor (dekken); To — a cable; To — the cloth = dekken; The rain has laid

the dust = het stof neergeslagen; To — a ghost = een spook voorgoed

doen verdwijnen, bezweren; I cannot — my hand upon it = niet vinden; He

laid hands upon himself = sloeg de hand aan zich zelf; They laid their

heads together = staken de koppen bij elkaar; To — hold of =

vastgrijpen, aanpakken; To — a plot against = samenspannen; To — siege

to = het beleg slaan voor; To — the table = dekken; To — a wager = een

weddingschap aangaan; He was laid low = hij (stierf en) werd begraven;

They laid themselves open to chaffing = lokten het uit, om hen voor den

gek te houden; To — waste = verwoesten; He laid about him with his

cudgel = sloeg om zich heen met; To — aside = ter zij leggen, opsparen;

He laid his work before the public = maakte zijn werk publiek; To — by

= ter zij leggen, bewaren; I would — down my life for him = zou willen

geven; To — down the law to = de wet stellen; To — down a plan =

opmaken; To — down reasons = aanvoeren; To — down as a rule =

vaststellen; To — down the keel of a ship = de kiel leggen, op stapel

zetten; To — in = verzamelen, vergaren; — on = sla toe; To — on gas,

water to a house = gas- of waterleiding aanleggen; To — on dogs = op ’t

spoor brengen; To — the blame on = de schuld geven; You — it on rather

thick = gij overdrijft niet weinig, gij werkt met sterke kleuren; To —

out a garden = aanleggen; The expedition was laid out = op touw gezet,

voorbereid; I have laid out my pocket-money in a watch = heb voor mijn

zakgeld gekocht; They laid out the corpse = legden af; He laid himself

out to turn a penny = beulde zich af, spande zich in om; It was laid

over with rust = geheel bedekt; The ship was laid to = bijgelegd; To —

to heart = ter harte nemen; I hope you will — it to old age =

toeschrijven aan; To — under water = onder water zetten; To — a person

under an obligation = aan zich verplichten; He was laid up with the

rheumatism = lag te bed met; To — up = bijleggen, voor anker gaan

liggen, rust nemen, opsparen, opleggen (scheepst.); —er, lêə, laag,

bed, aflegger of loot; richter, leghen, bookmaker; — verb. stekken;

gaan liggen; —er-out = lijkbezorger, aflegger; —er-up = verzamelaar;

—ing = het leggen, de gelegde eieren, oesterbank: A hen past —ing = die

niet meer legt; The —ing on of hands = (kerkelijke) bevestiging door

handoplegging.

Layard, leiəd.

Lazar, leizə, melaatsche; Lazaret(to) = pesthuis, hospitaalschip,

quarantaine-plaats; bergplaats voor provisie op schepen; Lazarus,

lazərɐs.

Laze, leiz, lummelen.

Laziness, leizinəs, subst. v. Lazy, leizi, lui, vadsig: A — morning =

morgen om niets te doen; He is a —-body (-bones, -boots) = luiwammes;

—-tongs = een soort tang, die saamgedrukt zich verlengt.

Lazzaroni, lazərouni.

Lea, lî, vlakte, weide, landouw; adj. braak.

Leach, lîtš, subst. loog, loogvat; — verb. uitloogen; —-tub = loogvat.

Lead, led, subst. lood, metaalplaatje tot het scheiden der regels bij

het drukken; plat, met lood bedekt dak (steeds meervoud); plombe

(zegellood), peillood, potlood; adj. looden; — verb. met lood bedekken

of bekleeden, plombeeren, door metaalplaatjes afscheiden: White — =

loodwit; My room is under the —s = het met lood bedekte dak; A widely

—ed volume = boek met veel wit op de bladzijden; —-ash(es) = loodasch;

—-colic = loodkoliek; —-foil = bladtin; —-glance = loodglans; —-line =

loodlijn; —-pencil = potlood; —-poisoning = loodvergiftiging; —sman =

matroos die het peillood ophaalt; —works = loodhut; —ed = in lood

gevat, ook = separated by leads (= ver uiteen gezet); —en = van lood,

loodkleurig, loom, dom, dof: —en pills = “blauwe boonen”, geweerkogels.

Lead, lîd, subst. voorgang, leiding, voorhand, eerste plaats, hoofdrol;

— verb. leiden, vooropgaan, den weg wijzen, de leiding hebben,

aanvoeren, aan het hoofd staan, dirigeeren, eerste stem of viool

spelen, uitspelen, eerst spelen, enz.: They would not follow that

statesman’s — = hem niet als leider volgen; He is now playing — at the

Savoy = hij speelt nu de hoofdrollen in het S.-theater; To take the — =

de leiding nemen, de eerste viool spelen; He led me to expect it =

spiegelde me voor; I was led to regard him as a noble fellow = men

hield mij altijd voor, dat....; He led my sister to the altar = voerde;

You have led us a pretty dance = heel wat last op den hals gehaald; He

—s them a dog’s (a pretty sort of) life = zij hebben een hondenleven

bij hem; Will you — the way? = voorop gaan? To — along = (voort)leiden;

To — astray = op een dwaalspoor of den verkeerden weg (fig.) leiden; To

— away = wegleiden; The manager will — off with Hamlet = zal het

seizoen openen met; He —s off with some good verses in that periodical

= begint het nummer met; I led off on that subject = bracht het gesprek

erop; The girl led him on = hield hem aan ’t lijntje; She led the

conversation round to her son = bracht het gesprek op; This measure led

up to success = leidde tot; —er, subst. (ge)leider, gids, chef,

aanvoerder, orkestmeester, eerste viool, voorste paard, hoofdartikel: I

stood at the —er’s head, and my groom at the wheeler’s = bij het

voorste paard; —er-writer = schrijver van hoofdartikels; —erette, klein

hoofdartikel; —ership; —ing article = hoofdartikel; —ing counsel =

voornaamste advocaat in een proces; —ing fashion = heerschende mode;

—ing lady = de actrice voor hoofdrollen; —ing part = hoofdrol; —ing

question = een vraag waarbij men ’t antwoord als ’t ware in den mond

legt (Jur.); He is dangling at his wife’s —ing-strings = loopt aan den

leiband van; He is in —ing-strings = is de marionet van anderen; —ing

word = slagwoord; Men of —ing = toonaangevers, leiders.

Leaf, lîf, subst. blad, vizierklep, helft van eene porte-brisée; —

verb. bladeren krijgen: The fall of the — = de herfst; To burst into —

= bladeren krijgen; He took a — out of my book = hij heeft mij

nagevolgd; Don’t turn down the — = maak geen ezelsooren; You will have

to turn over a new — = zult een ander leven moeten beginnen, u moeten

beteren; The examples were given over— = op de andere pagina; —-bridge

= soort van ophaalbrug; —-bud = bladknop; —-fall = het vallen der

bladeren; —-gold = bladgoud; —-green = bladgroen; —-lard = bladreuzel

van varkens niervet; —-louse = bladluis; —-metal = klatergoud; —-mould

= verrotte bladeren als mest; —-silver = bladzilver; —-table =

klaptafel; —age = loof; —ed = bebladerd; —iness; —less = bladerloos;

subst. —lessness; —let = klein blad, tractaatje, blaadje; —y =

bebladerd.

League, lîg, subst. verbond, verdrag, verbintenis; mijl; — verb. zich

verbinden, een verbond aangaan; —r = bondgenoot; legerplaats,

belegering; — verb. belegeren.

Leak, lîk, subst. lek; — verb. lek zijn; lekken, doorlaten: To spring a

— = een lek krijgen; Nothing has —ed out yet = er is nog niets

uitgelekt; —age = lekkage, verlies, vermindering; —iness = lek zijn; —y

= lek; praatziek, babbelzuchtig.

Leal, lîl, trouw, loyaal.

Leamington, lemiŋt’n.

Lean, lîn, mager, dun, schraal, onvruchtbaar, onbeteekenend; subst.

mager vleesch; —-faced = met mager gezicht; —-witted = flauw,

afgezaagd; —ness = magerheid.

Lean, lîn, leunen, scheef staan, overhangen, neigen (ook fig.); subst.

schuine stand: On the — = scheef; All his faults — to the side of

virtue = hij heeft de gebreken van zijne deugden; —ing = scheef; subst.

overhelling, neiging; —-to, adj. leunend tegen of gesteund door: A —-to

(building) = gebouw, waarvan de balken weer op een ander gebouw

steunen, aanbouw.

Leap, lîp, subst. sprong, sprongwijdte; — verb. springen, springen

over, opspringen, dekken, laten springen: A — in the dark = sprong in

het duister; The consumption of Lemon Squash went up by —s and bounds =

nam kolossaal toe (eig. met groote sprongen); He —s the most difficult

passages = springt heen over; Can you — this wall = over dien muur

springen? He —ed in the saddle = hij sprong in het zadel; His heart is

ready to — into his mouth = hij is buiten zichzelve van vreugde; I’m

ready to — out of my skin = dat is om uit je vel te springen; —-frog =

haasjeover; springkikker; —-year = schrikkeljaar; —er = springer,

springpaard; —ing-pole = polsstok.

Leapt, lept, P. Imp. en P.P. v. to leap.

Learn, lɐ̂n, leeren, vernemen: I will — it by heart = van buiten leeren;

He would not — by the lessons of experience = niet van de ondervinding

leeren; He is —ed in that matter = knap in; He will never — wit = hij

wordt nooit wijzer; A fool may — a wise man wit = een wijze kan van een

dwaas nog leeren; —ed = geleerd, ervaren; —er = leerling, scholier,

beginneling; —ing = geleerdheid, wetenschap.

Learnt, lɐ̂nt, P. Imp. en P.P. v. to learn.

Leasable, lîsəb’l, verhuur-, of verpachtbaar; Lease, lîs, subst.

verhuring, verpachting, pacht, huur, pacht-, of huurcontract, pacht-,

of huurtijd, duur; — verb. (ver)huren, (ver)pachten: Building —s =

bouwpachtrechten; His — of life = levensduur; We hold this house on a

twenty years’ — = wij hebben 20 jaar huur aan dit huis; To let by (out

on) — = verhuren, verpachten; To take on — = huren, pachten; You have

taken a new — of your life = je hebt weer ingehuurd (kunt weer een

tijdje mee); —hold, subst. pachthoeve; adj. gepacht; —holder = pachter.

Lease, lîz, weide, meente; — verb. lezen (van aren).

Leash, lîš, subst. koppel, leeren riem, drietal (bij jacht), band; —

verb. aan een koppel leiden, koppelen.

Least, lîst, minst, geringst, kleinst: At — = ten minste; At (the) — =

op zijn minst; Not in the — = hoegenaamd niet; — of all = in ’t

allerminst; — said soonest mended = hoe minder er van gezegd hoe beter;

—ways (wise) = minstens, ten minste.

Leat, lît, molenvliet; kruising van wegen.

Leather, ledhə, subst. leer of leder, huid, (voet)bal; ook adj.; —

verb. met leer bekleeden; er op los slaan, ranselen: Nothing like — =

niets gaat boven mijn waar (boven wat ik aanprijs); To ride hell-for-—

= spoorslags; To lose the — = zich doorrijden of loopen; —s = leeren

broek (slobkousen); She may — away till Christmas = er op ranselen zoo

lang als ze wil; The drum was —ing away to his heart’s content = sloeg

er naar hartelust op los; —-apron = schootsvel; —-belt = drijfriem;

—-coat = goudrenet; —-dresser = leerbereider; —-merchant = leerkoopman;

—ette = imitatieleer; —n = lederen, taai; —y = leerachtig, taai: —y

toast.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 65 / 141 段